Roemer draagt vandaag een mooie stropdas. Een bordeauxrode stropdas. De man die zichzelf om onbegrijpelijke redenen met de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet aanduidt (alsof hij zich schaamt voor de naam die hij kreeg toen hij het daglicht zag) oefent zijn blik. Zijn advocatenblik. Zijn ik weet alles, kijk mij eens doordringend kijken blik. Zijn fronsende, alles op hun waarde schattende, diep door alles heen kijkende, altijd maar dieper doordenkende blik. Doordrenkende blik. Zijn ik ben de alpha en de omega blik. Maar die frons hoeft de letterman op Roemer niet uit te proberen, want Roemer is er nooit ingetrapt. Roemer kan zwijgen als de beste, ook als een ander niets zegt. Uren desnoods. Zonder zich ongemakkelijk te voelen. Stilte is natuurlijk, net als de dood.
De letterman zegt dat dit een van de dingen is die je moet accepteren, die je niet recht kunt zetten. De letterman heeft wel gelijk, maar Roemer heeft er niks aan. Aan dat die letterman gelijk heeft. Het is zijn leven. Bovendien is het precies hetzelfde als wat de kunstliefhebber hem schreef. De galeriehouder met zijn onverwachte, intens verachte voorkeur voor Mondriaan. Mondriaans rechte lijnen, zijn rechtlijnigheid, zijn primaire kleuren, ongenuanceerd en zonder tussentinten. Mondriaan, die vloekt met de grenzen die in werkelijkheid vloeiend verlopen. De kunstminnende handelaar schreef Roemer 'gedane zaken nemen geen keer - ik vind het nutteloos naar het verleden terug te kijken'. De galeriehouder die zo mooi kan liegen. De leugen en het bedrog, dat is zijn kunst. Ongetwijfeld heeft de kunst veel aan deze man te danken, maar als mens viel hij erg tegen.
Bij het weggaan zegt de letterman nog dat Roemer erg is opgeknapt. Hij kijkt de mensen tenminste weer aan. Dat verbaast Roemer. Zo zie je maar, toch wat opgestoken. De letterman draagt tegenwoordig geen stropdas meer. Ze geven elkaar geen hand. Dat valt Roemer op, want hij is netjes opgevoed.
Dirk houdt van dieren. Al vanaf dat hij klein was, hield hij van dieren. Het meest van het soort dieren die je bij een kinderboerderij aantreft. Of in houten speeldozen van vroeger, die hij van zijn opa voor zijn derde verjaardag kreeg. Samen met zijn opa ging hij iedere woensdagmiddag naar het dierenpark in de dure wijk van het dorp. Zijn opa verzamelde iedere week het oude brood en Dirk gaf dit aan de eenden, de konijnen en de hangbuikzwijnen.
Naarmate Dirk ouder werd, ging hij zelf op een hangbuikzwijn lijken. Maar zijn liefde voor dieren ebde niet weg. Niet door deze fysische ontwikkeling noch door zijn mentale. Dirk gaat nog steeds iedere woensdag naar het dierenpark in de statige wijk van het dorp. Met zijn scooter. Een kleine asgroene scooter. De bandjes lijken iedere woensdag weer te bezwijken onder zijn gewicht, maar telkens blijken ze de vuurproef te doorstaan. Aan een auto had hij zich nooit gewaagd. Dirk was niet in de wieg gelegd voor snelle, moeilijke dingen. Iedere woensdagmiddag zet hij trouw zijn witte pothelm op om richting het dierenpark te gaan. In het dierenpark voert hij de eenden, bekijkt hij de herten en aait hij de zachte warme varkens. 'Warm en zacht', mompelt hij terwijl de beesten tegen hem aan schurken. Een klein, zwart en scheel varken knort tevreden.
Herman's armen hangen slap langs zijn lichaam terwijl hij de stal in loopt. Stevige armen heeft hij. Grote zwarte haren verzekeren hem ervan dat hij, ondanks zijn opgestroopte geruite mouwhemden, de kou doorstaat. Pezen en aderen zijn door de spiermassa van Herman's arm duidelijk richting opperhuid gedrukt. Massatraagheid. Flinke nagels, haren, en degelijke, stalen knokkels.
Hij schuift de houten deur open. Lucht van mest, licht van serene TL-lampen, en het geluid van knorrende varkens. Hij zet zijn rubberen Formido instapper op de betonnen vloer. Terwijl hij loopt, voelt hij zijn rubberen instapper tegen zijn kuit aan slaan. Maar het deert hem niet. En niet omdat Herman van die koperen kuiten heeft, nee je moest van goeden huize komen wil je Herman boeien. Want Herman houdt niet zo veel van dingen. Herman houdt van zijn varkens, van zijn voeten in de modder en van bier. Herman heeft ook een vrouw, maar daar houdt hij eigenlijk niet zo van. Herman is een man van het soort dat de feministische golf 'onzin' vindt. Herman is het soort man dat eigenlijk alles, op varkens, modder en bier na, onzin vindt. Maar Herman wil ook neuken, Herman wil ook dat er gestofzuigd wordt en Herman wil dat zijn kleren worden klaargelegd. Trouw brengt zijn vrouw elke avond zijn blikken Schultenbrau.
Herman's donkere, domme ogen spieden door de stal. De beesten knorren luid. Herman loopt door naar achteren. Achter staat een grote houten kist, met een rode lamp erboven. Herman's tred is onverminderd en je verwacht dat hij tegen de achterste muur zal knallen, maar Herman weet als een doortrainde soldaat halt te houden. Hij draait richting de houten bak. Zijn ogen glijden over het stro, het grote slome varkensvrouwtje, de voederbak en belanden uiteindelijk bij de kleine varkens die op, tegen en onder elkaar liggen. Leg ze in een vitrine en de doorsnee huisvrouw bestelt zonder schroom: 'Dat nieuwe daar.' Herman kijkt eens goed. 'Godvr', ontsnapt onder zijn snor vandaan. Herman ziet het levenloze lijk van een klein varkentje.
Hij pakt het beestje bij zijn achterste poten. Zijn aderen zwellen op en de hydraulische kracht die hij lijkt op te brengen, zuigt het kleine varken de lucht in. Herman zet weer er een stevige pas in. Hij stapt en stapt. De stal uit. Het huis langs. De wei voorbij. Totdat hij uiteindelijk bij de halfronde, langwerpige plastic bak komt, die met de bolle kant omhoog langs de kleine autoweg staat. Herman knijpt zijn ogen al wat dichter bij elkaar. Snuift een keer diep. Hij legt het varkentje langs de ijzeren plaat die dient als onderstel van de kap. Volledig gefocust op de kap en met een flinke armzwaai duwt hij de kap van zich af. De scharnieren doen hun werk. De kap klapt open. Een ideale speelboot, zo op zijn kop, jammer van de vlakke voor- en achterkant. Een lichte damp stijgt op van de ijzeren plaat. Een geur van dood stijgt op. Herman houdt hier niet van. De aanblik van de kadavers. Drie biggetjes een volwassen zeug en wat kippen. Levenloos, slap en uitgeteld liggen ze te rotten onder de pvc kap. Hier is niks vredigs aan. Dit is economie, respectloos. Herman smijt de dode big erbij. Plof, een geluid dat zich alleen laat horen, dood op dood. Hij klapt de kap snel terug. Stapt met een stevige tred weer terug. Hij gaat richting huis.
Herman doet de achterdeur met de gebreide vitrage open. Hij stapt met zijn linkervoet op zijn rechterhak en doet de laars uit. Met zijn handen trekt hij de linkerlaars uit. Loopt naar de kleine wasbak en schrobt zijn handen met groene zeep. Loopt de keuken in. 'Simone is dood', zegt hij. Zijn vrouw laat het bord in het hete water los. Droogt haar handen. 'Kleine Simone, het zat er ook wel aan te komen.' Ze is even stil. 'Maar heb je al naar een slot gekeken?? Er gaat bij Herman in één keer een lampje aan. Herman is niet iemand die dingen onthoudt. 'Ik ga nog wel een nacht op de wacht staan,' reageert hij nors. Herman is iemand die zijn eigen plan moet kunnen trekken.
De avond valt in. Herman verwisselt zijn geruite bloes en lederhose, welke zich al generaties lang in de familie bewezen hebben, voor een comfortabele pyjama. Ook de comfortabele stoel schuift hij naar voren, richting het raam. Zijn vrouw kust hem gedag. Herman loopt naar de keuken. Pakt een pak Douwe Egberts uit het keukenkastje. Hij kijkt naar de inhoud. Hij zet een grote pan water op. Nu het water kookt, komt de gehele inhoud van het pak koffie terecht in het water door Herman's toedoen. Herman is een man. Een echte man. Eten en drinken kan hij als de beste, dat had zijn moeder zelfs nog gezegd. Zoals Herman bier drinkt, drinkt hij koffie. Veel en met krachtige slokken. Als het brouwsel een minuutje of wat getrokken heeft, pakt hij een emmer en legt daar een droge theedoek over. Met een goed elastiek zorgt hij ervoor dat hij zijn voorgenomen handeling juist kan verrichten.
De emmer koffie zet Herman langs zijn stoel. Hij gaat zitten. Herman zit nu voor het raam en kijkt uit op zijn weiland, zijn weg, zijn erf. Herman heeft een groot en zwaar geweer voor zich liggen. 'Ik zal ze pakken die grappenmakers van een studenten'. Herman houdt dus niet van studenten. En al helemaal niet van studenten die flauwe grappen uithalen met zijn dode beesten.
Herman's vrouw houdt ook niet van studenten. Maar ze houdt nog minder van Herman. Herman heeft de gewoonte problemen met geweld op te lossen. Binnen en buiten hun huwelijk. Zij heeft een heel andere opvoeding genoten. Zij gelooft in de rechterlijke macht. Dus ook Herman's vrouw is wakker. De hele nacht. Zij heeft als alternatief wapen de telefoon in handen. En wat als Herman gepakt zal worden? 't Giet zoals 't giet'. Want geweld jegens anderen kan ze niet goedkeuren. Waar ze zelf schromelijk achterblijft in het bestrijden van huiselijk geweld, ziet ze hier wel een kans haar man aan te pakken, zónder dat hij het weet.
Herman lurkt lustig van zijn koffie. Hij is op de helft wanneer hij een flauw schijnsel ziet. Direct golven de zwarte haren op Herman's arm ten gevolge van de stijgende bloeddruk. Hier had hij op gewacht. Dit is zijn moment. Niet te langzaam, maar ook zeker niet te snel staat Herman op. Rustig en zelfverzekerd en met voldoening in zijn passen, beent hij naar buiten. Het is koud. Maar niet voor Herman. Herman voelt zich warm. Hij glimt. Zijn moment.
Herman vloekt. Niet hard, want hij wil niemand alarmeren. In zijn hoofd wordt het chaos. Blauw rood. Rood blauw. Blauw rood. Rood blauw. De hemel is verkleurd. Herman beent door. Stevig. Een man moet doen wat 'ie moet doen. Die was van zijn vader.
Herman staat langs de bak die geruisloos wordt verlicht, blauw, rood, rood, blauw. Hij trekt de klep open. Van schrik laat Herman zijn geweer vallen. De twee agenten verstijven. Daar ligt hij. In foetushouding en volledig kalm. Met een duim in zijn mond en zijn ogen dicht. Zijn dikke buik deint rustig op en neer. Onder die buik ligt het biggetje van die middag. Zijn hoofd wordt ondersteund door een stel dode kippen en half over hem heen ligt een zeug gedrapeerd. De lijkwarmte en rottingsprocessen doen hun werk, het geheel stoomt licht. Blauw rood. Rood blauw. Stilte. Hij heeft zijn witte pothelm nog op. Dirk wordt langzaam wakker. Twee kleine, angstige kraaloogjes kijken nu in de mag-lite van de agent. Zijn pupillen worden snel kleiner.
...van die types wier auto hun enige bezit lijkt. De laaggelegen, strakgeveerde paarse Honda CRX 1.6 16V heeft verchroomde uitlaatpijpen met een ruime diameter. Het geeft de ondermaatse wagen het geluid van een heuse Ferrari. Op het doorkijkglas van het kofferdeksel staat met witte bestickering DOHC hetgeen op gelijkgestemden ongetwijfeld een indrukkende uitwerking heeft. Zwaar getinte ramen ontnemen het publiek het zicht op de mysterieuze bestuurder, ware het niet dat de autoruit maximaal omlaag is gedraaid. Een dreunende boombox intimideert met lage tonen vanaf wat eens een hoedenplank was. Langzaam rijdt de bijna kaalgeschoren jongeman in zijn auto door de straat. Kort in de nek, wat meer óp het hoofd. Bijna schuingezeten hangend over de versnellingspook, voert zijn linker arm als een stalen roll bar tot bovenop het stuur. Stoïcijns blikt de jongeman af en toe over zijn arm naar buiten. De overdreven langzame gang door de straat moet zijn kracht accentueren. Tomeloze, maar ingehouden krachten die alleen hij de baas kan. Hij is heer en meester over honderden imaginaire paardenkrachten, hij is het toonbeeld van macht. Bevestigd op een magneet aan het dashboard prijkt een klein fotolijstje. Een verkreukelde en vergeelde pasfoto laat een puppy zien. Het is een levendige herinnering aan zijn kameraad die te vroeg dood ging toen hij ook nog maar een kleine jongen was. Het fotolijstje heeft hij altijd bij zich. Morgen klikt hij het fotolijstje handig in zijn broekzak als hij de auto van zijn broer na het lenen teruggeeft.