stoel
 
 

Navigatie

de voorplecht
louter proza
louter poëzie
liaisons
nostalgie

colofon/contact





Dankbaar

Uitgelogd

Huishoudelijk

5 oktober 2005

Advertentieboer webstats4u, voorheen nedstat, kan de vinketering krijgen. Vanaf vandaag verdwijnt deze teller, de bezoekcijfers zijn bewaard voor het nageslacht en voortaan tellen we verder met Awstats. Koffiebonnen kunt u ophalen bij Tante Miep.

 

De Daghap

Donderdag, 14 Mei 2015
Da’s alles.

Op een dag was alles weg. Hij had helemaal niets meer. Geen kinderen, geen vrouw, geen baan, geen huis, geen geld. Slechts een lichaam en de kleding die het droeg waren er.

Dat, waar hij zo bang voor was, was hij geworden. Dat waar hij zo bang voor was en waar hij als een in de koplampen kijkend konijn op een snelweg niet voor uit de weg was gegaan.

Er was geen verdoving meer nodig. Alle angst, wanhoop en pijn waren weg namelijk. Eigenlijk had hij zich al heel erg lang niet meer zó goed gevoeld.

“Goed, dat gaan we dus nooit meer doen.” nam hij zich voor.

Sindsdien is hij gelukkig en hoopt hij dat hij nog lang leeft.

door Lennard [ link ] elf bijdragen

Zondag, 10 Mei 2015
Altijd lente

Zij lacht naar mij. Ik niet naar haar. Toch een tikje nerveus wegens het trekken van een verstandskies. De verdoving werkt. Ze loopt van me weg naar een andere ruimte. Mooie vrouwen lijken altijd mooier in zo’n medisch uniform. Wit met hier en daar wat blauwe afwerking. Dunne witte stof.

Ik lig achterover en de tandarts vertelt me dat hij m’n tandvlees wat wegdrukt om beter bij de kies te kunnen. Met hetzelfde stuk gereedschap gaat hij half onder de kies. Tenminste, dat lijk ik te voelen. Mijn vermoeden blijkt te kloppen als hij zegt: “Kijk Carlijn, dit is ideaal, dit scheelt een hoop gewrik”, terwijl ik voel hoe hij met z’n instrument mijn kies begint te lichten. De wortel die loskomt uit de kaak maakt in mijn hoofd een akelig krakend geluid. Ik sluit mijn ogen even.

Het wrikken stopt en ik zie Carlijn geïnteresseerd in mijn mond kijken. Carlijn is mooi om te zien. Carlijn draagt een licht paarse BH. Ik kijk in haar uniform en zie haar borsten gevangen in haar BH terwijl het uniform er geen contact meer mee heeft. Dan komt de tang en kraakt het weer even. Langzaam verspreidt zich een aangename warmte in mijn mond. Bloed. Ik proef het. De smaakzin wordt niet aangetast door de verdoving. Leerzaam.

“Carlijn, doe maar een gaasje”. De tandarts vertrekt en zij pakt een gaasje. Ik heb een oog voor harde tepels. Dus ook hier zie ik ze meteen door het dunne witte stofje heen. Mooie Carlijn heeft harde tepels in haar licht paarse BH. Voor mij is dat al genoeg om mijn mechanisme van mannelijkheid aan te zwengelen.

Daar lig ik dan met een bloedend gat in mijn mond naar haar te kijken, overduidelijk gecharmeerd van haar fysieke aanwezigheid. Door haar aan te kijken terwijl ze met gaasje naar me toe komt hoop ik haar blik van mijn kruis af te houden. Het lukt me echter niet om haar aan te blijven kijken. Onwillekeurig dwaalt mijn blik voor een fractie van een kleine tijdseenheid naar haar kruis af. Niet bewust, mannen schijnen dat altijd te doen.

Ze ziet wat ik niet wil dat ze ziet. Ze is verrast en laat pardoes het gaasje uit de verpakking vallen. Ze ziet het gaasje op mijn broek landen en er volgt een overtuigd “Fuck!”. Tegelijk willen we het gaasje pakken. Mijn hand raakt haar hand en samen raken we de bolling in mijn broek.

“Sjeesus”, probeer ik uit mijn verdoofde mond. Mijn rode hoofd klopt nu waarschijnlijk harder dan dat andere hoofd. Gehaast stopt ze het gaasje in mijn mond. Met een gezonde blos op haar wangen en warempel een bijna glimlach krijg ik instructies: “Een halfuur de kaken op elkaar en niet te veel inspannen. Dan stopt de bloeding het snelst. Heb je al een afspraak voor de volgende controle?”. Ik knik. Ik mag gaan. 

Als ik bij de balie nog even mijn volgende afspraak check, hoor ik een gillerig gegiechel uit de kamer achter mij. Ze heeft het haar collega’s verteld en die vinden het grappig.

Ik moet nog voor de lente op zoek naar een andere tandarts en assistente.

door LENNARD

afgestoft door

door Spencer Brandsen [ link ] vijftien bijdragen

Dinsdag, 21 April 2015
Lennard bij de Indianen.

Strijden lukte niet meer. Vluchten en overleven ging nog net.

Dus daar was ik met mijn rolkoffertje. Even aankloppen bij de Indianen. Nou ja, aankloppen, ik werd opgewacht door eentje op een paard, ver voor hun tentenkamp. Er was geen begroeting, slechts een uitwisseling van nieuwsgierige blikken. Ik werd alleen maar bekeken en hij reed mee terwijl ik doorliep. Na een meter of 100 kwam er een "Ugh!" uit me. Ik keek de verbaasde krijger op het paard aan en stak verontschuldigend mijn joint in de lucht. 

"Pssst, pssst." klonk het even later. Hij wees naar de joint en uit z'n gebaren dacht ik te begrijpen dat hij 'm wilde hebben.  Uiteraard paaste ik dat ding. Hij rook eraan en nam een hijs. En nog eentje. Daarna ughte hij terug, pakte een flesje uit z'n tas en gaf dat aan mij. Ik rook eraan. Vuurwater. Ik nam een slok, toen nog een slok en mijn ge-ugh daarna liet hem onbedaarlijk lachen. Of die joint natuurlijk. 

Daarna mocht ik achterop en gingen we naar zijn stam. Onderweg raakten de joint en het vuurwater op, maar dat kon de pret niet drukken. Nog nooit van m'n leven zo gelachen met een indiaan op een paard.

Terwijl we het dorp binnenreden werden we lachend begroet door zijn stamgenoten. Onderweg naar de grootste tent stond een chagerijnig wijf met de armen over elkaar boos naar ons te kijken. Achteraf bleek dat zijn vrouw te zijn. 

(Wordt misschien wel vervolgd.)

door Lennard [ link ] elf bijdragen

Donderdag, 16 April 2015
Hier gebeurt nooit iets

Hij probeerde me eens naar een museum te krijgen want, zei hij: er is meer dan bier en meiden. En hij vertelde van de Mona Lisa die in Parijs hangt en die geschilderd is door die Leonardo en dan vroeg ik of hij wel eens in Parijs geweest was, hoewel ik wel wist dat hij nog nooit in het buitenland was geweest want aan reizen deed hij niet.

Nee, zei hij dan. Alles wat ik van Parijs weet komt uit de boeken. Daar praatte hij ook graag over, over boeken. Ik ben niet zo'n lezer. Je werk goed doen en fatsoenlijk leven is belangrijker dan kunst, boeken en wetenschap. Dat kon hij niet begrijpen. Ouderwets gezeur, zei hij. Hij vond me veel te jong om zo ouderwets te zijn.

Hij zei vaak: daar heb je de aartsengel – vast vanwege mijn naam - weer met zijn meningen. Man, je bent gewoon een brok kapsones en dan lachte hij me uit. Maar dat vond ik niet erg. Vaak genoeg lachte ik hem uit. Soms, niet vaak, zeiden we niets tegen elkaar en dan werkten we gewoon naast elkaar zonder wat te zeggen maar die stilte was nooit vervelend. Dat je dacht ik moet wat zeggen maar ik weet niet wat.

Op een ochtend, een tijdje terug, liep hij te peinzen en toen vroeg ik, waar denk je aan, en hij zei, aan God en hoe het kan dat hij ons zo alleen laat. Ja wat moet je daar nou op zeggen? Ik zei: mijn vader zegt dat God in ieder van ons woont. O, zei hij en hij lachte een beetje. Zegt je vader dat, vroeg hij later. Ik knikte en toen zweeg hij weer. En ik ging er ook niet op door.

Mijn vader zei ooit eens tegen mij, het is een allenige man, je moet hem maar vaak op gaan zoeken. En dus nam ik m'n hengel mee en als ik dan klaar was met werken ging ik nog een poosje vissen. En dan kwam hij er vaak bij zitten en dan praatten we wat en keken we uit over de weilanden en het water. Dan zei hij wel eens: hier gebeurt nooit iets.

door T.M. SNOKMAN

[afgestoft]

door Spencer Brandsen [ link ] vijf bijdragen

Vrijdag, 3 April 2015
Zwerfvuil

De kuststad zonk langzaam in een bad van schemering. De maan droeg een halve sok en scheen vermoeid door de kale boomkruinen. Zwerfkatten kozen positie bij de haven. Honden werden van boom tot boom door de witglimmende straten gesleurd.

Vorig jaar is er in deze stad een nieuwe burgemeester gekozen. Hij had zijn electoraat beloofd om de stad weer veilig en schoon te krijgen. Daar mocht hij als burgervader op afgerekend worden. Daar zòu hij op afgerekend worden. Onder water stelde hij de verantwoordelijke diensten dan ook flinke beloningen in het vooruitzicht om deze belofte gestand te kunnen doen.

De mannen van de stadsreiniging, waren onderweg naar het laatste deel van hun shift. Nog 2 blokcontainers in het stadspark alvorens ze op retour konden richting de afsluitborrel met dikke soep. De verwarming van de wagen vocht voor wat hij waard was tegen de gure winterkou. Een mogelijke elfstedentocht beheerste al wekenlang het nieuws. De kalender gaf 'nog maar' half december aan.

De mannen, Rob en Peter, droegen dikke werkjassen met stevige gevoerde werkhandschoenen. Rob werkte bijna 19 jaar bij de stadsreiniging. Peter vierde vorige maand zijn 12,5-jarig dienstverband. Samen op dezelfde wagen reden ze nu alweer een jaar of 9. Ze waren vrienden geworden. Het vullis kende voor hen geen geheimen.

Eenmaal in het stadspark aangekomen leegden ze snel de containers. Het logboek werd afgetekend met een 'niets bijzonders'-krul en ze reden richting parkrand voor een sjekkie.

Onder het stotterende licht van een lantaarn werden er 2 Javaanse Jongens "drie-kwart" gedraaid. Hier zaten ze bijna elke namiddag aan het eind van de ronde. Even een rustpuntje pakken.

Het gebruikelijke gefoeter over de dure heren in de villa's tegenover het park werd dan afgewisseld met het terugkerende onderwerp; vieze sex met verboden meisjes.

Lachend vertelde Peter, voor de vierde keer inmiddels deze maand, hoe hij ooit de dochter van de baas, in al haar 16-jarige prilheid, volspoot met zijn warme mannen-yoghurt. Rob, wist dat hij overdreef. Zo oud kon ze nooit zijn.
Maar de dochter van de baas...
Rode vlechtjes. Volle lipjes. Bruine amandel-ogen met grote pupillen, prontje borstjes. Een vroegvolwassen kreng was het. En ze vroeg er wèl om. Stiekem fantaseerde Rob wel eens over haar frêle snoetje waar een douche van witte druppels niet zou misstaan. Haar kwetsbare slakje die eens flink opgeklopt moest worden. Tjah. Slakjes....

"We pakken het aan, Rob", besloot Peter. En hij schoot zijn peuk weg met zijn rechterwijsvinger.
Rob zuchtte en besloot zijn blaas te legen in de koude namiddagwind.

"Hmmmmmmm hmmmmmm hmmmmmm", humde hij. En schudde de laatste klevende druppels richting aardoppervlak. Tot zijn eigen tevredenheid had zich reeds een flinke dampende plas urine om zijn schoenen genesteld.

"Krijg nou de bloedtering!", schrok Rob hardop.
Twee benen met bruine legerschoenen staken uit het bosje.
Rob deinsde achteruit.

"Peter! Peeetûr!", brulde hij.
"D'r ligt hier een vent. Een zwerver zo te zien"

Peter stapte geërgerd uit de warmte van de reinigingswagen en liep richting Rob die opgewonden met zijn armen stond te zwaaien.

"Wat IS er, Rob? Heb je weer teveel van de huisgestookte gesnoept?"
Meteen schrok Peter.
"Godverdomme, dát ziet er overleden uit"

Allerlei procedures schoten door het vermoeide hoofd van Peter.
"Daar gaat de afsluitborrel met dikke soep"

Er viel een rustgevende stilte over het park, toen Peter zich richtte tot Rob.

"Denk jij wat ìk denk?"
Rob knikte.
"Ik wil die bonus, Rob."
Rob knikte.
"Ik kan het goed gebruiken, Rob"
Rob knikte.
"Pak jij hem bij de schouders, grijp ik zijn voeten"
Rob bukte.

Een kort moment later reden ze terug naar de remise.
Het geluid van de radio voluit zodat ze het gekraak van de pers niet hoorden.

"time and again I tell myself
I'll stay clean tonight
but the little green wheels are following me
oh no not again"


Het logboek bleef onaangeroerd.

door BICAT

uit de mottenballen gehaald

door Spencer Brandsen [ link ] vier bijdragen

Maandag, 9 Maart 2015
Een bouwterrein, Rotterdam, 14.06

Hé! Is iemand daar? Hé ik zit vast hier! Hé hallo? Hé verdomme!' Dit heeft geen zin. Ik ben zo schor dat ik mijn eigen stem niet eens hoor. Ik draai en wrik met mijn hoofd, maar het lukt niet. Het past niet. Ik huil en schop tegen de muur. Het haalt niets uit. Bloed loopt langs mijn rauw geschuurde hals in mijn shirt. Ik sla met mijn vuisten tegen de wand. Ik maak bijna geen geluid.

Mijn nek zit in een stalen lijst geschroefd, als in een middeleeuws schavot. Mijn hoofd steekt in een tienerslaapkamer met hardroze muren. De verwarming, de deuren en de ramen zijn eruit gesloopt. Alleen oude posters hangen nog aan de muren. Met plakband aan de muur geplakte tienerhelden staren me aan. Net zoals jij me aanstaarde, vroeger. Weet je nog? Je was een jaar of tien en je grote blauwe kijkers keken verwachtingsvol tussen de spijlen van de balustrade door, iedere keer als ik de trap op kwam. En als ik boven was lachte je naar me. En dan boog ik voorover en schudde je hand op en neer, zodat de bedeltjes aan je armbandje rinkelden.

'Hallo meneer de buurman! Hoe is het met jou?'

'Nu ik jou zie heel goed, meisje!’ En dan aaide ik je over je bol.

'Heb jij weer een tekening voor mij, buurman?'

'Ja lieverd! Heb jij er ook een voor mij gemaakt?'

'Ja buurman, een hele mooie!'

Dan lachte je je tandjes bloot en rende gauw naar binnen, je blonde vlechten zwaaiend op je rug. En dan wisselden we tekeningen uit. Een betere thuiskomst kon ik me niet wensen. Het lichtpuntje in mijn dag. Je was wel verwend, toen al. Je papa kocht zich arm aan je. Zilveren bedeltjes, gouden armbandjes, oorbellen... Hoe ouder je werd, des te meer goud en zilver hing er om je heen. Je kreeg gaatjes in je oren, de vlechten verdwenen. Je werd groot. De stroom tekeningen droogde op. „Hallo meneer de buurman!” verdween, „Buurman.” bleef over. Je klaterende lach werd een schaars en schor lachje.

Toen je zestien werd was je net zo lang als ik. Ik ben maar een klein mannetje. Je blauwe ogen keken niet meer in de mijne. Ik moest het doen met een vage zwaai van je hand in het voorbijgaan. Je blonde haar hing los, tot op je billen. Je was aan het uitdijen. Iets te snel, maar dat wist je niet. Je was trots op je lichaam zoals alleen jonge meisjes dat kunnen zijn. Je droeg strakke kleren en de pubers verzamelden zich voor onze portiek als wolven. Op een dag verdween ook het vage handgebaar en had je me officieel tot lucht verklaart. Dat deed pijn. Ik had je graag eens willen tegenhouden op de trap. Je in je ogen willen kijken om met diepe stem te vragen: 'Groeten we meneer buurman niet meer, lieverd?' Maar je zou me schouderophalend opzij geschoven hebben. Ik met mijn piepstemmetje. Ach, ik miste je. In de rosse buurt zocht ik naar meisjes die op jou leken; jonge Oost-Europese meisjes, met dezelfde achteloze kauwgombellenseks-uitstraling als jij. Hoe harder je mij negeerde, des te harder ik over je fantaseerde. Mijn slaapkamer hing vol met tekeningen van jou. Er zaten een paar hele ondeugende tussen.

Dat moest natuurlijk een keer misgaan. Ik werd gevraagd om een poster voor het jaarlijkse pleinfeest te ontwerpen. Tussen de blije gezichten van niet bestaande bewoners gleed als vanzelf het jouwe. Je knipoogde op de poster naar iemand die op mij leek. Ik zag het pas toen ik al klaar was en besloot het in een ongewoon dappere bui zo te laten. De feestcommissie merkte niets. De poster werd in alle portieken opgehangen. De volgende dag, toen ik thuiskwam van mijn werk, stond je me bovenaan de trap op te wachten. Je speelde met je lange blonde haar, je bedelarmbandje rinkelde. Je grote blauwe kijkers keken strak in de mijne.

'Ha meneer de buurman! Alles goed?' Je blies een roze kauwgombel en omdat je nonchalant over de balustrade hing zag ik de welving van je borsten in je topje. Het trappenhuis begon te draaien, ik pakte de leuning vast en voelde dat ik rood werd.

'Nu ik jou zie heel goed, meisje!' bracht ik uit. Je glimlachte, blies nog een roze klapkauwgombel en zoog hem naar binnen.

'Leuk dat ik op je feestposter sta, buurman!'

'Ja, haha, leuk hè? Nou ja, niemand heeft het gemerkt, toch?'

'Mijn pa loopt er over te mopperen, maar ik zeg tegen hem dat ik er niet eens op lijk.'

'Oh. Oké. Goed zo meid!' Je vader is bouwvakker en nogal breed. En hij mag me niet.

'Luister buurman, ik vroeg me af of je iets voor mij wilt doen?'

'Tuurlijk. Wat je maar wilt meisje.' Dat kwam er iets te gretig uit.

'Kom je even binnen, meneer de buurman?' Je nodigde me uit in je flat en liep voor me uit op mintgroene laarsjes met iets te hoge hakken. Ik kon mezelf niet helpen. Ik moest wel staren naar je billen die voor me uit wiegelden. Met een achteloze wijsvinger nodigde je me je kamer binnen. Ik betrad het hardroze heilige der heiligen. De zware geur van goedkope tienerdeodorant benam me bijna de adem. Ik probeerde rustig te blijven. Je roze muren waren bedekt met tienerhelden. Je stak een sigaret op en wees naar een kleine uitgeprinte foto boven je bed. Ik zag een jonge man met een motorjack en een lok zwart haar die over één oog hing. Zijn andere oog keek ernstig de camera in. Je haalde een hand door je lange haar en noemde zuchtend zijn naam. Alsof je het over God had, of de duivel.

'...Oh buurman ik ben echt helemaal stapel van hem! Maar hij is nog niet zo bekend. Dus er zijn geen goede posters van. Zou jij voor mij...' Je trok lang aan je sigaret en je boezem kwam omhoog in je roze topje. Ik wreef in mijn ogen en kuchte. Ik kreeg een idee.

'Jawel, dat wil ik best doen meisje. Maar dan wil ik hem wel precies goed ophangen. Weet je wat Feng Shui is? Als ik je held voor je uitvergroot op posterformaat wil ik hem samen met jou ophangen, zodat jij er optimaal van kunt genieten. Is dat goed?'

'Feng-watte?' Je keek moeilijk.

'Luister meisje, ik ga geen prachtige poster voor jou fabrieken en die dan door jou in een hoekje van je kamer laten proppen.'

'Oh oké, al goed. Wat moet je d'r voor hebben?' Je blies rook door je neusgaten en staarde naar je paarse nagels.

'Niets meisje, helemaal niets. Je hebt nog een tekening van me tegoed, weet je nog?' Daar was niets van waar. Maar je glimlachte. Je pakte een nagelvijl en sneed het fotootje voorzichtig los.

'Goed meisje. Ik maak hem... tien keer zo groot, oké?'

'Oh buurman, je bent echt de allerliefste!' Je boog je voorover en drukte je brandweerwagenrood geverfde lippen tegen mijn wang. Ik verslikte me, tranen liepen over mijn wangen. Je giechelde. Proestend blies ik de aftocht. Thuis vond ik een nogal expliciete tekening van mijzelf met jou onder mijn matras en bevlekte hem. Diezelfde avond nog begon ik aan mijn poster van je motorjongen. Ik gebruikte de software van mijn werk en vulde zijn gezichtsdetails met die van andere filmsterren in. Ik fotoshopte tot diep in de nacht, tot zijn knappe gezicht levensgroot tot in detail zichtbaar was.

De volgende dag op mijn werk kroop de tijd voorbij, ik kon nauwelijks wachten tot iedereen naar huis was. Toen printte ik mijn creatie uit. Het was een kunstwerkje, al zeg ik het zelf. Onderweg naar huis bij de elektronicawinkel kocht ik dozen vol video-apparatuur en een paar meter kabel. Eenmaal thuis bekeek ik de poster nog één maal kritisch. Hij was perfect. Ik ben tenslotte een vakman. Ik rolde hem weer op, liep mijn deur uit en belde bij je aan. Je deed dampend open, in een roze badjas met een handdoek om je hoofd. Ik rook badschuim, crème, vrouwelijkheid. Ik werd licht in mijn hoofd.

'Buurman?' Ik hervond mijzelf met enige moeite. 'Ik heb je poster hoor, meisje, hij is klaar!'

'Wat, nu al?’

”Ja! Wil je hem niet zien?'

'Euh... Jawel, natuurlijk. Kom binnen, ga zitten.' Je wees naar de bank en liep naar je kamer om je aan te kleden. Wat je aanhad toen je weer binnenkwam deed me bijna fysiek pijn: je liep op slippers, natuurlijk. Maar daarboven glansde een strakke zwarte legging, waar je buik een beetje overheen puilde. In je navel glinsterde een piercing met een diamantje. Boven je prachtige buikje hing een kobaltblauw truitje. Je kwam bij me staan, wreef je haar droog met een handdoek en wees met je elleboog naar de tekening. Ik zag de glanzende zachtroze onderkant van je BH-cups.

'Laat zien dan?' Ik rolde de poster uit op de salontafel. Je slaakte een kreetje en sloeg een hand voor je mond.

'O meneer de buurman hij is prachtig!' Je boog je voorover om je held beter te bestuderen. Je billen bolden in de legging. De aandrang om erover te aaien was zo sterk dat ik vlekken zag.

'Maar er... er is iets met zijn gezicht buurman?' Ik wist wel wat dat was. Je held was een heel klein beetje op mij gaan lijken. Per ongeluk.

'Iets? Wat dan? Geen idee. Kom, laten we hem snel ophangen meisje. Precies zoals het hoort. Feng-Shui!'

In je kamer had je al een paar posters weggeruimd. Ik pakte mijn meetlint uit mijn zak en mat exact de afstand vanaf de hoeken uit. We hingen je held op een precies door mij bepaalde plek boven je bed. Je hand raakte per ongeluk de mijne. Er ging een siddering door me heen. Je glimlachte.

‚Alles goed buurman?'

'Euhm… ja hoor. We zijn zo klaar.' Toen het ophangen klaar was stak ik mijn meetlint in mijn zak en veegde het zweet van mijn voorhoofd.

'Wil je nog een kopje koffie, buurman?'

'N... nee dank je wel, ik heb zo al genoeg van je gedronken, ik bedoel, euh...'

Je keek me met grote ogen aan. Ik ontdook de dankjewel-kus van je vochtige lippen en vluchtte naar mijn flat.

In het weekeinde sloeg ik mijn slag. Ik wist dat je naar je moeder was en hoefde alleen maar te wachten tot je vader naar zijn stamkroeg was. De exacte locatie had ik al uitgemeten op mijn slaapkamermuur. Ik zette de extra lange klopboor tegen het potloodkruisje op het beton en begon. De werk was relatief simpel maar zwaar. Naarmate ik dichter bij jouw kant kwam moest ik natuurlijk voorzichtiger werken. Ik kneep tubes vol superlijm leeg op de steeds dunner wordende muur, voor de stevigheid. Uiteindelijk werkte ik met een tandartskrabbertje. Ik slaagde erin een gat van ongeveer een centimeter doorsnee in de muur van jouw kamer te maken, precies achter het gezicht van motorboy. Door het papier heen zag ik dat ik perfect uitgekomen was: exact achter de iris van het oog dat niet door de haarlok bedekt was. Met een scherpe spijker duwde ik er voorzichtig een gaatje in, ter grootte van de pupil. Met het tandartskrabbertje trok ik de uitgestulpte papierrandjes naar binnen en verfde ze zwart met een fijn penseeltje. Daarna schoof ik een ontspiegelde pinhole-camera met microfoon het gat in en maakte ik alles voorzichtig dicht, zodat er geen licht binnenviel. De kabels, tv en randapparatuur had ik al aangesloten. Ik zette mijn televisie aan en stelde scherp. Het beeld was perfect. 'Het kost wat, maar dan heb je ook wat,' mompelde ik tegen mezelf.

Ik ging op de bank zitten, trok een zak chips open en genoot van het beeld van jouw meisjeskamer, dat in full color mijn huiskamer binnenkwam. Een handdoek, nat van jouw lijf, lag langzaam te drogen op je bed. Een tijdje later gleed een pak condooms van een berg kleren in je kast en viel op de vloer. Toen het avond en later nacht werd staarde ik in je donkere kamer. De lampjes van je stereootje weerkaatsen in de spiegel boven je wastafel. Ik hoorde hoe je vader dronken thuiskwam, stoelen omver liep en je naam riep.

Ook de volgende dag keek ik alleen maar buuv-tv. Ik probeerde de slogans op de covers van je tijdschriften te raden. Ik was zo gewend aan het stilleven van je kamer dat ik me rot schrok toen je binnenkwam. Je liep direct naar je bed, klom er op en ging recht voor de poster zitten. Je blauwe kijkers keken onderzoekend in mijn camera. Mijn hart sloeg een slag over. Shit. Maar toen sloot je je ogen en kuste het papier. Het rommelde in mijn luidsprekers. Ik haalde opgelucht adem. Je wilde alleen even een onderonsje met je droomprins.

Ik pakte de afstandsbediening van mijn DVD-recorder drukte op ‘record’. Je hand gleed over het papier, het ruiste en bonkte in mijn luidsprekers. 'Oei, wat ben je toch lekker!' fluisterde je. Mijn adem versnelde. Je sloot je ogen en zuchtte diep. Een wijsvinger verdween in je mond. Je vader riep. Je zuchtte en klom van je bed af. Je liet de deur openstaan en liep op je hoge hakjes naar buiten. Oh je billen. Ik hoorde eetgeluiden en drukte op rewind. Ik keek wel dertig keer hoe je wijsvinger in je mond verdween en je billen de kamer uit wiegelden. Toen stopte ik en wachtte geduldig tot je terug zou komen. Ik wilde niks missen. En na het eten kwam je weer op je mintgroene laarsjes naar binnen. Je deed de deur achter je dicht, draaide de sleutel in het slot en knielde op bed. Je veegde de verf van je lippen met een tissue en kustte het papier. Ik keek met open mond toe en vergat bijna op record te drukken. Je vingers gleden langs de door mij gefotoshopte gelaatstrekken. De vingers van je andere hand gleden naar je kruis. Je trok je truitje over je hoofd: ik zag een rood kanten behaatje in een iets te klein maatje. Je borsten puilden over de rand.  Je ging iets naar achteren zitten, stroopte je legging naar beneden en schoof je roze badstof slipje mee. Je was helemaal kaalgeschoren. Een beetje mollig, maar adembenemend mooi. Je streek langs de binnenkant van je dijen en begon jezelf te bevredigen. Live op mijn tv! Je lippen kusten de lucht, tepels priemden boven het rode kant. Je borsten draaiden mee met de beweging van je armen. Ik ritste mijn broek open. Je begon te steunen en gooide je hoofd in je nek. Schudde met je lange blonde haar en beet op je lippen.

'Neem me dan lekker! Oh pak me dan jij lekker ding!'

Jouw uitnodigende woorden in mijn speakers. Je maakte kreungeluidjes die elkaar steeds sneller opvolgden. 'Ga maar lekker meisje! Toe maar!' fluisterde ik en bevlekte spontaan mijn afstandsbediening. Ik legde hem op zijn kop op tafel en keek nahijgend hoe jij woest, met een onderdrukt gilletje, klaar kwam. Ik controleerde de DVD-recorder. Alles stond er op! Mijn oren gloeiden en ik prees mijzelf gelukkig. Je trok je slip hijgend op en sjorde de legging om je billen. Duwde je borsten terug in de bh en klom van je bed. Je besproeide je oksels overvloedig met deodorant, trok je truitje weer aan en stapte de kamer uit. Ik knoopte mijn broek dicht en lag nog half euforisch na te hijgen toen er werd aangebeld. Ik zette de tv uit en deed open. Je vader duwde me opzij, beende mijn slaapkamer binnen en rukte in één beweging de camera met snoer en al uit de muur. Hij zag mijn tekeningen van jou en vloekte. Een voor een trok hij ze van de muur. De laatste hield hij trillend voor mijn neus.

'Dus dit is mijn echte buurman. Jij vieze, kleine gluiperd. Denk je echt dat je zomaar mijn dochter kunt begluren? Je hebt zeker een gaatje in je hoofd?' Hij tikte tegen zijn voorhoofd. Ik wist even niets te zeggen. 'Dat camera-gaatje van jou, precies in dat oog! Denk je dat ze blind is ofzo?' Je vader stond zwaar ademend voor me, zijn vuisten gebald. Ik wachtte op een klap. Maar hij bedacht zich.

'Wil je gluren? Ik zal je laten gluren!' Hij greep me bij mijn kraag, pakte zijn mobiel en belde een paar mensen. Sleurde me me naar beneden, gooide me in de kofferbak van zijn auto en bracht me naar deze plek. Samen met zijn maten hakte hij een gat in de muur en zette mijn hoofd vast in deze stalen lijst. Met als uitzicht een slooprijpe tienerkamer. Binnen een uurtje was het gepiept.  Dat was gisteravond. God ik heb zo'n dorst. Mijn nek is rauw van het trekken. Ik kan er niet uit. Mijn stem ben ik kwijt, mijn handen zijn stuk en ik heb ik mijn broek geplast. Ik wil huilen maar mijn ogen zijn uitgedroogd. Een enorme klap. De muur en de vloer trillen op hun grondvesten. Ik gil het uit maar ik hoor bijna niets. Alles begint te draaien.

'Hallo meneer de buurman! Hoe is het met jou?' Ben jij het? Ben jij het echt? Je glimlacht naar me, je mooie sexy lichaam loopt heupwiegend op me af. Maar terwijl je dichterbij komt krimp je, tot je weer tien bent. Je blonde vlechten dansen terwijl je naar me toe huppelt. Je steekt een handje naar me uit en aait over mijn wang. Ik voel een windvlaag. De bedeltjes aan je armbandje rinkelen.

Nog zo'n klap. De flat schudt op zijn grondvesten. Achter me schijnt ineens licht. Zonnestralen voelt warm aan op mijn koude rug. Ik hoor het gekrijs van meeuwen. Goddank. Liever de sloopkogel dan deze dorst.

door Grrrits [ link ] 17 bijdragen

Donderdag, 26 Februari 2015
Solfège

Via de snackbar fiets ik door naar de Koediefstraat. Koud binnen steekt Theo zijn hand uit naar de mijne. Niet om deze te schudden, maar uit gretigheid naar zijn maandelijkse traktatie; een nasischijf. De langst liggende uit de Febo-automaat, want hij is gek op die maximale rotting van het vet in de paneerlaag.

Riek wil altijd een kroket. Die snijdt ze dan zorgvuldig in drieën, waarna ze de ragout uit de kontjes lepelt. Als half gestold struif uit een ei. Het middenstuk legt ze in het terrarium. Tussen twee bejaarde gekko’s in. Uit gewoonte overhandig ik hen als eerste hun snack.

Na inspectie van zijn zakje kijkt Theo mij fronsend aan.
‘Dit is een bami-blok!’, sneert hij.
‘Dat is vreemd, want ik heb ‘m toch echt weer uit een nasi-vakje getrokken.’
‘Een nasischijf is rond. Ooit een vierkante schijf gezien, Pier?!’
‘Dan heb ik per ongeluk een bami-blok meegenomen.’

Riek valt mij bij. Omdat ze haar gebit weer eens niet in heeft, houdt ze haar hoofd schuin achterover geknikt. Anders kan ze de ‘b’ of de ‘p’ niet uitspreken. ‘Je bent een ondankbaar pleurisventje!’, zegt ze langs Theo heen. ‘Wat maakt het nou uit, nasi of bami!?’
Zonder te kijken snijdt Theo zijn bami-blok open en maakt daarna met zijn mes een driftige luchttekening richting Riek.
‘Is het jou wel eens opgevallen Pier, dat ze en profile de contouren van onze landkaart heeft? Met die zwevende haarlok, die dunne nek, strijkijzerkaak en die pestzooi links onderin?’

Riek kantelt opnieuw haar hoofd. Het lijkt erop dat ze Theo een volgende veeg uit de pan gaat geven. Ook Theo valt stil en wacht netjes zijn reprimande af. Het wordt iets met een ‘b’ of een ‘p’, zo te zien. Maar na een moment aan haar lippen te hebben gehangen, maakt ze een slikkende beweging. Het zal de ragout zijn geweest die ze binnen wilde houden. Als Theo vervolgens aangeeft dat er toch nasi in zijn bami-blok zit, ontkwalijk ik mij met een gepast knikje.

Om beiden af te leiden van hun onbenullige snack, vraag ik Theo hoe het staat met zijn schrijfaspiraties.
‘Ach, zolang iedereen het beter weet, begin ik daar niet meer aan, Pier’, antwoordt hij. ‘De wereld is nog niet klaar voor mijn mening. Ik foeter en schmier de hele jan-cholerazooi aan mekaar, ja. Als ik in één toon moet schrijven die het midden houdt tussen alles en niets, dan lul ik mezelf in slaap, man. En dan die grammatica, daar erger ik me dood aan. Sinds er een “n” in lampelul moet is voor mij de lol er af. “Lampennnlul”, dat klinkt toch niet?! Alsof je een gedicht staat voor te dragen wanneer je iemand z’n kop wil volschijten.’
Theo kijkt mij indringend aan. Ik wil hem onderbreken, maar krijg de kans niet.
‘Pejoratieve connotaties, daar gaat het om. Klanken die doorbijten. Atonale toonsoorten waar je pijn van in je harses krijgt! Taal moet raspen, schuren, bijten, klieven! Een klap op je bek moet het zijn. Paardennnpis en bokkennnlul. Hoor je?! Die “n” verziekt de hele sfeer, man. Steek alleen daarom al, mijn schrijfaspiratie maar in je roze dossier.
Maar hoe gaat het met solfège, Pier?!’

Kort herroep ik mij op zijn omslag. Theo is sinds jaar en dag mijn pianoleraar. Al veel te lang eigenlijk. Waar ik mijn plafond al een tijdje had bereikt, is hij doorgegaan met lesgeven. Daarbij speelt hij graag in op mijn moeite met toonherkenning. Dat is alleen voor de groteren weggelegd. Zoals hij. Voor hem is solfège een wedstrijd die hij altijd van mij zal winnen. En hij wint graag, dus dat er dit keer toch nasi in zijn bami-blok zat tilt hem terug naar die zege-zoekende klootzak. Alleen al die hele discussie over wat solfège nou precies is. Volgens mij is dat gehoortraining met behulp van zangoefeningen. En ik wil alleen pianoles. Maar nee, solfège it is. Hij vindt het gewoon een geil woord en gaat prat op zijn talent, denk ik.

Zonder mijn antwoord af te wachten rijdt hij zichzelf de kamer uit. Op de gang vervolgt hij de tirade over zijn schrijfaspiraties. Ik sluit mij ervoor af en kijk naar Riek. Zij is hem al langer kwijt en kijkt wezenloos voor zich uit. Ze zit zichtbaar klem tussen de boven- en onderkant van haar bestaan. Pas als de askegel van haar sigaret net niet de asbak haalt, keert haar bewustzijn even terug. Achteloos maakt haar voet een beweging dat lijkt op in het karpet vegen.
30 jaar lang werkte ze in een HTM-kantine. Tot de dag dat ze niet meer uit haar woorden kwam en slecht liep. Haar spraakvermogen keerde enige tijd later terug, zij het in korte zinnen of krachttermen. Net voldoende om het cynisme van Theo te pareren, maar onvoldoende om haar werk te hervatten.

Zwijgend horen we samen dat Theo de badkamer uit elkaar trekt. Riek concentreert zich op haar sigaret, wat mij de tijd geeft om het interieur te controleren op veranderingen. Als een slechte grap staat er voor de plint bij de strook hondenbehang nog steeds die voerbak. Theo wil geen hond en zo compenseert Riek haar onvervulde wens. Volgens Theo dan.

Nee, dus. Ook de kerststal staat er zoals het hele jaar door nog. Op diezelfde plek. Alleen de figuranten wisselen bij tijd en wijle. Het laatste jaar is de hoofdbewoner van de stal een popje met blond geverfd haar. ‘Willen jullie meer of minder Riek!’, staat er op het aan zijn hoofd geplakte tekstballonnetje. Boven de overige hoofdjes, zelfs vanuit de kribbe, lees ik weer: ‘Minder, minder!’
Ook niet dus.
De op tilt staande koekoeksklok. Nee.
Het formica wandmeubel; nicotinegeel. Nee.
De opgezette uil, het vaalgrijze karpet.
Nee.
De skaileren bank met Riek daarop.
Nee, er is niets veranderd en dat stelt mij op een vreemde manier gerust.

Tijdens het staren naar twee met hun kop in een kroket verdwenen gekko’s, rolt Theo terug de huiskamer in. Op zijn bordplank liggen een tondeuse, een föhn, een elektrische tandenborstel en zijn gitaarstemapparaat. Wetend waar hij heen wil zeg ik grappend: ‘Ik ga het niet laat maken,’. Hij wil van mij natuurlijk horen in welke toonsoort de apparaten op zijn plankje hun geluid produceren. ‘dus, G, C, en A-mineur’, vervolg ik om er vanaf te zijn.

‘Een enkele toon kan nooit mineur zijn, bokkennnlul’, antwoordt Theo.

‘Ooit een met nasi gevulde vierkante bami-schijf gezien?’, probeer ik nog, waarop Riek haar hoofd naar achter kantelt …

door PIERKEN

[losgeweekt] 

door Spencer Brandsen [ link ] acht bijdragen

Maandag, 23 Februari 2015
Wees blij

Het lot is grillig en het leven onrechtvaardig, daar is niets aan te doen. Maar als we weer eens door de voorzienigheid hardhandig om de oren zijn geslagen, hebben we de neiging om ter vergelijking te kijken naar mensen die het beter lijken te hebben getroffen dan wij. Terwijl het natuurlijk meer troost biedt om een vergelijking te maken met degenen die het nog zwaarder hebben te verduren. En die zijn er altijd.

Neem nou Jaap de neger. Jaap de neger, ja, u leest het goed. En u voelt meteen dat er iets niet lekker zit. U hebt het gevoel dat een neger geen Jaap dient te heten. Dat het niet kàn. Nou ja, het kàn wel, maar het hòòrt niet. En dat is nou precies wat àlle mensen denken als ze aan Jaap worden voorgesteld. En Jaap weet dat. En hij vindt het niet leuk. Maar ja, wat kan hij er aan doen?

Maar dat is nog niet alles. Jaap is namelijk ook nog Moslim. Niet dat hij er veel aan doet, maar hij is het toch. En dat werkt ook niet in zijn voordeel, want hoewel het geloof in Allah niet dommer is dan het geloof in andere Goden, hebben Moslims de laatste jaren te kampen met een dalende populariteit. En dat voelt Jaap heel goed. Maar we zijn er nog niet, want Jaap is ook nog homosexueel. En dat gaat er bij zijn geloofsgenoten niet zo soepel in.

Daar bovenop komt dat Jaap een dwerg is. Maar Jaap is net één centimeter te lang om lid te mogen worden van de Dwergenclub. Ja, ze vonden het zelf ook lullig, de mensen van de Dwergenclub, maar ze moesten toch 'ergens een grens trekken'. Jaap vindt dat iedereen die 'zich een dwerg voelt' een dwerg is, maar zo ver willen ze bij die club niet gaan. Al met al kun je niet zeggen dat Jaap het erg getroffen heeft. En daar komt dan nog bij dat hij al drie maanden aan de slingerschijt is. Het is bar en boos en spuit aan alle kanten eruit, zodat Jaap soms gewoon niet meer weet waar de diarree begint en hijzelf ophoudt en omgekeerd. 

Nee, Jaap is niet te benijden. Dus als u binnenkort op uw loszittende wc bril de krant zit te lezen en na gedane zaken opstaat waarbij de bril aan uw billen blijft plakken tot u rechtop staat, waarna hij met veel lawaai achter de toiletpot stort, en u zich dan omdraait en voorover buigt om hem op te rapen waardoor uw bril van uw neus glijdt en in de toiletpot valt die u nog niet had doorgetrokken, wees dan niet boos of verbitterd, maar denk aan iemand die er slechter aan toe is dan u. 
En wees blij. 
Wees blij dat u die ander niet bent.
Wees blij dat u bijvoorbeeld Jaap de neger niet bent.


door Spencer Brandsen [ link ] dertien bijdragen

Zaterdag, 14 Februari 2015
Een bouwterrein, Rotterdam, 14.16

Mijn metalen klauw grijpt in de diepte. Collega duwt met al zijn kracht tegen de betonplaat, tot hij er recht voor ligt en met een doffe klap op zijn plek zakt. Los. Mijn duim duwt de joystick een paar millimeter naar voren: de blokkenklem sluit zich om een volgende plaat. Prachtig stukje techniek. Als het moet kan ik drie platen tegelijk oppakken. Het kost jaren oefenen om hier goed in te worden en ik bén goed. Ik heb overal op gestaan: bulldozers, draglines, schaven, maar de laatste jaren doe ik alleen maar kranen. Mooiste werk dat er is. Je moet je koppie er wel bij houden. Het gaat allemaal om relatief hefvermogen, inschatten van je positie, traagheid, beweging. De plaats van de lading ten opzichte van het mechanisme. Maak je een fout, dan zijn de consequenties niet te overzien.

Iedere kraan is weer anders. Dit is mijn favoriet: torenkraan. Alleen echte rotten in het vak zitten hier. De dagen worden steeds langer. De zon staat hoog aan de hemel. De ruggen van de cirkelende meeuwen blinken spierwit in het licht. Op een bouwplaats als deze zit je direct onder god. Je gaat je nergens heen, maar de actieradius die je hebt is ongekend. Ik zou zo de GSM-antennes van de flat aan de overkant van de weg kunnen plukken. Ik glimlach om de gedachte, strijk in gedachten over mijn dashboard. Vroeger was dit een moeilijk vak. Pedalen en hefbomen wat de klok sloeg, om alle verschillende lieren en katrollen in actie te krijgen. Communicatie met de mannen beneden ging met handsignalen. Tegenwoordig gaat het allemaal electronisch natuurlijk. Maar scherpe ogen en een uitstekende hand-oog coördinatie zijn nog altijd een eerste vereiste. Blind op de techniek vertrouwen is er niet bij. Een kantelende of losschietende lading kost mensenlevens. Je moet op alles letten. Gelukkig heb ik nog steeds scherpe ogen. Meeste collega's van mijn leeftijd hebben een leesbril.

Maar dingen die ik mis storen me. Dat meisje dat daarnet beneden voorbij liep bijvoorbeeld. Gevaarlijk dicht langs waar de bouwput begint. Ineens was ze uit beeld. Dat soort dingen zitten me dwars. Dan wil ik weten waar ze gebleven is. Ze is ongetwijfeld dat bushokje binnengelopen, maar zeker weten doe je dat niet. Daar hou ik dus niet van. Ik moet weten waar alles is. Daarom doe ik ook altijd een extra check-up voor ik begin. Hoeft niet, iemand van de verhuurder controleert de kast dagelijks, maar ik werk niet prettig als ik het niet zelf ook gedaan heb. Ik moet gezien hebben dat de spanning op de kabels in orde is, dat de vloeistof in de hydraulische leidingen op peil is. Dat de backup- en controlesystemen werken. Dat de contragewichten goed vast zitten…

Ik moet ook niet teveel herrie om me heen hebben. Die sloopkogel waar ze verderop mee bezig zijn bezorgt me nekkramp. Schiet helemaal niet op. Vent sloopt als een wijf. Laat de kogel veel te vroeg vieren, waardoor dat ding twee keer zoveel herrie maakt als nodig en ongeveer half zo effectief is. Hij werkt voor een ander bedrijf, dus ik kan niet even contact opnemen om er wat van te zeggen. Stomme zak. Het is dat ik zo hoog zit, ik ben in staat om naar beneden te klimmen en er heen te lopen. Maar dat moest ik maar niet meer doen. Ik ben te oud voor akkefietjes met collega's. En ik weet toch al wat ze gaan zeggen.  Dat ik me er niet mee moet bemoeien. Dat het een andere tak van sport is. Dat je nooit weet nooit wat zo’n kogel gaat doen. Dat je beter een veiligheidsmarge in kunt bouwen. Voor wat? Het is geen hogere wiskunde. Het is een sloopkogel verdomme. Tegelijkertijd slopen en bouwen op hetzelfde terrein, ik maak het steeds vaker mee. Als je het mij vraagt is het vragen om problemen. Vroeg of laat krijg je daar ongelukken mee. Kan niet anders.

Goed, oké, ik geef toe, ik ben een enorme control-freak. Jij hield daar niet van. Maar ik wil me gewoon veilig voelen. Ik wil altijd het overzicht. Ik had „ons” ook aardig onder controle. Of dat dacht ik tenminste. Maar je ontglipte me. Ik snap nog steeds niet goed hoe. Ik deed alles goed. Periodieke bosjes bloemen, af en toe een lief kaartje, twee keer per jaar niet al te goedkope juwelen, een ring of oorbellen. Vier keer per jaar spontane gekke dingetjes voor je kopen. Ik deed alles precies volgens het boekje. Ging ook vijfentwintig jaar goed. Met hangen en wurgen, maar het ging goed. Ik heb je veel vergeven. Je bevliegingen. De keren dat je bij mij en onze zoon weg liep. Ik was je veilige haven en jij de mijne. Maar na een kwart eeuw ging het dan toch onherroepelijk mis. Ik kon alleen maar machteloos toekijken. Zag het voor mijn ogen gebeuren: de kleine details die veranderden in jou en in ons huis. Jij ontkende natuurlijk, je lachte je lieve lach naar me en kuste mijn zorgen weg, maar achter de facade kroop de klad erin als betonrot.

De manier waarop je naar me keek veranderde. Het licht verdween langzaam uit je ogen, tot ze zo leeg als een smartphone zonder batterij  waren als je me kuste. Je  rangschikte mijn onderbroeken anders in de lade, slordiger, niet meer zoals ik je ooit had uitgelegd. Je ging weer werken en ik zag de kleine blosjes op je wangen, als je later van je werk thuis kwam. Maar je kuste mijn achterdocht weg en dus zweeg ik. Ik hield alles voor me, maar met mijn wanhoop en mijn onrust groeide mijn woede. Ik sliep steeds slechter. Ik begon te drinken. Ik heb altijd wel van een biertje gehouden, maar op een gegeven moment hielp dat niet meer. Ik ging aan sterker spul.

De avond waarop het gebeurde kan ik me nog tot in de kleinste details voor de geest halen. Ik zat te bouwen aan mijn model van de Asian Hercules III, de grootste kraan ooit gebouwd. Ik maakte hem van een zelf in Auto-CAD getekend bouwplan, elk onderdeel nauwgezet uitgesneden in stevig karton, een fles Johnny Walker bij de hand. Jij kwam veel te laat binnen en kuste me vluchtig op mijn oor. En op dat moment rook ik het duidelijk. Je alcoholadem en die geur op je blouse die ik al eerder waargenomen had: aftershave of parfum. Iets mannelijks, iets dat ik niet kende.

Je wilde doorlopen naar de slaapkamer, maar ik ben niet voor niets kraanoperator. Met uitstekende timing greep ik je bij je pols. Je werd boos, wilde je losrukken. Er ontstond een ruzie. Je sloeg naar mijn Hercules. Je wilde hem misschien niet echt raken, maar ook jij had gedronken. Met een slordige zwaai van je arm vernietigde je twee weken minutieus, hard werk. Ik was een stuk dronkener dan jij, maar mijn hand-oog coördinatie was nog volkomen intact, helaas. Ik greep mijn fles Johnny Walker bij de hals en raakte je met een draai van 170 graden om mijn as precies je boven je oor. Ik hoorde een zacht kraken en je zeeg ineen zonder een kick te geven. Je was op slag dood. Diezelfde nacht nog reed ik je naar het bos bij ons verderop en begroef ik je in een ondiep graf. Achteraf gezien een perfecte plek. We noemen het 'het bos', maar je loopt er in een half uurtje doorheen. Niemand gaat daar zoeken. Tegen onze zoon van eenentwintig heb ik verteld ik dat je weer weg bent gelopen, en dat ik niet weet waarheen. We hebben je samen als vermist opgegeven. En dat klopt ook. We missen je.

Je hebt een voorgeschiedenis van verdwijnen en ik kan mijn gevoelens goed verbergen. Dus sta ik niet meer onder verdenking. Ook omdat er geen duidelijk motief is, en geen voorgeschiedenis. Wat vrienden en familie betreft was ik de perfecte man. Dus zit ik hier nog steeds en beroer mijn joystick met mijn wijsvinger. Je bent uit beeld, verdwenen, weg. Net als dat meisje met dat blauwe haar van daarnet. Zit ze nou in de bushokje of niet? Ik heb geen idee. 

Tussen de momenten waarop je kijkt zitten werelden.

door Grrrits [ link ] negen bijdragen

Zondag, 1 Februari 2015
Nabij een bouwterrein, Rotterdam, 14.15

Het leven is mooi. Ik weet dat het bijna lasterlijk is om dat te zeggen, maar na een middagje werken mét migraineaanval – compleet met visueel disfunctionele hersenpan – zie ik weer licht. De frontale aanval op mijn hersens is zijn laatste fase ingegaan, het voelt alsof ik na een lang verblijf onder water eindelijk weer lucht krijg. Ik heb deze episodes nu al drie jaar, vanaf mijn zestiende, maar iedere keer is weer even angstaanjagend. Zinnen waarop je normaal blindelings vertrouwt laten je zonder aankondiging in de steek.

Als het is zoals vandaag, houdt de linkerzijde van mijn gezichtsveld eenvoudigweg op te bestaan. Het probleem ligt niet bij mijn linkeroog. Of ik links namelijk sluit of opendoe, ik blijf dezelfde fout constateren. Er is geen zwartheid of grijsheid die de plaats van de werkelijkheid inneemt, er is gewoon nada. De helft van mijn blikveld houdt domweg op te bestaan. Lastig uit te leggen. Maar het gaat al beter. Ik zie sterretjes: heldere lichtpuntjes beginnen de leegte te vullen. De lichtvlekjes dansen op en neer voor mijn ogen en ik voel een opkomende schele hoofdpijn. Tegen de tijd dat de linkerkant van de wereld weer terug in beeld komt zullen er lichtjes doorheen dwarrelen als sneeuwvlokken, en zal de pijn in mijn hoofd hersensplijtende vormen aannemen. Maar ik verwelkom de pijn altijd. Op een paradoxale manier is hij bemoedigend, omdat ik weet dat het betekent dat mijn attaque bijna voorbij is.

Vandaag had ik geluk. Ik moest alleen een middagdienst te draaien en hoefde me dus niet ziek te melden, mede mogelijk gemaakt door een paar zware hoofdpijntabletten. Zonder die dingen had ik het niet gered denk ik. Ik stond in mijn eentje op een groep van acht man. Ik was officieel hulpkracht, ik ben tenslotte uitzendmiep, maar de andere begeleidster had zich op het laatste moment ziek gemeld, dus ik stond alleen. Moest wel de buurvrouw roepen voor het pillenrondje. Debiel. Ik kan de namen op de pillenstrips toch ook wel zelf matchen aan die in hun ondergoed? Maar goed, ik heb het allemaal overleefd en daal langzaam weer terug naar de aarde.

Als mijn visuele probleem aan het verdwijnen is krijg ik altijd een reusachtige honger. Mijn hersenen eisen chips of bonbons, als confirmatie dat ze verder kunnen gaan met hun gemankeerde functioneren. Als beloning voor mijn vreetkicks krijg ik een extra gevoelige tong. Op de groep staat een kast die helemaal vol met chipszakken voor het weekend ligt. Toen even niemand keek heb ik er snel een zak paprikachips en een zak naturel uit getrokken en in mijn rugzak geduwd, voor onderweg. Terwijl ik naar de bushalte loop prop ik grote handenvol chips in mijn mond. Ik verheug me nu al op een schranspartij bij de bushalte.

Als ik 'terugkeer' uit hersenmangelland is de wereld om mij heen anders. Ik heb altijd het gevoel dat ik uit een cocon kom gekropen, alsof ik een jong insect ben en de wereld nieuw is. Ik verbaas me over kleine dingen onderweg. Vormen en kleuren lijken hun oude betekenis te verliezen en ik krijg ongekende inzichten in verkeersborden en stoeptegels. Wolkenvormen vragen mijn aandacht. Het licht is scherper, de chips zijn zouter en kraken harder, de wereld van alledag vloeit om mij heen in een olieachtige laag die mij omhelst en direct verbindt met het tastbare.

En dit is nog maar een milde aanval, moet je nagaan. Het effect na een zware aanval is veel sterker. Soms is het alsof ik opnieuw geboren word. Net zo pijnlijk, met een hele serie neurologische symptomen, waaronder uitval die alle dingen die ik weet blokkeert. Ik vergeet woorden, soms hele stukken grammatica. Dat is denk ik de belangrijkste reden waarom ik mijn migraineaanvallen vrees. Ik ben altijd bang dat er dingen niet meer terugkomen. Gelukkig dit keer geen verbale tics. Wel heerlijke chips, een buskaart en een warm zonnetje, dat maakt dat ik overvloedig zweet.

Dus dit is mijn leven. Maar a la, ik ben best gelukkig – gehandicapte mensen zijn mooi, als je het leert zien. Vooral de rolstoelers, die kunnen echt niet anders leven dan ze doen. Ik had daarstraks een gesprekje met eentje. Over hoeveel nutteloze therapieën hij al gehad had, in welke instituten hij gezeten had. Hij vertelde over de plekken waar hij gewoond had, hoe het er daar aan toeging. Dat ze hem wel eens een dag lang in een kamer hadden gezet zonder accu in zijn stoeltje, als straf. Ik zei iets over mensenrechten. Hij zei iets over gemeenschapsgeld, over noodzakelijkheid. Ik vroeg of hij die instelling niet voor de rechter kon slepen, maar hij zei dat je op die manier je eigen persoonlijk tragedie naar de mensen die zo'n tent besturen doorschuift – mensen die dat niet eens met achteloosheid of slechte intenties doen. Ik snap dat niet zo goed, moet er nog over nadenken. Volgende week moet ik weer daar werken, dan ga ik hem vragen wat hij daar nu precies mee bedoelt. Het is wel een lieve jongen. Gaat elke dag de eendjes voeren.

Voor hij wegging, heb ik hem geholpen met zijn rolstoel. Voor de helft op de tast natuurlijk, dat snap je natuurlijk, de rest zag ik niet. God ik dacht dat ik dat tafeltje er nooit op zou krijgen. Ach, het is zo mooi hoe mensen in elkaar steken. Hun ambities, hun dromen – de ondoorgrondelijke wegen van het lot of god of... Ik heb deze week definitief besloten dat ik voor sociaal werker ga leren. Met die migraine is de uni gewoon niet vol te houden. Mijn vriendje zegt dat ik te makkelijk opgeef. Heel bijzonder vind ik dat, dat hij me meemaakt met mijn aanvallen en er toch zo over denkt. Maar ja, hij hangt de hele dag in zijn antikraakpand te blowen en haalt ondertussen op zijn sloffen zijn tentamens, dus ik snap dat hij het moeilijk te begrijpen vindt.

Ach ja, laat maar lullen. Sinds ik dit uitzendwerk doe, voel ik gewoon in mijn hele lichaam een soort van hmmm ja gevoel. Een dit wil ik echt doen gevoel. Misschien ga ik over een paar jaar weer studeren, maar nu even niet. Oh ik heb een te grote hap chips genomen, ik stik bijna. Flink doorkauwen, slikken. En daar hebben we die lelijke nep-Amerikaanse brievenbus met dat opklapdingetje. Dus ik ben al bij de bushalte, aan de overkant. Ik zie hem niet, want ik zie nog steeds alleen maar sterretjessneeuw links, maar ik weet dat hij er is. Wel irritant dat ik alleen verkeer van rechts zie. Ik draai rond mijn as en steek pas over als ik zeker ben dat ik geen verkeer hoor. Lastig te beoordelen, omdat aan de overkant van de weg een soort geraas klinkt, van een bouwplaats.

Als ik bijna over ben gestoken, maken de lichtjes in mijn linkerhersenen (of is het mijn rechter?) een plotselinge beweging, als het een zwerm vogels die opgejaagd wordt. Een fietser rijdt vloekend vlak langs me heen en ik krijg een duw. Ik laat mijn zak chips vallen en wankel de stoep op. Maar die zakt onder me weg. Letterlijk. Ik voel het meer dan dat ik het hoor. Een soort geraas, alsof er een vliegtuig aan het opstijgen is. De tegels zakken weg onder mijn voeten en ik struikel en val in iets dat aanvoelt als zand. Ik rol een soort heuveltje af, tot ik op mijn rug in koele, natte smurrie lig, tegen iets hards aan. Ik kijk omhoog en zie door een sneeuw van lichtjes de gebogen contouren van roestig ijzervlechtwerk. Ai, wat een smerige truc van mijn hersens om me ineens te overvallen met hersensplijtende hoofdpijn. Ik moet even blijven liggen hoor. Ik pak een stuk betonijzer beet en voel er aan het ruwe oppervlak. Het voelt prettig koel. Dan zal het spul waar ik in lig wel nat cement of beton zijn, of hoe het ook heet. Het geraas en gekletter wordt steeds harder, vanuit mijn dode sterretjeshoek verschijnt een grote rubber slang, waar een dikke stroom grijze blubber uit komt. De slang hangt aan de arm van een soort kraan. De grijze betonblubber stroomt in een boog boven me, als een zo concreet mogelijke regenboog. Boven de oranje met zwarte kraanarm cirkelen grote meeuwen, in een prachtig contrast met de diepblauwe hemel. En ineens verdwijnt de sterretjessneeuw en heb ik vol beeld. De kleurend zijn hallucinant intens. Dit is echt het mooiste wat ik ooit gezien hed. Ondertussen zak ik langzaam weg in de koude smurrie die me vreemd koude rillingen van genot bezorgt. Ik zei het toch. Het leven is mooi.

door Grrrits [ link ] zestien bijdragen

Dinsdag, 20 Januari 2015
Ergens aan de Maas, Rotterdam, 14.14

Als je de eendjes gaat voeren kun je maar beter voor genoeg brood zorgen. Ik rij altijd zingend naar het water. De vogels herkennen mijn stemgeluid van ver, en komen druk kwakend en half vliegend naar me toe gezwommen. De stukken oud brood uit de plastic zak krijgen nauwelijks de tijd om van water verzadigd te raken, zo snel worden ze weggeslobberd door gulzige eendenbekken.

Vergis je niet. Ik hou niet echt van eenden. Niet in het bijzonder in ieder geval. Maar het hand- matig voeren vanaf een zekere hoogte geeft me een gevoel van controle, van macht, zo je wilt. Nietz- sche aan de Maaskade, met te korte armpjes. Ik hou er van om met de wielen van mijn rolstoel tot vlak aan de kaderand te rijden. Ik wil mijn subjecten, waarvan ik mezelf voorspiegel dat ze afhankelijk van me zijn, zo goed mogelijk kunnen zien. De invloed van mijn eetbare projectielen op hun groepe- ring te water is een bron van studie en vermaak.

Vandaag was er een vreemde eend in de bijt: een vrouwtjeseend die ik niet eerder gezien had, en die me intrigeerde omdat ze helemaal wit was, afgezien van een zwarte vlek bovenop haar kop. Ze hield zich wat afzijdig van de gulzige groep. Soms maakte ze een sprintje naar een stukje brood dat ik ver gooide, maar ze kwam altijd te laat. Ik probeerde de broodstukjes zo ver mogelijk weg te gooien, en merkte pas toen het te laat was, dat mijn rechterelleboog daarbij tegen de joystick van mijn invali- denwagentje aanduwde. De wielen rolden onmerkbaar door, tot een misselijkmakend, zinkend gevoel in mijn buik me vertelde dat het zwaartepunt van mijn rolstoel naar voren kantelde.

De sensatie van met rolstoel en al voorover het water inkukelen was onbeschrijfelijk. Terwijl ik ingesnoerd in mijn wagentje zeker anderhalve meter naar beneden tuimelde, gierde de adrenaline door mijn aderen. Ik brak het wateroppervlak met een enorme plons. Door de adrenaline van de val vergat ik mijn ogen dicht te doen. Ik zag de rivierbodem op me afkomen, en voelde hoe mijn karretje weer rechtop draaide tijdens het zinken. De motor en de accu’s liggen onderin. Terwijl ik als een steen naar de bodem zonk, vroeg me af of ik niet per ongeluk een eend geraakt had. Niet natuurlijk. Ik landde in een wolk van opdwarrelend slib, als een maanlander op de maan.

Ik liet wat bellen uit mijn mond ontsnappen en voelde aan de zuurstofslangetjes in mijn neus- gaten. Ze waren niet losgeschoten. Opgerakeld rivierslib dreef met de stroom mee en zonk langzaam terug naar op de bodem. Toen mijn ogen gewend waren aan het niet helemaal transparante water zag ik, voor het eerst in mijn leven, mijn vetvleugelige vriendjes vanuit een totaal ander perspectief. De eenden zwommen nog steeds rond, boven mijn hoofd. Maar niet om te kijken waar ik gebleven was natuurlijk. Eendenpoten peddelden druk rond in de kringen in het water, die aangaven waar ik het wa- teroppervlak geraakt had. Gretige snavels doorsneden de waterspiegel en scheurden mijn plastic zak met brood aan stukken. Toen het brood op was dreven de eendenbuiken weg, als bootjes. Vliespoten duwden het water kalm van zich af, alsof de vogels hun voeten afveegden aan het hele gebeuren. Wat hun betrof was er helemaal niets gebeurd.

Ik vroeg me af of iemand me gezien had. Ik vermoedde van niet. Weinig mensen gaan om half drie 's middags met brood de eendjes blij maken. Mijn voederplekje is rond deze tijd meestal potten- kijkervrij. Ik bevind mij, als ik het goed inschat, onder drie meter water aan de voet van een kade waar vroeger boten aanlegden, en waar nu een schraal, weinig bezocht parkje aangelegd is. Mijn zuurstoftankje is normaal voldoende voor een uurtje of zestien vrij ademhalen, er vanuit gaand dat ik door mijn mond ook wat frisse lucht binnen krijg. Het zuurstofflesje was bijna vol toen ik vertrok. Ik gok erop dat ik nog een uurtje of acht met dit tankje kan doen. Als ik me niet te veel opwind. Waar is mijn reservetankje? Gelukkig, het zit er nog. Met dat reservetankje erbij heb ik in totaal een uurtje of zeventien lucht, gok ik.

Hier zit ik dan, verdwaald in een vreemd universum. Nu ik aan het halflicht gewend ben, zie ik dat ik niet alleen ben. Een met golvend wier bedekte winkelwagentje ligt een maar meter verderop op zijn kop in de modder. Er zwemmen kleine visjes omheen, die ik niet thuis kan brengen. In de be- schutting van het karretje is een micro-ecosysteempje ontstaan, vol met vreemde plantjes en diertjes. Een plastic zak drijft, een stukje onder de waterspiegel, met behoorlijke snelheid voorbij. In het zakje wedijveren een frisdrankblikje en een plastic frietbakje om relatief drijfvermogen. Mijn karretje staat

tot aan de assen van de wielen in de modder, pal naast een reusachtige tractorband, die grotendeels in de modder begraven ligt. In het binnenste van de tractorband loopt iets rond, een zoetwaterkrab misschien?

Een nieuwsgierige waterrat die op mij afzwemt om me met zijn tanden te inspecteren, laat me ontdekken dat mijn handen nog werken. Ik sla verwoed naar het dier maar raak alleen water. Ik krijg veel water binnen door mijn neus. Gelukkig blaast het beest al gauw de aftocht. Na een paar panieke- rige seconden lukt het me weer normaal adem te halen. Ik probeer voorzichtiger in te ademen, zodat er geen water door de slangetjes mee naar binnen komt. Moet erg mijn best doen om weer rustig te worden. Kalm, kalm nu, dan hou je het langr uit. Waarom ik zo mijn best doe te blijven leven weet ik niet. Waarom trek ik de zuurstof er niet gewoon uit en laat de natuur zijn beloop? Ik... ik wil nog niet denk ik. De kans dat iemand me hier vindt is weliswaar nul, maar ik verwacht geloof ik toch, tegen alle redelijkheid in natuurlijk... Ik zou niet weten hoe, maar toch...

Een grote overvarende boot zorgt voor tijdelijke verduistering in mijn onderwaterkoninkrijk. Ik hoor vaag Schlagermuziek. Terwijl ik de kiel nakijk trilt het gebonk van de dieselmotor na in mijn oren. In het grijze water verdwijnt de draaiende schroef het laatst. Ik vind het lichtknopje op mijn di- gitale horloge, waterproof tot op 80 meter diepte, en constateer dat ik pas tien minuten op mijn plekje sta. Het lijkt veel langer.

En dan schiet het me te binnen. Er is een uitweg. Ik hoef alleen maar de gordel om mijn middel los te maken. Daarna zal ik als vanzelf bovendrijven. Maar ik ben iets vergeten. Om bij mijn gordel te komen moet ik eerst het tafeltje dat ik voor het eendjesbrood gebruik loswrikken. En dat gaat niet. Ik ben er namelijk vorige week, toen ik boos en onvoorzichtig was, mee tegen een hoek gereden. Sinds- dien is het vastschroefmechanisme krom. Ik moest vanmiddag de dienstdoende verpleegster, een in- valster, om hulp vragen bij het vastmaken. Lieve meid was het. Dat blauwe punkhaar en die piercings overal, daar moet je gewoon doorheen kijken. Zij moest het tafelblad met al haar kracht op zijn plek drukken bij het vastschroeven, en nu zit het te krom vast om los te krijgen. Ik kan met mijn armpjes blijkbaar waterratten verjagen, maar het tafeltje losmaken lukt me niet. Bij mijn verwoedde pogingen om mezelf te bevrijden krijg ik weer water binnen. Een stroom zuurstofbellen ontsnapt naar de opper- vlakte. Kalm nu, dit heeft geen zin. Rustig, rustig... Ik moet proberen dit uit te zitten.

Een grote vis zwemt lui voorbij. Een snoek? Zou kunnen. Geen idee eigenlijk. Ik ben niet echt een vissenkenner. Ik begin het koud te krijgen.

Als je de eendjes gaat voeren kun je maar beter voor genoeg brood zorgen. Een jasje is ook handig. 

door Spencer Brandsen [ link ] dertien bijdragen

Woensdag, 31 December 2014
Geachte heer Butkevicius

Met plezier geef ik gehoor aan uw verzoek een stukje over Litouwen te schrijven naar aanleiding van de invoering van de euro aldaar per 1-1-2015:

Litouwen

Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat de rol die Litouwen in mijn leven gespeeld heeft alleen maar uiterst marginaal genoemd kan worden. Ik overdrijf niet als ik beweer dat Litouwen op geen enkele wijze ooit voor mij van enig belang is geweest.

Dat begon al in mijn kindertijd. Bij ons thuis waren er allerlei landen en streken waarover niet of nauwelijks gepraat werd. Zo kan ik me niet herinneren dat Ivoorkust, Botswana, Ligurië of Anatolië ooit ter sprake kwamen, hoewel het mogelijk toch wel eens is voorgekomen. Maar ik weet echt honderd procent zéker dat niemand het ook maar één keer over Litouwen heeft gehad.

En dat was niet alleen bij ons thuis zo, maar ook bij vrienden, kennissen, buren en familie. Het leek wel of Litouwen volledig non-existent was. Zelfs landen en streken waarvan we wisten dat ze niet eens bestonden, zoals Midden-Aarde en Luilekkerland genoten in mijn omgeving meer bekendheid dan Litouwen. In die tijd voelde ik soms een raar soort leegte in me, net alsof ik iets miste. Het is nu niet meer te achterhalen, maar het kan best Litouwen geweest zijn, wie zal het zeggen?

Via via hoorde ik eens over een middelbare scholier die bij een geschiedenisproefwerk zich geconfronteerd zag met de volgende opdracht: ‘Vertel alles wat je weet over de Perzen.’ Hij had opgeschreven: ‘De Perzen staan vooral bekend om hun tapijten, de zogenaamde Pérzische tapijten.’ Dat was alles. Maar als mij een dergelijke ‘vraag’ met betrekking tot Litouwers zou zijn voorgelegd, was het antwoord nog veel korter uitgevallen.

Eigenlijk weet ik niet eens zeker of er in Litouwen Litouwers wonen en geen Litouwezen of Litourianen. Want bij ‘Litouwers’ moet ik eerder aan een Nederlandse zanger denken. Maar goed, Litouwen krijgt nu dus de euro. Dat lijkt me geen slechte zaak, want in Rotterdam, toevallig de woonplaats van eerder genoemde zanger, staat een euromast van wel 185 meter hoog. En die zet je er, lijkt me, toch niet neer als je ontevreden over de euro bent. Tot slot: misschien zou Litouwen iets aan zijn onbekendheid kunnen doen. Maken ze in Litouwen geen tapijten?

door Spencer Brandsen [ link ] veertien bijdragen

Dinsdag, 30 December 2014
Een stem uit de mist

Ik was een bang en dromerig jongetje van een jaar of tien dat met z’n ziel onder de arm liep en zich eigenlijk nergens thuis voelde. Als ik voor de zoveelste keer Alleen op de wereld van Hector Malot las en bij de passage kwam waarin Rémi door rijke mensen op een boot mee uit varen werd genomen, dacht ik met vochtige ogen: Was er maar een boot die míj meenam…, al leek de kans dat een dergelijke gebeurtenis ooit plaats zou vinden me uiterst klein.

Muziek hoorde ik genoeg, meestal via de radio, maar voor m’n gevoel was het tralala-gehalte van de meeste platen die gedraaid werden veel te hoog. Zó ontzettend leuk was het leven nu ook weer niet… Wat ik – achteraf gezien – miste was tegengas in de vorm van melancholie, al kende ik dat woord toen nog niet.

Op een ochtend liep ik door de lege straten naar school. Het was koud en mistig en een fijne motregen daalde loodrecht neer uit de grijze lucht. Het leek ook stiller dan anders, alsof iedereen sliep en nooit meer wakker zou worden.Tot een bestelbusje stopte waarvan de chauffeur dozen met sigaren begon uit te laden. Vanuit de auto dreef muziek door de nevels die ik nog nooit eerder had gehoord maar waarvan ik onmiddellijk in de ban raakte. Ik kreeg het merkwaardige gevoel dat ze speciaal voor mij was geschreven, al besefte ik wel dat dat onmogelijk het geval kon zijn. Ik bleef stilstaan en luisterde tot het afgelopen was en de betovering werd verbroken door de opgewonden stem van een discjockey. Ik had een vreemde gewaarwording: Als deze muziek kon, nee mócht bestaan, dan was er misschien ook wel een plekje voor mij op deze wereld.

Ruim dertien jaar later werd de zanger in New York doodgeschoten.

door Spencer Brandsen [ link ] vier bijdragen

Maandag, 22 December 2014
Donker

Nadat ze de deur heeft van de winkel heeft afgesloten, kijkt ze snel om haar heen. Alles is donker, de straat is verlaten. Snel naar huis, gevaar dreigt overal tegenwoordig. Er zijn al vaker meisjes verkracht in deze buurt. Ze trekt haar sjaal nog iets dichter om haar heen en stopt dan haar handen diep in de zakken van haar lange leren jas. Ze voelt het koude busje peperspray. Het geeft een veiliger gevoel. Na een diepe ademteug draait ze zich van de deur af en begint te lopen.

Als ze bijna de straat uit is begint het zachtjes te motregenen. Geeft niet, een beetje regen is niet erg. Ze heeft altijd van regen gehouden. Nog vier straten voor ze thuis is. Ze slaat de hoek om en raakt even verblind van twee lichten. De taxi rijdt hard door, de wereld valt weer in zwart. Halverwege de straat hoort ze het, voetstappen. Schuin achter zich. Nerveus probeert ze in de winkelruiten te zien wie er loopt. Ze ziet de straatlantaarns en een schim. Een schim van haarzelf. Angstig meisje, op weg naar huis. Ze moet er bijna om lachen.

Toch gaat iets sneller lopen. Ze durft niet om te kijken, dat valt op. Ze wil niet opvallen. Het liefst wil ze verdwijnen in de zwarte nacht. Oversteken, drie straten te gaan. Een regendruppel blijft aan haar wimper hangen. Ze durft hem niet weg te vegen en klemt haar hand nog vaster om het busje. Het is vast iemand die net als zij, op weg is naar huis. Naar zijn vrouw en vijf kinderen misschien zelfs. Of misschien is het een stevige vrouw, met zware tred. De straat lijkt eindeloos lang, haar gang eindeloos traag. De voetstappen klinken nu recht achter haar. Zijn ze dichterbij? Ze probeert te luisteren maar het gebonk van haar eigen bloed dat door haar slapen gonst, overstemt alles. Zal ze rennen? Of juist stil staan zodat de ander kan passeren. Ze kan niet beslissen dus loopt zo gewoon mogelijk verder. Haar hakjes galmen door de straten. Ze moet zich beheersen niet dezelfde passen te willen lopen als de persoon achter haar.

Het einde van de straat komt in zicht. Ze hoeft alleen nog naar rechts de straat door en dan langs de fabriek. Dan is ze veilig. Haar spieren zijn verkrampt van het vasthouden van het busje spray. Ze probeert zich te concentreren op haar voeten. Een been voor het andere, het is niet meer zover. Op de hoek blijkt de straatlamp kapot, ze ziet de weerspiegeling flikkeren. Zijn de voetstappen er nog wel? Heel even haalt ze haar hand uit haar zak om een pluk nat haar van haar voorhoofd te vegen. Enkele seconden laat ze het busje spray los. Een klein moment is ze volslagen weerloos.

Natuurlijk gaat het mis. Hier gaat het altijd mis. De man achter haar heeft hier opgewacht, dit moment van hulpeloosheid. Hij grijpt haar arm en geeft haar een harde duw richting de muur. Dan trekt hij haar jas omlaag over haar armen, grijpt haar bij haar keel en rukt in een keer haar bloes open. Als in slowmotion hoort ze elke knoop van haar bloes afknappen. Met gedempte tikjes vallen ze op de natte straattegels. Ze worstelt met de jas maar krijgt haar armen niet los. Dan ziet ze iets blinken. Haar hart staat volledig stil, een mes! Snel snijdt hij haar beha los. De kleren hangen nu nog flodderig in rafels om haar heen. Haar borstjes steken vooruit, haar tepels stijf van kou en angst. Ze voelt een regendruppel tussen haar borstjes glijden, het moment duurt een eeuwigheid. Ze probeert zijn gezicht te zien maar ziet alleen het psychotisch fonkelen van ogen in flikkerend licht.. En lang haar, hij heeft lang haar?

Met een hand trekt hij haar rokje omhoog tot net over haar heupen. Ze voelt het koude staal langs haar lies glijden. Dan een koude vlaag frisse lucht langs haar lippen. Het slipje is verdwenen. Vocht vloeit rijkelijk, angst doet dat.

Hij laat haar keel heel even los, alleen om haar om te draaien. Haar tepels schuren langs de oude bakstenen muur als hij haar benen van elkaar schopt. "Kont naar achteren teef!" gromt de man achter haar. Maar ze is verstijfd van angst en doet helemaal niets. De man lijkt het niet eens te merken. Met een hand trekt hij haar hoofd naar achteren, aan haar losgevallen, natte haar. Even laat hij zijn tong langs haar oorschelp glijden, teder, alsof ze geliefden zijn. Dan rukt hij met zijn andere hand haar heupen naar achteren. Ze voelt een vinger langs haar gezwollen klit strelen. Is het regen of geil wat langs haar benen druipt? Een huivering trekt langs haar ruggengraat. Een klein momentje staat de wereld stil. Nog even en hij zal haar penetreren. Alsof ze niets meer is dan een neukbare hoer. Een gore slet, onderworpen aan een wildvreemde man.

De voetstappen sterven weg. Ze laat een klein zuchtje. Het klinkt bijna teleurgesteld. Achtentwintig lentes en nog steeds maagd. Langzaam slentert ze verder naar haar voordeur.

door CiNNeR

afgestoft

door Spencer Brandsen [ link ] negen bijdragen

 

Holle retoriek

"Aarsema, dan komen de tachtigerjaren puberale streeptinten van de eerste kabeltv binnen op mijn kolkende oogbollen als de tube mayonaise leeggeknepen in in een onderzoekende puberkringspier . Vage opgedroogde veegklodderstrepen op de dikke zware afstandsbediening die het allang niet meer doet. Bolle schermen versterken de aplastische rondingen. Antennes nog met coax en zaad in een sok, geurend naar kamille gemengd met nat speculaas. Jong zijn is zo mooi…"

"Zit je achter het meest nieuwe en hipste technologische apparaat van deze eeuw, kom je op een stukje internet over columns schrijven. En dat is nu exact wat ik zocht! Soms zoek je iets, en kan je het niet vinden. Maar nu wel! Ik zoek iets om mijn Nederlandse woordenschat in te verwerken. En dan zoek je, en zoek je, en dan VIND je!

Soms zoek je iets anders. En dan vind je het niet. Mannen, of vrouwen, pennen, papier, boeken, bekers of boodschappen, je vind het soms niet.

Maar nu heb ik het gevonden!

Groetjes Lieke"

(Lieke, Zelf een column schrijven)

"Daarom is bicat een lichtje, een vuurtoren voor de verloren lopende dolenden.
Want dat er velen op de dool. Een gevolg van zich onbestemd, zonder nuttig doel, afgevlakt en weinig bijzonder voelen maar misschien nog meer eengevolg van het vluchten voor deze zelfrealisatie, deze pijn van een ziel zonder importantie niet te hoeven voelen. En daar compensatie middelen voor zoeken en aangboden krijgen. Drugs, sex met dieren, sex met kinderen die geen leeftijd meer nodig schijnen te hebben, autorijden, schoeisel, weblogs, gangbangs, sport, wat al niet. Als het maar lijkt dat je vooral bezig bent. Al is het nietszeggend en immoreel, al is het bellenblazen met je mond dicht of een kraak zetten en minister zijn.

En dan is er bicat..aus blaue hinein zu uns gezogen, zonder eigenaren of aandeelhouders die stakingen uitlokken, zonder stompzinnig geleuter, nee, de magie van de fantasie, de fictie en de nederlandse taal aan de macht.
Een baken van troost, een zwoele geur vlak voor het slapen gaan, een enorme uitzinnige stapel draadjesvlees met dampende jus, een romance achter het frietkot, scooters en mobieltjes, vogels die hun eigen lied zingen, de eigen partituur kennen en geen regisseur of dirigent nodig hebben, de horror en thrill. Dat wat onbewust en ondergronds en ook van het leven zelf is. En niet wordt voorgeschreven door de krant, de tv, radio, politiek, banken en verzekeraars, speculanten die denken met 'de echte waarheid' om te gaan. Nee, ik ben geen echt schrijver maar wel groot fan van het schaarse bicat talent."
(Peter Novecento, Haagsche Post)

"Schuimbekkend van woede las ik de met een danige onverschilligheid geschreven colums betreffend de holocaust en Auschwitz. De flarden teksten vol schrijffouten en loze beweringen, getuigen van weinig historisch besef maar vooral een respectloze attitude jegens miljoenen slachtoffers. Vandaar mijn bijdrage met het verzoek de richtlijnen als opgesteld in de bijlage te respecteren en in acht te nemen.

vr groet

dhr. Papen"
(Daniël Papen, via email)

"Diep geroerd, met geknepen stembanden, omvloerste oogleden, brandend maagzuur en kloppende roede (het is tenslotte 5 december) mocht ik uw fraaie stuk proza over mijn getroebleerde netvlies laten glijden... De woorden vertalen zich moeiteloos in zielsetsende beelden. Dank!"
(bromde Zielknijper, 5 december 2005)

"Geachte heer,

Mag ik u verzoeken het plaatje van de te jonge dame van uw site te verwijderen. Er zijn namelijk nog al wat mensen die dit niet lollig vinden. Diverse klaag e-mails over gehad. Mag ik u er op attenderen dat het hier om Kinderporno gaat en de wetgever daar meer dan 4 jaar gevangenisstraf op heeft gezet. Ik ga ervan uit dat het om een misvertstand gaat, als moderator. Met vriendelijke groet.

Sociale Jeugd- en Zedenpolitie te Amsterdam
Commerciele zaken
020-5592585"
(i030142@planet.nl, 14 december 2004)

"Schitterend verwoord dat artikel over Clarence. Liep jaren met een missie, aan de voetballiefhebbers (niet de kenners) proberen uit te leggen dat Abe en Piet beter zijn dan het orakel uit betondorp. Was onbegonnen werk. Het klootjesvolk adoreert Ellen van Langen, Geesink en Rieu, en vinden mevrouw Blankers, Ruska en Roby lakatos maar niks, ze weten waarschijnlijk niet eens wie het zijn. Toen Keizer stopte heb ik jaren niet meer gekeken. Toen zag ik die Fin en een paar jaren later een Surinamer met een Nederlands paspoort (Had die Fin er ook maar een gehad). Ja en dan begint het heilige vuur weer te branden. Deze twee zijn tactisch en technisch het beste wat er op Nederlandse velden heeft rondgelopen (wat ik in mijn leven heb gezien). Keizer had niks met voetbal te maken, dat was ballet,kunst, en soms als het niet belangrijk was helemaal niks .En Abe ken ik van wat beelden, maar als je naar de verhalen over hem luistert hoef je de verteller maar in de ogen te kijken en herken je meteen de kenners uit die tijd."
(via mail, 23 oktober 2005)

"pedante snikkels, komen kut te kort. Webloggen is niet voor mietjes maar ook niet voor stoere geile binken, webloggen is namelijk een fenomeen, een spookbeeld voor blinden die zich vergapen aan de wijde wereld van het internet om zichzelf te ontmoeten, een monologue interieur te voeren en dan de echo terughoren, het internet dat een wonder is wat een dom irrationeel fenomeen is. Echt iets voor pedante snikkels en kale kutten die niet neuken maar wel in elkaars nek willen hijgen en tijd teveel hebben. Ik zou er helemaal niet aan beginnen en beroemd en rijk ben ik al, zegt het liefje. Ik heb de grootste en zij heeft de lekkerste en we verdoen de tijd liever in elkaar verstrengeld dan te vergooien op zo’n vervuilde weblogmarkt. Mot je alweer email beantwoorden enzo, in je vrije tijd, be je gek. Opzoute, stik dur maar in, Goossens, kijk maar uit dat ze niet vreemdgaan terwijl jij al die poen verdient, sneue wolf, ouwe rukker, voordat je het in de gaten hebt sta je een verschrikkelijk stinkend goedje op je scrotum te smeren terwijl je staat te huilen omdat je zo belazerd bent terwijl je het alleen maar goed bedoeld, voor ons allebei schatje, weetje, heerlijk met vakantie strax, saampjes, maar vanavond moet ik werken snappie, centjes verdienen mot pappie, kijk niet zo beteuterd, je wilt helemal niet naar de Lidl, je wilt daar nooit gezien worden zei je, nou dan. Nou tot strax dan, he ?"
(nove, 12 oktober 2005)

"Bicat.net, dat is toch die achterlijke webstek voor rukkende, boerende en altijd bezopen kerels? Dat zielige pathetische zooitje ongeregeldheden dat uitgebraakte hersenkwak probeert te verkopen als prozadrek? Natte winden, dikke drollen, kleverige onduidelijkheden? Slurptrekkende draaigorgels, voorhuidjogging avant la lettre en berensgrote buikglijers?" (Jeremias Schubbenrug, in Nova, 4 oktober 2005)

Reageerziekte

"Op een vrolijke dag toen ik aan mijn, voor al 11 jaar, allerbeste vriendin de liefde heb verklaard en binnen luttele seconden de meest euforische gevoelens door mijn ziel heen flitsten typte een verslag van school begon k te typen en dit kwam tevoorschijn op het samengeperste hoopje uitwerpselen wat ik beschouw als mijn laptop, want zoals velen het niet slecht zou doen als zij dit beseften is bezit enkel een illusie.

Conclusie & nawoord

Niet alleen symbolen hebben invloed op ons doen en denken, de manier waarop ieder mens zichzelf ziet en andere zegt meer over die persoon dan over anderen. Elk mens gaat zijn eigen weg, en het is jammer dat er uit commerciële geldzucht zoveel miscommunicatie ontstaat tussen mensen. Welk mens is beter, het mens dat genadeloos elke, in zijn ogen misdadiger, ritueel vermoord, of die mens die de opdracht geeft om onbewuste signalen stuurt via reclamespotjes en zo het materialisme hoger prijst dan het gevoel om bewust van jezelf en je daden te zijn? Draait het dan uiteindelijk allemaal om geld?
De een vermoord mensen die hun hele leven anderen pijn doen, en de ander roept het gevoel op dat er niets beter is dan nike schoenen in combinatie met een stoere jack met een bontkraag, dat gedoe met die bontkragen id volgens mijn theorie gebaseerd op het paringsgedrag van leeuwen, hoe groter en mooier de manen, des te meer aanzien ze hebben en kans op leiderschap en hoe meer kans ze hebben dat hun genen worden doorgegeven ;).
Door niet te realiseren waar je mee bezig bent, of niet wie, maar wát je eigenlijk bent, ontstaat er miscommunicatie en disharmonie in de maatschappij. Opgaan in de massa kan leiden tot afgunst en afkeer van het geloof in jezelf en in anderen.

En ik wens hierbij balkenende en zijn hele tweede kamer heel veel succes met het oplossen van de “problemen” hier in Nederland, want zo schieten we geen reet op.

Oja, en een gelukkig Nieuwjaar!

Zondag 7 januari 2007, Frank Hooijer"
(Frank Hooijer, 7 Januari 2007)

"Ik had het allemaal al wel eens meegemaakt en niets was mij te dol geweest: eonisme, vice anglais, flaggelatie, ja zelfs koprofagie. Ik was dan ook met graagte ingegaan op de omineus-priapische woorden en lubrieke blikken die "Ellen" tijdens ons gezamelijk consumeren eerder die avond op mij had gericht. Toen we, media nox, eenmaal in haar slaapkamer waren aangekomen, gaf zij steeds minder blijk van doorgaans aan haar toegeschreven mesquinerie. Integendeel,loodzwaar en onvermijdelijk hing het veile sneukelen in de lucht. Binnen no time was de vloer dan ook bezaaid met exuvieën en toonde zij mij haar zinnenprikkelende Junonische leest. Na intiem pidjetten en enige orogenitale schermutselingen (waarbij brod noch javelijn werd ontzien),sloegen wij serieus aan het procreëren. Cunnus en Curacaoënaar leken welhaast voor elkaar geschapen. Hoewel haar defloratie al enige tijd terug had plaatsgevonden, pandoerden wij als nooit tevoren, daarmee verschillende tenesmen bewerkstelligend. Het is maar goed dat haar echtgenoot van deze sluikmin nooit wat heeft gemerkt..."
(TiTo, mei 2006)

"Schrijf eens over vrouwen en hun plek of plaats in de allesverterende zakenoorlogen. Want als er stereotype mannen met diep verborgen schaamtegevoelens over hun potentie problemen en erectiestoornis (taboe naturlijk) dan is dat manifest in hun 'vlucht vooruit' in de freudiaanse wapencultuur. Elke geweerloop, elke zwaardere tank is een gestileerd erectiel apparaat vol dodelijke munitie opgepomnt met miljoenen kogels in een spurt naar het doel wat als lustsymboliek een 'lilith' in een duizelige extase zou moeten brengen want zo 'is de kracht van het leger'. Stoere mannen die eerst de vrouwen opgeilen, dan met hun duwtje in de rug erop los gaan om 'de vijand te onthoofden'. Ik als watje moet altijd vreselijk lachen om die serieuze gezichten die de mannen politici en militairen bij hun gepiep, gezeur en gezeik en hun broodnodige verklaringen trekken.
U, als warmbloedige heterovrouw zal zich wezenloos kunnen uitleven 'tussen de hitsige Jantjes'. Ik stel voor dat u zich een voorstelling maakt over de gang van zaken in de nachten op zo'n nomadenkamp met satellietvererbindingen in de maanloze nachten van de nieuwe woestijnen die worden ontgonnen, namens u en mij, natuurlijk, vanzelf, juist, nee, uiteraard. Het mag ook wel een andere uiterst vervelende erectiestoornis gaan, de ejaculatie praecox. Dat gaat dan vast over de linkse oppositie, denk ik dan, kunt u het fijn neutraal houden.

U bent toch op alle kaasmarkten thuis, hard op weg om zich te bekwamen in een genre waar sex met hoofdletters geschreven moet worden. Vooral de sex benadrukken, Lilith. Veel gore geile, harde, wrede sexscenes, met blinddoeken, kidnap, politiehandboeien, touwen en katrollen, gedwongen masturbatie tussen mannen, tussen vrouwen, scarring en kaalscheren en tot huilens toe dat gepomp met dildo's en dat monotone gezoem van vibratoren sfeervol brengen. Vooral geluiden en kleuren beschrijven, daar ben ik gek op."
(Peter Novecento)

"Is er iemand in de zaal die nog wil doneren aan een zielige arme homosexueuele neger met een onbeschrijflijke ziekte zwaargelovig te dom om te leren of te schijten die bovendien een oog mist en denkt dat de duivel soep in een blik stopt want hoe komt het er anders in en tegelijkertijd vreselijk gebukt gaat onder de laatste Tsunami of de vrees daarvoor want zijn geitenoog gaf vanmorgen onheil aan? Of anderszins zijn hypocriete tot op het bot zwarte geweten schoon wil kopen voor een luchtig schijntje of nóg liever zichzelf onsterfelijk wil maken over het lijk van een ander? Nee? Eénmaal? Andermaal? OK, dan ben ik ook pleite en met Marnix mee naar dat gruwelijk dure restaurant. Bovendien is het al na zessen en sta ik in de baas z'n tijd de wereld te redden en zo heb de cao dat nooit bedoeld. Howdoe en de mazzel. "
(Hein Buffelruft, 28 dec 2005)

"De liefde is groots, ze breekt zonder haar gebit te gebruiken door elke granieten kop heen, verzwakt de wil en maakt elke stoere kerel tot een week omhulsel, een schaduw van zichzelf, een brabbelend luierkind, elke vent verandert van binnenuit en geweldloos door haar rijke zegeningen. Je krijgt een rijpe korstkaas als huid en een hart van vloeibaar goud. Verpletterend is ze en zij, de liefde, de warme zomerse, niet de winterharde en verbitterde tak dus, zit nog steeds vol met geheimen waar niemand de sleutel van kan vinden. Mysterieus is ze, als de ondergrondse geheimzinnige dictatuur van wereldwijde, alomvattende bekabeling waarlangs dagelijks kilometers gecodeerde data tussen de continenten flitsen. De liefde is een tectonishe plaat die schuurt en krast en gangen boort voor lavastromen van vleselijkheid en voedzame sappen die op geen enkele dieet mag ontbreken. Daarom is ze schaars. Tot slot..we heben allemaal een gat van onderen, onthou dat. "
(Nove, relatietherapeut, 3 dec 2005)

"Thanks! Voor de eerlijke en ijskoude bieren vooraf om de ergste dorst te lessen na een lange en vermoeiende reis. En de Champage daarna in gelukkig niet van die zuinige hoeveelheden maar gewoon ruim bemeten pullen. Dank ook voor de wonderschone oester die in zijn natuurlijke habitat beschermd en koel lag te wezen toegedekt met een warme dekentje bosui-liefde en een tikje Tabasco-ondeugd onder die deken. Dank voor de kleinste en schattigste St. Jacobsoesters die ik proefde in Balsamicostroop. Eerbied voor de kort aangebrade en met ontbijtkoek gestoofde kwartel. Ik proefde een tint Orange Marmalade hoewel je zei dat het er niet in zat. Ik hou het erop dat de chefkok zijn geheimen heeft en, hoe hooggeëerd zijn publiek ook mag zijn, ál zijn details zullen ze nooit te horen krijgen. Met liefde deed ik mijn sommeliertaken en het ‘kut-sommelier’ omdat ik de glazen niet tot de nok vulde, neem ik op de koop toe. Onder de indruk was ik van je tzatziki met shrimp en rode grapefruit. Zoet en zuur zoals Bitter & Sweet zoals het leven zelf zoals harmonie zo mooi kan zijn. Ook onder de indruk was ik van je zeewolf met tomatenchutney. Een rode knipoog op een licht in de boter aangezet visje zoals de boter bij de vis behoort te zijn. Je bewees jezelf door met het produkt mee te koken en de zeeduivel vochtig te houden en over te laten lopen in het bedje van zuurkool omrand door koele en volle crême fraiche en slechts gestopt door mosterd. Het zal mijn gebrek aan woordenschat zijn geweest deze poëtische beleving van samenstelling aan mijn disgenoot heer Visser uit te leggen, aan de wijn waarin het beestje zwom heeft het niet gelegen. Emotioneel werd ik bij het aangezicht van mijn vrouw in jouw open keuken, verliefd op de chefkok die zijn konijntje aan de haak had geslagen. Uit het konijnengezin weggetrokken, de zuigelingen achtergelaten en deskundig ontdaan van fluffy flaporen en prachtig gevild en daarna één minuutje aangebraden in de volle boter. Ach, je zei het nog, ‘nog even in de oven en gekeken hoe lang’ in antwoord op de vraag hóe lang dan, zoals Sebastiaan Bach ook vindt dat de piano zichzelf speelt. U zij geprezen met bijzondere gaven, maar het zal mijn eenvoudige ziel zijn die het zo ziet. De ingekookte fond een tikje gezoet nog niet eens meegerekend evenals de witte bonen-truffelpuree en rode kool met vijgen die in een restaurant van naam de kaart had kunnen aanvoeren. Jammer dat je er niet bij was met de kaas. Het zal de tol van de roem zijn geweest of de spanning van het koken op zulk een hoog nivo. Het siert de man die ook gewoon maar een mens van Vleesch & Bloed is gebleven. Het was uit de kunst hoe wij genoten van een walnoot uit Frankrijk gekraakt op de wals van braakgeluiden die wij van boven hoorden komen. Waarschijnlijk was je druk doende in de homard-naire. Het dessert ben ik kwijt evenals het betoog dat ik hield, maar dat was ik toen al kwijt. Het betoog hou je van mij tegoed. Ik zal het je vertellen als ik de liefde verklaar aan mijn vrouw zoals jij gisteren de keuken in het algemeen en ons in het bijzonder de liefde verklaarde. "
(Kiers de Maison, 27 november 2005)

"Ach, heer bicat, nu we het over eten en drinken hebben. Ik kan u te allen tijde aanraden, maar toch vooral in de herfst, van de ganzenlever te proeven. Zoekt u daarbij een zo eenvoudig mogelijk bewerkte ganzenlever, dus geen paté, niets met geconfijte uien of anderszins toevoegingen. U wilt ganzenlever proeven die met de hand is schoongemaakt door een oud boerenvrouwtje die hooguit peper, zout en wat cognac toevoegde en daarna op 70 graden in de oven met de deur op een kier de lever zachtjes liet warm worden. Niet smelten, want dan scheidt het vet van de lever en bent u uw produkt kwijt. Nee, u wilt de lever verwarmen zodat lever, peprer, zout en cognac een geheel gaan vormen. Dat wat u wilt proeven is de waarheid en niets anders dan de waarheid. Slaat u overigens wel in grote hoeveelheden in, niets zo erg als aan het einde te moeten constateren dat u nog wel wat had gelust. Nee, met veel dingen is het zo dat we nèt even meer moeten eten dan ons lief is. Nèt dat decadente punt van overdaad aantikken. Schenkt u daarbij een Gewürztraminer en bij voorkeur hoe ouder hoe beter en liever nog een Grand Cru dan een gewone. Maar als u dan toch uit wilt pakken dan komt u niet heen om de Tokay Pinot Gris.
Daarbij geserveerd met warm en geroosterd brioche brood."
(Harrie Stamper, 23 oktober 2005)

"Of die klassieke Suske & Wiske (het was nummer 78 als ik het goed heb): De Kakkende Kakkerlakken, die aflevering waarin Tante Sidonia in haar keuken te maken heeft met een steeds groter wordende populatie kakkerlakken, die voortdurend alles onderschijten, niet in de laatste plaats de biefstuk met friet die Tante speciaal voor Lambik had gebakken, tot grote woede van onze favoriete zeshaarder, die gelijk een spuitbus pakt en erop los begint te spuiten, dit tot groot enthousiasme van zowel Suske als Wiske, die duchtig beginnen mee te spuiten (we hebben het hier duidelijk over de periode waarin Suske en Wiske nog net zo milieubewust waren als George W. Bush die zijn privejet vanuit Kyoto liet terugvliegen naar zijn range in Texas omdat ie z'n favoriete cowboy-hoed was vergeten), maar in de spuitbus van Lambik blijkt een goedje te zitten dat er voor zorgt dat de kakkerlakken de volgende dag het formaat van een jong paard hebben (professor Barabas had een lege spuitbus gebruikt om zijn nieuwe groei-middel te testen en vergeetachtig als hij was, had hij het bij Tanta Sidonia laten liggen, puur uit teleustelling, want ook na gebruik van het groeimiddel had Tante Sidonia de professor uitgelachen toen hij zijn broek naar beneden deed), afijn, nu de kakkerlakken gegroeid zijn, schijten ze nog harder met als gevolg dat tante Sidonia, Lambik, Suske en Wiske hun huis worden uitgescheten, waarna ze Jerommeke erbij halen, wiens enige bijdrage een ENORME scheet is, gelukkig komt professor Barabas eraan met een grote smile op z'n mombakkes en een nog grotere bobbel in de broek die, zo zal even later blijken, amper in staat is de steeds groter wordende penis van Barabas te verhullen met als gevolg dat Tante Sidonia, gek van geilheid, zich op professor Barabas stort die vrijwel onmiddellijk klaarkomt en bovenop een van de reuzekakkerlakken kwakt die dan weer vrijwel onmiddelijk in elkaar krimpt en in het niets oplost, waarna ook Lambik en Suske en Jerommeke hun apparaat bewerken met het groeimiddel, zodat ze de volgende dag, onder de stimulerende leiding van Tante Sidonia en Wiske, de kakkerlakken dood masturberen. Knipoog Wiske. Einde."
(Max J. Molovich, 23 Augustus 2005)

"De vergelijking ‘vleesetend’ en ‘vrouw’ is een natte wensdroom. Het is veelbetekende symboliek dat er aan vegetarische mutaties man/vrouw/ hermafrodiet wordt gewerkt door de wetenschappelijke elite. Weten zij soms meer? Staat ons Armageddon te wachten ? De finale segregratie, het schisma van de sexen en de ondergang van hun zondige sexueel verkeer als geheime wapen om de wereldbevolking eindelijk zonder oorlogen te kunnen reguleren ? Reincarneren in een plantaardig bestaan in een potje aarde van robotformaties die miljoenen grijze racks van vruchtdragende en geurige planten produceren onder uiterst secure en berekende condities , zonder vrij zon of maanlicht, zonder zicht of gehoor, zonder tastzin, zonder geluid van wind en zee."
(nove, 6 Juni 2005)

Zelfbeschouwing

"Een man van middelbare leeftijd, beet je te dik, beetje te morsig. Baardje of sik wellicht. En witte schilfertjes sieren zijn gelaat. Hij rookt en hij drinkt, maar in tegenstelling tot wat hij ons graag wil doen geloven, niet teveel. Hij is een ambtenaar, schaaltje 9. verder een liefhebbende vader die zijn frustratie over het uitblijvende en waarschijnlijk nooit meer komende grootse leven heeft verruild voor een soort van komisch cynisme. Hij neemt het niemand kwalijk behalve misschien soms zichzelf, maar dan alleen na een Westmalle Tripel te veel. Hartstochtelijk supporter van NAC of een andere club ten zuiden van de grote rivieren, want dat hij een Brabander is moet haast wel. Zo stel ik mij Kiers voor, maar wellicht is het wel gewoon die homofiele Indo die bij Serudang de lege borden ophaalt..who knows.."
(Andy Möller, Gelsenkirchen)

"Het is vast een meteroloog, een weermenneke met een gesmoorde sexualiteit, eentje met een enorm taboe. Een vrijgezelle biologieleraar met verlatingsangst kan ook. Zo'n eenzaam type die nog steeds bij zijn moeder woont en al jaren lesgeeft in het basisonderwijs. Zo'n anonieme 13 inhetdozijnman die spaarzaam leeft, de piepers schilt en de afwas doet, zo eentje die op de middagwandeling met het hondje van moeders vanachter de krant bij een speeltuin of in het park naar stoeiende of voetballende jochies kijkt en de pijn verzwijgt. Een masochist die het taboe koestert.
Zo'n kleffe smeerlap van een potentiele serieverkrachter met banden in een hechte kerkgemeenschap waarop moeders zo trots is omdat hij naast het lesgeven ook nog als hobby het locale knapenkoor dirigeert. Zo eentje die maar beter melancholieke verhaaltjes moet blijven schrijven. "
(Nove, 22/11/2005)

"Ach ja, leuk, schrijvers.

Beetje zo in je donkere hol aan de wereld knagen. Puur verongelijkt verdedigen van een door mede niet-aanwezigen geschapen superieure schertswereld. Lurken aan je pijp. Pijpen aan je lurk. Woorden in langgerekte nadenkzinnen omzetten. Protserige taalvlekjes. Huilerige holheden. Fletse vondsten. Massieve monomane monsters. Een zielige berg toevoegingen aan de duistere put die al veel te lang overstroomt door de gemankeerde bijdragen van nerveus krabbelende geesten met een ongepast gevoel van eeuwigheid.

Die sfeer.

Geef mij maar parkeerwachten. "
(Marnix, 21/11/2005)