<?xml version="1.0" encoding="iso-8859-1"?>
<rss version="2.0" 
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:admin="http://webns.net/mvcb/"
	xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/">
	
	<channel>
		<title>bicat.net</title>
		<link>http://www.bicat.net/index.php</link>
		<description>louter vuighe zaken</description>
		<dc:language>nl</dc:language>
		<dc:creator></dc:creator>
		<dc:rights>Copyright 2008</dc:rights>
		<dc:date>2008-05-09T08:57:58+02:00</dc:date>
		<admin:generatorAgent rdf:resource="http://www.pivotlog.net/?ver=Pivot+-+1.24.3%3A+%27Arcee%27" />
		<admin:errorReportsTo rdf:resource="mailto:rsserrors@pivotlog.net"/>
		<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
		<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
		<sy:updateBase>2000-01-01T12:00+00:00</sy:updateBase>
		<image>
			<link>http://www.bicat.net/index.php</link>
			<title>bicat.net</title>
			<url>http://www.bicat.net/archives/bewegende.jpg</url>
		</image>
		
		
		
		<item>
			<title>Uitroeptekentrut</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/05/09/uitroeptekentrut</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/05/09/uitroeptekentrut#comm</comments>
			<description>Volgens mij ben jij een uitroeptekentrut.Een wat?Een uitroeptekentrut.Wat is een uitroeptekentrut?Dat is een trut die zonder reden achter iedere zin 1 of meerdere uitroeptekens zet.Ik zet helemaal niet achter iedere zin een uitroepteken!Kijk, daar doe je het weer.Wat?Er een uitroepteken achter zetten.Ik zet helemaal niet overal een uitroepteken achter!!Jawel, 2 nu zelfs.Welnee, hoe kom je er bij!!!Ik zie ze toch staan? Maar het is niets bijzonders hoor. In iedere straat woont minstens 1 uitroeptekentrut. Meestal is zij ook verantwoordelijk voor de organisatie van de jaarlijkse buurtbarbeque: Komt allen!! Het wordt reuze gezellig!!!Hoe weet jij dat...Vaak is zij, hoewel zelf in het bezit van twee honden, voorzitster van de Actiegroep Hondepoep: Wij willen geen hondepoep! Op onze mooie fijne stoep!Nou, dat is al weer een tijdje geleden en...En penningmeesteres van het Overlegplatform Rubbertegels Kinderspeelplaats.Maar...En heeft zij al 27 fotoalbums volgeplakt met familie- en vakantiekiekjes, voorzien van onderschriften als: Reeds bij het krieken van de dag waren wij uit de veren!Hoe..De heerlijk verse broodjes werden smakelijk verorberd!!Ja maar...Opa Flip had de dag van zijn leven in Madurodam!!!Ja maar...Het koekhappen op Koninginnedag was weer een daverend succes!!!!Ik... ik... Jij bent gewoon een grote zak!!!!!Kijk, doe je het weer..</description>
			<guid isPermaLink="false">508@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Volgens mij ben jij een uitroeptekentrut.<br  /><br  />Een wat?<br  /><br  />Een uitroeptekentrut.<br  /><br  />Wat is een uitroeptekentrut?<br  /><br  />Dat is een trut die zonder reden achter iedere zin 1 of meerdere uitroeptekens zet.<br  /><br  />Ik zet helemaal niet achter iedere zin een uitroepteken!<br  /><br  />Kijk, daar doe je het weer.<br  /><br  />Wat?<br  /><br  />Er een uitroepteken achter zetten.<br  /><br  />Ik zet helemaal niet overal een uitroepteken achter!!<br  /><br  />Jawel, 2 nu zelfs.<br  /><br  />Welnee, hoe kom je er bij!!!<br  /><br  />Ik zie ze toch staan? Maar het is niets bijzonders hoor. In iedere straat woont minstens 1 uitroeptekentrut. Meestal is zij ook verantwoordelijk voor de organisatie van de jaarlijkse buurtbarbeque: Komt allen!! Het wordt reuze gezellig!!!<br  /><br  />Hoe weet jij dat...<br  /><br  />Vaak is zij, hoewel zelf in het bezit van twee honden, voorzitster van de Actiegroep Hondepoep: Wij willen geen hondepoep! Op onze mooie fijne stoep!<br  /><br  />Nou, dat is al weer een tijdje geleden en...<br  /><br  />En penningmeesteres van het Overlegplatform Rubbertegels Kinderspeelplaats.<br  /><br  />Maar...<br  /><br  />En heeft zij al 27 fotoalbums volgeplakt met familie- en vakantiekiekjes, voorzien van onderschriften als: Reeds bij het krieken van de dag waren wij uit de veren!<br  /><br  />Hoe..<br  /><br  />De heerlijk verse broodjes werden smakelijk verorberd!!<br  /><br  />Ja maar...<br  /><br  />Opa Flip had de dag van zijn leven in Madurodam!!!<br  /><br  />Ja maar...<br  /><br  />Het koekhappen op Koninginnedag was weer een daverend succes!!!!<br  /><br  />Ik... ik... Jij bent gewoon een grote zak!!!!!<br  /><br  />Kijk, doe je het weer.. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-05-09T08:57:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Ek Spermatos</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/05/07/ek_spermatos</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/05/07/ek_spermatos#comm</comments>
			<description>Bernard stond versteld van wat zijn zaad had aangericht. Heel zijn wereld stond in het teken van de buik van zijn vrouw, die zienderogen in omvang toenam. En niet alleen haar buik: haar kont, haar tieten, en zelfs haar kut werden groter en robuuster. Hij had de machine in gang gezet met zijn zaad. Zijn vrouw was een babyfabriek geworden, en hij was de ingenieur. Zijn vrouw was een fabriek die veel onderhoud vroeg. Weet je waar ik zin in heb, vroeg zijn vrouw. O, Bernard wist dat maar al te goed, hij kende die intonatie in haar stem. De gedachte haar in deze toestand te moeten naaien deed zijn pik krimpen. Alsof hij de loop van een geladen kanon zou moeten naaien, terwijl de kanonier grijnzend met een brandende toorts rond de lont staat te zwaaien. Het publiek houdt de adem in, terwijl Bernard zijn broek afstroopt. Hij wrijft zijn slap pietje tussen zijn handen, tot het eindelijk rechtop gaat staan. Tromgeroffel. Bernard bestijgt met knikkende knieën het houten trapje dat voor het zwartmetalen kanon geplaatst is. Bernard kan de kelderlucht ruiken die hem vanuit de loop tegemoet komt. Hij drukt zijn bekken tegen de mond. Zijn ballen rusten op het koude metaal. Zijn eikel schuurt tegen de bovenkant van de geoliede loop. De grijnzende kanonier ontsteekt de lont. Het publiek wordt extatisch. Bernard sluit de ogen en houdt zich krampachtig vast aan de buik van het kanon. Hij stoot alsof zijn leven er van af hangt. Eventjes nog. Eventjes nog en alles is voorbij.Toen zijn vrouw 35 weken ver was, zat ze hele dagen in de zetel. Zijn zetel. En van in de zetel riep ze hem bevelen toe. Bernard, die doodop van de zenuwen in de keuken stond, verweet zijn pik de goesting, die de aanstoker was van al zijn miserie. Berrrr-naaarrrrr! ’t Fabriek had dorst. ’t Fabriek wou een vers geperst sapje. Bernard sneed appelsienen, en een citroen. Hij wrong ze uit met alle kracht die zijn lijf kon opbrengen. De schillen schurend tegen de glazen teut, tot ze slap en gescheurd waren. Berrrr-naaarrrrr! De ramen lappen, stof vegen, dweilen… Bernard had geen moment meer voor zichzelf. Hij voelde zich de vrouw in huis. Zijn pik voelde het ook, kroop steeds dieper weg in zijn onderbuik. Hij kreeg erectieproblemen. Zijn vrouw kreeg een snor. Dun, maar onmiskenbaar. Een zwarte snor. ’s Nachts droomde Bernard dat zijn vrouw een penis had. Een fiere penis, hard van goesting. Ze stak hem in Bernard, hing zwetend en hijgend boven zijn gezicht. Haar snor werd steeds dikker, en stugger, en prikte in zijn vel. Haar priemende ogen vernederde hem. Je doet me pijn, riep hij. Stop, je doet me pijn! Ze luisterde niet, ging door met stoten. Dan schokte ze, grijnsde haar gele tanden bloot, en spoot hem vol met warme stralen dik zaad. Ze bleef maar spuiten, de ene dikke straal na de andere. Meer dan Bernard verwerken kon. Zaad liep uit zijn neus, zaad liep uit zijn oren. Zijn hele lijf baadde in het lauwe kleverige vocht. Berrrr-naaarrrr! Dat was de ochtend dat haar water brak.Ze hing zwaar en bezittend, de vlezige arm als een haak in de zijne. De gynaecologe ontnam hem zijn last. Hij was dankbaar. Toen hij haar van op het stoeltje gade sloeg was hij verrukt. Dat fijne blonde wezentje. Strak op alle plaatsen waar zijn vrouw was uitgezakt. Rond waar zijn vrouw amorfe vormen had aangenomen. Verdomme, lekker dier, mompelde hij, en volgde met gretige ogen de lijnen van haar lichaam, dat zich duidelijk aftekende in haar witte dokterspakje. Zijn vrouw lag te hijgen en te zwete. Bernard glimlachte gelukzalig, terwijl een lentezonnetje door het raam op zijn gezicht scheen. De gynaecologe stond over zijn vrouw gebogen, haar rug naar hem gekeerd. Hij zoog aan zijn vinger, beet in zijn vel, en likte zijn hand alsof hij uitgehongerd was. Berrrrr-naaarrrrr! Zijn vrouw krijste. Hij haaste zich tot bij de verlostafel. De bevalling werd ingezet. Bernard werd misselijk van de geur, het gekrijs, de aanblik van de opengesperde dijen van zijn vrouw. Ze greep zijn hand, en van dat moment af bestond hij enkel nog uit die hand, die gekraakt en vermorzeld werd door de oerkracht van zijn vrouw. Zijn krijste. Bernard schreeuwde het uit. Verenigd in pijn riepen ze de hele materniteit samen. En na twee uren van onnoemelijk lijden, de langste uren uit het leven van Bernard, werd Elsje van tussen de geknipte lippen van zijn vrouw gehaald. Lippen die hem aan een enorme lap rosbief deden denken. Terwijl het geroep van haar ouders verstomde, hief Elsje aan, en gaf daarmee te kennen dat leven lijden is. Bernard, die haar gehuil als een verwijt opvatte, sloeg beschaamd de blik neer. Het spijt me, mompelde hij, en hij huilde zoals hij ook huilde bij haar verwekking. Zijn vrouw interpreteerde Bernards verdriet als ontroering, en greep opnieuw naar zijn getergde hand. Ze drukte er natte kussen op. O Bernard, ik ben zo gelukkig.Hoe wordt een man een echtgenoot? Hoe wordt een echtgenoot een vader? Bernard begreep dat niet. Is het een natuurlijke metamorfose? Is hij defect? Bernard stelde niets voor als echtgenoot. Ook als vader was hij geen zier waard. Bernard was Bernard, en wat er allemaal rondom hem gebeurde ging volledig aan hem voorbij. Een man die een kinderwagen door de winkelstraat duwt, met hoge stem lieve woordjes tot de baby kirt, en aan zijn arm een vrouwmens dat bij elke etalage halt houden wil. Zo’n man, dacht Bernard, zo’n man is van zijn verstand beroofd. Walgen, dat kon hij. Walgen kon hij als de beste. Walgen als zijn vrouw het babytaaltje sprak tot het kwijlende en snotterende kind. Walgen als de geur van stront de woonkamer vulde. Walgen van de kleurrijke pluizige en plastieken vrolijkheid die het kind voortdurend omringde. Walgen van het gekrijs dat hem ’s nachts uit zijn slaap hield, en dat hem overdag hinderde bij het lezen van zijn krant. En bovenal, walgen van de seks met zijn vrouw.En de jaren verstreken. Bernard bij de lieve waardin Sonia. Bernard lalde zijn zieltje bloot. De andere tooghangers lalden hun zieltjes bloot. Niemand luisterde. Sonia knikte, glimlachte, fluisterde bemoedigende woordjes. Maar luisteren deed ze niet. In haar hoofd telde ze haar geld, opnieuw en opnieuw. Nog zeven jaar, berekende ze, nog zeven jaar en ik zeg dit trieste hol adieu. Adieu en vaarwel! Nog zeven jaar en ik vertrek naar Toscane. Eventjes volhouden nog. Het duurt nu niet lang meer. Zeven jaar. Nog zeven jaar. Ze glimlachte, hield de fles gesloten en zond Bernard naar huis.Nu Elsje een jong vrouwtje wordt, borstjes krijgt en een kont, nu groeit de interesse van Bernard in het wel en wee van zijn dochter. Wanneer er vriendinnetjes over de vloer komen, huppelt zijn hart uitgelaten. Kortgerokte minivrouwtjes, die naar hem lachen en lonken in het ontwakende besef van hun vrouwelijke macht. Bernard begint terug te masturberen. Dagelijks, meerdere keren per dag. Zijn honger is onstilbaar. Op het kamertje van Elsje graait hij tussen haar slipjes. Hij snuift haar geur op, en masturbeert op haar bed. En telkens hij zijn zaad in haar kamertje gespoten heeft komt de schaamte. Waarom friemelen de jongens aan mijn lijf papa? Bernard wordt streng. Hij ziet zichzelf met verbazing de vuist op tafel slaan. Waarom gedraagt hij zich zo? Waarom begint zijn bloed te koken bij het idee dat een snotaap aan Elsje haar borstjes prutst, en onder haar rokje gluurt? En waarom krijgt hij een stijve pik als hij zich het tafereeltje voorstellen wilt? Woede en schaamte. Onmacht en verwarring. Een kop vol miserie, en jeuk, en spieren die willen geweldig zijn. Pater familias Bernard, en vies Bernardje met de stijve piemel. Bernard die aan het slipje van zijn dochter ruikt. Zijn zaad, ek spermatos, die slappe klodder in de zure doos van zijn vrouw. En waanzin knettert tussen zijn arme slapen, die hij tussen duim en middenvinger masseert. Volhouden. Nog eventjes volhouden, en alles is voorbij.</description>
			<guid isPermaLink="false">507@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Bernard stond versteld van wat zijn zaad had aangericht. Heel zijn wereld stond in het teken van de buik van zijn vrouw, die zienderogen in omvang toenam. En niet alleen haar buik: haar kont, haar tieten, en zelfs haar kut werden groter en robuuster. Hij had de machine in gang gezet met zijn zaad. Zijn vrouw was een babyfabriek geworden, en hij was de ingenieur. Zijn vrouw was een fabriek die veel onderhoud vroeg. Weet je waar ik zin in heb, vroeg zijn vrouw. O, Bernard wist dat maar al te goed, hij kende die intonatie in haar stem. De gedachte haar in deze toestand te moeten naaien deed zijn pik krimpen. Alsof hij de loop van een geladen kanon zou moeten naaien, terwijl de kanonier grijnzend met een brandende toorts rond de lont staat te zwaaien. Het publiek houdt de adem in, terwijl Bernard zijn broek afstroopt. Hij wrijft zijn slap pietje tussen zijn handen, tot het eindelijk rechtop gaat staan. Tromgeroffel. Bernard bestijgt met knikkende knieën het houten trapje dat voor het zwartmetalen kanon geplaatst is. Bernard kan de kelderlucht ruiken die hem vanuit de loop tegemoet komt. Hij drukt zijn bekken tegen de mond. Zijn ballen rusten op het koude metaal. Zijn eikel schuurt tegen de bovenkant van de geoliede loop. De grijnzende kanonier ontsteekt de lont. Het publiek wordt extatisch. Bernard sluit de ogen en houdt zich krampachtig vast aan de buik van het kanon. Hij stoot alsof zijn leven er van af hangt. Eventjes nog. Eventjes nog en alles is voorbij.<br  /><br  />Toen zijn vrouw 35 weken ver was, zat ze hele dagen in de zetel. Zijn zetel. En van in de zetel riep ze hem bevelen toe. Bernard, die doodop van de zenuwen in de keuken stond, verweet zijn pik de goesting, die de aanstoker was van al zijn miserie. Berrrr-naaarrrrr! ’t Fabriek had dorst. ’t Fabriek wou een vers geperst sapje. Bernard sneed appelsienen, en een citroen. Hij wrong ze uit met alle kracht die zijn lijf kon opbrengen. De schillen schurend tegen de glazen teut, tot ze slap en gescheurd waren. Berrrr-naaarrrrr! De ramen lappen, stof vegen, dweilen… Bernard had geen moment meer voor zichzelf. Hij voelde zich de vrouw in huis. Zijn pik voelde het ook, kroop steeds dieper weg in zijn onderbuik. Hij kreeg erectieproblemen. Zijn vrouw kreeg een snor. Dun, maar onmiskenbaar. Een zwarte snor. ’s Nachts droomde Bernard dat zijn vrouw een penis had. Een fiere penis, hard van goesting. Ze stak hem in Bernard, hing zwetend en hijgend boven zijn gezicht. Haar snor werd steeds dikker, en stugger, en prikte in zijn vel. Haar priemende ogen vernederde hem. Je doet me pijn, riep hij. Stop, je doet me pijn! Ze luisterde niet, ging door met stoten. Dan schokte ze, grijnsde haar gele tanden bloot, en spoot hem vol met warme stralen dik zaad. Ze bleef maar spuiten, de ene dikke straal na de andere. Meer dan Bernard verwerken kon. Zaad liep uit zijn neus, zaad liep uit zijn oren. Zijn hele lijf baadde in het lauwe kleverige vocht. Berrrr-naaarrrr! Dat was de ochtend dat haar water brak.<br  /><br  />Ze hing zwaar en bezittend, de vlezige arm als een haak in de zijne. De gynaecologe ontnam hem zijn last. Hij was dankbaar. Toen hij haar van op het stoeltje gade sloeg was hij verrukt. Dat fijne blonde wezentje. Strak op alle plaatsen waar zijn vrouw was uitgezakt. Rond waar zijn vrouw amorfe vormen had aangenomen. Verdomme, lekker dier, mompelde hij, en volgde met gretige ogen de lijnen van haar lichaam, dat zich duidelijk aftekende in haar witte dokterspakje. Zijn vrouw lag te hijgen en te zwete. Bernard glimlachte gelukzalig, terwijl een lentezonnetje door het raam op zijn gezicht scheen. De gynaecologe stond over zijn vrouw gebogen, haar rug naar hem gekeerd. Hij zoog aan zijn vinger, beet in zijn vel, en likte zijn hand alsof hij uitgehongerd was. Berrrrr-naaarrrrr! Zijn vrouw krijste. Hij haaste zich tot bij de verlostafel. De bevalling werd ingezet. Bernard werd misselijk van de geur, het gekrijs, de aanblik van de opengesperde dijen van zijn vrouw. Ze greep zijn hand, en van dat moment af bestond hij enkel nog uit die hand, die gekraakt en vermorzeld werd door de oerkracht van zijn vrouw. Zijn krijste. Bernard schreeuwde het uit. Verenigd in pijn riepen ze de hele materniteit samen. En na twee uren van onnoemelijk lijden, de langste uren uit het leven van Bernard, werd Elsje van tussen de geknipte lippen van zijn vrouw gehaald. Lippen die hem aan een enorme lap rosbief deden denken. Terwijl het geroep van haar ouders verstomde, hief Elsje aan, en gaf daarmee te kennen dat leven lijden is. Bernard, die haar gehuil als een verwijt opvatte, sloeg beschaamd de blik neer. Het spijt me, mompelde hij, en hij huilde zoals hij ook huilde bij haar verwekking. Zijn vrouw interpreteerde Bernards verdriet als ontroering, en greep opnieuw naar zijn getergde hand. Ze drukte er natte kussen op. O Bernard, ik ben zo gelukkig.<br  /><br  />Hoe wordt een man een echtgenoot? Hoe wordt een echtgenoot een vader? Bernard begreep dat niet. Is het een natuurlijke metamorfose? Is hij defect? Bernard stelde niets voor als echtgenoot. Ook als vader was hij geen zier waard. Bernard was Bernard, en wat er allemaal rondom hem gebeurde ging volledig aan hem voorbij. Een man die een kinderwagen door de winkelstraat duwt, met hoge stem lieve woordjes tot de baby kirt, en aan zijn arm een vrouwmens dat bij elke etalage halt houden wil. Zo’n man, dacht Bernard, zo’n man is van zijn verstand beroofd. Walgen, dat kon hij. Walgen kon hij als de beste. Walgen als zijn vrouw het babytaaltje sprak tot het kwijlende en snotterende kind. Walgen als de geur van stront de woonkamer vulde. Walgen van de kleurrijke pluizige en plastieken vrolijkheid die het kind voortdurend omringde. Walgen van het gekrijs dat hem ’s nachts uit zijn slaap hield, en dat hem overdag hinderde bij het lezen van zijn krant. En bovenal, walgen van de seks met zijn vrouw.<br  /><br  />En de jaren verstreken. Bernard bij de lieve waardin Sonia. Bernard lalde zijn zieltje bloot. De andere tooghangers lalden hun zieltjes bloot. Niemand luisterde. Sonia knikte, glimlachte, fluisterde bemoedigende woordjes. Maar luisteren deed ze niet. In haar hoofd telde ze haar geld, opnieuw en opnieuw. Nog zeven jaar, berekende ze, nog zeven jaar en ik zeg dit trieste hol adieu. Adieu en vaarwel! Nog zeven jaar en ik vertrek naar Toscane. Eventjes volhouden nog. Het duurt nu niet lang meer. Zeven jaar. Nog zeven jaar. Ze glimlachte, hield de fles gesloten en zond Bernard naar huis.<br  /><br  />Nu Elsje een jong vrouwtje wordt, borstjes krijgt en een kont, nu groeit de interesse van Bernard in het wel en wee van zijn dochter. Wanneer er vriendinnetjes over de vloer komen, huppelt zijn hart uitgelaten. Kortgerokte minivrouwtjes, die naar hem lachen en lonken in het ontwakende besef van hun vrouwelijke macht. Bernard begint terug te masturberen. Dagelijks, meerdere keren per dag. Zijn honger is onstilbaar. Op het kamertje van Elsje graait hij tussen haar slipjes. Hij snuift haar geur op, en masturbeert op haar bed. En telkens hij zijn zaad in haar kamertje gespoten heeft komt de schaamte. Waarom friemelen de jongens aan mijn lijf papa? Bernard wordt streng. Hij ziet zichzelf met verbazing de vuist op tafel slaan. Waarom gedraagt hij zich zo? Waarom begint zijn bloed te koken bij het idee dat een snotaap aan Elsje haar borstjes prutst, en onder haar rokje gluurt? En waarom krijgt hij een stijve pik als hij zich het tafereeltje voorstellen wilt? Woede en schaamte. Onmacht en verwarring. Een kop vol miserie, en jeuk, en spieren die willen geweldig zijn. Pater familias Bernard, en vies Bernardje met de stijve piemel. Bernard die aan het slipje van zijn dochter ruikt. Zijn zaad, ek spermatos, die slappe klodder in de zure doos van zijn vrouw. En waanzin knettert tussen zijn arme slapen, die hij tussen duim en middenvinger masseert. Volhouden. Nog eventjes volhouden, en alles is voorbij. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-05-07T11:24:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Heden verleden tijd</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/05/05/heden_verleden_tijd</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/05/05/heden_verleden_tijd#comm</comments>
			<description>“Dit is de voicemail van Miriam. Ik ben er nu even niet, maar als je jouw naam en telefoonnummer inspreekt, bel ik je zo snel mogelijk terug.”Haar stem herken ik uit duizenden. De licht Zeeuwse tongval klinkt ongewoon zangerig. Het verraadt haar half Franse afkomst. Snel draai ik het standaard geworden stuk tekst af en blijf vervolgens hangen in onsamenhangend gemompel. Dan hang ik op.Lijn 3 van de U-bahn brengt mij van het Volkstheater naar de Stephansdom. De metro is slechts gevuld met een handvol ouderen en scholieren. Een monotone mannenstem vertelt mij dat mijn bestemming bijna bereikt is en welke overstapmogelijkheden ik daar heb. “Aussteig links” klinkt het als laatste waarbij de gebiedende wijs mij bijna doet vergeten dat deze mededeling toch vooral dienstverlenend bedoeld is.Met samengeknepen ogen tegen het felle zonlicht geraak ik boven. De Stephansdom rijst hoog achter mij op. Het imposante bouwwerk torent hoog boven de stad uit waar keizer Franz Joseph jaren de scepter zwaaide.“Jammer dat ‘ie in de steigers staat” hoor ik je nog zeggen. “Al die oude gebouwen staan altijd in de steigers. Zo zie je toch nooit hoe het geweest moet zijn?”. Ik probeer nog te antwoorden dat dit nodig is voor het behoud van het gebouw, zodat ook toekomstige generaties de kerk kunnen bewonderen, maar jouw blik doet me beseffen dat geen enkel argument jou kan overtuigen. De steigers zijn het bewijs van het heden en verpesten het romantische beeld van toen, daar waar jij zo van houdt.Op de Graben, een winkelstraat waar voornamelijk luxe kledingzaken, restaurants en chocolatiers gevestigd zijn, is het rustig. Het is vroeg in de morgen en menig rolluik is nog gesloten. Ik controleer mijn gsm. Niets.In het hotel aan de Kirchengasse had ik zonder jouw medeweten een suite voor ons gereserveerd. Het prachtige pand, een voormalig patricierswoning, was een geschikt onderkomen voor die gelegenheid. Trouwen doen we maar een keer, zo redeneerden wij en dat mocht gevierd worden. Dat jij de suite eigenlijk veel te groot en onpersoonlijk vond, stelde me teleur en tegelijkertijd gerust: het was typisch jij.Op de hoek van de Goldschmiedgasse, vlakbij de St. Peterskerk, staat een van de vele fiakers waarin je je, meestal als toerist zijnde, kunt laten rondrijden door de historische binnenstad. De koetsier zit te soezen in de ochtendzon en de twee paarden staan enigszins lusteloos, de hoofden licht gebogen, voor zich uit te staren. Alsof ze weten dat de volgende reizigers nog wel even op zich zullen laten wachten. Ik werp snel een blik op het bord waarop de prijzen vermeld staan: twintig minuten voor veertig euro. Daarin is dus nog steeds niets veranderd.“Dat gaan we dus echt niet doen hoor.”zeg je enigszins verontwaardigd en in plaats van een romantische rondrit gaan we op het bankje vlak naast de koets zitten. De broodjes waarvoor we de halve stad zijn door gelopen, smaken uitstekend. “Ik hou van je” zeg je uit het niets tussen het kauwen door. En hoewel ik met volle mond praten alles behalve smakelijk vind, kan ik me geen mooier moment herinneren waarop jij die vier woorden tegen mij uitgesproken hebt.Wat heb ik verkeerd gedaan? Heb ik te weinig gedaan? Of juist te veel? Ik weet het echt niet. Miriam, waarom ben je weg gegaan? Verward door de plotseling opkomende gevoelens loop ik enigszins verdoofd de Graben uit en sla linksaf de Kohlmarkt op. Op het terras bij banketbakkerij ‘Demel’ zit al een handvol zakenlui te genieten van een kopje espresso. De bakkerij is van oudsher leverancier van de keizer en zijn familie en ook vandaag de dag weten veel hoogwaardigheidsbekleders de weg naar de Kohlmarkt te vinden.Hoewel ik snak naar een kop koffie met een stuk onvervalste Sachertorte wandel ik stevig door in de richting van de Hofburg. En dan zie ik je. Ik schrik me kapot en ben blij tegelijk. Mijn hart bonkt in mijn keel. Het is zo veel meer dan waarop ik gehoopt heb. Ik versnel mijn pas en loop achter je aan. Jouw lange bruine haar danst op de maat van jouw herkenbare loopje. “Miriam!” roep ik. “Miriam! Ik ben het!” Geen reactie. Nog sneller vervolg ik mijn weg. Dan klemmen mijn vingers zich om jouw linkerschouder. “Miriam”. Verschrikt draai jij je om en kijkt me aan met een blik die ik nog niet eerder van jou gezien heb. Je bent veranderd. In onverstaanbaar Duits ratel je aan een stuk door, rukt je los van mijn greep en beent weg in de steeds drukker wordende binnenstad. “Miriam”mompel ik. “Entschuldigung”.Het getril van mijn gsm brengt me terug naar het hier en nu. “Hey makker, het was een mooie plechtigheid. Kom naar huis. Peter.”.“Dit is de voicemail van Miriam. Ik ben er nu even niet, ma…”</description>
			<guid isPermaLink="false">506@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ “Dit is de voicemail van Miriam. Ik ben er nu even niet, maar als je jouw naam en telefoonnummer inspreekt, bel ik je zo snel mogelijk terug.”<br  /><br  />Haar stem herken ik uit duizenden. De licht Zeeuwse tongval klinkt ongewoon zangerig. Het verraadt haar half Franse afkomst. Snel draai ik het standaard geworden stuk tekst af en blijf vervolgens hangen in onsamenhangend gemompel. Dan hang ik op.<br  /><br  />Lijn 3 van de U-bahn brengt mij van het Volkstheater naar de Stephansdom. De metro is slechts gevuld met een handvol ouderen en scholieren. Een monotone mannenstem vertelt mij dat mijn bestemming bijna bereikt is en welke overstapmogelijkheden ik daar heb. “Aussteig links” klinkt het als laatste waarbij de gebiedende wijs mij bijna doet vergeten dat deze mededeling toch vooral dienstverlenend bedoeld is.<br  /><br  />Met samengeknepen ogen tegen het felle zonlicht geraak ik boven. De Stephansdom rijst hoog achter mij op. Het imposante bouwwerk torent hoog boven de stad uit waar keizer Franz Joseph jaren de scepter zwaaide.<br  /><br  />“Jammer dat ‘ie in de steigers staat” hoor ik je nog zeggen. “Al die oude gebouwen staan altijd in de steigers. Zo zie je toch nooit hoe het geweest moet zijn?”. Ik probeer nog te antwoorden dat dit nodig is voor het behoud van het gebouw, zodat ook toekomstige generaties de kerk kunnen bewonderen, maar jouw blik doet me beseffen dat geen enkel argument jou kan overtuigen. De steigers zijn het bewijs van het heden en verpesten het romantische beeld van toen, daar waar jij zo van houdt.<br  /><br  />Op de Graben, een winkelstraat waar voornamelijk luxe kledingzaken, restaurants en chocolatiers gevestigd zijn, is het rustig. Het is vroeg in de morgen en menig rolluik is nog gesloten. Ik controleer mijn gsm. Niets.<br  /><br  />In het hotel aan de Kirchengasse had ik zonder jouw medeweten een suite voor ons gereserveerd. Het prachtige pand, een voormalig patricierswoning, was een geschikt onderkomen voor die gelegenheid. Trouwen doen we maar een keer, zo redeneerden wij en dat mocht gevierd worden. Dat jij de suite eigenlijk veel te groot en onpersoonlijk vond, stelde me teleur en tegelijkertijd gerust: het was typisch jij.<br  /><br  />Op de hoek van de Goldschmiedgasse, vlakbij de St. Peterskerk, staat een van de vele fiakers waarin je je, meestal als toerist zijnde, kunt laten rondrijden door de historische binnenstad. De koetsier zit te soezen in de ochtendzon en de twee paarden staan enigszins lusteloos, de hoofden licht gebogen, voor zich uit te staren. Alsof ze weten dat de volgende reizigers nog wel even op zich zullen laten wachten. Ik werp snel een blik op het bord waarop de prijzen vermeld staan: twintig minuten voor veertig euro. Daarin is dus nog steeds niets veranderd.<br  /><br  />“Dat gaan we dus echt niet doen hoor.”zeg je enigszins verontwaardigd en in plaats van een romantische rondrit gaan we op het bankje vlak naast de koets zitten. De broodjes waarvoor we de halve stad zijn door gelopen, smaken uitstekend. “Ik hou van je” zeg je uit het niets tussen het kauwen door. En hoewel ik met volle mond praten alles behalve smakelijk vind, kan ik me geen mooier moment herinneren waarop jij die vier woorden tegen mij uitgesproken hebt.<br  /><br  />Wat heb ik verkeerd gedaan? Heb ik te weinig gedaan? Of juist te veel? Ik weet het echt niet. Miriam, waarom ben je weg gegaan? Verward door de plotseling opkomende gevoelens loop ik enigszins verdoofd de Graben uit en sla linksaf de Kohlmarkt op. Op het terras bij banketbakkerij ‘Demel’ zit al een handvol zakenlui te genieten van een kopje espresso. De bakkerij is van oudsher leverancier van de keizer en zijn familie en ook vandaag de dag weten veel hoogwaardigheidsbekleders de weg naar de Kohlmarkt te vinden.<br  /><br  />Hoewel ik snak naar een kop koffie met een stuk onvervalste Sachertorte wandel ik stevig door in de richting van de Hofburg. En dan zie ik je. Ik schrik me kapot en ben blij tegelijk. Mijn hart bonkt in mijn keel. Het is zo veel meer dan waarop ik gehoopt heb. Ik versnel mijn pas en loop achter je aan. Jouw lange bruine haar danst op de maat van jouw herkenbare loopje. “Miriam!” roep ik. “Miriam! Ik ben het!” Geen reactie. Nog sneller vervolg ik mijn weg. Dan klemmen mijn vingers zich om jouw linkerschouder. “Miriam”. Verschrikt draai jij je om en kijkt me aan met een blik die ik nog niet eerder van jou gezien heb. Je bent veranderd. In onverstaanbaar Duits ratel je aan een stuk door, rukt je los van mijn greep en beent weg in de steeds drukker wordende binnenstad. “Miriam”mompel ik. “Entschuldigung”.<br  /><br  />Het getril van mijn gsm brengt me terug naar het hier en nu. “Hey makker, het was een mooie plechtigheid. Kom naar huis. Peter.”.<br  /><br  />“Dit is de voicemail van Miriam. Ik ben er nu even niet, ma…” ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-05-05T09:51:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Niet naar Ijsland</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/29/niet_naar_ijsland</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/29/niet_naar_ijsland#comm</comments>
			<description>Nooit ben ik in Ijsland geweest, of moet ik zeggen òp Ijsland? Maar hoe dan ook, ik ben er nog nooit geweest. En als het aan mij ligt gaat dat niet gebeuren ook. Nooit zal ik op het vliegveld Keflavik landen en naar Reykjavik vervoerd worden in een flybus en ervaren dat de Ijslandse hoofdstad onmiddelijk de woorden 'roest' en 'rot' in gedachten brengt omdat de metalen golf platen op de vele gevels zijn aangevreten door de zeewind die ook het beton heeft aangetast tot het wapenijzer in zicht kwam en onmiddelijk begon te roesten. Nooit zal ik mij in een eindeloze lavawoestijn bevinden en mij af- vragen wat ik daar doe, omringd door weerbarstige mossen. Evenmin zal ik mij ooit door een harde, gure wind naar het aan de beeldhouwer Sigurjon Olafsson gewijde museum begeven om daar de deur gesloten te vinden. Nooit zal ik ervaren dat er in de buurt van het Muggenmeer inderdaad opmerkelijk veel muggen zijn die in de ogen branden als zwavel. Nimmer zal ik in de onmetelijke ruimte, omringd door pruttelende warmwatergaten, kokende drekputten, in een context van vaalgekleurde korsten overvallen worden door een mengeling van angst en verrukking en het besef dat je op deze plek niet wilt sterven. Ook zal ik me er nooit over verbazen dat ik weliswaar wist dat er een hoop Niets op de wereld is, maar dat ik toch niet gedacht had dat zoveel daarvan zich op èèn plek kon ophouden, of dat de Ijslanders er eigenaardige ideeen op na houden betreffende de afwisseling van dag en nacht. Nooit zal ik de kleine, paarse bloemetjes van de 'kreupelberken' aanschouwen en hun benaming pleonastisch vinden, of vaststellen dat ondanks de barre omstandigheden ook bij Ijslanders de beebietjes als champagenkurken tussen de opengesperde dijen vandaan knallen ongeacht het jaargetij, of gesprekken met de geharde bevolking voeren over de kobolden, elfjes en aardmannetjes in het bestaan waarvan zij allen heilig geloven, of te horen krijgen dat er ondanks alle vooruitgang aan de 'positie van de Ijslandse vrouw' nog wel het een en ander verbeterd kan worden. Allemaal niet dus. Jammer maar helaas. Ik heb het een beetje koud gekregen en ga nu de verwarming aan doen.</description>
			<guid isPermaLink="false">505@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Nooit ben ik in Ijsland geweest, of moet ik zeggen òp Ijsland? Maar hoe dan ook, ik ben er nog nooit geweest. En als het aan mij ligt gaat dat niet gebeuren ook. Nooit zal ik op het vliegveld Keflavik landen en naar Reykjavik vervoerd worden in een flybus en ervaren dat de Ijslandse hoofdstad onmiddelijk de woorden 'roest' en 'rot' in gedachten brengt omdat de metalen golf platen op de vele gevels zijn aangevreten door de zeewind die ook het beton heeft aangetast tot het wapenijzer in zicht kwam en onmiddelijk begon te roesten. Nooit zal ik mij in een eindeloze lavawoestijn bevinden en mij af- vragen wat ik daar doe, omringd door weerbarstige mossen. Evenmin zal ik mij ooit door een harde, gure wind naar het aan de beeldhouwer Sigurjon Olafsson gewijde museum begeven om daar de deur gesloten te vinden. Nooit zal ik ervaren dat er in de buurt van het Muggenmeer inderdaad opmerkelijk veel muggen zijn die in de ogen branden als zwavel. Nimmer zal ik in de onmetelijke ruimte, omringd door pruttelende warmwatergaten, kokende drekputten, in een context van vaalgekleurde korsten overvallen worden door een mengeling van angst en verrukking en het besef dat je op deze plek niet wilt sterven. Ook zal ik me er nooit over verbazen dat ik weliswaar wist dat er een hoop Niets op de wereld is, maar dat ik toch niet gedacht had dat zoveel daarvan zich op èèn plek kon ophouden, of dat de Ijslanders er eigenaardige ideeen op na houden betreffende de afwisseling van dag en nacht. Nooit zal ik de kleine, paarse bloemetjes van de 'kreupelberken' aanschouwen en hun benaming pleonastisch vinden, of vaststellen dat ondanks de barre omstandigheden ook bij Ijslanders de beebietjes als champagenkurken tussen de opengesperde dijen vandaan knallen ongeacht het jaargetij, of gesprekken met de geharde bevolking voeren over de kobolden, elfjes en aardmannetjes in het bestaan waarvan zij allen heilig geloven, of te horen krijgen dat er ondanks alle vooruitgang aan de 'positie van de Ijslandse vrouw' nog wel het een en ander verbeterd kan worden. Allemaal niet dus. Jammer maar helaas. Ik heb het een beetje koud gekregen en ga nu de verwarming aan doen. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-29T10:08:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Mirca [25]</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/25/mirca_25</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/25/mirca_25#comm</comments>
			<description>“Heb jij nog iets van Mirca vernomen?” vraag ik.Jacob schudt het hoofd. Er was gisteren op school een enorme commotie ontstaan toen een groot deel van de leerlingen en leerkrachten onwel werden en een aantal plots stierven. Ze hadden het ziekenhuis gebeld, maar daar kregen ze geen gehoor. Het algemene nummer van de nooddiensten werd doorgeschakeld naar een militair basisstation. Daar kregen ze te horen dat er hulp gestuurd zou worden. Het duurde erg lang voor het leger uiteindelijk ter plaatse kwam om de zieken mee te nemen. De doden werden gewoon achtergelaten, met de opdracht dat ze voorlopig maar begraven moesten worden. De directeur had verontwaardigd de autoriteiten gebeld, maar hij had nergens gehoor gekregen. De lijken werden in de sporthal gelegd, en er werd getracht om de families te contacteren. Daarna waren de overblijvers, behalve de directeur en de secretaris, naar huis gegaan. De omvang van de ramp werd Jacob pas duidelijk toen hij door de straten van de stad naar huis wandelde. Er lagen lijken in de straat, een enkeling liep in paniek voorbij. Op het einde van de straat stonden enkele militaire voertuigen van waaruit grauwe gezichten hem aanstaarden. Eén truck was volgestapeld met levenloze lichamen. Er waren maar een handvol militairen actief om de zieken in de wagens te leiden, en om de lijken in de truck te leggen. Jacob, die er niet veel voor voelde ingelijfd te worden, vluchtte een zijstraat in en liep naar zijn appartement, waar hij zich tot deze middag opgesloten had.We lopen voorbij het atheneum. Ik merk het pas wanneer ik de bloesem van de kastanjeboom ruik. Het zonlicht reflecteert in het raampje van het klaslokaal waar Mirca haar lessen plastische opvoeding gaf. Een pijnscheut trekt als een breuklijn over mijn borst, en door de ontstane barsten ontsnapt mij alle kracht. Ik stop en grijp de geroeste balustrade vast die de voortuin van het atheneum van het voetpad scheidt.“Wat scheelt er?” vraagt Jacob, achteromkijkend.“Niets,” zeg ik, klem mijn kaken op elkaar en loop hem achterop.Het leger had S_ onverricht ter zake verlaten. Er liggen lijken in portalen, in auto’s, of gewoon midden op straat. Ik probeer er niet naar te kijken, maar het is alsof de doden om aandacht smeken. Hier en daar zie ik in de doden een vertrouwd gezicht: de kassierster van de lokale supermarkt met het zure gezicht, de roodharige man die ik ’s morgens vaak tegenkwam op weg naar de bibliotheek, het zoontje van de apotheker… De redundantie aan gruwelbeelden geeft me een tolerantie, waardoor ik quasi normaal kan functioneren. Ik, die normaal al begin te trillen op mijn benen bij het zien van een druppeltje bloed, ik stap met betrekkelijk vaste tred door een straat gevuld met lijken. Ik volg Jacob een garage in. De deur staat open. Wanneer ik binnenstap rinkelt er een belletje. We kijken elkaar weifelend aan. “Wat zeggen we als er iemand komt?” fluister ik.Jacob haalt de schouders op. “HALLO!?” roept hij plots. Ik schrik er van. Het is zo stil op straat. In de garage klinkt geen ander geluid dan het zachte zoemen van de verlichting. De stem van Jacob galmt na. Ik kan hem nog altijd horen, ook nu het weer stil is. ‘Hallo?’ klinkt het in mijn oren, ‘hallo?’ Ik kijk naar Jacob om te zien of hij het is. Maar Jacob zegt niets, hij wacht af. Ik verplaats mijn gewicht van het ene been naar het ander. We wachten vijf minuten. Misschien zijn het er tien. Ik schraap mijn keel. Er komt niemand. De toonzaal is leeg. Jacob is de eerste die beweegt. Hij loopt verder de toonzaal in. Hij streelt over de gitzwarte motorkap van een ruime wagen, en opent dan het portier. Er zit geen sleutel in het contact. Ik kijk om me heen. Achter de toonbank is een bureau. Aarzelend stap ik achter de toonbank en steek mijn hoofd door de deuropening. Het bureau is leeg. In een grijze metalen kast hangen verschillende autosleutels. Ik neem er enkele uit en ga terug de toonzaal binnen. Een druk op de eerste sleutel doet de pinkers van een kleine sportwagen flikkeren. Bij de vijfde sleutel geeft de wagen van Jacob een teken van leven. Ik werp hem de sleutel toe en ga terug het bureautje binnen, op zoek naar een gelijkaardige sleutel voor een tweede wagen waarmee ikzelf naar buiten zal rijden. Nadat we Reno hebben opgepikt rijden we naar een grootwarenhuis net buiten de stad. Ed zou nakomen met Martha. Ze was nog niet sterk genoeg voor de trip. Reno rijdt achter ons aan met de tweede wagen. De passagierszetel is meer mijn ding. Achteloos uit het raampje kijken hoe de omgeving voorbij glijdt, mijmerend over de vergankelijkheid van alles en de dwaasheid van de mens. Ja, dat ben ik.</description>
			<guid isPermaLink="false">504@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ “Heb jij nog iets van Mirca vernomen?” vraag ik.<br  />Jacob schudt het hoofd. Er was gisteren op school een enorme commotie ontstaan toen een groot deel van de leerlingen en leerkrachten onwel werden en een aantal plots stierven. Ze hadden het ziekenhuis gebeld, maar daar kregen ze geen gehoor. Het algemene nummer van de nooddiensten werd doorgeschakeld naar een militair basisstation. Daar kregen ze te horen dat er hulp gestuurd zou worden. Het duurde erg lang voor het leger uiteindelijk ter plaatse kwam om de zieken mee te nemen. De doden werden gewoon achtergelaten, met de opdracht dat ze voorlopig maar begraven moesten worden. De directeur had verontwaardigd de autoriteiten gebeld, maar hij had nergens gehoor gekregen. De lijken werden in de sporthal gelegd, en er werd getracht om de families te contacteren. Daarna waren de overblijvers, behalve de directeur en de secretaris, naar huis gegaan. De omvang van de ramp werd Jacob pas duidelijk toen hij door de straten van de stad naar huis wandelde. Er lagen lijken in de straat, een enkeling liep in paniek voorbij. Op het einde van de straat stonden enkele militaire voertuigen van waaruit grauwe gezichten hem aanstaarden. Eén truck was volgestapeld met levenloze lichamen. Er waren maar een handvol militairen actief om de zieken in de wagens te leiden, en om de lijken in de truck te leggen. Jacob, die er niet veel voor voelde ingelijfd te worden, vluchtte een zijstraat in en liep naar zijn appartement, waar hij zich tot deze middag opgesloten had.<br  /><br  />We lopen voorbij het atheneum. Ik merk het pas wanneer ik de bloesem van de kastanjeboom ruik. Het zonlicht reflecteert in het raampje van het klaslokaal waar Mirca haar lessen plastische opvoeding gaf. Een pijnscheut trekt als een breuklijn over mijn borst, en door de ontstane barsten ontsnapt mij alle kracht. Ik stop en grijp de geroeste balustrade vast die de voortuin van het atheneum van het voetpad scheidt.<br  />“Wat scheelt er?” vraagt Jacob, achteromkijkend.<br  />“Niets,” zeg ik, klem mijn kaken op elkaar en loop hem achterop.<br  /><br  />Het leger had S_ onverricht ter zake verlaten. Er liggen lijken in portalen, in auto’s, of gewoon midden op straat. Ik probeer er niet naar te kijken, maar het is alsof de doden om aandacht smeken. Hier en daar zie ik in de doden een vertrouwd gezicht: de kassierster van de lokale supermarkt met het zure gezicht, de roodharige man die ik ’s morgens vaak tegenkwam op weg naar de bibliotheek, het zoontje van de apotheker… De redundantie aan gruwelbeelden geeft me een tolerantie, waardoor ik quasi normaal kan functioneren. Ik, die normaal al begin te trillen op mijn benen bij het zien van een druppeltje bloed, ik stap met betrekkelijk vaste tred door een straat gevuld met lijken. <br  /><br  />Ik volg Jacob een garage in. De deur staat open. Wanneer ik binnenstap rinkelt er een belletje. We kijken elkaar weifelend aan. <br  />“Wat zeggen we als er iemand komt?” fluister ik.<br  />Jacob haalt de schouders op. <br  />“HALLO!?” roept hij plots. <br  />Ik schrik er van. Het is zo stil op straat. In de garage klinkt geen ander geluid dan het zachte zoemen van de verlichting. De stem van Jacob galmt na. Ik kan hem nog altijd horen, ook nu het weer stil is. ‘Hallo?’ klinkt het in mijn oren, ‘hallo?’ Ik kijk naar Jacob om te zien of hij het is. Maar Jacob zegt niets, hij wacht af. Ik verplaats mijn gewicht van het ene been naar het ander. We wachten vijf minuten. Misschien zijn het er tien. Ik schraap mijn keel. Er komt niemand. De toonzaal is leeg. Jacob is de eerste die beweegt. Hij loopt verder de toonzaal in. Hij streelt over de gitzwarte motorkap van een ruime wagen, en opent dan het portier. Er zit geen sleutel in het contact. Ik kijk om me heen. Achter de toonbank is een bureau. Aarzelend stap ik achter de toonbank en steek mijn hoofd door de deuropening. Het bureau is leeg. In een grijze metalen kast hangen verschillende autosleutels. Ik neem er enkele uit en ga terug de toonzaal binnen. Een druk op de eerste sleutel doet de pinkers van een kleine sportwagen flikkeren. Bij de vijfde sleutel geeft de wagen van Jacob een teken van leven. Ik werp hem de sleutel toe en ga terug het bureautje binnen, op zoek naar een gelijkaardige sleutel voor een tweede wagen waarmee ikzelf naar buiten zal rijden. <br  /><br  />Nadat we Reno hebben opgepikt rijden we naar een grootwarenhuis net buiten de stad. Ed zou nakomen met Martha. Ze was nog niet sterk genoeg voor de trip. Reno rijdt achter ons aan met de tweede wagen. De passagierszetel is meer mijn ding. Achteloos uit het raampje kijken hoe de omgeving voorbij glijdt, mijmerend over de vergankelijkheid van alles en de dwaasheid van de mens. Ja, dat ben ik. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-25T09:11:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>De verwijten</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/21/de_verwijten</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/21/de_verwijten#comm</comments>
			<description>Haar stem is een marteltuig. Na tien jaar huwelijk klinkt ze scheller dan ooit. Berrrrr-naaaarrrr! Zou het aan zijn oren liggen? Bernard weet dat er nu een tirade volgen zal. Al de verwijten die ze in de loop der jaren opgestapeld heeft. Ze schrijft ze ergens op, dat kan niet anders. Ze schrijft ze op, en repeteert ze voor de spiegel. In de douche. In de supermarkt, waar ze er altijd weer in slaagt om iets te vergeten waar hij om gevraagd heeft. En elk jaar wordt haar lijstje langer. Altijd vindt ze weer iets bij wat ze hem verwijten kan. Hij ziet het aan haar ogen. Dat wordt genoteerd vriendje!Hij zit in zijn zetel. Hij zit altijd in zijn zetel volgens haar. Dat is een van de eerste verwijten die ze hem toesnauwt. Jij steekt geen poot uit in dit huis! Jij zit daar maar in je zetel en staat enkel op om te gaan pissen en als ik roep dat het eten klaar is! Bernard kijkt naar de grond, terwijl zijn vrouw in de deuropening staat en haar lijstje afwerkt. Zijn tenen kronkelen hulpeloos in zijn aftandse sloffen. Het zijn sloffende sloffen. Hef je voeten op! Waarom laat ze hem niet rustig sloffen, daar doet hij toch niemand kwaad mee? Bernard merkt het geeneens als zijn sloffen over de grond slepen. Zijn vrouw kan het tot in de andere kamer horen. Hef je voeten op!Kakmadam, lispelt hij door zijn tanden. Bernard heft zijn voeten op. Hij maakt overdreven hoge stappen. Kutwijf. Je kut stinkt als een vochtige kelder. Daarom bef ik je al negen jaar niet meer. Ik moet kotsen van de geur van je kut. Stomme trut. Nadat we geneukt hebben, ga ik altijd naar de badkamer. Jij denkt dat ik ga pissen, maar ik ga mijn pik wassen met zeep. Omdat ik walg van je geur. Weet je waarom ik Elsje niet wou knuffelen toen ze pas geboren was? Omdat ze naar je muffe kut rook, daarom.Kijk me aan als ik wat zeg! Bernard recht zijn hoofd, en kijkt recht in de priemende grijze ogen van zijn vrouw. Bijna kleurloos zijn ze. Perfecte spiegels van hun huwelijksleven. Het doet hem pijn om haar aan te kijken. Zijn ogen tranen. Net of hij gedwongen wordt in de zon te kijken. Blind wordt hij ervan. De druk op zijn slapen doet zijn ogen uit hun kassen ploffen. Grijze smurrie druipt uit de lege holtes, en glijdt als dikke tranen over zijn ingevallen gezicht.Je zuipt te veel! Zijn vrouw neemt de keukenhanddoek van haar schouders. Ze wringt hem uit met beide handen. Haar handen om zijn hals. Als ze hem doodgeknepen heeft zal ze weer naar de keuken gaan. Volhouden. Nog eventjes, het einde van de lijdensweg is in zicht. Hij knijpt in zijn been. Hard, met een vingernagel in zijn vel, tot het vel scheurt. Terwijl hij met blinde ogen naar zijn vrouw kijkt, die de keukenhanddoek tot een onooglijk worstje gedraaid heeft, denkt hij aan zijn stamkroeg. De lieve waardin Sonia zet een glaasje whisky voor hem neer. Ze kent zijn merk, hij moet er niet om vragen. Hij nipt als een zuigeling, en verdooft eerst zijn lippen, dan zijn keel, en tenslotte zijn ziel. Nog eventjes. Het duurt nu echt niet lang meer.Je bent nooit thuis! Bernard weet niet of hij het huis begon uit te vluchten om aan haar gesnauw te ontsnappen, of dat zij begon te snauwen omdat hij altijd weg is. Het huwelijk is een cirkel, een gesloten kring. In het begin leef je nog in de illusie dat je samen op weg bent, dat er een doel is waar je met zijn tweetjes op af gaat. Ja, je maakt wat bochten. Dat is normaal, denk je. De water bij de wijn, denk je. Maar dan ga je inzien dat het hele huwelijk een bocht is, dat er geen rechte lijnen zijn. En dan kom je jezelf tegen. Dan bijt je om het zo te zeggen in je eigen reet. Je loopt in de walm van je eigen angstscheten.Bernard blijft steeds vaker, steeds langer weg van huis. Eerst bleven zijn zwerftochtjes beperkt tot zijn stamkroeg. Daar zat hij tot een stuk in de nacht aan de toog whisky te zuipen. Hij werd loslippig Bernardje, en gaf zijn ziel bloot aan iedereen die het horen wou. Tot Sonia de fles dichthield en hem huiswaarts zond. Terug naar zijn wijf, dat daar zwaar ademend uit haar kut lag te stinken. Vloekend strompelde hij de trap op. Haar geur walmde hem tegemoet, zo leek het, sterker dan ooit. Hij miste een trede, en sloeg met zijn knie tegen het uitstekende hout. De pijn, de walm, het draaien van zijn hoofd. Bernard braakte zijn ziel uit op de nieuwe loper, en wekte zo ongewild zijn dochtertje dat door een kiertje in haar deur kwam vragen wat er aan de hand was. Papa is een beetje ziek, Elsje. Het is niet erg, ga maar terug naar bed.Je dochter heeft geen vader! Ik heb geen man! Wanneer Sonia hem weer huiswaarts stuurde, ging hij niet. Hij liep de andere kant op. De stad in, waar de nachtbrakers waakten. De studentenbuurt lag een kilometer stappen van de kroeg. Ook Bernard had hier ooit als vrij wezen rondgezworven, onbezwaard door zorgen. Hij was helemaal van de andere kant van het land komen afzakken om hier te studeren. Deze eens zo vreemde stad met al haar verlokkingen, ze had hem met open armen ontvangen. Heel er langzaam, zonder dat hij er erg in had, had ze haar armen om hem heen gelegd, had ze haar handen om zijn hals gesloten. Voor alles is hij afhankelijk van haar. Ze gaf hem een baan, een dak boven zijn hoofd. Ze gaf hem ook haar, zijn vrouw, die hij op zijn werk had leren kennen. En tenslotte gaf ze hem een kind, Elsje, waar hij probeerde van te houden. Wat de stad hem in ruil ontnam was tijd, de jaren die zich in ijl tempo opstapelden. Het leven werd uit zijn leden gezogen. Hoeveel tijd had hij nog te geven? Veertig was hij nu, de beste jaren waren al achter de rug. Zijn vader was op vijfenvijftig gestorven, als een oude man. Met dat slappe zaad, dat flut-dna, was ook hij gemaakt. Zijn haar werd al grijs, en zijn vel begon te rimpelen. Het speet hem voor Elsje. Hij had zijn eigen slappe zaad in zijn vrouw gespoten. Die nacht had hij gehuild. Bernard had zijn vrouw genaaid, een dikke klodder slap zaad in haar zure doos gespoten, en dan had hij gehuild. Alsof hij wist dat hij die nacht Elsje gemaakt had, zijn kleine pinokkio.Je hebt een ander, klootzak die je bent! Bernard heeft zich een ferme kerel gezopen. In de studentenbuurt zwaait hij met briefjes van vijftig. Hij trakteert studentes op dure cocktails. Dingen die ze van hun studentenzakgeld niet konden betalen. Bernard weet altijd weer de heetste grietjes om zich heen te verzamelen. Zijn goedgevulde portefeuille compenseert ruimschoots voor zijn gebrek aan jeugdigheid. Het duurt gegarandeerd niet lang voor hij een grietje zover krijgt om hem mee naar haar kot te nemen. Daar snuffelt hij als een wolf aan haar jonge frisse doos. Hij likt gulzig aan haar rood vlees, slurpt haar op als een oester. Hij naait haar, en lispelt hoer en gore slet tussen zijn tanden.</description>
			<guid isPermaLink="false">503@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Haar stem is een marteltuig. Na tien jaar huwelijk klinkt ze scheller dan ooit. Berrrrr-naaaarrrr! Zou het aan zijn oren liggen? Bernard weet dat er nu een tirade volgen zal. Al de verwijten die ze in de loop der jaren opgestapeld heeft. Ze schrijft ze ergens op, dat kan niet anders. Ze schrijft ze op, en repeteert ze voor de spiegel. In de douche. In de supermarkt, waar ze er altijd weer in slaagt om iets te vergeten waar hij om gevraagd heeft. En elk jaar wordt haar lijstje langer. Altijd vindt ze weer iets bij wat ze hem verwijten kan. Hij ziet het aan haar ogen. Dat wordt genoteerd vriendje!<br  /><br  />Hij zit in zijn zetel. Hij zit altijd in zijn zetel volgens haar. Dat is een van de eerste verwijten die ze hem toesnauwt. Jij steekt geen poot uit in dit huis! Jij zit daar maar in je zetel en staat enkel op om te gaan pissen en als ik roep dat het eten klaar is! Bernard kijkt naar de grond, terwijl zijn vrouw in de deuropening staat en haar lijstje afwerkt. Zijn tenen kronkelen hulpeloos in zijn aftandse sloffen. Het zijn sloffende sloffen. Hef je voeten op! Waarom laat ze hem niet rustig sloffen, daar doet hij toch niemand kwaad mee? Bernard merkt het geeneens als zijn sloffen over de grond slepen. Zijn vrouw kan het tot in de andere kamer horen. Hef je voeten op!<br  />Kakmadam, lispelt hij door zijn tanden. Bernard heft zijn voeten op. Hij maakt overdreven hoge stappen. Kutwijf. Je kut stinkt als een vochtige kelder. Daarom bef ik je al negen jaar niet meer. Ik moet kotsen van de geur van je kut. Stomme trut. Nadat we geneukt hebben, ga ik altijd naar de badkamer. Jij denkt dat ik ga pissen, maar ik ga mijn pik wassen met zeep. Omdat ik walg van je geur. Weet je waarom ik Elsje niet wou knuffelen toen ze pas geboren was? Omdat ze naar je muffe kut rook, daarom.<br  /><br  />Kijk me aan als ik wat zeg! Bernard recht zijn hoofd, en kijkt recht in de priemende grijze ogen van zijn vrouw. Bijna kleurloos zijn ze. Perfecte spiegels van hun huwelijksleven. Het doet hem pijn om haar aan te kijken. Zijn ogen tranen. Net of hij gedwongen wordt in de zon te kijken. Blind wordt hij ervan. De druk op zijn slapen doet zijn ogen uit hun kassen ploffen. Grijze smurrie druipt uit de lege holtes, en glijdt als dikke tranen over zijn ingevallen gezicht.<br  /><br  />Je zuipt te veel! Zijn vrouw neemt de keukenhanddoek van haar schouders. Ze wringt hem uit met beide handen. Haar handen om zijn hals. Als ze hem doodgeknepen heeft zal ze weer naar de keuken gaan. Volhouden. Nog eventjes, het einde van de lijdensweg is in zicht. Hij knijpt in zijn been. Hard, met een vingernagel in zijn vel, tot het vel scheurt. Terwijl hij met blinde ogen naar zijn vrouw kijkt, die de keukenhanddoek tot een onooglijk worstje gedraaid heeft, denkt hij aan zijn stamkroeg. De lieve waardin Sonia zet een glaasje whisky voor hem neer. Ze kent zijn merk, hij moet er niet om vragen. Hij nipt als een zuigeling, en verdooft eerst zijn lippen, dan zijn keel, en tenslotte zijn ziel. Nog eventjes. Het duurt nu echt niet lang meer.<br  /><br  />Je bent nooit thuis! Bernard weet niet of hij het huis begon uit te vluchten om aan haar gesnauw te ontsnappen, of dat zij begon te snauwen omdat hij altijd weg is. Het huwelijk is een cirkel, een gesloten kring. In het begin leef je nog in de illusie dat je samen op weg bent, dat er een doel is waar je met zijn tweetjes op af gaat. Ja, je maakt wat bochten. Dat is normaal, denk je. De water bij de wijn, denk je. Maar dan ga je inzien dat het hele huwelijk een bocht is, dat er geen rechte lijnen zijn. En dan kom je jezelf tegen. Dan bijt je om het zo te zeggen in je eigen reet. Je loopt in de walm van je eigen angstscheten.<br  /><br  />Bernard blijft steeds vaker, steeds langer weg van huis. Eerst bleven zijn zwerftochtjes beperkt tot zijn stamkroeg. Daar zat hij tot een stuk in de nacht aan de toog whisky te zuipen. Hij werd loslippig Bernardje, en gaf zijn ziel bloot aan iedereen die het horen wou. Tot Sonia de fles dichthield en hem huiswaarts zond. Terug naar zijn wijf, dat daar zwaar ademend uit haar kut lag te stinken. Vloekend strompelde hij de trap op. Haar geur walmde hem tegemoet, zo leek het, sterker dan ooit. Hij miste een trede, en sloeg met zijn knie tegen het uitstekende hout. De pijn, de walm, het draaien van zijn hoofd. Bernard braakte zijn ziel uit op de nieuwe loper, en wekte zo ongewild zijn dochtertje dat door een kiertje in haar deur kwam vragen wat er aan de hand was. Papa is een beetje ziek, Elsje. Het is niet erg, ga maar terug naar bed.<br  /><br  />Je dochter heeft geen vader! Ik heb geen man! Wanneer Sonia hem weer huiswaarts stuurde, ging hij niet. Hij liep de andere kant op. De stad in, waar de nachtbrakers waakten. De studentenbuurt lag een kilometer stappen van de kroeg. Ook Bernard had hier ooit als vrij wezen rondgezworven, onbezwaard door zorgen. Hij was helemaal van de andere kant van het land komen afzakken om hier te studeren. Deze eens zo vreemde stad met al haar verlokkingen, ze had hem met open armen ontvangen. Heel er langzaam, zonder dat hij er erg in had, had ze haar armen om hem heen gelegd, had ze haar handen om zijn hals gesloten. Voor alles is hij afhankelijk van haar. Ze gaf hem een baan, een dak boven zijn hoofd. Ze gaf hem ook haar, zijn vrouw, die hij op zijn werk had leren kennen. En tenslotte gaf ze hem een kind, Elsje, waar hij probeerde van te houden. Wat de stad hem in ruil ontnam was tijd, de jaren die zich in ijl tempo opstapelden. Het leven werd uit zijn leden gezogen. Hoeveel tijd had hij nog te geven? Veertig was hij nu, de beste jaren waren al achter de rug. Zijn vader was op vijfenvijftig gestorven, als een oude man. Met dat slappe zaad, dat flut-dna, was ook hij gemaakt. Zijn haar werd al grijs, en zijn vel begon te rimpelen. Het speet hem voor Elsje. Hij had zijn eigen slappe zaad in zijn vrouw gespoten. Die nacht had hij gehuild. Bernard had zijn vrouw genaaid, een dikke klodder slap zaad in haar zure doos gespoten, en dan had hij gehuild. Alsof hij wist dat hij die nacht Elsje gemaakt had, zijn kleine pinokkio.<br  /><br  />Je hebt een ander, klootzak die je bent! Bernard heeft zich een ferme kerel gezopen. In de studentenbuurt zwaait hij met briefjes van vijftig. Hij trakteert studentes op dure cocktails. Dingen die ze van hun studentenzakgeld niet konden betalen. Bernard weet altijd weer de heetste grietjes om zich heen te verzamelen. Zijn goedgevulde portefeuille compenseert ruimschoots voor zijn gebrek aan jeugdigheid. Het duurt gegarandeerd niet lang voor hij een grietje zover krijgt om hem mee naar haar kot te nemen. Daar snuffelt hij als een wolf aan haar jonge frisse doos. Hij likt gulzig aan haar rood vlees, slurpt haar op als een oester. Hij naait haar, en lispelt hoer en gore slet tussen zijn tanden. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-21T10:30:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Mirca [24]</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/16/mirca_24</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/16/mirca_24#comm</comments>
			<description>Pas wanneer het laatste lichaam naar buiten is gebracht en het gat is dichtgemaakt lijkt iedereen te herademen - Ed heeft mij een pilletje gegeven om te kalmeren, ik trilde als een riet. Het tijdloze vervaagt in een verwarrend en dreigend heden, dat spoedig alle aandacht opeist. Ed gaat naar de vrouw, die nog altijd te bed ligt, terwijl wij plannen beginnen smeden voor de nabije toekomst. Het is duidelijk dat we niet in de stad kunnen blijven. S_ is vergeven van de dood, binnen de kortste tijd zullen de lucht en het water bedorven zijn. Nee, we kunnen hier niet blijven, tenzij we alle lijken begraven, maar dat is een karwei waar geen van ons tegen opgewassen is. We moeten het dichtbevolkte gebied verlaten.“Kuurhotel Curiosa,” zegt Jacob nadat hij even in overpeinzing zijn voorhoofd gemasseerd heeft. “Het zou volgende maand haar deuren openen. De ligging is uitstekend: Op de flank van een berg, omgeven door bos. Het is een pareltje van moderne architectuur, volledig zelfvoorziend in energie en waterzuivering.” “Even buiten de stad zijn toch afgelegen boerderijen genoeg?” protesteert Reno. Hij neemt er een landkaart bij en toont mogelijke locaties in een straal van tien kilometer om S_.“Curiosa ligt maar een vijftigtal kilometer van hier,” zegt Jacob zonder naar de kaart te kijken. “Hoe is het met haar?” vraag ik aan Ed, die zich duidelijk vermoeid bij ons voegt.“Ze is even wakker geworden. Het arme mens is nog helemaal over stuur. Martha heet ze. Ze heeft man en kinderen begraven. Ik heb haar wat valium gegeven. Ze slaapt terug.”“Ed, wat denk jij,” komt Jacob ongeduldig tussen, “Reno wil naar een boerderij ergens in een nabijgelegen dorp trekken, maar ik denk dat het veel beter zou zijn om naar kuurhotel Curiosa te gaan. Ken je dat, Curiosa?”Dokter Sanders knikt. Hij heeft van Curiosa gehoord. “Een pareltje van moderne architectuur,” mompelt hij, als leest hij het van een reclamefolder.Ed is het met Jacob eens dat niets ons nog aan S_ bindt. Reno heeft niet meer nodig om zijn eigen voorstel te laten varen. Als de dokter Curiosa zegt, dan zal dat wel het beste zijn. Naar mijn mening wordt er niet gevraagd. Het verontwaardigt me dat mijn inbreng weinig gewicht schijnt te dragen. Niet dat het uitzonderlijk is dat ik er in groep wat buiten val. Wanneer ik met meer dan twee personen samen ben word ik steevast weggecijferd, alsof ik plots onzichtbaar word. Ik ben er nog steeds niet achter hoe dat nu precies komt, welk mechanisme er achter schuilgaat. Zet mij in een kamer met twee goede vrienden, en zij zullen onderling een gesprek beginnen. Laat mij met hen de straat opgaan, en zij zullen naast elkaar wandelen, terwijl ik achterop loop. Dat is heel vreemd. En het is altijd zo. Ik kan enkel verbaasd toekijken hoe het gebeurt. Als ik probeer te handelen, door bijvoorbeeld het tweetal te onderbreken, of door in het midden te gaan lopen, dan word ik niet gehoord of duikt er altijd wel een hindernis op, die mij terug naar achteren drukt. Het is alsof het zo hoort te zijn. Ik maak er mij dan ook niet erg druk meer om. Ik ken mijn plaats. Iedereen kent mijn plaats. Het is alsof mijn plaats op mijn voorhoofd geschreven staat.</description>
			<guid isPermaLink="false">502@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Pas wanneer het laatste lichaam naar buiten is gebracht en het gat is dichtgemaakt lijkt iedereen te herademen - Ed heeft mij een pilletje gegeven om te kalmeren, ik trilde als een riet. Het tijdloze vervaagt in een verwarrend en dreigend heden, dat spoedig alle aandacht opeist. Ed gaat naar de vrouw, die nog altijd te bed ligt, terwijl wij plannen beginnen smeden voor de nabije toekomst. Het is duidelijk dat we niet in de stad kunnen blijven. S_ is vergeven van de dood, binnen de kortste tijd zullen de lucht en het water bedorven zijn. Nee, we kunnen hier niet blijven, tenzij we alle lijken begraven, maar dat is een karwei waar geen van ons tegen opgewassen is. We moeten het dichtbevolkte gebied verlaten.<br  />“Kuurhotel Curiosa,” zegt Jacob nadat hij even in overpeinzing zijn voorhoofd gemasseerd heeft. “Het zou volgende maand haar deuren openen. De ligging is uitstekend: Op de flank van een berg, omgeven door bos. Het is een pareltje van moderne architectuur, volledig zelfvoorziend in energie en waterzuivering.” “Even buiten de stad zijn toch afgelegen boerderijen genoeg?” protesteert Reno. Hij neemt er een landkaart bij en toont mogelijke locaties in een straal van tien kilometer om S_.<br  />“Curiosa ligt maar een vijftigtal kilometer van hier,” zegt Jacob zonder naar de kaart te kijken. <br  /><br  />“Hoe is het met haar?” vraag ik aan Ed, die zich duidelijk vermoeid bij ons voegt.<br  />“Ze is even wakker geworden. Het arme mens is nog helemaal over stuur. Martha heet ze. Ze heeft man en kinderen begraven. Ik heb haar wat valium gegeven. Ze slaapt terug.”<br  />“Ed, wat denk jij,” komt Jacob ongeduldig tussen, “Reno wil naar een boerderij ergens in een nabijgelegen dorp trekken, maar ik denk dat het veel beter zou zijn om naar kuurhotel Curiosa te gaan. Ken je dat, Curiosa?”<br  />Dokter Sanders knikt. Hij heeft van Curiosa gehoord. “Een pareltje van moderne architectuur,” mompelt hij, als leest hij het van een reclamefolder.<br  />Ed is het met Jacob eens dat niets ons nog aan S_ bindt. Reno heeft niet meer nodig om zijn eigen voorstel te laten varen. Als de dokter Curiosa zegt, dan zal dat wel het beste zijn. Naar mijn mening wordt er niet gevraagd. Het verontwaardigt me dat mijn inbreng weinig gewicht schijnt te dragen. Niet dat het uitzonderlijk is dat ik er in groep wat buiten val. Wanneer ik met meer dan twee personen samen ben word ik steevast weggecijferd, alsof ik plots onzichtbaar word. Ik ben er nog steeds niet achter hoe dat nu precies komt, welk mechanisme er achter schuilgaat. Zet mij in een kamer met twee goede vrienden, en zij zullen onderling een gesprek beginnen. Laat mij met hen de straat opgaan, en zij zullen naast elkaar wandelen, terwijl ik achterop loop. Dat is heel vreemd. En het is altijd zo. Ik kan enkel verbaasd toekijken hoe het gebeurt. Als ik probeer te handelen, door bijvoorbeeld het tweetal te onderbreken, of door in het midden te gaan lopen, dan word ik niet gehoord of duikt er altijd wel een hindernis op, die mij terug naar achteren drukt. Het is alsof het zo hoort te zijn. Ik maak er mij dan ook niet erg druk meer om. Ik ken mijn plaats. Iedereen kent mijn plaats. Het is alsof mijn plaats op mijn voorhoofd geschreven staat. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-16T10:21:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Mirca [23]</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/11/mirca_23</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/11/mirca_23#comm</comments>
			<description>We zijn al de hele middag aan het graven in de tuin van Ed.
De fysieke arbeid doet me goed. Het geeft mijn geest de tijd om wat kronkels
weg te werken, zonder bemoeienissen van mijn emoties. Nu ik Reno zo van opzij
bekijk doet hij me een beetje aan Spock denken, met die puntige oortjes. Reno
is wel wat dikker. Hij heeft een buikje, en kleine peervormige manborstjes.. 

&amp;nbsp;

Ed komt naar buiten met een kan water en drie glazen. 

“Ah, de redder in nood,” zegt Jacob die uitgeteld in een
tuinstoel hangt. 

Reno en ik klauteren uit het gat.

“Is het nu diep genoeg?” wil ik weten, terwijl ik het glas
aanneem dat Ed me aanreikt.

“Ja,” zegt Reno, “nu is het wel diep genoeg. Wat dunkt u
dokter Sanders?”

Reno vervalt weer in plechtstatigheid nu hij zich tot Ed
richt. Ik vermoed dat een huisarts in zijn geboortedorpje hoog geacht wordt.
Net als de schoolmeester en de pastoor. Leer mij die dorpjes kennen. Wij
stedelingen weten wel beter.

“Als je het nog dieper wil doe je het zelf maar, Ed, ik raak
die schop niet meer aan.”

Jacob is een geboren en getogen stedeling. Hij bestudeert
aandachtig de blaren op zijn handen, als is het een fenomeen dat hij nog nooit
eerder heeft gezien. 

“Ja, zo is het wel goed,” zegt Ed minzaam.

&amp;nbsp;

Wanneer we voldoende uitgerust zijn beginnen we aan een
lastiger karwei. Ed heeft de lichamen gelukkig in lakens gewikkeld, zodat we
niet kunnen zien wie we naar buiten sleuren, en ter Aarde bestellen. Iedereen
werkt in stilte. Het is een bijna plechtig moment. Er worden geen gebeden
opgezegd, godbetert, maar ieder gaat op zijn eigen ingetogen manier de
confrontatie met de dood aan. De dood van een ander, zeker als die ander een
vreemde is, herinnert pijnlijk aan je eigen sterfelijkheid. Wij zwerven niet
voor eeuwig op deze planeet. De tijd komt, en soms komt hij erg snel, dat het
stoffelijke de geest geeft en wordt verteerd tot voedsel van een toekomst waar
je zelf niet langer deel van uitmaakt. Ik geef grif toe dat ik problemen heb
met het besef van mijn eigen sterfelijkheid. Vooral het moment van het loslaten
schrikt me af. Had ik de keuze tussen een zalig maar kort leven of een eeuwig
tranendal, dan koos ik waarschijnlijk voor het tweede. Nu ik deze lichamen naar
hun laatste rustplaats draag klamp ik me met angst vast aan mijn eigen leven.
Mijn hart pompt als een bezetene vers bloed door mijn aderen, en mijn
vingernagels priemen tot bloedens toe in het vel van mijn gebalde vuisten. Het
zijn geen vreemden die ik ter Aarde draag, het zijn mijn ouders, het zijn
vrienden en kennissen, die als amorfe gedaantes voor mijn geestesoog
verschijnen. 

&amp;nbsp;

En in mijn ooghoek zij die toezicht houdt, die vol medeleven
over mij waakt, mijn fouten ontziet en mijn sterkten zin geeft. Zij leeft als
hoop in mij. Mirca.</description>
			<guid isPermaLink="false">500@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ We zijn al de hele middag aan het graven in de tuin van Ed.
De fysieke arbeid doet me goed. Het geeft mijn geest de tijd om wat kronkels
weg te werken, zonder bemoeienissen van mijn emoties. Nu ik Reno zo van opzij
bekijk doet hij me een beetje aan Spock denken, met die puntige oortjes. Reno
is wel wat dikker. Hij heeft een buikje, en kleine peervormige manborstjes..<br  /> 

 <br  />

Ed komt naar buiten met een kan water en drie glazen.<br  /> 

“Ah, de redder in nood,” zegt Jacob die uitgeteld in een
tuinstoel hangt.<br  /> 

Reno en ik klauteren uit het gat.<br  />

“Is het nu diep genoeg?” wil ik weten, terwijl ik het glas
aanneem dat Ed me aanreikt.<br  />

“Ja,” zegt Reno, “nu is het wel diep genoeg. Wat dunkt u
dokter Sanders?”<br  />

Reno vervalt weer in plechtstatigheid nu hij zich tot Ed
richt. Ik vermoed dat een huisarts in zijn geboortedorpje hoog geacht wordt.
Net als de schoolmeester en de pastoor. Leer mij die dorpjes kennen. Wij
stedelingen weten wel beter.<br  />

“Als je het nog dieper wil doe je het zelf maar, Ed, ik raak
die schop niet meer aan.”<br  />

Jacob is een geboren en getogen stedeling. Hij bestudeert
aandachtig de blaren op zijn handen, als is het een fenomeen dat hij nog nooit
eerder heeft gezien.<br  /> 

“Ja, zo is het wel goed,” zegt Ed minzaam.<br  />

 <br  />

Wanneer we voldoende uitgerust zijn beginnen we aan een
lastiger karwei. Ed heeft de lichamen gelukkig in lakens gewikkeld, zodat we
niet kunnen zien wie we naar buiten sleuren, en ter Aarde bestellen. Iedereen
werkt in stilte. Het is een bijna plechtig moment. Er worden geen gebeden
opgezegd, godbetert, maar ieder gaat op zijn eigen ingetogen manier de
confrontatie met de dood aan. De dood van een ander, zeker als die ander een
vreemde is, herinnert pijnlijk aan je eigen sterfelijkheid. Wij zwerven niet
voor eeuwig op deze planeet. De tijd komt, en soms komt hij erg snel, dat het
stoffelijke de geest geeft en wordt verteerd tot voedsel van een toekomst waar
je zelf niet langer deel van uitmaakt. Ik geef grif toe dat ik problemen heb
met het besef van mijn eigen sterfelijkheid. Vooral het moment van het loslaten
schrikt me af. Had ik de keuze tussen een zalig maar kort leven of een eeuwig
tranendal, dan koos ik waarschijnlijk voor het tweede. Nu ik deze lichamen naar
hun laatste rustplaats draag klamp ik me met angst vast aan mijn eigen leven.
Mijn hart pompt als een bezetene vers bloed door mijn aderen, en mijn
vingernagels priemen tot bloedens toe in het vel van mijn gebalde vuisten. Het
zijn geen vreemden die ik ter Aarde draag, het zijn mijn ouders, het zijn
vrienden en kennissen, die als amorfe gedaantes voor mijn geestesoog
verschijnen.<br  /> 

 <br  />

En in mijn ooghoek zij die toezicht houdt, die vol medeleven
over mij waakt, mijn fouten ontziet en mijn sterkten zin geeft. Zij leeft als
hoop in mij. Mirca. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-11T11:24:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Seks - The Sequel</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/09/seks__the_sequel</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/09/seks__the_sequel#comm</comments>
			<description>Ik streel jouw dijen. Jouw satijnen dijen. Met schattige putjes die ik wil vullen met zaad. Het is donker. Maar niet pikdonker. De kamer laat spleetgewijs een schaars straatlicht toe. Op straat is het stil, alsof iemand wacht tot we gedaan hebben. We zijn nog maar net begonnen. Het is nog even zondag, een kwartier of zo. Wij houden een traditie hoog: wij bedrijven de liefde op zondag.Je kust me. Je tong draait rondjes met de mijne. We produceren speeksel. Meer dan nodig. Ik streel jouw haren. Ik neem jouw tepel tussen mijn vingers. Draai jouw knop op radio Kongo. Jouw negertietjes floepen uit je pyjama. ‘Dikke borsten, lekkere, stevige prammen’ mompel ik in jouw oorschelp. Ik streel jouw rug, jouw buik, je schaamharen. Wildebeesten, het gedraaf van wildebeesten. De stilte op straat. Het contrast. Mijn staaf drukt tegen jouw satijnen putjes. Ik hoor mezelf kreunen. Geil geil gaat het door mijn hoofd. Je handen zijn op en onder mijn ballen en je dwingt m’n voorhuid achteruit. Donker ziet m’n eikel ongetwijfeld. Ik zou kijken. Maar het is een beetje koud.Het is koud en het licht is flets en we zijn net in bed beland en daarvoor hebben wij televisie gekeken. Daar denk ik aan. Aan hoe we samen tv keken. Ik denk aan... Nee, ik denk er niet aan.... Maar ik kan niet anders. De beelden, de beelden, ze blijven in mijn hoofd hangen als vleermuizen in een grot. Nee, het zijn boomerangs. Ongrijpbare boomerangs. Klap tegen m’n kanis!Ik lik jou. M’n tong is kalm en nat en beslagen. Te veel gegeten, te veel gedronken; weekend weet je wel? Linkerschaamlip, rechterschaamlip, clitoris.Jij laat begaan. Je wacht een tijdje. Niet te lang.M’n nek voelt houterig aan.Je trekt me naar boven. Je spreidt je benen. Je wilt me. Je wilt me nu. Hard en snel, zoals in Turks Fruit, de film uit onze glorietijd.Ik laat het afweten. Ik verontschuldig me. Ik zeg zachtjes: ‘Het is een tikkeltje koud’.‘Ik voelde het,’ zeg je ‘ik voelde dat je niet echt zin had maar jij, jij bleef maar prutsen’ Je draait je om. Snel. Té snel.Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik steun op handen en knieën en kijk een beetje dommig voor me uit in het schemerdonker. Tot de boomerang weer opduikt. Pats! Recht tegen m’n kop! ‘Het is dat programma op tv’ fluister ik snel ‘het zijn de beelden van die geknikte lul met z’n littekenweefsel en die uitgezakte blaas.’‘Ik kan jou niet meer behagen’ antwoordt zij ‘dat is het’‘Nee, nee, helemaal niet, het ligt niet aan jou, liefste’ zeg ik zwakjes terwijl ik me naast haar op m’n rug laat vallen. Onze stemmen klinken als etherische olie. Wolkjes die net onder het plafond oplossen.In de kamer is het donker. Maar niet pikdonker. Ik val in slaap.De volgende ochtend word ik alleen wakker. Ben jij al opgestaan? Ik haast me naar beneden. Je zit aan de ontbijttafel. Je leest de krant. Je haar is helemaal in de war. In je ogen gaat het verdriet van de wereld schuil maar je ziet er goed uit, vind ik, verdriet verdraag je goed. Ik ga dicht bij jou staan. Ik zeg niet eens gedag. Ik begin jouw rug te strelen nadat m’n hand zich een weg naar beneden heeft gebaand in de kraag van je pyjama. Je pyjama van satijn. Je rug van satijn.Ik moet pissen.Ik sta recht.Jij zit op een stoel. Jij leunt met je hoofd tegen m’n kamerjas. Je frutselt m’n kamerjas open, trekt m’n broek naar beneden en neemt m’n penis vast. Je neemt hem in de mond. Je mond voelt als een oven aan maar dan erg nat en zompig en moerastrekkerig en slettezuigend prettig.Schaamteloos ben je, je lippen rond m’n stam die bloed begint te stampen. Ik zeg niets. Ik kijk in de tuin terwijl je mij langzaam begint te pijpen.Ik zie hoe een pimpelmeesje in ons vogelkastje vliegt. Het is dartel. Het is speels. Het is vol leven en ik ook, ik ook! Ik verstijf als snelbeton in een mal. Ik ben nu groot en paars en je steekt zomaar je wijsvinger in mijn anus. Je vindt m’n prostaat moeiteloos. Net als het meesje uit ons kastje vliegt, spuit ik jouw pruilmondje vol zaadjes.Je kijkt schalks naar me op. Terwijl ik nadruip drink je je koffie, voor ie koud wordt. Koffie wordt ook troost genoemd.Ik ga pissen. We hebben nog steeds niets gezegd. Ik kan ook spelen, hoor. ‘Liefste, is alles in orde tussen ons?’ vraag ik als ik terug in de woonkamer ben.‘Nee,’ antwoordt ze ‘ik kan het niet aan. Het enige waar jij aan denkt is seks. Ik ben geen éénentwintig meer, weet je.’Ik kijk haar idioot aan, zij mij debiel. Allebei moeten we heel, heel hard lachen.Het is maar te hopen dat het vochtverlies deze keer binnen de perken blijft.</description>
			<guid isPermaLink="false">499@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Ik streel jouw dijen. Jouw satijnen dijen. Met schattige putjes die ik wil vullen met zaad. Het is donker. Maar niet pikdonker. De kamer laat spleetgewijs een schaars straatlicht toe. Op straat is het stil, alsof iemand wacht tot we gedaan hebben. We zijn nog maar net begonnen. Het is nog even zondag, een kwartier of zo. Wij houden een traditie hoog: wij bedrijven de liefde op zondag.<br  /><br  />Je kust me. Je tong draait rondjes met de mijne. We produceren speeksel. Meer dan nodig. Ik streel jouw haren. Ik neem jouw tepel tussen mijn vingers. Draai jouw knop op radio Kongo. Jouw negertietjes floepen uit je pyjama. ‘Dikke borsten, lekkere, stevige prammen’ mompel ik in jouw oorschelp. Ik streel jouw rug, jouw buik, je schaamharen. Wildebeesten, het gedraaf van wildebeesten. De stilte op straat. Het contrast. Mijn staaf drukt tegen jouw satijnen putjes. Ik hoor mezelf kreunen. Geil geil gaat het door mijn hoofd. Je handen zijn op en onder mijn ballen en je dwingt m’n voorhuid achteruit. Donker ziet m’n eikel ongetwijfeld. Ik zou kijken. Maar het is een beetje koud.<br  /><br  />Het is koud en het licht is flets en we zijn net in bed beland en daarvoor hebben wij televisie gekeken. Daar denk ik aan. Aan hoe we samen tv keken. Ik denk aan... Nee, ik denk er niet aan.... Maar ik kan niet anders. De beelden, de beelden, ze blijven in mijn hoofd hangen als vleermuizen in een grot. Nee, het zijn boomerangs. Ongrijpbare boomerangs. Klap tegen m’n kanis!<br  /><br  />Ik lik jou. M’n tong is kalm en nat en beslagen. Te veel gegeten, te veel gedronken; weekend weet je wel? Linkerschaamlip, rechterschaamlip, clitoris.<br  />Jij laat begaan. Je wacht een tijdje. Niet te lang.<br  />M’n nek voelt houterig aan.<br  />Je trekt me naar boven. Je spreidt je benen. Je wilt me. Je wilt me nu. Hard en snel, zoals in Turks Fruit, de film uit onze glorietijd.<br  />Ik laat het afweten. Ik verontschuldig me. Ik zeg zachtjes: ‘Het is een tikkeltje koud’.<br  />‘Ik voelde het,’ zeg je ‘ik voelde dat je niet echt zin had maar jij, jij bleef maar prutsen’ Je draait je om. Snel. Té snel.<br  />Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik steun op handen en knieën en kijk een beetje dommig voor me uit in het schemerdonker. Tot de boomerang weer opduikt. Pats! Recht tegen m’n kop! ‘Het is dat programma op tv’ fluister ik snel ‘het zijn de beelden van die geknikte lul met z’n littekenweefsel en die uitgezakte blaas.’<br  />‘Ik kan jou niet meer behagen’ antwoordt zij ‘dat is het’<br  />‘Nee, nee, helemaal niet, het ligt niet aan jou, liefste’ zeg ik zwakjes terwijl ik me naast haar op m’n rug laat vallen. Onze stemmen klinken als etherische olie. Wolkjes die net onder het plafond oplossen.<br  /><br  />In de kamer is het donker. Maar niet pikdonker. Ik val in slaap.<br  />De volgende ochtend word ik alleen wakker. Ben jij al opgestaan? Ik haast me naar beneden. Je zit aan de ontbijttafel. Je leest de krant. Je haar is helemaal in de war. In je ogen gaat het verdriet van de wereld schuil maar je ziet er goed uit, vind ik, verdriet verdraag je goed. Ik ga dicht bij jou staan. Ik zeg niet eens gedag. Ik begin jouw rug te strelen nadat m’n hand zich een weg naar beneden heeft gebaand in de kraag van je pyjama. Je pyjama van satijn. Je rug van satijn.<br  />Ik moet pissen.<br  />Ik sta recht.<br  />Jij zit op een stoel. Jij leunt met je hoofd tegen m’n kamerjas. Je frutselt m’n kamerjas open, trekt m’n broek naar beneden en neemt m’n penis vast. Je neemt hem in de mond. Je mond voelt als een oven aan maar dan erg nat en zompig en moerastrekkerig en slettezuigend prettig.<br  />Schaamteloos ben je, je lippen rond m’n stam die bloed begint te stampen. Ik zeg niets. Ik kijk in de tuin terwijl je mij langzaam begint te pijpen.<br  />Ik zie hoe een pimpelmeesje in ons vogelkastje vliegt. Het is dartel. Het is speels. Het is vol leven en ik ook, ik ook! Ik verstijf als snelbeton in een mal. Ik ben nu groot en paars en je steekt zomaar je wijsvinger in mijn anus. Je vindt m’n prostaat moeiteloos. Net als het meesje uit ons kastje vliegt, spuit ik jouw pruilmondje vol zaadjes.<br  />Je kijkt schalks naar me op. Terwijl ik nadruip drink je je koffie, voor ie koud wordt. Koffie wordt ook troost genoemd.<br  />Ik ga pissen. We hebben nog steeds niets gezegd. Ik kan ook spelen, hoor. ‘Liefste, is alles in orde tussen ons?’ vraag ik als ik terug in de woonkamer ben.<br  />‘Nee,’ antwoordt ze ‘ik kan het niet aan. Het enige waar jij aan denkt is seks. Ik ben geen éénentwintig meer, weet je.’<br  />Ik kijk haar idioot aan, zij mij debiel. Allebei moeten we heel, heel hard lachen.<br  />Het is maar te hopen dat het vochtverlies deze keer binnen de perken blijft. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-09T11:05:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Neem nou paarden [een beschouwend stukje]</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/07/neem_nou_paarden_een_beschouwe</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/07/neem_nou_paarden_een_beschouwe#comm</comments>
			<description>Neem nou paarden. Niet dat ik iets tegen paarden heb hoor. Maar om nou te zeggen dat ik een paardenliefhebber ben... Nee, je kunt niet zeggen dat ik een paardenliefhebber ben. Nou ja, je kunt het wel zeggen, maar dan slaat het nergens op want het is niet waar. Als het mij gevraagd zou worden zou ik zeggen: mijn houding ten opzichte van het paard is ambivalent. Inderdaad, ambivalent. Want enerzijds zie ik het paard als een levensvorm die gedoogd moet worden, zoals alle levensvormen gedoogd moeten worden zolang ze er een beetje leuk uitzien of op zijn minst grote ogen hebben en als ze niet te veel in de weg lopen.Ik bedoel: Er is niets mis met het paard 'an sich', hoewel ik ook niet vind dat hij 'eruitspringt' of iets heel bijzonders zou zijn ten opzichte van bijvoorbeeld het varken dat toch ook 4 poten heeft.Misschien is het daarom dat ik mij erger aan zogeheten 'paardenliefhebbers'. Die beweren dat het paard geen poten heeft. Ze beweren dat het paard 'benen' heeft. Terwijl je toch gewoon kunt zien dat die poten geen benen zijn! Ik bedoel: Waar hebben we het eigenlijk over? En zo kleeft er aan het paard - waar op zich dus niets mis mee is - voor mij iets van de mensen die dat dier aanbidden. De 'paardenliefhebber' gaat tussen jou en het paard in staan en daardoor zie je het paard niet meer. Vergelijkbaar met dat van de bomen en het bos. Maar dan anders. Zoiets is het. Daarom hou ik ook meer van varkens. Want met varkens heb je dat niet. Ondertussen blijven er veel vragen onbeantwoord. Had Ankie van Grunsven bijvoorbeeld als kind al een paardegebit, waardoor zij zich door de uiterlijke overeenkomst tot paarden aangetrokken voelde, of is haar gebit door de intensieve omgang met paarden steeds meer op dat van een paard gaan lijken, analoog aan het veronderstelde verschijnsel dat baasjes steeds meer op hun honden gaan lijken? Je weet het niet. Ik moet nu ineens denken aan een allang dode Franse dichter die het 'paardehoofd' omschreef als 'een oude schoen met spataderen', een treffend beeld waarvan je je afvraagt waarom nooit eerder iemand er op gekomen is. Want je denkt meteen: inderdaad, het is net een oude schoen met spataderen! Maar de mensheid heeft zich duizenden jaren moeten voortplanten en de oude schoen uitvinden voordat iemand dat zag.</description>
			<guid isPermaLink="false">498@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Neem nou paarden. Niet dat ik iets tegen paarden heb hoor. Maar om nou te zeggen dat ik een paardenliefhebber ben... Nee, je kunt niet zeggen dat ik een paardenliefhebber ben. Nou ja, je kunt het wel zeggen, maar dan slaat het nergens op want het is niet waar. Als het mij gevraagd zou worden zou ik zeggen: mijn houding ten opzichte van het paard is ambivalent. Inderdaad, ambivalent. Want enerzijds zie ik het paard als een levensvorm die gedoogd moet worden, zoals alle levensvormen gedoogd moeten worden zolang ze er een beetje leuk uitzien of op zijn minst grote ogen hebben en als ze niet te veel in de weg lopen.<br  />Ik bedoel: Er is niets mis met het paard 'an sich', hoewel ik ook niet vind dat hij 'eruitspringt' of iets heel bijzonders zou zijn ten opzichte van bijvoorbeeld het varken dat toch ook 4 poten heeft.<br  />Misschien is het daarom dat ik mij erger aan zogeheten 'paardenliefhebbers'. Die beweren dat het paard geen poten heeft. Ze beweren dat het paard 'benen' heeft. Terwijl je toch gewoon kunt zien dat die poten geen benen zijn! Ik bedoel: Waar hebben we het eigenlijk over? En zo kleeft er aan het paard - waar op zich dus niets mis mee is - voor mij iets van de mensen die dat dier aanbidden. De 'paardenliefhebber' gaat tussen jou en het paard in staan en daardoor zie je het paard niet meer. Vergelijkbaar met dat van de bomen en het bos. Maar dan anders. Zoiets is het. Daarom hou ik ook meer van varkens. Want met varkens heb je dat niet. Ondertussen blijven er veel vragen onbeantwoord. Had Ankie van Grunsven bijvoorbeeld als kind al een paardegebit, waardoor zij zich door de uiterlijke overeenkomst tot paarden aangetrokken voelde, of is haar gebit door de intensieve omgang met paarden steeds meer op dat van een paard gaan lijken, analoog aan het veronderstelde verschijnsel dat baasjes steeds meer op hun honden gaan lijken? Je weet het niet. <br  /><br  />Ik moet nu ineens denken aan een allang dode Franse dichter die het 'paardehoofd' omschreef als 'een oude schoen met spataderen', een treffend beeld waarvan je je afvraagt waarom nooit eerder iemand er op gekomen is. Want je denkt meteen: inderdaad, het is net een oude schoen met spataderen! Maar de mensheid heeft zich duizenden jaren moeten voortplanten en de oude schoen uitvinden voordat iemand dat zag. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-07T11:04:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Mijn vriendin</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/04/mijn_vriendin</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/04/mijn_vriendin#comm</comments>
			<description>Hij zat op een stoel, twee meter bij me vandaan. De ideale afstand, net buiten handbereik.Ik ging tegenover hem zitten, draaide de stoel om en klemde de leuning tussen mijn benen in. Op twee meter afstand.Hij dacht wat ik dacht en wat we beiden besloten niet uit te spreken.Hij keek naar me, ik keek naar hem, besloot te gaan spelen met de uitstraling van de voor mij zo zichtbare dominantie en ongeschreven regels van dit sensuele spel.En hij wilde kijken. Hij wilde niets liever dan kijken. Ik gaf hem het zicht en bepaalde daarmee zijn gezichtsveld. In vooropgezette banen en de te verwachte, vanzelfsprekende eindpunten.Misschien ging ik verder dan voorzichtige wensen op dat moment konden komen, maar ik besloot zijn mannelijkheid te breken in al haar ogenschijnlijke, vol pretentie maar misnoegde uitstraling.Het was realiteit bij hem. Vooralsnog pretentie bij mij, zonder dat hij dat wist. Echter alleen daarvan al raakte ook ik verstrengeld in het wederzijdse van onuitgesproken, overeenkomstige handelingen.We daagden elkaar uit.Ik knoopte mijn blouse open, mijn vingers gleden over mijn lichaam zoals oliedruppels omlaag glijden over een natte huid. Ogenschijnlijk zichtbaar echter niet tastbaar. Noch tegen te houden.Even sloot ik mijn ogen om mijn fantasie te vergroten en de realiteit bij te staan.Hoe kan men nog meer fantaseren als de realiteit op fantasie gebouwd is?Het was ook niet mogelijk, er was slechts een optie, n.l. op te gaan in dit allesomvattende spel. Zo werden de oliedruppels het vocht en de natte huid de wederzijdse vingers. Er restte alleen nog de afstand.De afstand die juist deze sensationele spanning veroorzaakte. De afstand die juist deze sensationele spanning was.Twee meter.Net buiten handbereik.Vooralsnog ideaal.Hij deed zijn ceintuur los, liet zijn broek naar beneden zakken met een vanzelfsprekendheid waarmee mannen denken dat voorspel overbodig is. To the fucking point.Zo makkelijk echter liet ik het niet aflopen. Zat niet voor niets met de leuning tussen mijn benen. Noch op twee meter.Het spel begon zijn vormen aan te nemen en de deelnemers de regels te ontlopen.Ik stond op. Ging nog iets verder bij hem vandaan alsof hij niet meer bestond en ik geheel opgegaan was in mijn eigen aanrakingen.Het overgeslagen voorspel in al haar perfectie. Alleen op de wereld. Slechts bekeken door niet meer bestaande blikken en afhankelijke, hoorbare ademhalingen. De broek op de knieën en de handen als vervolmaking van fysieke afhankelijkheden.Het enige wat nog telde was het schaarse moment van de elkaar kruisende blikken, waarbij een lichte glimlach de perfectie van het moment uitte.Hij wist het niet maar ik was even een engel die met zijn hart speelde. En ik wist niet dat hij de engel was die met mijn hart speelde.Daarom was het perfect.Heel even. Maar wel perfect.</description>
			<guid isPermaLink="false">497@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Hij zat op een stoel, twee meter bij me vandaan. De ideale afstand, net buiten handbereik.Ik ging tegenover hem zitten, draaide de stoel om en klemde de leuning tussen mijn benen in. Op twee meter afstand.<br  /><br  />Hij dacht wat ik dacht en wat we beiden besloten niet uit te spreken.<br  />Hij keek naar me, ik keek naar hem, besloot te gaan spelen met de uitstraling van de voor mij zo zichtbare dominantie en ongeschreven regels van dit sensuele spel.<br  /><br  />En hij wilde kijken. Hij wilde niets liever dan kijken. Ik gaf hem het zicht en bepaalde daarmee zijn gezichtsveld. In vooropgezette banen en de te verwachte, vanzelfsprekende eindpunten.<br  /><br  />Misschien ging ik verder dan voorzichtige wensen op dat moment konden komen, maar ik besloot zijn mannelijkheid te breken in al haar ogenschijnlijke, vol pretentie maar misnoegde uitstraling.<br  />Het was realiteit bij hem. Vooralsnog pretentie bij mij, zonder dat hij dat wist. Echter alleen daarvan al raakte ook ik verstrengeld in het wederzijdse van onuitgesproken, overeenkomstige handelingen.<br  /><br  />We daagden elkaar uit.<br  /><br  />Ik knoopte mijn blouse open, mijn vingers gleden over mijn lichaam zoals oliedruppels omlaag glijden over een natte huid. Ogenschijnlijk zichtbaar echter niet tastbaar. Noch tegen te houden.<br  /><br  />Even sloot ik mijn ogen om mijn fantasie te vergroten en de realiteit bij te staan.<br  />Hoe kan men nog meer fantaseren als de realiteit op fantasie gebouwd is?<br  /><br  />Het was ook niet mogelijk, er was slechts een optie, n.l. op te gaan in dit allesomvattende spel. Zo werden de oliedruppels het vocht en de natte huid de wederzijdse vingers. Er restte alleen nog de afstand.<br  /><br  />De afstand die juist deze sensationele spanning veroorzaakte. De afstand die juist deze sensationele spanning was.<br  /><br  />Twee meter.<br  />Net buiten handbereik.<br  />Vooralsnog ideaal.<br  /><br  />Hij deed zijn ceintuur los, liet zijn broek naar beneden zakken met een vanzelfsprekendheid waarmee mannen denken dat voorspel overbodig is. To the fucking point.<br  /><br  />Zo makkelijk echter liet ik het niet aflopen. Zat niet voor niets met de leuning tussen mijn benen. Noch op twee meter.<br  /><br  />Het spel begon zijn vormen aan te nemen en de deelnemers de regels te ontlopen.<br  />Ik stond op. Ging nog iets verder bij hem vandaan alsof hij niet meer bestond en ik geheel opgegaan was in mijn eigen aanrakingen.<br  /><br  />Het overgeslagen voorspel in al haar perfectie. Alleen op de wereld. Slechts bekeken door niet meer bestaande blikken en afhankelijke, hoorbare ademhalingen. De broek op de knieën en de handen als vervolmaking van fysieke afhankelijkheden.<br  />Het enige wat nog telde was het schaarse moment van de elkaar kruisende blikken, waarbij een lichte glimlach de perfectie van het moment uitte.<br  /><br  />Hij wist het niet maar ik was even een engel die met zijn hart speelde. En ik wist niet dat hij de engel was die met mijn hart speelde.<br  />Daarom was het perfect.<br  />Heel even. Maar wel perfect. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-04T12:18:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Mirca [22]</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/04/02/mirca_22</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/04/02/mirca_22#comm</comments>
			<description>“Wanneer de pulsen een parallelle wereld troffen met intelligent leven, met een ontwikkelingsgraad gelijkaardig of zelfs hoger als de onze, is het perfect mogelijk dat de experimenten van het leger als een aanval werden opgevat,” zegt dokter Sanders bloedserieus.Ik ben uitgekeken op de vissen en probeer deel te nemen aan het gesprek.“Begin jij nu ook al Ed?” zeg ik verbluft, “Een beetje energie verdween in het niets, dat is misschien wat vreemd, akkoord. Wat later kwam die energie plots terug, toevallig op hetzelfde ogenblik en dezelfde plaatsen waar het virus eerst uitbrak, dat is op zijn minst verdacht te noemen. Maar om nu meteen aan groene mannetjes te gaan denken… De pandemie werd trouwens veroorzaakt door een virus, en virussen kunnen niet elektronisch verstuurd worden, toch?”“De inwoners van de parallelle wereld die we onbedoeld de oorlog verklaard hebben moeten technisch veel verder staan dan ons. Ik vermoed dat de energiepuls die ze stuurden een code bevatte, die het genetische materiaal van een aards virus, misschien een dat endemisch is bij een groot deel van de populatie, ogenblikkelijk herschreef tot een hoogpathogeen virus,” gaat Ed verder zonder aandacht te besteden aan mijn tegenwerpingen.Reno knikt enthousiast. “Dat is het! De mensen die niet ziek geworden zijn waren geen drager van dat endemische virus. Het is dus niet besmettelijk?”“Ik ben in contact gekomen met mensen die de symptomen vertoonden. Ik vermoed inderdaad dat het virus niet overdraagbaar is, alleszins niet via de luchtwegen. De incubatietijd is ook zo kort dat we al lang symptomen moesten vertonen indien we besmet werden,” zegt Ed.Ik rol met mijn ogen. Dat noemt zich dan mensen van de wetenschap. Ik vraag aan Ed of ik zijn telefoon eens mag gebruiken en bel Jacob op. Die twee hier werken op mijn zenuwen, en dat is wel het laatste dat ik nu kan gebruiken. Ik heb al mijn krachten nodig om er niet onderdoor te gaan. Wat is er trouwens van Mirca geworden? Door alles wat er gebeurd is heb ik niet meer aan haar gedacht…</description>
			<guid isPermaLink="false">496@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ “Wanneer de pulsen een parallelle wereld troffen met intelligent leven, met een ontwikkelingsgraad gelijkaardig of zelfs hoger als de onze, is het perfect mogelijk dat de experimenten van het leger als een aanval werden opgevat,” zegt dokter Sanders bloedserieus.<br  />Ik ben uitgekeken op de vissen en probeer deel te nemen aan het gesprek.<br  />“Begin jij nu ook al Ed?” zeg ik verbluft, “Een beetje energie verdween in het niets, dat is misschien wat vreemd, akkoord. Wat later kwam die energie plots terug, toevallig op hetzelfde ogenblik en dezelfde plaatsen waar het virus eerst uitbrak, dat is op zijn minst verdacht te noemen. Maar om nu meteen aan groene mannetjes te gaan denken… De pandemie werd trouwens veroorzaakt door een virus, en virussen kunnen niet elektronisch verstuurd worden, toch?”<br  />“De inwoners van de parallelle wereld die we onbedoeld de oorlog verklaard hebben moeten technisch veel verder staan dan ons. Ik vermoed dat de energiepuls die ze stuurden een code bevatte, die het genetische materiaal van een aards virus, misschien een dat endemisch is bij een groot deel van de populatie, ogenblikkelijk herschreef tot een hoogpathogeen virus,” gaat Ed verder zonder aandacht te besteden aan mijn tegenwerpingen.<br  />Reno knikt enthousiast. “Dat is het! De mensen die niet ziek geworden zijn waren geen drager van dat endemische virus. Het is dus niet besmettelijk?”<br  />“Ik ben in contact gekomen met mensen die de symptomen vertoonden. Ik vermoed inderdaad dat het virus niet overdraagbaar is, alleszins niet via de luchtwegen. De incubatietijd is ook zo kort dat we al lang symptomen moesten vertonen indien we besmet werden,” zegt Ed.<br  />Ik rol met mijn ogen. Dat noemt zich dan mensen van de wetenschap. Ik vraag aan Ed of ik zijn telefoon eens mag gebruiken en bel Jacob op. Die twee hier werken op mijn zenuwen, en dat is wel het laatste dat ik nu kan gebruiken. Ik heb al mijn krachten nodig om er niet onderdoor te gaan. <br  /><br  />Wat is er trouwens van Mirca geworden? Door alles wat er gebeurd is heb ik niet meer aan haar gedacht… ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-04-02T11:00:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Vakantieverslag Heer Ane</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/03/31/vakantieverslag_heer_ane</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/03/31/vakantieverslag_heer_ane#comm</comments>
			<description>
</description>
			<guid isPermaLink="false">495@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ <object height="337" width="403"><param name="movie" value="http://www.youtube.com/v/9biceo5t1kU&amp;hl=en"ARAM name="wmode" value="transparent">
<embed src="http://www.youtube.com/v/9biceo5t1kU&hl=en" type="application/x-shockwave-flash" wmode="transparent" width="403" height="337"></embed></object> ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-03-31T13:43:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Elementaire beginselen: Balsport, Voetbal [1]</title>
			<link>http://www.bicat.net/archive/2008/03/28/elementaire_beginselen_balspor</link>
			<comments>http://www.bicat.net/archive/2008/03/28/elementaire_beginselen_balspor#comm</comments>
			<description>Bij voorkeur een flink egaal veld met authentiek gras waarover in een rechthoek een vak getrokken wordt met witte kalklijnen. Binnen dat vak zijn weer een aantal lijnen getrokken waar ik later nog op terugkom. Zo boeiend is dat allemaal niet. Als een paal boven water staat het gegeven dat een bal heen en weer getrapt wordt met speciaal daarvoor bestemd schoeisel. Deze bal, ongeveer ter grootte van een voetbal, is de prooi van 20 jachtige mannen die opgedeeld zijn in 2 teams van 11 spelers. 2 keer 11 is 22 zult u zeggen en dat is geheel juist. 20 mensen vertolken een soort van vrije rol en zwieren over het gehele veld, al dan niet volgens opdracht van een man met platgeslagen neus of met een regenjas en een gleufhoed, welke zich peinzend opstelt bij een ingegraven afdakje waaronder op een bankje nog meer mensen zitten met een chagrijnige blik die voortkomt uit het feit dat zij niet over het veld achter de bal aan rennen maar hun zitvlees moeten harden aan het hout, tot de vorige eeuw het materiaal waar dit soort reservebankjes van gemaakt zijn.Waar blijven dan die andere 2 deelnemers?Welnu. Aan elke korte zijde van de rechthoek, het speelveld, bevindt zich een speler, we noemen ze spelers, met een bijzondere rol. Deze uniekeling per team, geheten doelman staat voor een constructie van aluminium palen met daarboven op een dwarsligger van hetzelfde materiaal. Het streven van de eerdergenoemde 20 mannen is het langs de doelman en tussen de palen en onder die dwarsligger brengen van die bal met elk lichaamsdeel behalve de armen en handen.Zowel vrouwen als mannen zijn kunnen aan deze spelvorm met bal verknocht raken. Ik beperk mij in de bespreking hiervan tot de man. Klagen doet u maar bij Mevrouw Dresselhuys.Het kan er soms ook wild aan toegang en om het geheel in goede banen te leiden loopt er tussen de 20 spelers nog een duidelijk te herkennen extra man rond met een fluit en een borstzak met een opschrijfboekje, een felgele en een felrode kaart. Deze man, wordt aan de beide lange zijden geassisteerd door een man met een vlag die deze vlag de lucht in steekt op het moment dat de bal buiten de kalklijnen geraakt en op een paar bijzondere momenten zoals een overtreding (het onheus in contact komen met een speler van het andere team dan wel het onrechtmatig van richting veranderen van de bal met de handen). Tevens steekt deze man zijn vlag in de richting van het veld als een speler door een lid van zijn team langs een speler van het andere team de bal toegeschoten krijgt terwijl hij zich tussen de doelman van de tegenpartij en een teamgenoot van deze doelman bevindt.Er zijn hele beroemde spelers die heel veel geld verdienen met deze activiteit. Johan Cruyff, Ruud Gullit, Jeroen Heubach en, mijn helaas te vroeg gestorven oom, Gerrie de Goede waren zeer bedreven beoefenaars van deze vorm van tijdverdrijf.Een volgende keer doe ik de complexere fenomenen van deze activiteit uit de doeken, zoals daar onder andere zijn: de scheidsrechterbal en de geacteerde struikelpartij die liefhebbers van deze bezigheid een ‘Schwalbe’ noemen. Een zwaluw.</description>
			<guid isPermaLink="false">494@http://www.bicat.net/</guid>
			<content:encoded><![CDATA[ Bij voorkeur een flink egaal veld met authentiek gras waarover in een rechthoek een vak getrokken wordt met witte kalklijnen. Binnen dat vak zijn weer een aantal lijnen getrokken waar ik later nog op terugkom. Zo boeiend is dat allemaal niet. Als een paal boven water staat het gegeven dat een bal heen en weer getrapt wordt met speciaal daarvoor bestemd schoeisel. Deze bal, ongeveer ter grootte van een voetbal, is de prooi van 20 jachtige mannen die opgedeeld zijn in 2 teams van 11 spelers. 2 keer 11 is 22 zult u zeggen en dat is geheel juist. 20 mensen vertolken een soort van vrije rol en zwieren over het gehele veld, al dan niet volgens opdracht van een man met platgeslagen neus of met een regenjas en een gleufhoed, welke zich peinzend opstelt bij een ingegraven afdakje waaronder op een bankje nog meer mensen zitten met een chagrijnige blik die voortkomt uit het feit dat zij niet over het veld achter de bal aan rennen maar hun zitvlees moeten harden aan het hout, tot de vorige eeuw het materiaal waar dit soort reservebankjes van gemaakt zijn.<br  /><br  />Waar blijven dan die andere 2 deelnemers?<br  />Welnu. Aan elke korte zijde van de rechthoek, het speelveld, bevindt zich een speler, we noemen ze spelers, met een bijzondere rol. Deze uniekeling per team, geheten <i>doelman</i> staat voor een constructie van aluminium palen met daarboven op een dwarsligger van hetzelfde materiaal. Het streven van de eerdergenoemde 20 mannen is het langs de doelman en tussen de palen en onder die dwarsligger brengen van die bal met elk lichaamsdeel behalve de armen en handen.<br  /><br  />Zowel vrouwen als mannen zijn kunnen aan deze spelvorm met bal verknocht raken. Ik beperk mij in de bespreking hiervan tot de man. Klagen doet u maar bij Mevrouw Dresselhuys.<br  /><br  />Het kan er soms ook wild aan toegang en om het geheel in goede banen te leiden loopt er tussen de 20 spelers nog een duidelijk te herkennen extra man rond met een fluit en een borstzak met een opschrijfboekje, een felgele en een felrode kaart. Deze man, wordt aan de beide lange zijden geassisteerd door een man met een vlag die deze vlag de lucht in steekt op het moment dat de bal buiten de kalklijnen geraakt en op een paar bijzondere momenten zoals een overtreding (het onheus in contact komen met een speler van het andere team dan wel het onrechtmatig van richting veranderen van de bal met de handen). Tevens steekt deze man zijn vlag in de richting van het veld als een speler door een lid van zijn team langs een speler van het andere team de bal toegeschoten krijgt terwijl hij zich tussen de doelman van de tegenpartij en een teamgenoot van deze doelman bevindt.<br  /><br  />Er zijn hele beroemde spelers die heel veel geld verdienen met deze activiteit. Johan Cruyff, Ruud Gullit, Jeroen Heubach en, mijn helaas te vroeg gestorven oom, Gerrie de Goede waren zeer bedreven beoefenaars van deze vorm van tijdverdrijf.<br  /><br  />Een volgende keer doe ik de complexere fenomenen van deze activiteit uit de doeken, zoals daar onder andere zijn: de scheidsrechterbal en de geacteerde struikelpartij die liefhebbers van deze bezigheid een ‘Schwalbe’ noemen. Een zwaluw. ]]></content:encoded>
			<dc:subject>default</dc:subject>
			<dc:date>2008-03-28T12:46:00+02:00</dc:date>
		</item>
		
		
		
	</channel>
</rss>