<?xml version="1.0" encoding="iso-8859-1"?>
<feed xmlns="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xml:lang="nl">
	<title>bicat.net</title>
	<subtitle>louter vuighe zaken</subtitle>
        <link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/index.php"/>
        <link rel="self" type="application/atom+xml" href="http://www.bicat.net/atom.xml"/>
	<updated>2009-07-02T10:33:03+02:00</updated>
	<author>
	<name>bicat</name>
	<uri>http://www.bicat.net/index.php</uri>
	<email></email>
	</author>
	<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet</id>
	<generator uri="http://www.pivotlog.net" version="Pivot - 1.40.6: 'Dreadwind'">Pivot</generator>
	<rights>Copyright (c) 2009, Authors of bicat.net</rights>
	
	
	
	<entry>
		<title>Reisverhaal [1]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/07/02/reisverhaal_1" />
		<updated>2009-07-02T10:33:00+02:00</updated>
		<published>2009-07-02T10:33:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.644</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Omdat we al bijna zes maanden niet op vakantie waren geweest voorzagen we ons van een stapel reisgidsen en gingen al bladerend op zoek naar een geschikte bestemming. Dat viel nog niet mee want we waren bijna overal al geweest en daar kwam nog bij dat sommige landen te banaal waren [Frankrijk, Duitsland, Italie, Oostenrijk, Spanje], andere te toeristisch [Nieuw Zeeland, Tibet, Ijsland, Peru, Nepal] of te onveilig vanwege een onstabiele politieke situatie met de daaruit voortvloeiende burgeroorlogen en terroristische aanslagen [Costa Rica, Bali, Afghanistan, Congo].
Uiteindelijk bleef er niet veel over en nadat we alle oorden hadden geschrapt waarvan beweerd werd dat je er 'adembenemende' ervaringen kon opdoen - want als je de adem wordt benomen krijg je geen lucht meer en stik je en daarvoor ga je niet op vakantie - lieten we ons oog vallen op het eiland Wokki Wokki. Dit ligt duizenden kilometers van ieder vasteland verwijderd midden in de stille oceaan en men vindt er alle benodigdheden voor een geslaagde vakantie: Zon, zee, strand, fraaie natuur, hotels, restaurants, een paar oude gebouwen en zelfs twee musea. We kozen voor een optie die ons tot dusver onbekend was, te weten een 'geheel verzorgd doe het zelf arrangement'. Dit houdt in dat het reisburo alles regelt met uitzondering van het boeken van de vliegreis, het vervoer naar en van het vliegveld en het verzorgen van maaltijden en excursies, maar wèl zorgt dat er een hotelkamer beschikbaar is. Deze combinatie van comfort en zelfredzaamheid sprak ons direkt aan. De vliegreis van ruim 10 uur was weinig ontspannend omdat men te veel stoelen te dicht op elkaar had gepakt teneinde een maximaal aantal passagiers te kunnen vervoeren om op die manier zo veel mogelijk geld te kunnen verdienen. Bovendien viel de airconditioning onderweg uit, zodat wij oververhit, stinkend en met verkrampte ledematen in de invallende duisternis op 1 van de beide vliegvelden aankwamen, waar we gelukkig verwelkomd werden door een hevige stortregen die ons aangenaam verfriste. De hotelkamer die we na een uur lopen betraden was zoals gewoonlijk kleiner dan de foto in de reisgids had doen vermoeden en na ons te hebben gedroogd en de pyjama's te hebben aangetrokken lieten we ons uitgeput op de doorgezakte matras vallen en waren ondanks dat het nog maar 9 uur in de avond was al spoedig naar dromenland vertrokken.

De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren en begonnen aan een eerste verkenning van het eiland dat er tot onze verbazing geheel verlaten bij bleek te liggen: nergens was ook maar de geringste menselijke activiteit te bespeuren. Later vernamen we dat de bevolking van Wokki Wokki niet van vroeg opstaan houdt en op de oorzaak daarvan komen we later nog terug. De situatie gaf ons evenwel de gelegenheid het eiland in alle rust te bekijken. Vanuit de lucht gezien heeft Wokki Wokki een eivorm en meet ongeveer 10 bij 15 kilometer. De kust bestaat vrijwel geheel uit prachtige stranden die slechts hier en daar door al even schilderachtige rotspartijen worden onderbroken.

Het binnenland is licht heuvelachtig en de vruchtbare grond staat in combinatie met het gunstige klimaat borg voor een uitbundige vegetatie die op hàar beurt weer garant staat voor een overvloedige aanvoer van ondermeer bananen, mango's, kokosnoten, meloenen, druiven, marihuana en diverse graansoorten. Aan de 'stompe' kant van het ei bevindt zich een schitterende lagune van ongeveer 500 meter doorsnede die door middel van een smalle opening met de oceaan in verbinding staat. Bij vloed stroomt de lagune vol, om bij eb geheel droog te vallen en de bevolking buit deze situatie op handige wijze uit door bij vloed een groot net in de opening te hangen zodat men bij eb de tonijnen, kreeften, inktvissen en dergelijke letterlijk voor het oprapen heeft. Voor wie weet dat er op het eiland niet aan veeteelt wordt gedaan en er dus geen melk voorhanden is, komt de aanwezigheid van de vele kleine kaasmakerijen als een grote [maar aangename] verrassing. Want een Westerling komt niet snel op de gedachte om de zeehonden, die zich op en rond het eiland in groten getale ophouden, tweemaal per dag te gaan melken..

[Wordt vervolgd]</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/07/02/reisverhaal_1"><![CDATA[
                Omdat we al bijna zes maanden niet op vakantie waren geweest voorzagen we ons van een stapel reisgidsen en gingen al bladerend op zoek naar een geschikte bestemming. Dat viel nog niet mee want we waren bijna overal al geweest en daar kwam nog bij dat sommige landen te banaal waren [Frankrijk, Duitsland, Italie, Oostenrijk, Spanje], andere te toeristisch [Nieuw Zeeland, Tibet, Ijsland, Peru, Nepal] of te onveilig vanwege een onstabiele politieke situatie met de daaruit voortvloeiende burgeroorlogen en terroristische aanslagen [Costa Rica, Bali, Afghanistan, Congo].<br />
Uiteindelijk bleef er niet veel over en nadat we alle oorden hadden geschrapt waarvan beweerd werd dat je er 'adembenemende' ervaringen kon opdoen - want als je de adem wordt benomen krijg je geen lucht meer en stik je en daarvoor ga je niet op vakantie - lieten we ons oog vallen op het eiland Wokki Wokki. Dit ligt duizenden kilometers van ieder vasteland verwijderd midden in de stille oceaan en men vindt er alle benodigdheden voor een geslaagde vakantie: Zon, zee, strand, fraaie natuur, hotels, restaurants, een paar oude gebouwen en zelfs twee musea. We kozen voor een optie die ons tot dusver onbekend was, te weten een 'geheel verzorgd doe het zelf arrangement'. Dit houdt in dat het reisburo alles regelt met uitzondering van het boeken van de vliegreis, het vervoer naar en van het vliegveld en het verzorgen van maaltijden en excursies, maar w&egrave;l zorgt dat er een hotelkamer beschikbaar is. Deze combinatie van comfort en zelfredzaamheid sprak ons direkt aan. De vliegreis van ruim 10 uur was weinig ontspannend omdat men te veel stoelen te dicht op elkaar had gepakt teneinde een maximaal aantal passagiers te kunnen vervoeren om op die manier zo veel mogelijk geld te kunnen verdienen. Bovendien viel de airconditioning onderweg uit, zodat wij oververhit, stinkend en met verkrampte ledematen in de invallende duisternis op 1 van de beide vliegvelden aankwamen, waar we gelukkig verwelkomd werden door een hevige stortregen die ons aangenaam verfriste. De hotelkamer die we na een uur lopen betraden was zoals gewoonlijk kleiner dan de foto in de reisgids had doen vermoeden en na ons te hebben gedroogd en de pyjama's te hebben aangetrokken lieten we ons uitgeput op de doorgezakte matras vallen en waren ondanks dat het nog maar 9 uur in de avond was al spoedig naar dromenland vertrokken.<br />
<br />
De volgende ochtend waren we vroeg uit de veren en begonnen aan een eerste verkenning van het eiland dat er tot onze verbazing geheel verlaten bij bleek te liggen: nergens was ook maar de geringste menselijke activiteit te bespeuren. Later vernamen we dat de bevolking van Wokki Wokki niet van vroeg opstaan houdt en op de oorzaak daarvan komen we later nog terug. De situatie gaf ons evenwel de gelegenheid het eiland in alle rust te bekijken. Vanuit de lucht gezien heeft Wokki Wokki een eivorm en meet ongeveer 10 bij 15 kilometer. De kust bestaat vrijwel geheel uit prachtige stranden die slechts hier en daar door al even schilderachtige rotspartijen worden onderbroken.<br />
<br />
Het binnenland is licht heuvelachtig en de vruchtbare grond staat in combinatie met het gunstige klimaat borg voor een uitbundige vegetatie die op h&agrave;ar beurt weer garant staat voor een overvloedige aanvoer van ondermeer bananen, mango's, kokosnoten, meloenen, druiven, marihuana en diverse graansoorten. Aan de 'stompe' kant van het ei bevindt zich een schitterende lagune van ongeveer 500 meter doorsnede die door middel van een smalle opening met de oceaan in verbinding staat. Bij vloed stroomt de lagune vol, om bij eb geheel droog te vallen en de bevolking buit deze situatie op handige wijze uit door bij vloed een groot net in de opening te hangen zodat men bij eb de tonijnen, kreeften, inktvissen en dergelijke letterlijk voor het oprapen heeft. Voor wie weet dat er op het eiland niet aan veeteelt wordt gedaan en er dus geen melk voorhanden is, komt de aanwezigheid van de vele kleine kaasmakerijen als een grote [maar aangename] verrassing. Want een Westerling komt niet snel op de gedachte om de zeehonden, die zich op en rond het eiland in groten getale ophouden, tweemaal per dag te gaan melken..<br />
<br />
[Wordt vervolgd]
		]]></content>
		<author>
			<name>spencerbrandsen</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [15]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/26/de_verzoeking_15" />
		<updated>2009-06-26T11:07:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-26T11:07:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.643</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Als op commando stopten alle vrouwen nu hun bacchantisch spel, en stelden zich met een bewonderenswaardige choreografische nauwkeurigheid in het gelid. Ze hurkten allen tesamen neer, en plooiden hun soepele benen in de nek. Voor mij strekte zich een tapijt van duizenden geopende roosjes uit, druipnat van het geil, dat als dauw op de lipjes parelde, en witschuimend in de strontholletjes aanslibde. Ik kwam spontaan nog een keer klaar, dronk gulzig een beker wijn, en maakte aanstalten om mij aan al dat lekkers te gaan verlustigen, toen ik tussen het malse vlees een donkere gedaante waarnam. De vrouwen hadden de gedaante ook opgemerkt, want de gelederen weken uiteen &amp;ndash; ze liepen op hun handen, de benen in de nek! &amp;ndash; en maakten zo een doorgang voor het schijnbaar hoge bezoek. Ik wist uiteraard dat het Satan was, mijn indirecte verwekker en adoptievader. Hij kwam naderbij met statige passen, waarbij hij wel lichtjes pikkelde met zijn rechtervoet, alsof hij, net als Mefistofeles, een misvorming verborg in zijn schoen. Verder had mijn vader hem uitstekend beschreven: hij was volledig in het zwart gekleed, en droeg een fluwelen cape, die de grond net niet raakte &amp;ndash; je zou er geen speld hebben tussen gekregen! Zijn gezicht bezat zowel een jeugdige schoonheid als een mannelijke rijpheid &amp;ndash; een janusgezicht heb ik nadien vaak gedacht - en zijn lange zwarte haar gaf hem iets gotisch.
- Vincent! Daar ben je eindelijk jongen!
Satan nam me in zijn armen, en drukte me tegen zijn borst. Ik kon voelen hoe de spieren als meertouwen om zijn lijf geslingerd waren. Ik stond perplex: ten eerste was ik poedelnaakt, mijn lid trilde nog steeds na, en ten tweede had ik niet verwacht, dat iemand met zo&amp;rsquo;n voornaamheid zich in zou laten met directe uitingen van affectie. Het was natuurlijk een gemene truc van hem, zo in te spelen op mijn gemoed. Ik doorzag hem echter niet, voelde me geliefd, gewaardeerd en beschermd.
- Wat vind je van mijn lusthof?
Hij had onze omhelzing verbroken, en wees met een ruim gebaar naar de pracht en praal die ons omringde, en dan vooral naar het warme vlees, dat aan onze voeten lag, nog steeds met de pruimen uitdagend de hoogte in. Bij de aanblik van al die gladde kontjes sprong mijn begeerte weer in hoogste versnelling. Ik hoopte dat ik snel de toestemming zou krijgen om me te gaan verlustigen. - Ik vind het prachtig, werkelijk waar&amp;hellip; ik&amp;hellip; heerlijk gewoon euh&amp;hellip; meneer&amp;hellip; euh, hoe zal ik u aanspreken?
- Wel ja, ze zeggen wel eens gevallen engel, principe van het kwaad, Gods tegenstander, of personificatie van het boze, wanneer ze naar mij verwijzen. Of ze noemen me gewoon Satan, duivel, vijand, Belial, antichrist, lucifer, verleider, aanklager, kwade, heerster van deze wereld, prins der demonen of van de duisternis&amp;hellip; pfff, weet je, zeg maar gewoon Wim!
Ik schoot in de lach, en hij lachte smakelijk mee. Van die dag af ben ik hem wel gewoon Wim blijven noemen. Toen klopte hij me op de schouder, en zei dat hij zich met de brunch ging bezighouden. Ik moest ondertussen nog maar wat met de meisjes spelen, iets wat hij me geen twee keer hoefde te zeggen. Je zal me wel een hoereerder vinden, Jessie. Ik was jong en onbedachtzaam, maar elke man in mijn plaats zou aan de lust bezweken zijn, ja zelfs die verloofde van jou, hoe branie je hem ook acht. 

Ik had seks met meer dan duizend vrouwen, een ontmaagding die kon tellen. Dat gebeurde allemaal binnen een relatief korte tijdsspanne, daar ik in dit lusthof beschikte over een toplul. Voldaan begaf ik me naar Wim, die in de rechtervleugel van dit oord aan een reusachtige tafel zat, rijkelijk gevuld met alles waar een mens maar zin in kan krijgen.
- Kom! Schuif mee aan mijn jongen. Je zult wel honger hebben!
Hij zond me een vette knipoog, en ik lachte verlegen. Hij klapte in zijn handen, en twee saters, die ik als ornamenten aanzien had, sprongen van het baldakijn naar beneden, en schoven een stoel achteruit. Ik nam plaats. De stoel werd netjes onder mij geschoven.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/26/de_verzoeking_15"><![CDATA[
                Als op commando stopten alle vrouwen nu hun bacchantisch spel, en stelden zich met een bewonderenswaardige choreografische nauwkeurigheid in het gelid. Ze hurkten allen tesamen neer, en plooiden hun soepele benen in de nek. Voor mij strekte zich een tapijt van duizenden geopende roosjes uit, druipnat van het geil, dat als dauw op de lipjes parelde, en witschuimend in de strontholletjes aanslibde. Ik kwam spontaan nog een keer klaar, dronk gulzig een beker wijn, en maakte aanstalten om mij aan al dat lekkers te gaan verlustigen, toen ik tussen het malse vlees een donkere gedaante waarnam. De vrouwen hadden de gedaante ook opgemerkt, want de gelederen weken uiteen &ndash; ze liepen op hun handen, de benen in de nek! &ndash; en maakten zo een doorgang voor het schijnbaar hoge bezoek. Ik wist uiteraard dat het Satan was, mijn indirecte verwekker en adoptievader. Hij kwam naderbij met statige passen, waarbij hij wel lichtjes pikkelde met zijn rechtervoet, alsof hij, net als Mefistofeles, een misvorming verborg in zijn schoen. Verder had mijn vader hem uitstekend beschreven: hij was volledig in het zwart gekleed, en droeg een fluwelen cape, die de grond net niet raakte &ndash; je zou er geen speld hebben tussen gekregen! Zijn gezicht bezat zowel een jeugdige schoonheid als een mannelijke rijpheid &ndash; een janusgezicht heb ik nadien vaak gedacht - en zijn lange zwarte haar gaf hem iets gotisch.<br />
- Vincent! Daar ben je eindelijk jongen!<br />
Satan nam me in zijn armen, en drukte me tegen zijn borst. Ik kon voelen hoe de spieren als meertouwen om zijn lijf geslingerd waren. Ik stond perplex: ten eerste was ik poedelnaakt, mijn lid trilde nog steeds na, en ten tweede had ik niet verwacht, dat iemand met zo&rsquo;n voornaamheid zich in zou laten met directe uitingen van affectie. Het was natuurlijk een gemene truc van hem, zo in te spelen op mijn gemoed. Ik doorzag hem echter niet, voelde me geliefd, gewaardeerd en beschermd.<br />
- Wat vind je van mijn lusthof?<br />
Hij had onze omhelzing verbroken, en wees met een ruim gebaar naar de pracht en praal die ons omringde, en dan vooral naar het warme vlees, dat aan onze voeten lag, nog steeds met de pruimen uitdagend de hoogte in. Bij de aanblik van al die gladde kontjes sprong mijn begeerte weer in hoogste versnelling. Ik hoopte dat ik snel de toestemming zou krijgen om me te gaan verlustigen. - Ik vind het prachtig, werkelijk waar&hellip; ik&hellip; heerlijk gewoon euh&hellip; meneer&hellip; euh, hoe zal ik u aanspreken?<br />
- Wel ja, ze zeggen wel eens gevallen engel, principe van het kwaad, Gods tegenstander, of personificatie van het boze, wanneer ze naar mij verwijzen. Of ze noemen me gewoon Satan, duivel, vijand, Belial, antichrist, lucifer, verleider, aanklager, kwade, heerster van deze wereld, prins der demonen of van de duisternis&hellip; pfff, weet je, zeg maar gewoon Wim!<br />
Ik schoot in de lach, en hij lachte smakelijk mee. Van die dag af ben ik hem wel gewoon Wim blijven noemen. Toen klopte hij me op de schouder, en zei dat hij zich met de brunch ging bezighouden. Ik moest ondertussen nog maar wat met de meisjes spelen, iets wat hij me geen twee keer hoefde te zeggen. Je zal me wel een hoereerder vinden, Jessie. Ik was jong en onbedachtzaam, maar elke man in mijn plaats zou aan de lust bezweken zijn, ja zelfs die verloofde van jou, hoe branie je hem ook acht. <br />
<br />
Ik had seks met meer dan duizend vrouwen, een ontmaagding die kon tellen. Dat gebeurde allemaal binnen een relatief korte tijdsspanne, daar ik in dit lusthof beschikte over een toplul. Voldaan begaf ik me naar Wim, die in de rechtervleugel van dit oord aan een reusachtige tafel zat, rijkelijk gevuld met alles waar een mens maar zin in kan krijgen.<br />
- Kom! Schuif mee aan mijn jongen. Je zult wel honger hebben!<br />
Hij zond me een vette knipoog, en ik lachte verlegen. Hij klapte in zijn handen, en twee saters, die ik als ornamenten aanzien had, sprongen van het baldakijn naar beneden, en schoven een stoel achteruit. Ik nam plaats. De stoel werd netjes onder mij geschoven.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [14]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/23/de_verzoeking_14" />
		<updated>2009-06-23T10:02:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-23T10:02:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.642</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Ik ben gecolloqueerd, lieve Jessie, net buiten de stad, niet ver van waar jij woont. Ze denken dat ik gek ben. Ik kan het ze moeilijk kwalijk nemen. Hoe vaak heb ik zelf niet gedacht dat ik gek ben? Morgen heb ik een gesprek met de psychiater. Een verstandig man zal ik wel van mijn geestelijke gezondheid kunnen overtuigen. Ondertussen heb ik weer wat tijd om mijn relaas verder neer te schrijven. Ik krijg hier eten, en ze verwarmen mijn kamer! Het is hier dus zo slecht nog niet&amp;hellip; 

Ik had dus in de duivel een nieuwe vader gevonden, maar ik zou hem pas ontmoeten op mijn 18e verjaardag. In de tussentijd amuseerde ik mij met de bijzondere krachten, waarover ik sporadisch kon beschikken. Zo timmerde ik een bullebak het ziekenhuis in, en daarna zijn maten die hem wilden wreken. Ik dreef Marcel de wiskundeleraar tot de waanzin, en liet zijn vervangster naakt over het schoolplein rennen. Op een middag liet ik de mess vollopen met tomatensoep, waarbij 1 dienster om het leven kwam&amp;hellip; dat was mijn eerste dode &amp;ndash; niemand vermoedde mijn betrokkenheid, zelfs Abel en Thomas niet. Ik voelde me niet schuldig, geheel het tegendeel, ik kreeg zin in meer. En er kwam meer, veel meer. 

Het was de nacht van 30 april op 1 mei 1988. Moeder was al gaan slapen. Had ik maar geweten dat ik haar na die nachtzoen nooit meer terug zou zien&amp;hellip; Ik keek naar de laatavond film, Apocalypse Now. We hadden voor de volgende dag mijn verjaardagsfeest gepland, al mijn vrienden waren uitgenodigd. Na de film begon een documentaire over woelratten. Hun territoria werden bedreigd door fout rivierbeheer en overbegrazing. Het duurde niet lang of ik lag in de zetel te slapen. 

Ik werd wakker doordat 2 warme handen mijn gelaat beroerden. Toen ik mijn ogen opende kreeg ik de schok van mijn leven: ik was niet langer thuis, languit in de zetel, voor het besneeuwde scherm van de tv. Mijn rustplaats was een soort troon, bekleed met kostbare stoffen. De warme handen, nu liefkozend mijn lijf beroerend, behoorde toe aan een goddelijk gevormd mulatje met prachtig groene ogen, waarmee ze me poeslief aankeek. Ik had echter weinig oog voor haar, ja ik kwam ogen te kort om de rest van de omgeving op te nemen. Om de twee meter, en dat ging zo door in alle richtingen zover mijn blik reiken kon, stond een gouden fontein bezet met edelstenen. Ze spoot geen water, maar wijn - dat kon ik proeven, want het mulatje reikte mij een beker aan. Het firmament was bekleed met scharlaken fluweel. Reusachtige kristallen kroonluchters zorgden dat het hele oord in een warme goudkleurige gloed baadde. Dat alles maakte een enorme indruk op me, maar het beste moest nog komen. Nadat ik het imposante decor met de nodige aandacht had aanschouwd, kwamen uit het niets duizenden bloedmooie vrouwen, poedelnaakt. Weldra was de hele ruimte gevuld met lichamen, schoner dan de kostbaarste juwelen, met lange haren, steil of krullend, zwart bruin blond of rood, zachter dan de zachtste stoffen, en met de geur van gewillig vlees, zoeter dan nectar. Drie vrouwen defileerden voor mijn troon, terwijl de anderen zich met hart en ziel overgaven aan een zinnenprikkelend bacchanaal. Het mulatje zorgde er ondertussen voor dat mijn beker goed gevuld bleef, waardoor ik al snel in een roes van zinnelijk genot verkeerde. De 3 stopten met defileren, en kwamen, de benen lichtjes gespreid, voor mij staan. Het mulatje nam mijn hand, en leidde ze tussen de dijen van de eerste vrouw. Haar geslacht was drijfnat, het roze vlees gloeide. Ze spreidde haar benen nog wat meer, zodat mijn vingers vanzelf naar binnen gleden, opgezogen door haar gulzige mond. Met mijn duim wreef ik kortstondig over de reeds gezwollen clitoris. De vrouw kwam snel klaar. Het ritueel werd overgedaan bij de 2 overige vrouwen. Zij bereikten op hun beurt ook vlot het hoogtepunt. Toen maande het mulatje mij aan recht te staan, waarop de vrouwen me van mijn kleren ontdeden. De eerste vrouw knielde voor me neer, nam mijn lid in haar mond, en kneedde teder mijn ballen. Ik kwam ook snel klaar, te snel naar mijn zin. Ze zoog mijn zaad gulzig op. De vleselijke apathie, meestal volgend op een orgasme, bleef echter uit. Ik trilde van opwinding toen de tweede vrouw op haar beurt voor mij neer knielde. Zelfs de derde keer kwam ik zonder enig probleem. Mijn lust bereikte een ongekend hoogtepunt. Het was niet langer een kwelling van duizend duivels, maar een zegen in dit oord, waar alles gericht was op bevrediging.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/23/de_verzoeking_14"><![CDATA[
                Ik ben gecolloqueerd, lieve Jessie, net buiten de stad, niet ver van waar jij woont. Ze denken dat ik gek ben. Ik kan het ze moeilijk kwalijk nemen. Hoe vaak heb ik zelf niet gedacht dat ik gek ben? Morgen heb ik een gesprek met de psychiater. Een verstandig man zal ik wel van mijn geestelijke gezondheid kunnen overtuigen. Ondertussen heb ik weer wat tijd om mijn relaas verder neer te schrijven. Ik krijg hier eten, en ze verwarmen mijn kamer! Het is hier dus zo slecht nog niet&hellip; <br />
<br />
Ik had dus in de duivel een nieuwe vader gevonden, maar ik zou hem pas ontmoeten op mijn 18e verjaardag. In de tussentijd amuseerde ik mij met de bijzondere krachten, waarover ik sporadisch kon beschikken. Zo timmerde ik een bullebak het ziekenhuis in, en daarna zijn maten die hem wilden wreken. Ik dreef Marcel de wiskundeleraar tot de waanzin, en liet zijn vervangster naakt over het schoolplein rennen. Op een middag liet ik de mess vollopen met tomatensoep, waarbij 1 dienster om het leven kwam&hellip; dat was mijn eerste dode &ndash; niemand vermoedde mijn betrokkenheid, zelfs Abel en Thomas niet. Ik voelde me niet schuldig, geheel het tegendeel, ik kreeg zin in meer. En er kwam meer, veel meer. <br />
<br />
Het was de nacht van 30 april op 1 mei 1988. Moeder was al gaan slapen. Had ik maar geweten dat ik haar na die nachtzoen nooit meer terug zou zien&hellip; Ik keek naar de laatavond film, Apocalypse Now. We hadden voor de volgende dag mijn verjaardagsfeest gepland, al mijn vrienden waren uitgenodigd. Na de film begon een documentaire over woelratten. Hun territoria werden bedreigd door fout rivierbeheer en overbegrazing. Het duurde niet lang of ik lag in de zetel te slapen. <br />
<br />
Ik werd wakker doordat 2 warme handen mijn gelaat beroerden. Toen ik mijn ogen opende kreeg ik de schok van mijn leven: ik was niet langer thuis, languit in de zetel, voor het besneeuwde scherm van de tv. Mijn rustplaats was een soort troon, bekleed met kostbare stoffen. De warme handen, nu liefkozend mijn lijf beroerend, behoorde toe aan een goddelijk gevormd mulatje met prachtig groene ogen, waarmee ze me poeslief aankeek. Ik had echter weinig oog voor haar, ja ik kwam ogen te kort om de rest van de omgeving op te nemen. Om de twee meter, en dat ging zo door in alle richtingen zover mijn blik reiken kon, stond een gouden fontein bezet met edelstenen. Ze spoot geen water, maar wijn - dat kon ik proeven, want het mulatje reikte mij een beker aan. Het firmament was bekleed met scharlaken fluweel. Reusachtige kristallen kroonluchters zorgden dat het hele oord in een warme goudkleurige gloed baadde. Dat alles maakte een enorme indruk op me, maar het beste moest nog komen. Nadat ik het imposante decor met de nodige aandacht had aanschouwd, kwamen uit het niets duizenden bloedmooie vrouwen, poedelnaakt. Weldra was de hele ruimte gevuld met lichamen, schoner dan de kostbaarste juwelen, met lange haren, steil of krullend, zwart bruin blond of rood, zachter dan de zachtste stoffen, en met de geur van gewillig vlees, zoeter dan nectar. Drie vrouwen defileerden voor mijn troon, terwijl de anderen zich met hart en ziel overgaven aan een zinnenprikkelend bacchanaal. Het mulatje zorgde er ondertussen voor dat mijn beker goed gevuld bleef, waardoor ik al snel in een roes van zinnelijk genot verkeerde. De 3 stopten met defileren, en kwamen, de benen lichtjes gespreid, voor mij staan. Het mulatje nam mijn hand, en leidde ze tussen de dijen van de eerste vrouw. Haar geslacht was drijfnat, het roze vlees gloeide. Ze spreidde haar benen nog wat meer, zodat mijn vingers vanzelf naar binnen gleden, opgezogen door haar gulzige mond. Met mijn duim wreef ik kortstondig over de reeds gezwollen clitoris. De vrouw kwam snel klaar. Het ritueel werd overgedaan bij de 2 overige vrouwen. Zij bereikten op hun beurt ook vlot het hoogtepunt. Toen maande het mulatje mij aan recht te staan, waarop de vrouwen me van mijn kleren ontdeden. De eerste vrouw knielde voor me neer, nam mijn lid in haar mond, en kneedde teder mijn ballen. Ik kwam ook snel klaar, te snel naar mijn zin. Ze zoog mijn zaad gulzig op. De vleselijke apathie, meestal volgend op een orgasme, bleef echter uit. Ik trilde van opwinding toen de tweede vrouw op haar beurt voor mij neer knielde. Zelfs de derde keer kwam ik zonder enig probleem. Mijn lust bereikte een ongekend hoogtepunt. Het was niet langer een kwelling van duizend duivels, maar een zegen in dit oord, waar alles gericht was op bevrediging.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De tocht</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/17/de_tocht" />
		<updated>2009-06-17T09:45:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-17T09:45:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.641</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">We vertrokken goed voorbereid. Dus iedereen had warme kleding aan en beschikte over stevige wandelschoenen. Ook namen we een kaart mee waarop de te volgen route duidelijk stond aangegeven. In onze rugzakken bevonden zich voldoende broodjes en thermosflessen met thee en koffie, alsmede een kleine EHBO doos, want een ongeluk zit immers in een klein hoekje. We liepen de hoofdstraat uit en bevonden ons, na linksaf te zijn geslagen, al spoedig in het open veld. Er waaide een vrij frisse wind, maar van regen was gelukkig geen sprake. In alle richtingen zagen we weilanden, waarin hier en daar koeien stonden te grazen. Ook waren er zo nu en dan bomen te zien waarvan sommige dikker waren dan andere. We zetten er stevig de pas in en liepen een uur lang rechtdoor. Op een gegeven moment begon mevrouw Van Beek te zeuren over een pijnlijke enkel en of het niet wat langzamer kon. Daar begonnen we natuurlijk niet aan, want mevrouw Ter Beek heeft altijd wel wát - het zit bij haar tussen de oren - en we lieten haar dus achter. Daarna sloegen we rechtsaf. Ook hier waren weer weilanden met af en toe een koe. Eén van de koeien liet een enorme wind toen we haar passeerden en we hadden moeite om ons lachen in te houden. In een sloot zwommen twee eenden en in de verte was een zwaan te zien. Na ongeveer een kwartier sloegen we linksaf, en meteen daarna weer rechtsaf. Toen pauzeerden we bij een bankje om te eten en te drinken. We lieten ons de warme dranken goed smaken en ook de broodjes werden met smaak verorberd. Het EHBO doosje kon dichtblijven want er was [nog?] niemand gewond geraakt. Na een kwartier gingen we weer op pad. We sloegen linksaf en liepen daarna ongeveer 35 minuten rechtuit, waarna we wederom linksaf sloegen. Toen ontdekten we dat we verkeerd waren gelopen omdat mevrouw Batenburg de kaart op z'n kop had gehouden en we dus bijna drie kilometer hadden afgelegd die niet gepland waren! We herstelden onze fout door terug te keren naar het punt waar we verkeerd waren afgeslagen om daarvandaan de voorafbepaalde route te vervolgen. Door het incident lagen we achter op het tijdschema, wat we goedmaakten door het tempo wat op te schroeven. Vervolgens liepen we plusminus 40 minuten rechtdoor langs een provinciale tweebaansweg waarop weinig autoverkeer was waar te nemen. Hoewel voor geen kleintje vervaard begon de vermoeidheid ons nu toch parten te spelen. Gelukkig hoefden we, na rechtsaf te zijn geslagen nog maar ongeveer drie kwartier te lopen met de wind schuin van achteren, waarna de bebouwde kom in zicht kwam. Na nog eens 10 minuten, waarin duidelijk werd dat de laatste loodjes inderdaad het zwaarst wegen, waren we er. De tocht was ten einde. We hadden het volbracht. Het was jammer dat er geen publiek was om voor ons te applaudisseren, maar misschien kunnen we daar een volgende keer iets aan doen door het aantal deelnemers te verhogen en de afstand te vergroten.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/17/de_tocht"><![CDATA[
                We vertrokken goed voorbereid. Dus iedereen had warme kleding aan en beschikte over stevige wandelschoenen. Ook namen we een kaart mee waarop de te volgen route duidelijk stond aangegeven. In onze rugzakken bevonden zich voldoende broodjes en thermosflessen met thee en koffie, alsmede een kleine EHBO doos, want een ongeluk zit immers in een klein hoekje. We liepen de hoofdstraat uit en bevonden ons, na linksaf te zijn geslagen, al spoedig in het open veld. Er waaide een vrij frisse wind, maar van regen was gelukkig geen sprake. In alle richtingen zagen we weilanden, waarin hier en daar koeien stonden te grazen. Ook waren er zo nu en dan bomen te zien waarvan sommige dikker waren dan andere. We zetten er stevig de pas in en liepen een uur lang rechtdoor. Op een gegeven moment begon mevrouw Van Beek te zeuren over een pijnlijke enkel en of het niet wat langzamer kon. Daar begonnen we natuurlijk niet aan, want mevrouw Ter Beek heeft altijd wel w&aacute;t - het zit bij haar tussen de oren - en we lieten haar dus achter. Daarna sloegen we rechtsaf. Ook hier waren weer weilanden met af en toe een koe. E&eacute;n van de koeien liet een enorme wind toen we haar passeerden en we hadden moeite om ons lachen in te houden. In een sloot zwommen twee eenden en in de verte was een zwaan te zien. Na ongeveer een kwartier sloegen we linksaf, en meteen daarna weer rechtsaf. Toen pauzeerden we bij een bankje om te eten en te drinken. We lieten ons de warme dranken goed smaken en ook de broodjes werden met smaak verorberd. Het EHBO doosje kon dichtblijven want er was [nog?] niemand gewond geraakt. Na een kwartier gingen we weer op pad. We sloegen linksaf en liepen daarna ongeveer 35 minuten rechtuit, waarna we wederom linksaf sloegen. Toen ontdekten we dat we verkeerd waren gelopen omdat mevrouw Batenburg de kaart op z'n kop had gehouden en we dus bijna drie kilometer hadden afgelegd die niet gepland waren! We herstelden onze fout door terug te keren naar het punt waar we verkeerd waren afgeslagen om daarvandaan de voorafbepaalde route te vervolgen. Door het incident lagen we achter op het tijdschema, wat we goedmaakten door het tempo wat op te schroeven. Vervolgens liepen we plusminus 40 minuten rechtdoor langs een provinciale tweebaansweg waarop weinig autoverkeer was waar te nemen.<img src="http://www.bicat.net/in/vogelkonijn2.jpg" border="0" /> Hoewel voor geen kleintje vervaard begon de vermoeidheid ons nu toch parten te spelen. Gelukkig hoefden we, na rechtsaf te zijn geslagen nog maar ongeveer drie kwartier te lopen met de wind schuin van achteren, waarna de bebouwde kom in zicht kwam. Na nog eens 10 minuten, waarin duidelijk werd dat de laatste loodjes inderdaad het zwaarst wegen, waren we er. De tocht was ten einde. We hadden het volbracht. Het was jammer dat er geen publiek was om voor ons te applaudisseren, maar misschien kunnen we daar een volgende keer iets aan doen door het aantal deelnemers te verhogen en de afstand te vergroten.
		]]></content>
		<author>
			<name>spencerbrandsen</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [13]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/15/de_verzoeking_13" />
		<updated>2009-06-15T10:04:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-15T10:04:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.640</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">In de late namiddag werd hij gewekt door het geluid van de zware deur die ontsloten werd. Er verscheen een mannengestalte in het deurgat. Daar zijn ogen nog moesten wennen aan het licht, zag hij niet meer dan de contouren van een man, die onnodig kuchte om zijn aanwezigheid kenbaar te maken. Hij stelde vast dat deze man niet de besnorde agent met zijn geblokte lijf was. Deze figuur was slank en rijzig, duidelijk een man van achtbaar voorkomen.
- Meneer van Leem! Als u zo goed wil zijn mij te volgen&amp;hellip;
Hij speurde naar een zweem van spot in de stem van de man - hij schatte hem een jaar of dertig, wellicht officierenkader - maar zijn vriendelijkheid leek oprecht. De man ging hem voor naar een klein bureautje. Hij liep wat suf achter hem aan, terwijl een agent oplettend zijn bewegingen gadesloeg. De man gebaarde dat hij mocht gaan zitten op een bruine kunststoffen kuipstoel met grijsmetalen poten, terwijl hijzelf plaatsnam in een met leder beklede leunstoel. Hij bedacht dat die leunstoel heel comfortabel moest zijn, en liet zijn rug tegen het harde plastic rusten. De regen tikte in een barok maar vertrouwd tempo tegen het raam, uitziend op een hem onbekend deel van de stad. De man zocht door zijn papieren. Het geritsel leidde zijn aandacht naar het bureaublad, en even moest hij aan zijn vader denken.
- Zo&amp;hellip; meneer van Leem!
De bariton van de man verbrak de stilte, die tot nu toe tussen hen had gehangen. Hij keek hem vragend aan. Nu zag hij pas de schrandere, helderblauwe ogen van de man.
- Uw naam komt niet voor in ons bevolkingsregister. Er staat wel een zeker Jan van Leem ingeschreven, uw leeftijd&amp;hellip;
- Mijn naam is Vincent!&amp;hellip; Jan van Leem&amp;hellip; mijn vader is lang dood meneer!&amp;hellip; flauw toeval&amp;hellip; wat dunkt u ervan?
- Waar bent u geboren? Leeft uw moeder nog?
- Moeder&amp;hellip; ach waar&amp;hellip; ik weet het niet meneer&amp;hellip; geheugen!&amp;hellip; een pest!&amp;hellip; einde convenant&amp;hellip; de duivel!&amp;hellip; smeerlap!&amp;hellip; ik ben misleid&amp;hellip; er rest mij niets meer&amp;hellip; wanhoop!&amp;hellip; ja&amp;hellip; dat rest mij nog.
De man bladerde zwijgend in een enorm boek, dat hij uit de kast gehaald had. Bij het doelloos rondkijken in de kamer viel zijn oog op het goudkleurige naamplaatje, op de openstaande deur bevestigd waardoor een agent nog altijd een oogje in het zeil hield:
W. NELIS 
PSYCHOLOOG
- U denkt dat ik gek ben!
- Natuurlijk niet meneer! U bent wat in de war. Ik wil u enkel helpen klaarheid te brengen in uw toestand. Weet u welk jaar het is?
- Ha!&amp;hellip; wat u me nu vraagt!&amp;hellip; nu laat u me zeker gaan?&amp;hellip; 1993&amp;hellip; jaja&amp;hellip; 1993&amp;hellip; ja!
- Hoe bent u daar zo zeker van?
De man keek hem onderzoekend aan. Imponerende peinsrimpels groefden zijn groot voorhoofd. Hij was al 5 jaar psycholoog bij de politie, maar nog nooit had hij zo&amp;rsquo;n figuur als die van Leem gezien. Hij was nog niet helemaal overtuigd van het juiste ziektebeeld, maar een ernstige vorm van confabulatie, waarschijnlijk psychotisch, behoorde zeker tot de kanshebbers. 
- U stelt gekke vragen&amp;hellip; meneer Nelis!&amp;hellip; hihi&amp;hellip; ik stel u niet teleur&amp;hellip; wees gerust!&amp;hellip; tuurlijk weet ik het zeker&amp;hellip; dat spreekt van zelf!&amp;hellip; ik ben geboren&amp;hellip; 1970!&amp;hellip; mijn leeftijd&amp;hellip; 23!&amp;hellip; tel op!&amp;hellip; tel op!&amp;hellip; ha!&amp;hellip; 1993!&amp;hellip; zo simpel!
Van dan af ging alles heel snel voor Vincent. Meneer Nelis telefoneerde iemand, terwijl hij door een agent terug naar zijn cel werd geleid. Een uur later werd hij opgehaald door 2 mannen, die er uitzagen als verplegers, maar dan forser gebouwd. Hij vroeg nog verontwaardigd om verantwoording, maar er werd niet naar hem geluisterd. Hij werd behandeld als een zorgenkind.
- Shht meneer van Leem! Stil nu! Alles komt in orde.
Ze reden naar zijn kot. Hij toonde met tegenzin de weg. Zijn spullen werden doorzocht. Veel had hij niet. Hij mocht zijn schrijfblok meenemen.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/15/de_verzoeking_13"><![CDATA[
                In de late namiddag werd hij gewekt door het geluid van de zware deur die ontsloten werd. Er verscheen een mannengestalte in het deurgat. Daar zijn ogen nog moesten wennen aan het licht, zag hij niet meer dan de contouren van een man, die onnodig kuchte om zijn aanwezigheid kenbaar te maken. Hij stelde vast dat deze man niet de besnorde agent met zijn geblokte lijf was. Deze figuur was slank en rijzig, duidelijk een man van achtbaar voorkomen.<br />
- Meneer van Leem! Als u zo goed wil zijn mij te volgen&hellip;<br />
Hij speurde naar een zweem van spot in de stem van de man - hij schatte hem een jaar of dertig, wellicht officierenkader - maar zijn vriendelijkheid leek oprecht. De man ging hem voor naar een klein bureautje. Hij liep wat suf achter hem aan, terwijl een agent oplettend zijn bewegingen gadesloeg. De man gebaarde dat hij mocht gaan zitten op een bruine kunststoffen kuipstoel met grijsmetalen poten, terwijl hijzelf plaatsnam in een met leder beklede leunstoel. Hij bedacht dat die leunstoel heel comfortabel moest zijn, en liet zijn rug tegen het harde plastic rusten. De regen tikte in een barok maar vertrouwd tempo tegen het raam, uitziend op een hem onbekend deel van de stad. De man zocht door zijn papieren. Het geritsel leidde zijn aandacht naar het bureaublad, en even moest hij aan zijn vader denken.<br />
- Zo&hellip; meneer van Leem!<br />
De bariton van de man verbrak de stilte, die tot nu toe tussen hen had gehangen. Hij keek hem vragend aan. Nu zag hij pas de schrandere, helderblauwe ogen van de man.<br />
- Uw naam komt niet voor in ons bevolkingsregister. Er staat wel een zeker Jan van Leem ingeschreven, uw leeftijd&hellip;<br />
- Mijn naam is Vincent!&hellip; Jan van Leem&hellip; mijn vader is lang dood meneer!&hellip; flauw toeval&hellip; wat dunkt u ervan?<br />
- Waar bent u geboren? Leeft uw moeder nog?<br />
- Moeder&hellip; ach waar&hellip; ik weet het niet meneer&hellip; geheugen!&hellip; een pest!&hellip; einde convenant&hellip; de duivel!&hellip; smeerlap!&hellip; ik ben misleid&hellip; er rest mij niets meer&hellip; wanhoop!&hellip; ja&hellip; dat rest mij nog.<br />
De man bladerde zwijgend in een enorm boek, dat hij uit de kast gehaald had. Bij het doelloos rondkijken in de kamer viel zijn oog op het goudkleurige naamplaatje, op de openstaande deur bevestigd waardoor een agent nog altijd een oogje in het zeil hield:<br />
W. NELIS <br />
PSYCHOLOOG<br />
- U denkt dat ik gek ben!<br />
- Natuurlijk niet meneer! U bent wat in de war. Ik wil u enkel helpen klaarheid te brengen in uw toestand. Weet u welk jaar het is?<br />
- Ha!&hellip; wat u me nu vraagt!&hellip; nu laat u me zeker gaan?&hellip; 1993&hellip; jaja&hellip; 1993&hellip; ja!<br />
- Hoe bent u daar zo zeker van?<br />
De man keek hem onderzoekend aan. Imponerende peinsrimpels groefden zijn groot voorhoofd. Hij was al 5 jaar psycholoog bij de politie, maar nog nooit had hij zo&rsquo;n figuur als die van Leem gezien. Hij was nog niet helemaal overtuigd van het juiste ziektebeeld, maar een ernstige vorm van confabulatie, waarschijnlijk psychotisch, behoorde zeker tot de kanshebbers. <br />
- U stelt gekke vragen&hellip; meneer Nelis!&hellip; hihi&hellip; ik stel u niet teleur&hellip; wees gerust!&hellip; tuurlijk weet ik het zeker&hellip; dat spreekt van zelf!&hellip; ik ben geboren&hellip; 1970!&hellip; mijn leeftijd&hellip; 23!&hellip; tel op!&hellip; tel op!&hellip; ha!&hellip; 1993!&hellip; zo simpel!<br />
Van dan af ging alles heel snel voor Vincent. Meneer Nelis telefoneerde iemand, terwijl hij door een agent terug naar zijn cel werd geleid. Een uur later werd hij opgehaald door 2 mannen, die er uitzagen als verplegers, maar dan forser gebouwd. Hij vroeg nog verontwaardigd om verantwoording, maar er werd niet naar hem geluisterd. Hij werd behandeld als een zorgenkind.<br />
- Shht meneer van Leem! Stil nu! Alles komt in orde.<br />
Ze reden naar zijn kot. Hij toonde met tegenzin de weg. Zijn spullen werden doorzocht. Veel had hij niet. Hij mocht zijn schrijfblok meenemen.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>Voetnoot bij Werk werk werk 4</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/10/voetnoot_bij_werk_werk_werk_4" />
		<updated>2009-06-08T16:27:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-10T10:23:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.639</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Dat L* mij een ouwe zeikerd noemt kan me niet veel schelen, want bij sommige mensen kun je nu eenmaal geen goed doen. Zo zijn er ooit twee vrouwen geweest die me onafhankelijk van elkaar hebben verzekerd dat ze al een hekel aan me hadden voordat ze een woord met me hadden gewisseld. Een kwestie van antipathie op het eerste gezicht dus, oppervlakkig maar menselijk.
Interessanter is L*'s bezwaar tegen het feit dat het verleden [vroeger] zich in het verleden heeft afgespeeld. Hij had het kennelijk liever ergens anders gezien, in het heden of de toekomst. Omdat ik vanwege mijn aangeboren menslievendheid altijd bereid ben anderen tegemoet te komen, heb ik onderzocht of mijn verleden naar het heden of de toekomst kan worden getransplanteerd. Hierbij stuitte ik op onoverkomelijke moeilijkheden. Want als het zich in het heden zou afspelen zou er sprake zijn van een man van middelbare leeftijd die zich op een basisschool zit af te rukken onder een bankje dat veel te klein voor hem is, waardoor het erg onwaarschijnlijk wordt dat dit niemand zou opvallen.
Dan is er nog de kwestie van het 'oppimpen' van de grille van de Morris/Austin mini. Ik maakte daar gewag van om de lezer enig inzicht te geven in mijn gemoedstoestand, om mijn gebrek aan werklust zogezegd van enige context te voorzien. Verplaatsing van een en ander naar het heden levert problemen op omdat er tegenwoordig ook wel auto's zijn die 'mini' genoemd worden, maar in het geheel niets te maken hebben met de oorspronkelijke mini. Bezwaar maken tegen het 'oppimpen' van een bepaald onderdeel van de huidige mini zou niet functioneel zijn omdat deze IN ZIJN GEHEEL een sterk 'opgepimpte' versie van de originele is, waarbij alle aantrekkelijke kenmerken van dit automodel - klein, goedkoop, relatief veel binnenruimte, laag gewicht enz - verloren zijn gegaan. Ik zou dus de GEHELE auto [meer dan een ton!] moeten verwerpen en het zal duidelijk zijn dat dit haaks zou staan op mijn gebrek aan energie. De hele kwestie met een soort tijdkanon naar bijvoorbeeld het jaar 3764 schieten zou ook geen soelaas bieden, omdat er dan gezien het ongeremde - ik mag wel zeggen konijnachtige - voortplantinggedrag van Homo Sapiens voor ieder mens nog slechts een vierkante meter leefruimte ter beschikking zal staan en er domweg geen plek meer is voor welke auto dan ook. Nee, ik ben bang dat mijn verleden in het verleden zal moeten blijven, ik zie geen andere mogelijkheid.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/10/voetnoot_bij_werk_werk_werk_4"><![CDATA[
                Dat L* mij een ouwe zeikerd noemt kan me niet veel schelen, want bij sommige mensen kun je nu eenmaal geen goed doen. Zo zijn er ooit twee vrouwen geweest die me onafhankelijk van elkaar hebben verzekerd dat ze al een hekel aan me hadden voordat ze een woord met me hadden gewisseld. Een kwestie van antipathie op het eerste gezicht dus, oppervlakkig maar menselijk.<br />
Interessanter is L*'s bezwaar tegen het feit dat het verleden [vroeger] zich in het verleden heeft afgespeeld. Hij had het kennelijk liever ergens anders gezien, in het heden of de toekomst. Omdat ik vanwege mijn aangeboren menslievendheid altijd bereid ben anderen tegemoet te komen, heb ik onderzocht of mijn verleden naar het heden of de toekomst kan worden getransplanteerd. Hierbij stuitte ik op onoverkomelijke moeilijkheden. Want als het zich in het heden zou afspelen zou er sprake zijn van een man van middelbare leeftijd die zich op een basisschool zit af te rukken onder een bankje dat veel te klein voor hem is, waardoor het erg onwaarschijnlijk wordt dat dit niemand zou opvallen.<br />
Dan is er nog de kwestie van het 'oppimpen' van de grille van de Morris/Austin mini. Ik maakte daar gewag van om de lezer enig inzicht te geven in mijn gemoedstoestand, om mijn gebrek aan werklust zogezegd van enige context te voorzien. Verplaatsing van een en ander naar het heden levert problemen op omdat er tegenwoordig ook wel auto's zijn die 'mini' genoemd worden, maar in het geheel niets te maken hebben met de oorspronkelijke mini. Bezwaar maken tegen het 'oppimpen' van een bepaald onderdeel van de huidige mini zou niet functioneel zijn omdat deze IN ZIJN GEHEEL een sterk 'opgepimpte' versie van de originele is, waarbij alle aantrekkelijke kenmerken van dit automodel - klein, goedkoop, relatief veel binnenruimte, laag gewicht enz - verloren zijn gegaan. Ik zou dus de GEHELE auto [meer dan een ton!] moeten verwerpen en het zal duidelijk zijn dat dit haaks zou staan op mijn gebrek aan energie. De hele kwestie met een soort tijdkanon naar bijvoorbeeld het jaar 3764 schieten zou ook geen soelaas bieden, omdat er dan gezien het ongeremde - ik mag wel zeggen konijnachtige - voortplantinggedrag van Homo Sapiens voor ieder mens nog slechts een vierkante meter leefruimte ter beschikking zal staan en er domweg geen plek meer is voor welke auto dan ook. Nee, ik ben bang dat mijn verleden in het verleden zal moeten blijven, ik zie geen andere mogelijkheid.
		]]></content>
		<author>
			<name>spencerbrandsen</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [12]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/08/de_verzoeking_12" />
		<updated>2009-06-08T09:28:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-08T09:28:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.638</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">In de late ochtend leek het erop dat zijn geduld beloond zou worden. Er kwam beweging in het textiel. Een hand schoof erachter, en nog één. Het werd nu langzaam opzij getrokken, alsof er een regisseur meekeek, het adagio nauwlettend in het oog houdend, en bereid CUT! te roepen indien het zeer langzame tempo ook maar iets overschreden werd.
- Meneer! &amp;hellip;. Meneer! Mag ik u vragen even met mij mee te komen!
Hij schrok zich de pleuris, en stootte van de weerstuit zijn fles Pastis om &amp;ndash; die was trouwens al geruime tijd leeg. Achter hem stond een politieagent, volledig in tenue, streng en ongeduldig te kijken hoe hij, volledig van zijn stuk, trachtte recht te krabbelen. De agent nam hem bij de arm, en samen liepen ze het trapje op. De combi stond op de groene berm geparkeerd. 
- Meneer&amp;hellip; ik heb toch niets misdaan?
Hij keek de agent aan met de onschuld en deemoed van een kind. De fijn besnorde dienaar van de wet zei niets, en leidde hem met lichte dwang de combi in.
- U identiteitskaart meneer!
- Meneer&amp;hellip; ik euh&amp;hellip; ik heb helemaal geen papieren, ziet u&amp;hellip; een periode is afgesloten, begrijpt u wel&amp;hellip; er is zo veel veranderd!&amp;hellip; waar te beginnen?&amp;hellip; wat wordt mij trouwens ten laste gelegd?&amp;hellip; ik hoef helemaal niets te bewijzen!&amp;hellip; u zou er toch niets van begrijpen!
De agent fronste de wenkbrauwen, keek hem onderzoekend aan, en schudde het hoofd, waarbij hij een verveelde zucht uit zijn neusgaten blies.
- Meneer is dronken, is het niet! Openbare dronkenschap! U weet toch dat zoiets strafbaar is?
- Ik verzeker u dat ik niet dronken ben!&amp;hellip; het gedacht&amp;hellip; ik weet drommels goed wat ik zeg!&amp;hellip; luister&amp;hellip; laat me nu maar gaan&amp;hellip; u hoort hier niet te zijn!&amp;hellip; ga weg!&amp;hellip; u stoort de gang van zaken!
- Blijft u vooral kalm meneer! Ik zal u nog in de boeien moeten slaan! Uw naam! Zeg me uw naam!
- Van Leem&amp;hellip; Vincent van Leem.
- Adres? Waar woont u?
- Het stadsplein&amp;hellip; klein kamertje, vijfde verdiep!&amp;hellip; stelt niet veel voor&amp;hellip; u zou het moeten zien!&amp;hellip; een gevangene heeft het beter durf ik wedden!&amp;hellip; vocht en stof&amp;hellip; ongezond meneer!&amp;hellip; vernederend is het&amp;hellip; maar ik besta tenminste!&amp;hellip; bestaan meneer&amp;hellip; u ziet toch dat ik besta!
De agent schudde nogmaals zuchtend het hoofd. Hij was die ochtend blijmoedig uit bed gestapt. Zijn vrouw had zachtjes gekreund. Hij had haar een kus gegeven. Ze was niet wakker geworden. Wat moest hij nu met die vreemde man, die hem met glazige ogen en open mond zat aan te staren? Hij zou hem meenemen naar het bureau. Die van Leem was te zot om los te lopen!
- Meneer, ik ga u meenemen naar het bureau&amp;hellip;
- Wat?!&amp;hellip; nee hoor, dat doe jij niet!&amp;hellip; dwaas!&amp;hellip; ik heb geen tijd voor jou&amp;hellip; mijn tijd!&amp;hellip; zonde die te verspillen!
Hij stond recht, en wilde de combi verlaten. De agent greep hem echter krachtig vast, drukte hem tegen de zijwand van de combi, en sloeg hem in de boeien. Hij gilde en tierde, maar met zijn verzwakte gestel kon hij niet veel weerstand bieden aan de getrainde kracht van de wetsdienaar. 
- Meneer! Het is in uw eigen belang dat u zich beheerst!
Hij besefte dat alle verzet nutteloos was, en liet zich gedwee door de agent vastgespen op het bankje. In het politiekantoor werd hij naar de cel geleid.
- Slaapt u eerst uw roes maar uit! Later praten we verder.
De zware ijzeren deur werd achter hem dichtgetrokken. Hij hoorde hoe hij achter slot werd gezet. Het ijzeren bed, overtrokken met een groen deken, deed hem aan zijn eigen bed denken. Zonder al te veel gepeins legde hij zich neer, en viel spoedig in een ondiepe slaap.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/08/de_verzoeking_12"><![CDATA[
                In de late ochtend leek het erop dat zijn geduld beloond zou worden. Er kwam beweging in het textiel. Een hand schoof erachter, en nog &eacute;&eacute;n. Het werd nu langzaam opzij getrokken, alsof er een regisseur meekeek, het adagio nauwlettend in het oog houdend, en bereid CUT! te roepen indien het zeer langzame tempo ook maar iets overschreden werd.<br />
- Meneer! &hellip;. Meneer! Mag ik u vragen even met mij mee te komen!<br />
Hij schrok zich de pleuris, en stootte van de weerstuit zijn fles Pastis om &ndash; die was trouwens al geruime tijd leeg. Achter hem stond een politieagent, volledig in tenue, streng en ongeduldig te kijken hoe hij, volledig van zijn stuk, trachtte recht te krabbelen. De agent nam hem bij de arm, en samen liepen ze het trapje op. De combi stond op de groene berm geparkeerd. <br />
- Meneer&hellip; ik heb toch niets misdaan?<br />
Hij keek de agent aan met de onschuld en deemoed van een kind. De fijn besnorde dienaar van de wet zei niets, en leidde hem met lichte dwang de combi in.<br />
- U identiteitskaart meneer!<br />
- Meneer&hellip; ik euh&hellip; ik heb helemaal geen papieren, ziet u&hellip; een periode is afgesloten, begrijpt u wel&hellip; er is zo veel veranderd!&hellip; waar te beginnen?&hellip; wat wordt mij trouwens ten laste gelegd?&hellip; ik hoef helemaal niets te bewijzen!&hellip; u zou er toch niets van begrijpen!<br />
De agent fronste de wenkbrauwen, keek hem onderzoekend aan, en schudde het hoofd, waarbij hij een verveelde zucht uit zijn neusgaten blies.<br />
- Meneer is dronken, is het niet! Openbare dronkenschap! U weet toch dat zoiets strafbaar is?
- Ik verzeker u dat ik niet dronken ben!&hellip; het gedacht&hellip; ik weet drommels goed wat ik zeg!&hellip; luister&hellip; laat me nu maar gaan&hellip; u hoort hier niet te zijn!&hellip; ga weg!&hellip; u stoort de gang van zaken!<br />
- Blijft u vooral kalm meneer! Ik zal u nog in de boeien moeten slaan! Uw naam! Zeg me uw naam!<br />
- Van Leem&hellip; Vincent van Leem.<br />
- Adres? Waar woont u?<br />
- Het stadsplein&hellip; klein kamertje, vijfde verdiep!&hellip; stelt niet veel voor&hellip; u zou het moeten zien!&hellip; een gevangene heeft het beter durf ik wedden!&hellip; vocht en stof&hellip; ongezond meneer!&hellip; vernederend is het&hellip; maar ik besta tenminste!&hellip; bestaan meneer&hellip; u ziet toch dat ik besta!<br />
De agent schudde nogmaals zuchtend het hoofd. Hij was die ochtend blijmoedig uit bed gestapt. Zijn vrouw had zachtjes gekreund. Hij had haar een kus gegeven. Ze was niet wakker geworden. Wat moest hij nu met die vreemde man, die hem met glazige ogen en open mond zat aan te staren? Hij zou hem meenemen naar het bureau. Die van Leem was te zot om los te lopen!<br />
- Meneer, ik ga u meenemen naar het bureau&hellip;<br />
- Wat?!&hellip; nee hoor, dat doe jij niet!&hellip; dwaas!&hellip; ik heb geen tijd voor jou&hellip; mijn tijd!&hellip; zonde die te verspillen!<br />
Hij stond recht, en wilde de combi verlaten. De agent greep hem echter krachtig vast, drukte hem tegen de zijwand van de combi, en sloeg hem in de boeien. Hij gilde en tierde, maar met zijn verzwakte gestel kon hij niet veel weerstand bieden aan de getrainde kracht van de wetsdienaar. <br />
- Meneer! Het is in uw eigen belang dat u zich beheerst!<br />
Hij besefte dat alle verzet nutteloos was, en liet zich gedwee door de agent vastgespen op het bankje. In het politiekantoor werd hij naar de cel geleid.<br />
- Slaapt u eerst uw roes maar uit! Later praten we verder.<br />
De zware ijzeren deur werd achter hem dichtgetrokken. Hij hoorde hoe hij achter slot werd gezet. Het ijzeren bed, overtrokken met een groen deken, deed hem aan zijn eigen bed denken. Zonder al te veel gepeins legde hij zich neer, en viel spoedig in een ondiepe slaap.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [11]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/05/de_verzoeking_11" />
		<updated>2009-06-05T11:12:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-05T11:12:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.637</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Het navrante maanlicht viel slap over de daken van de huizen. De meeste burgers hadden de slaap al gevat. Slechts hier en daar brandde nog licht. Eventjes nog, en alleen zijn lichtje zou verhinderen dat de gevels een grijze sluimerende eenheid vormden. Hij nam een slok van de fles Pastis, welke hij die middag ontvreemd had bij een kruidenier. Hij had ook een boerenbrood en een stevige worst kunnen gappen, zodat de honger hem met rust liet. Het was niet zijn gewoonte te stelen, te meer daar zijn verschijning al bij voorbaat achterdocht opriep wanneer hij een winkel binnenstapte. Een voetbalmatch had de aandacht van de gerant en zijn gevolg echter danig opgeëist, dat hij de winkel in en uit was kunnen wandelen zonder opgemerkt te worden. Wanneer de laatste lichtjes gedoofd waren, sloeg hij zijn overjas om, en wandelde met zijn fles in de hand de nacht in. Een verlangen, sterker dan rede, dreef hem naar het huis van Jessie, iets buiten het stadscentrum. Hij slenterde langs de Groendreef, waar buiten zijn tred en het rustig ritselen van de bladeren van de hoge lindes, geen geluid te bespeuren viel. In de verte zag hij al de riante ambtswoning, cyclopisch afstekend tegen de kleine, maar eveneens idyllische grachthuizen. Alles leek in diepe rust verzonken, zoals het hoorde op dit late uur. Dit versterkte zijn gevoel van onthechting nog. Hij schrok op van een voorbijrazende auto. De adrenalinestoot rukte hem bruusk uit zijn roes. Hij vloekte binnensmonds - de roes was hem aangenaam geweest - en nam een stevige teug van de sterke anijsdrank. Hij stak schuin de laan over. Daar was een trapje waar hij naar beneden afdaalde. Aan de oever van het water gekomen zette hij zich op een kleine houten steiger, welke een prima uitzicht bood op de woning. Jessie&amp;rsquo;s vader was wethouder, wat haar, als dochter van, ook een zekere status gaf. Hij wist dat ze zich verloofd had met de zoon van een vermaard magistraat, en dat hun huwelijk niet meer lang zou uitblijven. Hij verdrong dit besef, vaak met succes, door fantastische confabulaties over een toekomst met hem, de arme stumperd, die zich tot haar ware liefde zou ontpoppen. Het waren deze fantasieën die hem op de been hielden, hij had er greep op, kon er een rechtlijnigheid in steken waar het de realiteit meestal aan ontbrak. Sinds het einde van het pact met de duivel was zijn hoofd zo overladen met barokke herinneringen, dat hij vreesde krankzinnig te worden als hij er zich te lang in verdiepte. Het leek wel of er in zijn hemisferen een conflict speelde met een tweede ego, de werkelijkheidswaarde van zijn eigen herinneringen ondergravend, en een andere werkelijkheid voorspiegelend. Jessie was de sleutel, op een of andere manier wist hij dat zeker. Hij hoopte dat ze hem zou ontvangen na het lezen van zijn historie. Zij was niet alleen het mikpunt van zijn verlangen en aanbidding, ze was tevens de enige persoon, die hij nog ruimtelijk kon situeren sinds hij antichrist af was.

Als een dompelaar zat hij daar in de nacht, aan de rand van een stad, hem half vreemd, half vertrouwd. Hoewel het een open hemel was, en de aarde haar opgeslagen warmte snel kwijtspeelde, had hij het niet koud. Hij verbeeldde zich in de warme armen van Jessie te liggen. Het was de Pastis die hem warm hield. Bij het ochtendgloren zat hij daar nog steeds. Het gele zonlicht joeg het duister naar andere oorden, en droogde de zwaar op het land rustende dauw. Hij zag de straat herleven. De slaap, een fractie tevoren nog over de huizen hangend, was weg gewreven. Deuren werden geopend, fietsen en hier en daar een auto werden buiten gereden, alsof de nacht nooit bestaan had &amp;ndash; hij voelde zich soms vaal en donker als de nacht. Uit de ambtswoning kwam een man met grijzende slapen. In zijn bewegingen lag een voornaamheid, welke ook zonder zijn dure maatpak erg opvallend moet geweest zijn. Hij herkende in hem de vader van Jessie, alhoewel hij zich niet kon herinneren hem ooit ontmoet te hebben. De wethouder stapte in zijn grijze glimmende luxewagen, en reed weg, belangrijke dingen doen. Vol spanning keek hij naar het slaapkamerraam, waarvan het gordijn nog dicht was. Hij zou hier niet weggaan voor hij een glimp van haar had opgevangen.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/05/de_verzoeking_11"><![CDATA[
                Het navrante maanlicht viel slap over de daken van de huizen. De meeste burgers hadden de slaap al gevat. Slechts hier en daar brandde nog licht. Eventjes nog, en alleen zijn lichtje zou verhinderen dat de gevels een grijze sluimerende eenheid vormden. Hij nam een slok van de fles Pastis, welke hij die middag ontvreemd had bij een kruidenier. Hij had ook een boerenbrood en een stevige worst kunnen gappen, zodat de honger hem met rust liet. Het was niet zijn gewoonte te stelen, te meer daar zijn verschijning al bij voorbaat achterdocht opriep wanneer hij een winkel binnenstapte. Een voetbalmatch had de aandacht van de gerant en zijn gevolg echter danig opge&euml;ist, dat hij de winkel in en uit was kunnen wandelen zonder opgemerkt te worden. Wanneer de laatste lichtjes gedoofd waren, sloeg hij zijn overjas om, en wandelde met zijn fles in de hand de nacht in. Een verlangen, sterker dan rede, dreef hem naar het huis van Jessie, iets buiten het stadscentrum. Hij slenterde langs de Groendreef, waar buiten zijn tred en het rustig ritselen van de bladeren van de hoge lindes, geen geluid te bespeuren viel. In de verte zag hij al de riante ambtswoning, cyclopisch afstekend tegen de kleine, maar eveneens idyllische grachthuizen. Alles leek in diepe rust verzonken, zoals het hoorde op dit late uur. Dit versterkte zijn gevoel van onthechting nog. Hij schrok op van een voorbijrazende auto. De adrenalinestoot rukte hem bruusk uit zijn roes. Hij vloekte binnensmonds - de roes was hem aangenaam geweest - en nam een stevige teug van de sterke anijsdrank. Hij stak schuin de laan over. Daar was een trapje waar hij naar beneden afdaalde. Aan de oever van het water gekomen zette hij zich op een kleine houten steiger, welke een prima uitzicht bood op de woning. Jessie&rsquo;s vader was wethouder, wat haar, als dochter van, ook een zekere status gaf. Hij wist dat ze zich verloofd had met de zoon van een vermaard magistraat, en dat hun huwelijk niet meer lang zou uitblijven. Hij verdrong dit besef, vaak met succes, door fantastische confabulaties over een toekomst met hem, de arme stumperd, die zich tot haar ware liefde zou ontpoppen. Het waren deze fantasie&euml;n die hem op de been hielden, hij had er greep op, kon er een rechtlijnigheid in steken waar het de realiteit meestal aan ontbrak. Sinds het einde van het pact met de duivel was zijn hoofd zo overladen met barokke herinneringen, dat hij vreesde krankzinnig te worden als hij er zich te lang in verdiepte. Het leek wel of er in zijn hemisferen een conflict speelde met een tweede ego, de werkelijkheidswaarde van zijn eigen herinneringen ondergravend, en een andere werkelijkheid voorspiegelend. Jessie was de sleutel, op een of andere manier wist hij dat zeker. Hij hoopte dat ze hem zou ontvangen na het lezen van zijn historie. Zij was niet alleen het mikpunt van zijn verlangen en aanbidding, ze was tevens de enige persoon, die hij nog ruimtelijk kon situeren sinds hij antichrist af was.<br />
<br />
Als een dompelaar zat hij daar in de nacht, aan de rand van een stad, hem half vreemd, half vertrouwd. Hoewel het een open hemel was, en de aarde haar opgeslagen warmte snel kwijtspeelde, had hij het niet koud. Hij verbeeldde zich in de warme armen van Jessie te liggen. Het was de Pastis die hem warm hield. Bij het ochtendgloren zat hij daar nog steeds. Het gele zonlicht joeg het duister naar andere oorden, en droogde de zwaar op het land rustende dauw. Hij zag de straat herleven. De slaap, een fractie tevoren nog over de huizen hangend, was weg gewreven. Deuren werden geopend, fietsen en hier en daar een auto werden buiten gereden, alsof de nacht nooit bestaan had &ndash; hij voelde zich soms vaal en donker als de nacht. Uit de ambtswoning kwam een man met grijzende slapen. In zijn bewegingen lag een voornaamheid, welke ook zonder zijn dure maatpak erg opvallend moet geweest zijn. Hij herkende in hem de vader van Jessie, alhoewel hij zich niet kon herinneren hem ooit ontmoet te hebben. De wethouder stapte in zijn grijze glimmende luxewagen, en reed weg, belangrijke dingen doen. Vol spanning keek hij naar het slaapkamerraam, waarvan het gordijn nog dicht was. Hij zou hier niet weggaan voor hij een glimp van haar had opgevangen.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>Expositie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/06/03/expositie" />
		<updated>2009-06-03T11:43:00+02:00</updated>
		<published>2009-06-03T11:43:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.636</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">In galerij 666 is vanaf 4 juni een expositie van de Friese kunstenares Feike Tamsma te bezichtigen. Feike Tamsma [1971] is autodidact en volgde een cursus mandalatekenen bij Ylke Foppe. Ze maakt schilderijen maar is soms ook beeldend bezig. Al scheppende probeert zij haar eigen wortels te herijken, waarbij ze uitgaat van een blanco uitgangspunt in de vorm van een leeg doek. Met omtrekkende bewegingen begeeft zij zich intuitief in een spontane zoektocht waarin ze haar eigen plek probeert te vinden. Haar schilderijen vertonen veel rondachtige, organische elementen die aan meloenen en eieren doen denken en ook komkommerachtige vormen duiken vaak op om hun eigen verhaal te vertellen.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/06/03/expositie"><![CDATA[
                In galerij 666 is vanaf 4 juni een expositie van de Friese kunstenares Feike Tamsma te bezichtigen. Feike Tamsma [1971] is autodidact en volgde een cursus mandalatekenen bij Ylke Foppe. Ze maakt schilderijen maar is soms ook beeldend bezig. Al scheppende probeert zij haar eigen wortels te herijken, waarbij ze uitgaat van een blanco uitgangspunt in de vorm van een leeg doek. Met omtrekkende bewegingen begeeft zij zich intuitief in een spontane zoektocht waarin ze haar eigen plek probeert te vinden. Haar schilderijen vertonen veel rondachtige, organische elementen die aan meloenen en eieren doen denken en ook komkommerachtige vormen duiken vaak op om hun eigen verhaal te vertellen.
		]]></content>
		<author>
			<name>spencerbrandsen</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [10]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/05/29/de_verzoeking_10" />
		<updated>2009-05-28T22:00:00+02:00</updated>
		<published>2009-05-29T08:59:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.635</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Mijn benen stopten hun uitputtend geraas en ik denderde het voorplein van de goed verlichte kruiskerk op. Ik kneep mijn remmen dicht, en kwam fiepend tot stilstand voor de zware eikenhouten toegangspoort. Hijgend en binnensmonds grommend nam ik de Gotische mastodont op, terwijl ik mentaal mijn destructief plan in tekening bracht. Ik smeet mijn fiets op de grond, waarbij de verplichte rode reflector in stukken uiteen spatte, en stapte met dreigende blik en opgespannen spieren op de poort af. Ik rukte aan de hendel, die op dit late uur uiteraard niet meegaf, en trapte een aantal keren overmoedig tegen het hout. Mijn ogen schoten vol tranen. Ik werd nog meer ziedend uit machteloosheid en frustratie, terwijl ik hurkend over mijn pijnlijke voet wreef. De moordkuil die mijn hart was liep tenslotte over. Als bij automatisme brulde ik tientallen verwensingen de nacht in. Ik hoorde de laatste schorre vloek nog nagalmen tussen de omliggende herenhuizen, toen een ander geluid opstak dat de stilte verhinderde weer te keren. Het was een lach die ik al eerder gehoord had. Dit keer deed hij me niet onheilspellend aan, integendeel, hij leek me goed gezind. Ik voelde de kracht in mijn leden hand over hand toenemen. Mijn frustratie verdween: in haar plaats kwam de volstrekte zekerheid dat nu niets de vaart van mijn woede nog zou kunnen stuiten. Ik stond recht met pathetische allure, en keek smalend naar de 4 meter hoge eiken poort. Eén klop van mijn vuist bleek nu voldoende om de zware toegangsdeur uit haar scharnieren te doen scheuren. Met luid gekraak viel ze naar binnen, en ik trad triomfantelijk het heiligdom in.  

Ik weet niet waarom ik een kerk uitkoos om mijn drift op te botvieren, maar ik vermoed 2 redenen die hier kunnen spelen. De eerste reden zal ik realistisch noemen, daar een redelijk mens het causale verband zou kunnen erkennen, tenminste als een freudiaanse verklaring hem niet evenzo esoterisch in de oren klinkt als de tweede reden, welke ik dra geven zal. Het is natuurlijk Freud bij de haren gegrepen, maar ik zie in wat zich die destructieve avond voltrok een vadermoord. Sinds de dood van mijn biologische vader heb ik elders een positieve identificatie, steun en toeverlaat gezocht. Mijn moeder gaf mij genegenheid, maar de behoefte aan een vaderfiguur heeft altijd een zekere leegte in onze relatie gelaten. Deze leegte heb ik onbewust trachten op te vullen door de vaderfiguur te projecteren op een imaginair wezen, alaan aanwezig en door velen aanbeden, God. Ik ben nooit een kerkganger geweest, ik heb zelfs een grondige hekel aan het exclusivisme van religieuze gemeenschappen, maar religieus denken zit nu eenmaal in onze cultuur ingebakken, of we dat nu willen of niet. God was mijn adoptievader, Hij moest de intentionele causaliteit waarborgen waar ik zo'n diepgewortelde behoefte aan had. Daarom dat mijn woede zich naar hem richtte, Hij die zijn wil oplegde aan alles wat er met mij gebeurde, moest boeten. Hem had ik mijn vernedering, mijn eenzaamheid te verwijten.  

Hierboven heb ik de nadruk gelegd op interne drijfveren, zonder het werkelijke bestaan en ageren van externe, bovenmenselijke - of alleszins niet-menselijke - machten voorop te stellen. De tweede reden voor de razernij, welke mij die avond in zijn greep had, en vooral ook voor de enorme, bovennatuurlijke kracht waarmee ze gepaard ging, betrekt de magische realiteit, die de ondertoon vormt van mijn hele relaas. Misschien ben ik wel onderhevig geweest aan ernstige vormen van zinsbegoocheling, maar mijn herinneringen laten zich echter niet loochenen. Dit dwingt mij er rekening mee te houden, ja er zelfs een groot belang aan toe te kennen, mijn twijfel en ongeloof ten spijt. Het betreft de zwarte prins, die ik tot hiertoe nog niet ontmoet had, maar wiens aanwezigheid zich al enkele malen nadrukkelijk had doen gelden. Ach, laat ik hem maar meteen de duivel noemen - het is toch overduidelijk? - ook al vormt dat besef een scherp contrast met de sombere alledaagsheid van mijn huidig bestaan, en heeft mijn verstand er de grootste moeite mee. Het is de duivel geweest die mijn woede stuurde, die mij als een antichrist op zijn aartsrivaal losliet. Het was zijn spottende lach, die die nacht plots opstak, en welke mij bovenmenselijke krachten verschafte: krachten waar elk kind van droomt, maar die in werkelijkheid verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben. Toen ik de kerk binnenstapte, had mijn woede en vernielzucht de grens van de redelijkheid overschreden. Ik gewaag hier van een bewustzijnsvernauwing, mij niet meer toelatend mijn gedrag op beschouwende wijs onder ogen te zien, en bij te sturen. In een andere situatie, ik neem nu de dansvloer als voorbeeld, ware zulk een vernauwing behulpzaam, ja zelfs heel wenselijk geweest. Maar nu had ze vreselijk groteske consequenties. Het moment dat ik mezelf hervond, stond ik dansend op de bouwvallen van wat eens een prachtige kerk was. In mijn handen hield ik het hoofd van Christus, dat ik van het enorme kruisbeeld moet gerukt hebben. Zijn nimbus bengelde aan de nok van het stadhuis, ongeveer 100 meter verderop. De grote blokken mergel, waarmee de kerk opgetrokken was geweest, had ik vergruisd tot stof - ik zag wit gelijk een spook! Ik keek verwonderd om me heen. De stofnevels zweefden laag boven het puin. Toen smeet ik het hoofd van Christus hoog de lucht in, en keek grinnikend toe hoe het voor mijn voeten in stukken brak. Ik proefde de wraak, en de wraak smaakte zoet. Die avond reed ik naar huis zonder spijt, zonder gewetenswroeging: ik had een nieuwe vader gevonden.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/05/29/de_verzoeking_10"><![CDATA[
                Mijn benen stopten hun uitputtend geraas en ik denderde het voorplein van de goed verlichte kruiskerk op. Ik kneep mijn remmen dicht, en kwam fiepend tot stilstand voor de zware eikenhouten toegangspoort. Hijgend en binnensmonds grommend nam ik de Gotische mastodont op, terwijl ik mentaal mijn destructief plan in tekening bracht. Ik smeet mijn fiets op de grond, waarbij de verplichte rode reflector in stukken uiteen spatte, en stapte met dreigende blik en opgespannen spieren op de poort af. Ik rukte aan de hendel, die op dit late uur uiteraard niet meegaf, en trapte een aantal keren overmoedig tegen het hout. Mijn ogen schoten vol tranen. Ik werd nog meer ziedend uit machteloosheid en frustratie, terwijl ik hurkend over mijn pijnlijke voet wreef. De moordkuil die mijn hart was liep tenslotte over. Als bij automatisme brulde ik tientallen verwensingen de nacht in. Ik hoorde de laatste schorre vloek nog nagalmen tussen de omliggende herenhuizen, toen een ander geluid opstak dat de stilte verhinderde weer te keren. Het was een lach die ik al eerder gehoord had. Dit keer deed hij me niet onheilspellend aan, integendeel, hij leek me goed gezind. Ik voelde de kracht in mijn leden hand over hand toenemen. Mijn frustratie verdween: in haar plaats kwam de volstrekte zekerheid dat nu niets de vaart van mijn woede nog zou kunnen stuiten. Ik stond recht met pathetische allure, en keek smalend naar de 4 meter hoge eiken poort. E&eacute;n klop van mijn vuist bleek nu voldoende om de zware toegangsdeur uit haar scharnieren te doen scheuren. Met luid gekraak viel ze naar binnen, en ik trad triomfantelijk het heiligdom in.  <br />
<br />
Ik weet niet waarom ik een kerk uitkoos om mijn drift op te botvieren, maar ik vermoed 2 redenen die hier kunnen spelen. De eerste reden zal ik realistisch noemen, daar een redelijk mens het causale verband zou kunnen erkennen, tenminste als een freudiaanse verklaring hem niet evenzo esoterisch in de oren klinkt als de tweede reden, welke ik dra geven zal. Het is natuurlijk Freud bij de haren gegrepen, maar ik zie in wat zich die destructieve avond voltrok een vadermoord. Sinds de dood van mijn biologische vader heb ik elders een positieve identificatie, steun en toeverlaat gezocht. Mijn moeder gaf mij genegenheid, maar de behoefte aan een vaderfiguur heeft altijd een zekere leegte in onze relatie gelaten. Deze leegte heb ik onbewust trachten op te vullen door de vaderfiguur te projecteren op een imaginair wezen, alaan aanwezig en door velen aanbeden, God. Ik ben nooit een kerkganger geweest, ik heb zelfs een grondige hekel aan het exclusivisme van religieuze gemeenschappen, maar religieus denken zit nu eenmaal in onze cultuur ingebakken, of we dat nu willen of niet. God was mijn adoptievader, Hij moest de intentionele causaliteit waarborgen waar ik zo'n diepgewortelde behoefte aan had. Daarom dat mijn woede zich naar hem richtte, Hij die zijn wil oplegde aan alles wat er met mij gebeurde, moest boeten. Hem had ik mijn vernedering, mijn eenzaamheid te verwijten.  <br />
<br />
Hierboven heb ik de nadruk gelegd op interne drijfveren, zonder het werkelijke bestaan en ageren van externe, bovenmenselijke - of alleszins niet-menselijke - machten voorop te stellen. De tweede reden voor de razernij, welke mij die avond in zijn greep had, en vooral ook voor de enorme, bovennatuurlijke kracht waarmee ze gepaard ging, betrekt de magische realiteit, die de ondertoon vormt van mijn hele relaas. Misschien ben ik wel onderhevig geweest aan ernstige vormen van zinsbegoocheling, maar mijn herinneringen laten zich echter niet loochenen. Dit dwingt mij er rekening mee te houden, ja er zelfs een groot belang aan toe te kennen, mijn twijfel en ongeloof ten spijt. Het betreft de zwarte prins, die ik tot hiertoe nog niet ontmoet had, maar wiens aanwezigheid zich al enkele malen nadrukkelijk had doen gelden. Ach, laat ik hem maar meteen de duivel noemen - het is toch overduidelijk? - ook al vormt dat besef een scherp contrast met de sombere alledaagsheid van mijn huidig bestaan, en heeft mijn verstand er de grootste moeite mee. Het is de duivel geweest die mijn woede stuurde, die mij als een antichrist op zijn aartsrivaal losliet. Het was zijn spottende lach, die die nacht plots opstak, en welke mij bovenmenselijke krachten verschafte: krachten waar elk kind van droomt, maar die in werkelijkheid verschrikkelijke gevolgen kunnen hebben. Toen ik de kerk binnenstapte, had mijn woede en vernielzucht de grens van de redelijkheid overschreden. Ik gewaag hier van een bewustzijnsvernauwing, mij niet meer toelatend mijn gedrag op beschouwende wijs onder ogen te zien, en bij te sturen. In een andere situatie, ik neem nu de dansvloer als voorbeeld, ware zulk een vernauwing behulpzaam, ja zelfs heel wenselijk geweest. Maar nu had ze vreselijk groteske consequenties. Het moment dat ik mezelf hervond, stond ik dansend op de bouwvallen van wat eens een prachtige kerk was. In mijn handen hield ik het hoofd van Christus, dat ik van het enorme kruisbeeld moet gerukt hebben. Zijn nimbus bengelde aan de nok van het stadhuis, ongeveer 100 meter verderop. De grote blokken mergel, waarmee de kerk opgetrokken was geweest, had ik vergruisd tot stof - ik zag wit gelijk een spook! Ik keek verwonderd om me heen. De stofnevels zweefden laag boven het puin. Toen smeet ik het hoofd van Christus hoog de lucht in, en keek grinnikend toe hoe het voor mijn voeten in stukken brak. Ik proefde de wraak, en de wraak smaakte zoet. Die avond reed ik naar huis zonder spijt, zonder gewetenswroeging: ik had een nieuwe vader gevonden.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>Werk werk werk [4]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/05/26/werk_werk_werk_4" />
		<updated>2009-05-26T12:57:00+02:00</updated>
		<published>2009-05-26T12:57:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.634</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">'Zodra geslachtshormonen onze hersenen beginnen te beinvloeden, in de vroege puberteit, worden we ons bewust van de factoren die iemand succesvol maken.
Die varieeren enorm tussen samenlevingen. Bij jagers gaat het om het aantal gedode dieren. Bij Yanomani-indianen ligt de nadruk op extreme vormen van moed. In Tibet gaat het erom wie het bedachtzaamst, het geduldigst en het meest genereus is. En bij ons? Bij ons ben je succesvol als je een drukke baan, een mooie auto en een groot huis hebt.' Aldus R.Dahl, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan de universiteit van Pittsburg en begin 2009 gedurende 6 weken gasthoogleraar aan de universiteit van Amsterdam.

Nu ligt de vroege puberteit al ver achter me en mijn geheugen kan me bedriegen, maar ik meen toch wel zeker te weten dat ik in die periode absoluut niet bezig was met 'de factoren die iemand succesvol maken'. Nee, ik had wel andere dingen aan m'n hoofd. Zo begon er haar in m'n kruis te groeien en een lijmachtige substantie uit m'n piemeltje te spuiten tijdens het klaarkomen en ik vroeg me vaak af of ik deze veranderingen als verbeteringen moest opvatten of als symptomen van het begin van het einde.

Ik neigde sterk naar het laatste want het nut van dat haar kon ik niet inzien en het ongevraagd naar buiten komen van de lijmachtige substantie deed duidelijk afbreuk aan de kwaliteit van mijn orgasmes. Want in betere tijden bezorgden deze me namelijk behalve genot ook een soort schrijnende pijn, vermoedelijk veroorzaakt doordat er gepompt werd zonder dat er iets te pompen viel en nu was er alleen nog maar genot dat zonder het scherpe randje duidelijk een dimensie had verloren. Ook in praktische zin was er sprake van achteruitgang, want op school zat ik in de klas onder de achterste bank voortdurend met m'n piemeltje te spelen om enig tegenwicht te bieden aan de door de leerkrachten voortgebrachte, eindeloze monologen over de strokartonindustrie in het Noorden des lands, de verrichtingen van Karel de Grote die in 800 door de paus tot keizer werd gekroond en het verschil tussen nuttige en schadelijke dieren.

Klaarkomen was geen probleem, want ik stelde me voor dat de verzaligde glimlach op mijn gezicht en de half geloken oogleden makkelijk door konden gaan voor uitingen van een diep gevoelde interesse in het wel en wee van de voederbietenindustrie. Deze situatie was heel werkbaar, maar de ongevraagde erupties gooiden roet in het eten van de zorgloosheid. En zo waren er zo veel onderwerpen die me bezighielden en voorkwamen dat ik me vragen ging stellen over de factoren die iemand succesvol maakten. De grille van de Morris/Austin Mini bijvoorbeeld. Die had men - ook al weer zonder mij iets te vragen - veranderd. De grille werd ook toen al gezien als de mond van de auto en de oorspronkelijke door Sir Alec Issigonis getekende had neerwaarts gebogen lijnen die de auto een wat droevige uitstraling gaven die me gezien de algehele ellende van alles heel passend voorkwam. Maar dat was dus kennelijk niet goed. Het woord 'oppimpen' bestond toen nog niet, maar de bezigheid die er mee wordt aangeduid wel degelijk en de grille van de mini was er het slachtoffer van geworden. Ook hier was weer sprake van een verandering waarvan het op z'n minst twijfelachtig was of hij ook een verbetering genoemd kon worden.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/05/26/werk_werk_werk_4"><![CDATA[
                'Zodra geslachtshormonen onze hersenen beginnen te beinvloeden, in de vroege puberteit, worden we ons bewust van de factoren die iemand succesvol maken.<br />
Die varieeren enorm tussen samenlevingen. Bij jagers gaat het om het aantal gedode dieren. Bij Yanomani-indianen ligt de nadruk op extreme vormen van moed. In Tibet gaat het erom wie het bedachtzaamst, het geduldigst en het meest genereus is. En bij ons? Bij ons ben je succesvol als je een drukke baan, een mooie auto en een groot huis hebt.' Aldus R.Dahl, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan de universiteit van Pittsburg en begin 2009 gedurende 6 weken gasthoogleraar aan de universiteit van Amsterdam.<br />
<br />
Nu ligt de vroege puberteit al ver achter me en mijn geheugen kan me bedriegen, maar ik meen toch wel zeker te weten dat ik in die periode absoluut niet bezig was met 'de factoren die iemand succesvol maken'. Nee, ik had wel andere dingen aan m'n hoofd. Zo begon er haar in m'n kruis te groeien en een lijmachtige substantie uit m'n piemeltje te spuiten tijdens het klaarkomen en ik vroeg me vaak af of ik deze veranderingen als verbeteringen moest opvatten of als symptomen van het begin van het einde.<br />
<br />
Ik neigde sterk naar het laatste want het nut van dat haar kon ik niet inzien en het ongevraagd naar buiten komen van de lijmachtige substantie deed duidelijk afbreuk aan de kwaliteit van mijn orgasmes. Want in betere tijden bezorgden deze me namelijk behalve genot ook een soort schrijnende pijn, vermoedelijk veroorzaakt doordat er gepompt werd zonder dat er iets te pompen viel en nu was er alleen nog maar genot dat zonder het scherpe randje duidelijk een dimensie had verloren. Ook in praktische zin was er sprake van achteruitgang, want op school zat ik in de klas onder de achterste bank voortdurend met m'n piemeltje te spelen om enig tegenwicht te bieden aan de door de leerkrachten voortgebrachte, eindeloze monologen over de strokartonindustrie in het Noorden des lands, de verrichtingen van Karel de Grote die in 800 door de paus tot keizer werd gekroond en het verschil tussen nuttige en schadelijke dieren.<br />
<br />
Klaarkomen was geen probleem, want ik stelde me voor dat de verzaligde glimlach op mijn gezicht en de half geloken oogleden makkelijk door konden gaan voor uitingen van een diep gevoelde interesse in het wel en wee van de voederbietenindustrie. Deze situatie was heel werkbaar, maar de ongevraagde erupties gooiden roet in het eten van de zorgloosheid. En zo waren er zo veel onderwerpen die me bezighielden en voorkwamen dat ik me vragen ging stellen over de factoren die iemand succesvol maakten. De grille van de Morris/Austin Mini bijvoorbeeld. Die had men - ook al weer zonder mij iets te vragen - veranderd. De grille werd ook toen al gezien als de mond van de auto en de oorspronkelijke door Sir Alec Issigonis getekende had neerwaarts gebogen lijnen die de auto een wat droevige uitstraling gaven die me gezien de algehele ellende van alles heel passend voorkwam. Maar dat was dus kennelijk niet goed. Het woord 'oppimpen' bestond toen nog niet, maar de bezigheid die er mee wordt aangeduid wel degelijk en de grille van de mini was er het slachtoffer van geworden. Ook hier was weer sprake van een verandering waarvan het op z'n minst twijfelachtig was of hij ook een verbetering genoemd kon worden.
		]]></content>
		<author>
			<name>spencerbrandsen</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [9]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/05/22/de_verzoeking_9" />
		<updated>2009-05-22T10:56:00+02:00</updated>
		<published>2009-05-22T10:56:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.633</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">De haat vond echter spoedig een voedingsbodem in mijn door onmacht getekende frustratie. Deze bereikte haar ongekende hoogtepunt toen liefde en lust samensmolten tot een gebald verlangen naar het andere geslacht. Ik was te introvert om aanspraak te kunnen maken op de nodige populariteit om een meisje te veroveren. De seksuele selectie onder pubers is behoorlijk complex, en moet zeker niet onder doen voor de abstracte baltsbewegingen der volwassenen. Beschikte ik over een te groot metabewustzijn? Ik heb er geen idee van. Ik beschikte alleszins niet over de nodige acteurscapaciteiten om het rollenspel lang genoeg vol te houden, zodat de mooiste exemplaren voor mijn neus werden weg gesnoept. Van de veelvuldige fuiven die ik bezocht herinner ik me het scherpst de neergeslagen aftochten, begeleid door een diep zelfmedelijden en versterkt door het percentage alcohol in mijn bloed. Ik herinner me dat ik op zo'n verslagen nacht voor het eerst een boom omhelsd heb, en dat ik er wel degelijk troost uit putte&amp;hellip; dat kan ook aan het bier gelegen hebben. 

      Op een zekere avond - een klasgenote gaf haar verjaardagsfuif in de garage bij haar thuis - zat ik mezelf moed in te drinken. Deze keer wou ik het kost wat kost wagen een meisje, waar ik al geruime tijd een oogje op had, aan te spreken, haar te vragen of ze met me wou. De tijd vorderde, maar ik bleef aan mijn stoel genageld, de sloten bier welke een man moed zouden moeten geven ten spijt. Een neen heb je, een ja kun je krijgen, zo overlegde ik met mezelf. Ook al zit daar veel waarheid in, toch had ik liever een indirecte neen dan een neen in mijn gezicht - mijn wankel zelfvertrouwen zou zo een klap moeilijk te boven komen. Telkens ik meende de nodige durf verzameld te hebben om op haar af te stappen, verhaastte mijn hart uit angstige spanning het kloppen zodanig, dat de angina pectoris mij van mijn voornemen deed afzien. Het aantal feestvierders begon inmiddels al stevig te slinken. Ik vreesde dat mijn kansen verkeken waren. Toen ik zag dat ook zij aanstalten maakte het feest te verlaten, besloot ik haar naar buiten te volgen. De struik die gebruikt werd als plasplaats was dezelfde kant op, dus toen ik achter haar aan liep liet mijn hart zich nog tot bedaren brengen bij de gedachte aan een vluchtweg. Ik zag hoe ze naar haar fiets stapte, niet toevallig vlak naast de mijne geparkeerd, en aan haar slot begon te prutsen. Ik liet de struik manmoedig links liggen, liep naar mijn fiets, en begon eveneens aan mijn slot te prutsen - hiervoor hoefde ik geen toneel te spelen, want het was zo donker, en ik zo dronken, dat het een heel gepruts was om mijn sleutel in het slot te krijgen. Ik wist dat het nu of nooit was. Zij had haar slot open gekregen, en stapte op haar fiets.
- Sarah?!&amp;hellip;, bracht ik met bevende stem uit. 
Het klonk als de krampachtige smeekbede van een noodlijder, die zich vastgrijpt aan het laatste restje vege hoop.
Ze keek me vragend aan, tenminste dat dacht ik toch, in het donker kon ik haar blik moeilijk interpreteren. Ik beet op mijn lip, en perste er het zinnetje uit, dat al heel de avond op mijn lippen brandde, en waarvan ik wist - informatie over dergelijke formaliteiten doen bij elke generatie jongeren de ronde - dat het een gunstig effect kon hebben op de door mij gewenste liefdesverhouding.
- Wil je met me?
Ik had natuurlijk kunnen weten dat deze methode op niets zou uitdraaien - het hele versieringsproces aan mijn laars lappend, en recht op het doel af. Een droge 'neen' was dan ook het enige dat ik kreeg, waarna ze op haar fietsje stapte, en de nacht in reed. Ik keek haar verward na, tot haar rode achterlicht vervaagde, en tenslotte helemaal verdween.  

     Terug een beetje tot mezelf gekomen, merkte ik dat ik mijn vuisten krampachtig gebald hield: het wit van mijn knokkels was zichtbaar in het maanlicht. Een enorme woede had zich van mij meester gemaakt met een drift die zich niet zo maar liet bekoelen. Ik sprong op mijn fiets, en begon quasi werktuiglijk te trappen, alsof mijn benen beter op de hoogte waren van mijn bestemming dan mijn beneveld hoofd. De wind gierde door mijn haren, wapperend als de manen van een losgeslagen hengst. Het schuim stond me op de mond. Iets of iemand zou boeten voor mijn vernedering, zo veel realiseerde ik me, maar wie of wat het slachtoffer zou worden van mijn ziedend bloed, daar kon ik op dat moment geen uitsluitsel over geven. Dreigende donderwolken trokken zich boven de stad samen toen ik het centrum binnenreed, als omen van een op til zijnde mare. De in de wind wiegende stadslantaarns wierpen dansende schaduwen op het grauwe asfalt van de verlaten straten. In geen enkel huis brandde licht, wat ondanks het gevorderde uur toch ongewoon was. De stad leek slechts het decor van mijn schouwspel. Doch te zeer in woede ontstoken om veel acht te geven op het onwezenlijke van de spookstad, omwentelde ik de trappers van mijn fiets met doorgedreven hardnekkigheid tot ik uiteindelijk de eindbestemming van mijn nachtelijke rit bereikt had.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/05/22/de_verzoeking_9"><![CDATA[
                De haat vond echter spoedig een voedingsbodem in mijn door onmacht getekende frustratie. Deze bereikte haar ongekende hoogtepunt toen liefde en lust samensmolten tot een gebald verlangen naar het andere geslacht. Ik was te introvert om aanspraak te kunnen maken op de nodige populariteit om een meisje te veroveren. De seksuele selectie onder pubers is behoorlijk complex, en moet zeker niet onder doen voor de abstracte baltsbewegingen der volwassenen. Beschikte ik over een te groot metabewustzijn? Ik heb er geen idee van. Ik beschikte alleszins niet over de nodige acteurscapaciteiten om het rollenspel lang genoeg vol te houden, zodat de mooiste exemplaren voor mijn neus werden weg gesnoept. Van de veelvuldige fuiven die ik bezocht herinner ik me het scherpst de neergeslagen aftochten, begeleid door een diep zelfmedelijden en versterkt door het percentage alcohol in mijn bloed. Ik herinner me dat ik op zo'n verslagen nacht voor het eerst een boom omhelsd heb, en dat ik er wel degelijk troost uit putte&hellip; dat kan ook aan het bier gelegen hebben. <br />
<br />
      Op een zekere avond - een klasgenote gaf haar verjaardagsfuif in de garage bij haar thuis - zat ik mezelf moed in te drinken. Deze keer wou ik het kost wat kost wagen een meisje, waar ik al geruime tijd een oogje op had, aan te spreken, haar te vragen of ze met me wou. De tijd vorderde, maar ik bleef aan mijn stoel genageld, de sloten bier welke een man moed zouden moeten geven ten spijt. Een neen heb je, een ja kun je krijgen, zo overlegde ik met mezelf. Ook al zit daar veel waarheid in, toch had ik liever een indirecte neen dan een neen in mijn gezicht - mijn wankel zelfvertrouwen zou zo een klap moeilijk te boven komen. Telkens ik meende de nodige durf verzameld te hebben om op haar af te stappen, verhaastte mijn hart uit angstige spanning het kloppen zodanig, dat de angina pectoris mij van mijn voornemen deed afzien. Het aantal feestvierders begon inmiddels al stevig te slinken. Ik vreesde dat mijn kansen verkeken waren. Toen ik zag dat ook zij aanstalten maakte het feest te verlaten, besloot ik haar naar buiten te volgen. De struik die gebruikt werd als plasplaats was dezelfde kant op, dus toen ik achter haar aan liep liet mijn hart zich nog tot bedaren brengen bij de gedachte aan een vluchtweg. Ik zag hoe ze naar haar fiets stapte, niet toevallig vlak naast de mijne geparkeerd, en aan haar slot begon te prutsen. Ik liet de struik manmoedig links liggen, liep naar mijn fiets, en begon eveneens aan mijn slot te prutsen - hiervoor hoefde ik geen toneel te spelen, want het was zo donker, en ik zo dronken, dat het een heel gepruts was om mijn sleutel in het slot te krijgen. Ik wist dat het nu of nooit was. Zij had haar slot open gekregen, en stapte op haar fiets.<br />
- Sarah?!&hellip;, bracht ik met bevende stem uit. <br />
Het klonk als de krampachtige smeekbede van een noodlijder, die zich vastgrijpt aan het laatste restje vege hoop.<br />
Ze keek me vragend aan, tenminste dat dacht ik toch, in het donker kon ik haar blik moeilijk interpreteren. Ik beet op mijn lip, en perste er het zinnetje uit, dat al heel de avond op mijn lippen brandde, en waarvan ik wist - informatie over dergelijke formaliteiten doen bij elke generatie jongeren de ronde - dat het een gunstig effect kon hebben op de door mij gewenste liefdesverhouding.<br />
- Wil je met me?<br />
Ik had natuurlijk kunnen weten dat deze methode op niets zou uitdraaien - het hele versieringsproces aan mijn laars lappend, en recht op het doel af. Een droge 'neen' was dan ook het enige dat ik kreeg, waarna ze op haar fietsje stapte, en de nacht in reed. Ik keek haar verward na, tot haar rode achterlicht vervaagde, en tenslotte helemaal verdween.  <br />
<br />
     Terug een beetje tot mezelf gekomen, merkte ik dat ik mijn vuisten krampachtig gebald hield: het wit van mijn knokkels was zichtbaar in het maanlicht. Een enorme woede had zich van mij meester gemaakt met een drift die zich niet zo maar liet bekoelen. Ik sprong op mijn fiets, en begon quasi werktuiglijk te trappen, alsof mijn benen beter op de hoogte waren van mijn bestemming dan mijn beneveld hoofd. De wind gierde door mijn haren, wapperend als de manen van een losgeslagen hengst. Het schuim stond me op de mond. Iets of iemand zou boeten voor mijn vernedering, zo veel realiseerde ik me, maar wie of wat het slachtoffer zou worden van mijn ziedend bloed, daar kon ik op dat moment geen uitsluitsel over geven. Dreigende donderwolken trokken zich boven de stad samen toen ik het centrum binnenreed, als omen van een op til zijnde mare. De in de wind wiegende stadslantaarns wierpen dansende schaduwen op het grauwe asfalt van de verlaten straten. In geen enkel huis brandde licht, wat ondanks het gevorderde uur toch ongewoon was. De stad leek slechts het decor van mijn schouwspel. Doch te zeer in woede ontstoken om veel acht te geven op het onwezenlijke van de spookstad, omwentelde ik de trappers van mijn fiets met doorgedreven hardnekkigheid tot ik uiteindelijk de eindbestemming van mijn nachtelijke rit bereikt had.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>Auditie</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/05/20/auditie" />
		<updated>2009-05-20T09:52:00+02:00</updated>
		<published>2009-05-20T09:52:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.632</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Het verbaasde me absoluut niet dat ik voor een auditie werd uitgenodigd nadat ik mijn foto aan ze had opgestuurd. Ja, het zal wel arrogant klinken, maar ik ben er aan gewend geraakt dat de monden openzakken zodra ik mijn deel tevoorschijn haal. Ik weet gewoon niet beter. Het is dan ook een indrukwekkend geval en ik kan er zelf ook nauwelijks mijn blik van afwenden, of van af blijven. En dat anderen dat dan ook hebben, ja, daar kijk ik dus niet van op. En als je door de natuur zo grootmoedig bedeeld bent is het natuurlijk zonde om er geen munt uit te slaan. Maar er komt natuurlijk veel meer bij kijken, het gaat niet alleen om het formaat. Ik had me dan ook op mijn intrede in de bedrijfstak terdege voorbereid. Urenlang had ik voor de spiegel doorgebracht terwijl ik op zo veel mogelijk verschillende manieren de woorden 'Yeah baby, yeah..' uitsprak: Langzaam ,snel, verveeld, enthousiast en allerlei varianten daarop. Mijn ijkpunt was daarbij altijd Jeroen Krabbé. Ik stelde me dan voor hoe Jeroen Krabbé die woorden zou uitspreken en hoe hij daar bij zou kijken, en probeerde dan in precies de tegenovergestelde richting te acteren tot het resultaat in niets meer aan Jeroen Krabbé deed denken, pas dàn was ik tevreden. Ook oefende ik langdurig het met de vlakke hand op de billen slaan. Want dat zie je in veel films, dat de man de vrouw op de billen slaat. Wat dat precies te betekenen heeft weet ik niet, maar het schijnt er bij te horen en dus moet je je dat eigen maken. Nadat ik de afzonderlijke onderdelen onder de knie had begon ik te combineren. Naakt stond ik dan voor de spiegel in de badkamer, met mijn linkerhand om mijn geslacht om zoveel mogelijk voeling met het metier te krijgen. Ik zei 'Yeah baby, yeah', waarbij ik zo min mogelijk op Jeroen Krabbé probeerde te lijken en daarna gaf ik mezelf met de rechterhand een klap op de billen. Want de klap diende ná de woorden te komen, dat had ik al snel door, dat klonk gewoon beter, hoe zal ik het zeggen, muzikaler.

Yeah baby yeah klats! Yeah baby yeah klats! Probeert u het thuis zelf maar eens, dan hoort u wel wat ik bedoel.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/05/20/auditie"><![CDATA[
                Het verbaasde me absoluut niet dat ik voor een auditie werd uitgenodigd nadat ik mijn foto aan ze had opgestuurd. Ja, het zal wel arrogant klinken, maar ik ben er aan gewend geraakt dat de monden openzakken zodra ik mijn deel tevoorschijn haal. Ik weet gewoon niet beter. Het is dan ook een indrukwekkend geval en ik kan er zelf ook nauwelijks mijn blik van afwenden, of van af blijven. En dat anderen dat dan ook hebben, ja, daar kijk ik dus niet van op. En als je door de natuur zo grootmoedig bedeeld bent is het natuurlijk zonde om er geen munt uit te slaan. Maar er komt natuurlijk veel meer bij kijken, het gaat niet alleen om het formaat. Ik had me dan ook op mijn intrede in de bedrijfstak terdege voorbereid. Urenlang had ik voor de spiegel doorgebracht terwijl ik op zo veel mogelijk verschillende manieren de woorden 'Yeah baby, yeah..' uitsprak: Langzaam ,snel, verveeld, enthousiast en allerlei varianten daarop. Mijn ijkpunt was daarbij altijd Jeroen Krabb&eacute;. Ik stelde me dan voor hoe Jeroen Krabb&eacute; die woorden zou uitspreken en hoe hij daar bij zou kijken, en probeerde dan in precies de tegenovergestelde richting te acteren tot het resultaat in niets meer aan Jeroen Krabb&eacute; deed denken, pas d&agrave;n was ik tevreden. Ook oefende ik langdurig het met de vlakke hand op de billen slaan. Want dat zie je in veel films, dat de man de vrouw op de billen slaat. Wat dat precies te betekenen heeft weet ik niet, maar het schijnt er bij te horen en dus moet je je dat eigen maken. Nadat ik de afzonderlijke onderdelen onder de knie had begon ik te combineren. Naakt stond ik dan voor de spiegel in de badkamer, met mijn linkerhand om mijn geslacht om zoveel mogelijk voeling met het metier te krijgen. Ik zei 'Yeah baby, yeah', waarbij ik zo min mogelijk op Jeroen Krabb&eacute; probeerde te lijken en daarna gaf ik mezelf met de rechterhand een klap op de billen. Want de klap diende n&aacute; de woorden te komen, dat had ik al snel door, dat klonk gewoon beter, hoe zal ik het zeggen, muzikaler.<br />
<br />
Yeah baby yeah klats! Yeah baby yeah klats! Probeert u het thuis zelf maar eens, dan hoort u wel wat ik bedoel.
		]]></content>
		<author>
			<name>spencerbrandsen</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
	<entry>
		<title>De verzoeking [8]</title>
		<link rel="alternate" type="text/html" href="http://www.bicat.net/archive/2009/05/15/de_verzoeking_8" />
		<updated>2009-05-15T11:28:00+02:00</updated>
		<published>2009-05-15T11:28:00+02:00</published>
		<id>tag:bicatnetloutervuighezaken,2009:bicatnet.631</id>
		<link rel="related" type="text/html" href=""  />
		<summary type="text">Die middag stond de zon glansrijk aan de kim. Het miezerige gordijntje kon niet beletten dat enkele zonnestralen, die strakke schaduwen op zijn door vocht aangevreten muren projecteerden, en het dansende stof, dat anders aan het zicht onttrokken zou zijn, in de schijnwerpers plaatsten, zijn kot binnen vielen. Hij rechtte zijn rug, nog pijnlijk aanvoelend na zijn belevenissen van die nacht, en keek wezenloos de kamer rond. Zijn gietijzeren sponde, overtrokken met een vaal bruine sargie, met achter de zoom nog een glimp van de vergeelde kussensloop, stond er onbeslapen bij. Ware het niet dat de warmte van de middag elke poging tot slapen zou doen falen, dan was hij in bed gekropen voor de rest van de dag. Niet dat hij moe was, alleszins niet de moeheid die zich met een slaapje laat verdrijven. Hij wist gewoon niet wat aanvangen, en daarbij, de honger begon weer te knagen. De benauwdheid joeg hem naar buiten. Hij belandde in het park, waar hij de koelte opzocht in de schaduw van een reusachtige beuk. Hij zette zich tegen de knoerstige stam, en glimlachte dankbaar: zijn rug paste perfect in de glooiing. De wind, die af en toe aarzelend opstak, en een welgekomen verfrissing bracht voor wie in volle zon vertoefde, voerde het geluid van spelende kinderen mee, als ook het klateren van de fontein zo&amp;rsquo;n 100 meter verderop. Hij legde zijn hoofd tegen de stam, en sloot de ogen. Hij had wel ooit gehoord over mensen, die met bomen spraken, en er troost in vonden deze houtige planten te omarmen. Hij beschouwde het als iets voor goedgelovigen, simpele zielen die zichzelf een rad voor de ogen draaien. Eerst verzette hij zich dan ook tegen het gevoel van geborgenheid en ontferming, dat zijn pose leek op te roepen. Het was echter een zodanig overweldigende en heilzame ervaring dat hij zijn weerspannigheid spoedig liet varen, en insluimerde.  

     Hij droomde van Jessie, tenminste dat dacht hij bij het ontwaken. Haar gelaat was gehuld geweest in een grijze nevel, zodat hij enkel haar contouren kon onderscheiden - zij had niet meer dan een schaduw geleken. Ook bekroop hem het gevoel dat zijn moeder nabij was geweest. Hij had haar al zo lang niet meer gezien. Meermaals was hij van zin geweest haar op te zoeken, naar huis te gaan, maar telkens hij zijn plan wilde concretiseren, liet zijn geheugen hem in de steek. Hoe hard hij ook probeerde, zijn thuis, zijn streek, alles was verdwenen in de afgrond van de tijd. Hij weet het aan magnesiumtekort, de ondervoeding had zijn geheugen aangetast, redeneerde hij, hoewel sommige ervaringen hem nog haarscherp voor de geest stonden. Dit selectieve geheugenverlies had hem alle hoop doen verliezen zijn moeder ooit nog weer te zien. Een diepe smart nam bezit van zijn gemoed. De troost, die hij bij de oude beuk gevonden meende te hebben, bleek toch het product te zijn geweest van een overijverige verbeelding. Nu voelde hij enkel een harde knoest, pijnlijk in zijn rug porrend, die hem leek aan te manen deze plek te verlaten. Hij krabbelde recht, wreef over zijn getergde rug, en pikkelde een willekeurige kant uit. In het gras lag een jong koppeltje, zich koesterend in de zon. De aanblik van dit zinnelijke vlees maakte hem nog meer zuchtig. Zieltogend strompelde hij verder. Zo veel moois waar hij geen deel aan had, al de geneugtes die hij moest ontberen, is het dit wat een mensenleven behelst? Als deelgenoot aan een in oorsprong christelijke maatschappij, kon hij niet anders dan onaangenaam getroffen worden door de barokke onverschilligheid waarmee de tijd verder tikte. And the rest is silence, schreef Shakespeare, alsof hij de hoop koesterde dat de heilige geest als een deus ex machina alsnog zijn verholen plan zou openbaren. Darwin wist al dat natuurlijke selectie niet meer was dan een onverschillig logaritmisch proces, en nog vragen we ons af wat de zin is van dit alles, alsof dat een zinvolle vraag is, alsof een omnipotente God zoveel blijken van machteloosheid zou geven. De redenering dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn voor het armtierige mensenverstand, vond hij maar een dooddoener, eerder getuigend van Gods dood of fictie, dan van zijn bestaan. De nuchterheid van geest waarover hij bij tijd en wijl beschikte - indien de honger hem niet te erg kwelde - stond in scherp contrast met de herinneringen aan een tijd in bondgenootschap met een kwade macht, welke door zijn hoofd bleven spoken. Deze herinneringen, die een zo duidelijke, maar voor zijn nuchtere verstand ontoelaatbare antropomorfe hypostasering van een archetypische kracht opriepen, lieten zich niet loochenen. Ze waren verweven met zijn levensloop, verleenden hem zelfs bestaansrecht. Onbewust luidop mijmerend slenterde hij door het park, waarbij hij geen acht gaf op het monkellachen van de scholieren, voor wie hij al geruime tijd bekend stond als de lokale malloot. Hij voelde zich een man zonder verleden, zonder toekomst, of neen, mét een verleden, maar een dat niet met enige rede te vatten was.</summary>
        <content type="html" xml:lang="nl" xml:base="http://www.bicat.net/archive/2009/05/15/de_verzoeking_8"><![CDATA[
                Die middag stond de zon glansrijk aan de kim. Het miezerige gordijntje kon niet beletten dat enkele zonnestralen, die strakke schaduwen op zijn door vocht aangevreten muren projecteerden, en het dansende stof, dat anders aan het zicht onttrokken zou zijn, in de schijnwerpers plaatsten, zijn kot binnen vielen. Hij rechtte zijn rug, nog pijnlijk aanvoelend na zijn belevenissen van die nacht, en keek wezenloos de kamer rond. Zijn gietijzeren sponde, overtrokken met een vaal bruine sargie, met achter de zoom nog een glimp van de vergeelde kussensloop, stond er onbeslapen bij. Ware het niet dat de warmte van de middag elke poging tot slapen zou doen falen, dan was hij in bed gekropen voor de rest van de dag. Niet dat hij moe was, alleszins niet de moeheid die zich met een slaapje laat verdrijven. Hij wist gewoon niet wat aanvangen, en daarbij, de honger begon weer te knagen. De benauwdheid joeg hem naar buiten. Hij belandde in het park, waar hij de koelte opzocht in de schaduw van een reusachtige beuk. Hij zette zich tegen de knoerstige stam, en glimlachte dankbaar: zijn rug paste perfect in de glooiing. De wind, die af en toe aarzelend opstak, en een welgekomen verfrissing bracht voor wie in volle zon vertoefde, voerde het geluid van spelende kinderen mee, als ook het klateren van de fontein zo&rsquo;n 100 meter verderop. Hij legde zijn hoofd tegen de stam, en sloot de ogen. Hij had wel ooit gehoord over mensen, die met bomen spraken, en er troost in vonden deze houtige planten te omarmen. Hij beschouwde het als iets voor goedgelovigen, simpele zielen die zichzelf een rad voor de ogen draaien. Eerst verzette hij zich dan ook tegen het gevoel van geborgenheid en ontferming, dat zijn pose leek op te roepen. Het was echter een zodanig overweldigende en heilzame ervaring dat hij zijn weerspannigheid spoedig liet varen, en insluimerde.  <br />
<br />
     Hij droomde van Jessie, tenminste dat dacht hij bij het ontwaken. Haar gelaat was gehuld geweest in een grijze nevel, zodat hij enkel haar contouren kon onderscheiden - zij had niet meer dan een schaduw geleken. Ook bekroop hem het gevoel dat zijn moeder nabij was geweest. Hij had haar al zo lang niet meer gezien. Meermaals was hij van zin geweest haar op te zoeken, naar huis te gaan, maar telkens hij zijn plan wilde concretiseren, liet zijn geheugen hem in de steek. Hoe hard hij ook probeerde, zijn thuis, zijn streek, alles was verdwenen in de afgrond van de tijd. Hij weet het aan magnesiumtekort, de ondervoeding had zijn geheugen aangetast, redeneerde hij, hoewel sommige ervaringen hem nog haarscherp voor de geest stonden. Dit selectieve geheugenverlies had hem alle hoop doen verliezen zijn moeder ooit nog weer te zien. Een diepe smart nam bezit van zijn gemoed. De troost, die hij bij de oude beuk gevonden meende te hebben, bleek toch het product te zijn geweest van een overijverige verbeelding. Nu voelde hij enkel een harde knoest, pijnlijk in zijn rug porrend, die hem leek aan te manen deze plek te verlaten. Hij krabbelde recht, wreef over zijn getergde rug, en pikkelde een willekeurige kant uit. In het gras lag een jong koppeltje, zich koesterend in de zon. De aanblik van dit zinnelijke vlees maakte hem nog meer zuchtig. Zieltogend strompelde hij verder. Zo veel moois waar hij geen deel aan had, al de geneugtes die hij moest ontberen, is het dit wat een mensenleven behelst? Als deelgenoot aan een in oorsprong christelijke maatschappij, kon hij niet anders dan onaangenaam getroffen worden door de barokke onverschilligheid waarmee de tijd verder tikte. And the rest is silence, schreef Shakespeare, alsof hij de hoop koesterde dat de heilige geest als een deus ex machina alsnog zijn verholen plan zou openbaren. Darwin wist al dat natuurlijke selectie niet meer was dan een onverschillig logaritmisch proces, en nog vragen we ons af wat de zin is van dit alles, alsof dat een zinvolle vraag is, alsof een omnipotente God zoveel blijken van machteloosheid zou geven. De redenering dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn voor het armtierige mensenverstand, vond hij maar een dooddoener, eerder getuigend van Gods dood of fictie, dan van zijn bestaan. De nuchterheid van geest waarover hij bij tijd en wijl beschikte - indien de honger hem niet te erg kwelde - stond in scherp contrast met de herinneringen aan een tijd in bondgenootschap met een kwade macht, welke door zijn hoofd bleven spoken. Deze herinneringen, die een zo duidelijke, maar voor zijn nuchtere verstand ontoelaatbare antropomorfe hypostasering van een archetypische kracht opriepen, lieten zich niet loochenen. Ze waren verweven met zijn levensloop, verleenden hem zelfs bestaansrecht. Onbewust luidop mijmerend slenterde hij door het park, waarbij hij geen acht gaf op het monkellachen van de scholieren, voor wie hij al geruime tijd bekend stond als de lokale malloot. Hij voelde zich een man zonder verleden, zonder toekomst, of neen, m&eacute;t een verleden, maar een dat niet met enige rede te vatten was.
		]]></content>
		<author>
			<name>vincentnemo</name>
		</author>
	</entry>
	
	
	
</feed>
