Villa Alzheimer
Ik zit nu aan tafel met de man waar ik lange tijd in angst voor heb geleefd. Je handen liggen rusteloos op tafel, een te dunne huid kan je levervlekken en aderen niet meer verhullen. Als angstige haasjes zijn ze naarstig op zoek, bibberend over het plastieken kerstplaid, de krant is al beduimeld, mijn pakje sigaretten is kaal geplukt en al je tandenstokers zijn al gebroken. Diep in mij draait de kerstgedachte zich weg van dit tafereel en mijn blik dwaalt af over jouw schouder naar buiten waar de plataan voor het raam in de gure decemberwind op en neer waait.
’s Zomers had ik nog gezegd hoe mooi de zonnestralen tussen de bladeren doorschenen, nu is het nog slechts een macaber staketsel dat kraakt op deze dagen die alle te vroeg eindigen. Ik stel me voor dat jouw hersenscan er ook zo uit moet zien: waar het eens nog gevuld was met groen, waait nu de wind doorheen.
Ik kijk terug naar je gezicht dat expressieloos is, je wangen hangen besluitloos naar beneden en je bril lijkt ineens veel te groot voor je gezicht. Waar zijn je priemende ogen gebleven die konden straffen met een enkele blik van afkeuring? Waar zijn die scherpe woorden gebleven die meer pijn konden doen dan een vlakke hand?
Vandaag ben ik op bezoek in jouw huis dat ik allang niet meer het mijne noem. Terwijl moeder en ik praten over hoe het steeds slechter met je gaat, dat ik maar twee keer per jaar langskom, dat ik moeder aandring om je naar een verpleegtehuis te brengen, dat zij mij verwijt te weinig langs te komen… Want ze is op, op van zorgen voor jou. Je was een tiran die met ijzeren hand regeerde over het huiselijke. Jouw falen in het leven, de hoge baan die je niet kreeg, de promotie tot kolonel die je misliep, de akkefietjes en de niemendalletjes, hier binnen de muren van het gezin kon je laten zien wie je waard was. En oh wee, diegene die jouw toorn kon opwekken. De laatste keer dat ik de deur uit verdriet achter mij dichtsloeg maakte ik een belofte. Ik zou me afkeren van jou en vanaf nu jouw zeldzame goedkeuring niet meer nodig hebben.
Nu probeer je mee te praten met moeder en mij. Het is niet dat je de woorden niet meer kan vinden, het is meer dat de betekenis van de taal gevlucht is uit jouw lichaam. Halve zinnen, flarden werkwoordconstructies, semiologische losse flodders, en veel, véél tijdsbepalingen. Alles is “twee jaar geleden”, “gisteren” en “vroeger”. Het verleden is voor jou een grijze brei geworden en gisteren was twee jaar geleden.
Mijn leven wordt er makkelijker door, nooit meer vraag je me wanneer ik nou eindelijk ergens voor zal deugen. Nooit meer vraag je me of ik volgend jaar nu eindelijk iets bereikt heb. Nooit meer hoef je je zorgen te maken over wat er toch van mij moet worden. Morgen en de dagen daarna bestaan niet meer.
Vandaag ben ik op bezoek in jouw hoofd, Villa Alzheimer. De deuren zijn gesloten en iedereen moet door beslagen ramen naar binnen kijken. Driedubbel glas verstomt jouw woorden en condens verstrooit het licht. Van tiran naar onbegrijpelijke oude man, maar ergens blijf je nog kolonel van de burcht. Hier zwaai jij de scepter over onderdanen die wij niet kunnen zien. Hier waan je je de verantwoordelijke op een ver vooruitgeschoven post temidden van een winters sneeuwlandschap. Al dagen heb je geen orders meer van het thuisfront gekregen en de rantsoenen slinken zorgelijk. Maar jij blijft op je post.
Ik was amper twee turven hoog toen ik mee naar de Kerstmis moog. Een uur te vroeg gingen we al voor een goed plaatsje bij de stal. Daar zat ik mij dan te vergapen aan een kameel en wat schapen. Terwijl over mijn rug een kriebel kroop als ik bedacht hoe vader een schaap besloop. En ik mij realiseerde 'eigenlijk is het niet raar dat mijn broer stikt van het schapenhaar'.
Kerstverhaal
Zogauw de wind weer ijzig begint te waaien, zogauw de bomen hun eerste bladeren laten vallen, zo rond die tijd treedt de herfst in en is de onbezorgde zomer definitief voorbij. Eindeloze en heerlijk warme dagen maken plaats voor steeds korter en guurder wordende dagen. Mensen kruipen in hun schulp en smoren langzaam gaar in het sop van sluimerende najaarsdepressies. En dit alles zijn slechts nog de voorbodes voor wat komen gaat. Met de temperatuur buiten nog enigszins dragelijk lijkt het veilig ver weg. Maar nu met de korte dagen gevolgd door nog kortere dagen, het weer van druilerig naar vies-nat en de wind waterkoud komt het voelbaar dicht bij.
Het meest ondraaglijk is de geforceerde vrolijkheid van mensen. Met het gezicht verstopt achter een warme shawl en handen diep weggestoken in jaszakken loopt men langs geëtaleerde schijnwerelden van idyllische kersttafereeltjes. Oh men is zo blij, kinderen knuffelen een verklede dikzak en sneeuw is niet koud maar zacht en pluizig. Ach, wij arme Europeanen, waren we maar Yanks, dan maakten we het echt mee! Niet vanaf de tweede rang, gescheiden door een oceaan en met onze tradities uit het verleden als ballast.
Overal zie je elkaar liefhebbende en hechte families. Lachende kinderen, trotse ouders en gelukkige grootouders. Je ziet vriendengroepen, homogeen en gelukkig als de onbezorgdheid zelf. Nee, dit zijn de tijden dat de hele wereld één groot podium is en we elkaar allemaal voor de gek houden. Als ware wij allen slechts dom publiek.
Zelf kom ik uit een gebroken gezin. Een mooie term voor iets lelijks.
De hippies van de jaren zestig werden ouder en verloren hun onschuld. Scheidingen volgden een huwelijk zo vanzelfsprekend als het huwelijk zelf was geweest toen de twee nog geliefden waren. Over de kinderen en bezoekregelingen werd net zo makkelijk gesproken als over de verdeling van de inboedel. Hun eigen geweten sussend werd de kinderen voorgehouden dat het juist leuk is om twee thuizen te hebben en dat het modern is om een ander leven te leiden dan je vriendjes.
Toen mijn vader besloot om voor de tweede keer te trouwen waren haar kinderen net als ik te oud en te zelfstandig om elkaar nog als nog stieffamilie te zien. Surrogaatfamilie voor dagen als deze. Dat zijn wij.
Ik bel aan. Willemien, de nieuwe vrouw van m’n vader, ik verdom het om haar stiefmoeder te noemen, doet open. ‘Hooooooii, wat leeuuk, jij bent er nu oook. Kom binnen, iedereen zit er al.’ Ik geef haar drie kusjes op haar wangen en mompel dat ik het ook leuk vind om er te zijn en iedereen weer te zien. Ik loop door en vanuit de zithoek kijken vier paar ogen mij aan. M’n vader kijkt parmantig. Zo in z’n verouderde pak voelt hij zich bij dit soort bijeenkomsten het hoofd van ons kringetje. Aan het twinkeltje in z’n ogen te zien nipt hij z’n derde of vierde portje. Rechts op de bank zitten Rob en Wendy. Rob is de stille van de twee zonen van Willemien. Verslagen door het leven zit hij mak als een lammetje naast z’n vrouw. Z’n moeder wist altijd alles beter voor hem en hield hem goed onder de plak. Dankbaar heeft Wendy die taak van haar schoonmoeder overgenomen. Rob kent z’n beperkte bestaan en houdt zich stil en rustig. Zolang hij niets zegt halen de wijven in z’n leven niet naar hem uit. Ik heb hem ook nog nooit op een eigen mening kunnen betrappen.
Wendy is de lijfelijke bevestiging dat zwangere vrouwen niet aantrekkelijk zijn. Als ze opstaat om me net iets te enthousiast te kussen en te begroeten waggelt ze meer dan ze loopt. Waarschijnlijk denkt ze dat ik om haar glimlach. Het was meer de gedachte dat haar zwangere buik goed past bij haar te dikke kont.
Tegenover het gezinnetje in vorming, naast de kerstboom, zit de andere zoon. Frank. Frank is een gefrustreerde jongen van zevenentwintig. Verstokt vrijgezel. Over meisjes of vrouwen hoor je hem nooit. Over lekkere en geile wijven wel. Waar hij ook komt of gaat, de jongen straalt altijd een soort onrust uit. Alsof de man altijd gehaast is. Alsof hij zichzelf onophoudelijk dwingt de leukste opmerking te maken. Het verbaast me dan ook niets dat hij in de mobiele-telefonie-wereld zit.
Ik voeg me bij het gezelschap. Willemien komt uit de keuken gedribbeld, zet een glas Spa voor me neer en gaat zelf naast m’n vader zitten. Een fors glas sherry voor zich. Ze draagt zwart. Om de aandacht van haar lichaamsbouw af te leiden heeft ze een grote opzichtige broche opgespeld. Iets met veel glimmers en glitters.
M’n vader nipt nogmaals van z’n port en glimlacht de kamer rond. Iedereen kijkt elkaar wat aan. M’n vader met z’n trotse gezicht, Rob zonder emotie en Wendy met een gemaakte glimlach. Door de jaren heen heeft ze zich dit aangeleerd om zo punten te scoren bij schoon-mamma. Waarschijnlijk zonder dat ze het zelf merkt is het nu een tweede natuur voor haar geworden. Ze is zo ver dat ze haar eigen toneelspel leeft en gelooft. Zal de Viva al plaats gemaakt hebben voor de Libelle of Margriet?
‘Zoooowwww, gezellig, of niet jongens? Da’s toch altijd gezellig hè, zo saampjes met de kerst?’ Willemien kijkt iedereen verwachtingsvol aan. Iedereen mompelt zachtjes dat het inderdaad leuk en gezellig is. ‘Zoow, en wie wil er lekker een toastje? Zal ik lekker voor iedereen toastjes smeren? Wendy, jij?’ Een tweede poging van Willemien om het ijs te breken. Dik en zwanger als ze is hapt Wendy maar wat graag toe. Als je eet hoef je niet te praten en is het toch gezellig.
De kerstboom staat zoals ieder jaar in dezelfde hoek. Elektrische kaarsjes, gekleurde ballen en slingers die niet bij elkaar passen. Voor eenieder ligt er een pakje onder de boom. Oh, wat een feest. Afgelopen jaren kreeg ik bonbons, placemats en een naambordje. Ik ben benieuwd wat mijn huishouden volgens de dames dit jaar nodig heeft.
‘Hoe ben je gereden Rob?’ M’n vader kijkt hem oprecht geïnteresseerd aan. “Via de A29 naar het zuiden.” Blij om het over een echt mannenonderwerp te hebben komt de zin er zacht doch kordaat uit. ‘De A29? Dan zit je te ver naar het westen jongen, de A16 gaat toch veel beter.’ Zeker van z’n zaak nipt m’n vader nogmaals royaal van z’n port. “Um, ja, dat kan.” Rob lijkt z’n woorden nauwkeurig te wegen. “We hebben daarna de A59 oostwaarts gepakt. Zo zijn we hier gekomen” ‘Maar dan rij je om jongen.’ Weer even een korte stilte. “Ja, dat is waar. Maar Wendy wil toch niet hebben dat ik hard rij dus zo erg is het niet.” ‘Jah, hard rijden is mooi, maar als je echt hard wilt rijden moet je naar Duitsland. Dat hebben wij laatst gedaan.’ Frank mengt zich ook in het gesprek. ‘Jah, dat gaat mooi, dat is pas echt autorijden. Ik heb hem goed op z’n staart getrapt maar de tweehonderd haalt hij dan wel hoor.’ “Heb je tweehonderd gereden in die oude Golf van je? Da’s onverantwoord jongen” ‘Ja, maar daar kan het hè. En ik kan wel autorijden!’ Het gesprek valt weer stil. Rob kijkt weer voor zich uit en Frank zit trots op z’n stoel. Aandachtig let hij op of iedereen wel gehoord heeft dat hij tweehonderd kan rijden.
‘Hè, ik weet wat gezellig is nu, ik zal eens lekker nootjes halen uit de keuken. Dat is gezellig.’ “Ja dat is vast gezellig Willemien.” Wendy zegt het vol overgave. Ze kijkt alsof ze een aai over haar bol wil hebben omdat ze weer één van de ideeën van haar schoonmoeder toejuicht.
De dames lopen en waggelen richting keuken. M’n vader kijkt ze na en snijdt het volgende mannenonderwerp aan. ‘En wat vinden we eigenlijk van het voetbal? Het staat vlak bij elkaar nu. We zijn toch mooi spannend de winterstop in gegaan.’ “Ja Ajax doet het goed” Frank hapt direct. “Na de winterstop ga ik met ze mee. Vrienden van een vriend van me zijn fanatieke F-side supporters. Dan ga ik met hen mee naar het voetbal. Ze staan altijd vooraan als er wat gebeurt. Maar ze gaan eigenlijk meer voor de sfeer, maar soms gebeurt het gewoon hè. Dat gaat zo.”
De deur zwaait open en de dames komen weer binnen. ‘Zo jongens, we hebben pistache, pinda’s en gemengde nootjes. Lekker hè?’
‘Bart, jongen, vertel eens over je werk. Ben je al directeur?’ M’n vader vindt het waarschijnlijk mijn beurt om te praten.
Ik antwoord dat we gezien de economie niet mogen klagen op het werk. “Er komen redelijke orders binnen op het moment. Ook orders waarvoor we oude materialen uit ons magazijn kunnen gebruiken. Ik kan de offertes dus mooi scherp houden.” ‘Nou, daar drink ik op jongen, je doet het goed.’ M’n vader heft z’n glas en drinkt hem leeg. “Wil je een nieuwe lieverd?” Willemien laat geen mogelijkheid onbenut om voor meer drank en spijs te zorgen. ‘Ja doe maar schat. En jongen, wanneer word je nu directeur daar? Of ga je voor je zelf beginnen?’ De goedaardige simpelheid brengt me een glimlach. “De economie zit niet mee vader, voorlopig blijf ik bij m’n werkgever. Als het straks aantrekt zal ik eens voorzichtig om me heen kijken.” ‘Ja, maar jij zit ook in de verkeerde handel.’ Frank probeert gewichtig over te komen. Met z’n vijfde Bacardi-cola in z’n hand lukt hem dit slecht. ‘Dat is de verkeerde handel waar jij in zit Bart, jullie hebben allemaal voorraad en zo. Dat wil niet. Je moet je voorraad hier hebben.’ Hij tikt twee keer met z’n wijsvinger tegen z’n slaap. ‘Een vriend van me kan goed programmeren. Echt goed. Derde èn vierde generatie talen kan hij programmeren. Ik ga zelf Acces en VB leren. En als ik dat dan kan, beginnen we voor onszelf. Met mijn commerciële ervaring lukt dat gegarandeerd. Al onze voorraad zit in ons hoofd dan. Niks geen investeringen en dood-kapitaal en zo.’ Hij kijkt trots de kamer rond. Goed oplettend of iedereen zijn gouden toekomstplannen gehoord heeft. “Dat zou fijn voor je zijn Frank” Z’n moeder snapt waarschijnlijk maar half waar hij het over heeft, maar het klinkt zo mooi. “Dat zou mooi zijn.” ‘Kijk’ Frank priemt aangeschoten met z’n wijsvinger naar me. ‘Jij rijdt dan wel een mooie auto van je baas, maar straks ben ik eigen baas. Dan beslis ik zelf wat voor leasebak ik wil. Dan ben ik zelf de directeur en kan ik rijden wat ik wil. En niet zoals jij. Dan ben ik niet afhankelijk van een slome manager. Dan zitten wij niet in een dode markt waarin geen droog brood te verdienen is. Nee, wij hebben het straks voor het uitzoeken!’ Z’n hoofd loopt rood aan van z’n eigen tirade. Om z’n woorden gewichtiger te laten klinken duwt hij z’n borst naar voren. Ik kijk naar hem. Met vuur in z’n ogen kijkt hij eenieder stuk voor stuk aan om er zeker van te zijn dat iedereen wel onder de indruk is van wat hij zegt.
Hij kijkt mij een paar tellen aan en slaat vervolgens z’n halfvolle glas Bacardi-cola achterover.
De manier waarop hij dit doet is voor mij de druppel en ik besluit om er tegen in te gaan. Jarenlang heb ik het circus meegespeeld en heb ik alles vriendelijk en oppervlakkig gelaten. Nu is het mooie weer voorbij en besluit ik m’n bek open te trekken: ‘Frank, laat me jou eens wat vragen, jij maakt toch altijd alles mee?’ Hij knikt bevestigend. ‘Jij doet toch altijd alles en als je iets doet dan ook direct tot het uiterste.’ Hij knikt weer. ‘Vorig jaar heb je tot in den treure verteld over hoeveel jullie gezopen hebben in Loret de Mar en hoeveel jullie altijd in de discotheek drinken. Meer dan wie dan ook. Dit jaar heb je het over voetballen. En dan direct over de F-side. Als je gaat autorijden wil je direct tweehonderd.’ Bevestigend en zich trots groot houdend knikt hij mee. De spanning hangt echter dik in de lucht. Iedereen voelt dat ook Frank weet dat er iets komen gaat. ‘Frank, jongen, alles heb jij meegemaakt. Bij jou gaat alles harder, verder, hoger en sneller. Je weet alles beter. Maar zeg nu eens. En zeg eens eerlijk. Maakt dat alles jou gelukkig? Zeg eens eerlijk, ben jij een gelukkig mens Frank?’ Ik kijk hem aan. M’n ogen rustig en onbeweeglijk op hem gericht. Maar ook koud. IJskoud.
Als een vis hapt hij in de lucht. Z’n ogen groot en stomverbaasd. Alsof ik in koelen bloede tegen z’n auto sta te zeiken kijkt hij me aan.
M’n vader kijkt geschrokken. Onprettig gewekt uit z’n roes van port en schijngezelligheid. De vrouwen lijken als in paniek. Ze maken korte driftige beweginkjes met hun armen en kijken koortsachtig van elkaar naar Frank, naar mij en weer naar elkaar. En voor het eerst zie ik Rob met een glimlach op z’n gezicht. Als een tevreden genieter zit hij achterover op de bank. Hij heeft z’n handen voor z’n buik gevouwen en neemt het schouwspel tot zich. Tot op de laatste druppel. Genietend van iedere seconde.
‘Nou Frank, zeg eens….’ Hij blijft happen als een vis. “Eehhm, Bart! Doe nou niet zo naar, het is kerstmis! Het is gezellig vandaag, dan moet je niet van die gemene dingen zeggen!” ‘Nee Willemien, ik heb jarenlang meegedaan met deze onzin hier, keer op keer heb ik dezelfde poppenkast meegespeeld. Keer op keer heb ik gedaan alsof wij familie zijn. Sterker nog, keer op keer heb ik gedaan alsof ik jullie aardig vind. Nu is het genoeg geweest. De maat is vol. Frank als je een kerel bent geef je me dan fatsoenlijk antwoord.’
“Het is jouw zoon, zeg jij er eens wat van vader!”
Ik sta op en overzie het schouwspel. Frank zit in z’n stoel. Zich dood geschrokken omdat iemand de leugen die hij leeft en gelooft heeft doorgeprikt. Z’n kop rood en het huilen vele malen nader dan het lachen. Willemien probeert het glas port uit m’n vaders hand te rukken en maant de geschrokken man tot actie. De zwangere Wendy krijst tegen Rob en timmert driftig op z’n schouder. Maar de man zit en geniet. Vorstelijk zit hij met een kamerbrede glimlach op z’n gelaat. Hij kijkt van Frank naar mij. Ik lees een soort blije trots in z’n ogen Oh hoe graag had hij dit alles zelf gezegd en gedaan.
Ik geef hem nog een kort knikje en loop naar buiten.
Vandaag komt Moeder in haar auto bij mij op bezoek. Ze zal een aantal dagen logeren.
De bladeren zijn gevallen en reeds verteerd. De wind waait guur de ene dag. Natte stille kou klamt kil langs de nek de andere dag. Ik heb reuma dus ik voel dat. Ik draag een grijs, wollen vest, een grijs flanellen pantalon en instapschoenen. Zoals ik eruit zie, heeft mijn leven niet veel te betekenen. Heeft mijn leven eigenlijk wel eens iets betekend?
Ik haat de dagen voor de Kerst. En dat komt niet alleen omdat ik een atheist ben. Iedereen jachtig op weg naar de ander. Gezelligheid en Warm Geloof noemen ze dat. 'Gelul' noem ik dat.
Ik haat Kerst met al dat gezeur over kindje Jezus. Religie noemen ze dat. Godsdienstwaanzinnigen noem ik dat. Kerst is niet voor mij. Kerst is een verachtelijk godsdienstwaanzinnig en commercieel feest voor de geestelijk slappe pulpmassa. Tweeduizend jaar geleden werd het plebs bewierookt door Christus. Tweeduizend jaar later wordt datzelfde plebs bedwelmd door commercie doorwrocht van deze gekmakende Kerstgedachte.
Maar toch, ik moet er niet aan denken dat ze gelijk hebben met hun eeuwige leven. Ik ben bang voor de dood.
Ik ben lelijk. Denk ik. Nu ben ik oud en lelijk maar toen ik jong was, was ik ook al lelijk. Weinig meiden zagen mij staan. Geen enkele eigenlijk. Daarom hou ik zo van de kroeg. Daar is het donker en warm. In een ouwe kroeg zien ze niet hoe groot je bent want ik zit aan de tap. In de kroeg pis ik in het donker tegen de bar als ik dat wil. Maar ook op de wc zien ze niet hoe oud en lelijk ik eigenlijk ben. In de kroeg is het donker en warm.
De kroeg is mijn bedstee, mijn huis en mijn haard. In de kroeg krijg ik vaak veel want ze kennen me maar het is me nooit genoeg. Ik hou van veel drinken want het verkleint mijn wereld. Zo verdwijnt de boze wereld achter de klapdeuren naar het koude buiten. In de kroeg kan ik alleen zijn en nadenken. Nadenken over de belangrijke zaken in het leven.
De ernstig drinkende mannen om mij heen praten diepe onzin. De barkeeper is mijn enige vriend, "Sherriff, schiet mij nog eens vol", roep ik en dan komt hij met de Oude Graanjenever. "Ik lust er nog wel een", en dan krijg ik nog een bier van hem. Wij kennen elkaar.
Zwijgend denk ik na over het leven. Ook zwijgend ben ik met mijn gedachten bij Moeder. Moeder is 85 jaren oud maar rijdt nog steeds auto. Moeder en ik willen de donkere dagen van Kerst samen doorbrengen. Al jaren vertel ik Moeder dat autorijden met dit weer en op deze leeftijd gevaarlijk kan zijn. Maar Moeder wil per se met de auto komen want dat geeft haar een vrijheidsgevoel. Haar bejaardenwoning laat geen logee's toe. Ik vind het fijn als Moeder bij mij is.
Mijn katers werken sterk isolerend. Dat is wat ik haat en naarmate ik ouder word, worden de katers sterker. Met een kater heb ik een onberedeneerde angst voor mensen die mij passeren. Dat is een vreemde situatie waarin mijn geest terecht komt als ik een kater heb. Als ik in een kater leef, voel ik mij paranoide. In dronkenschap echter maak ik de geweldigste dingen mee.
De klapdeuren van de kleine kroeg zwiepen open en een handvol uitgelaten jongeren stormt binnen. Groep acht van het atheneum zo te zien. Laatste schooldag voor de Kerstvakantie, proefexamens achter de rug. Hooguit 17 jaar.
Twee meiden en drie jongens zijn het. Dikke winterjassen beschermen de jongelingen tegen de kou. Eenmaal binnen zijn de gewatteerde jassen overbodig en worden opgehangen aan de kapstok. Vlasbaardjes komen bij de jongens vanachter sjaals tevoorschijn. De meisjes laten frisse tietjes onder hun strakke truitjes zien. Rode koontjes van de kou en handenwrijvend staan ze in de kroeg.
Warme chocomel wordt besteld en sigaretten worden opgestoken. De groep is luidruchtig. Hippe dure kleding volgens modetrends die ik niet ken. Wat doen zij hier in de kroeg? Mijn kroeg. Misschien is de school dichtbij en is het heel slecht weer. Ik kan niet meer goed nadenken. Hoe laat is het? De alcohol heeft mij reeds zwaar in haar greep en vliegt mij naar de keel. Ik voel zuurstofgebrek in mijn hoofd.
De jeugd, de rijpheid en de weemoed. Jonge vogels aller windstreken, het luchtruim is aan u! Halleluja! De gekte galmt door mijn hoofd.
Ik neem nog een ferme slok en kijk opzij. Als ik de jongelingen bezig zie, wil ik graag met hen over de dood spreken omdat zij niet zouden geloven dat dit onderwerp op hen van toepassing is. De onsterfelijkheid voor de jeugd is vanzelfsprekend. Daarom drinken ze ook zo veel en rijden ze zo snel, liggen ze 's middags lui in de zon om bij te kleuren en zoeken ze een plaats waar ze kunnen bungeejumpen.
Ik ben doordrongen van het feit dat ik op een dag ga sterven. Het is een marteling te moeten vrezen waaraan ik niet kan ontkomen.
De jonge zieltjes en hun vlucht tot trouwen. Nauwelijks vruchtbaar en de natuurlijke interesse in het andere geslacht reeds volop aanwezig. Geil is het om te zien. Zonder schande of schroom, zonder zonden, zonder schrikken zitten ze aan elkander. Duizend van zulke ogenblikken, duizendmaal zo zoet als room.
De beide meisjes noemen elkaar Justine en Juliette. Het schiet door mij heen; twee romans van Markies de Sade. Het kan geen toeval zijn; zij gedragen zich als Sodom en Gomorra. Het ene meisje valt extra op. Het nimfje met de stralende ogen en de betoverende stem heet Justine. Zij is een aanstaande bruid wier aanbiddelijke lichaam perfect geschikt is voor het moederschap. Bovendien is haar schoonheid bekoorlijk.
Iemand die mijn gedachten eens hoorde, noemde mijn beschouwingen getuigen van seksuele pathologie met een moreelnihilistische levensfilosofie. Dat vind ik te moeilijke woorden, aan die verantwoordelijkheid zal ik mij niet wagen.
Een van de jongens komt naast mij staan. Vol bravoure richt hij zich tot mij: "Heee ouwe, ik zag je wel kijken naar Justine". Ik neem een grote slok en adem in zijn richting.
"Jongeling, ik zal je angst tonen in een handvol stof. Jij bent stof en tot stof zul jij wederkeren. Neemt een ronde op mijn rekening en proost op de duivel".
De jongeling is verbouwereerd en staat nietszeggend op zijn plaats. Mijn bestelling doet hem weer bewegen. Het ligt in mijn macht deze jongeren te verplichten na te denken over de dood. Langzaam druipt hij af met een plateau zoete alcohol.
Elke man wil een tiran zijn als hij geslachtsgemeenschap heeft. Ik ben imperialistisch, irreeel, extreem in mijn desolate verbeeldingskracht, vermoord me of neem me zoals ik ben want ik zal niet veranderen.
De tijd glijdt voort. Drank wordt gedronken, mensen komen en mensen gaan. Justine en Juliette, Sodom en Gomorra, hebben naast mij gezeten. Eerst praatten zij met elkaar. Daarna praten zij met mij. Zij vragen of ik gelovig ben. Ik stel een wedervraag en vraag of zij gelovig zijn. Justine en Juliette knikken bevestigend. Justine en Juliette zien erg uit naar de viering van het Geboortefeest van Jezus Christus.
Ik weet waar Justine woont. Ik hoor Justine uitleggen aan Juliette dat zij altijd door het park gaat. "Het is de korste weg door het park en ik ben nog nooit lastig gevallen", hoor ik haar zeggen.
Misdaad is de geest van alle lusten. Wat moet plezier zijn als het niet geescorteerd zou worden door misdaad? Het is niet het onderwerp van het plezier dat ons opwindt, het is het verboden idee, het idee van het kwaad dat ons opwindt. Waarom dan niet gelijk toegeven aan het kwaad en daaruit onze lust halen? Het is een harde, eerlijke manier van pure lustbeleving.
Justine gaat als eerste de kroeg uit en dit is het moment waarop ik gewacht heb.
"Sherriff, schrijf alles effe bij", zeg ik tegen de barman en theatraal knoop ik de lange jas dicht. De sjaal omgekruld tegen mijn nek en de bovenste knoop van de jas dicht. Ik haat een kouwe nek. Ik heb reuma dus ik voel dat.
Als ik naar mijn scooter loop, zie ik Justine de stoep affietsen richting het park. Ik start de scooter. Langzaam volg ik haar. De wind heb ik tegen dus zij hoort mijn scootermotor niet. Dat is een fijne bijkomstigheid.
Als Justine het park ingaat, hou ik stil. Ik zet de motor van de scooter uit en volg met mijn ogen het rode achterlicht van haar fiets. Ze gaat linksaf en dat zegt mij genoeg. Dat is de route van twee kilometer door het park. Dat kost haar nog enkele minuten voor ze bij de grote bocht is en daar moet het gebeuren. Ik stap van de scooter en open de klep onder het grote zadel. Een rol brede tape en een bolletje ruw touw haal ik eruit en stop ze in mijn jaszak. Die heb ik zometeen hard nodig.
Ik hou mijn horloge strak in de gaten. Een minuut... twee minuten... ik start de motor weer en rij het park in. De eerste bocht, de tweede bocht en dan het lange rechte stuk. Ik zie het rode achterlicht weer en geef nu wat harder gas. De koude wind blaast in mijn gezicht. Hier mogen geen scooters rijden dus Justine zal argwanend reageren.
Ik herken haar witte jas met rode streep. Dit moet Justine zijn. Verder zie ik niemand. De adrenaline schiet door mijn bloed. Ze fietst in normaal tempo en kijkt niet op of om. Als zij deze snelheid aanhoudt en ik ook dan komen wij tegelijkertijd bij de bocht.
Mijn mond is droog, mijn handen zijn koud. Ik zweet op mijn rug en voel de koude winter tegen het voorhoofd slaan. Justine is nog maar 50 meter van de bocht en ik 150 meter.
Justine trapt rustig door en heeft nog geen enkele keer achterom gekeken. Dan gaat ze de bocht in en ik geef vol gas. Hoewel de scooter maar langzaam versnelt onder mijn logge gewicht begint hier wel het echte verhaal. Vanaf hier is er geen weg meer terug.
Ik richt het voorwiel strak op de bocht en stuur recht op het onschuldige meisje af. Dan kijkt ze om. Grote verschrikte ogen staren mij aan en Justine komt nu snel dichterbij. Ik duw mijn voorwiel in haar richting en probeer op haar voorwiel te mikken. Het lage hekje dat het asfalt scheidt van het gras van het park belet haar van mij weg te sturen. Justine kan geen kant meer uit, ze zit als een rat in de val. Met een doffe dreun plant ik het kleine zwarte scoorterwiel tegen de kettingkast van haar fiets.
De klap is groot. Haar fiets smakt tegen de grond, de scooter knalt onder mij vandaan en ik land boven op Justine in het koude en natte gras. We hebben op een haar na de grote boom gemist. Snel grijp ik haar bij haar haren maar veel weerstand merk ik niet. Justine is bewusteloos.
Ik sleur haar mee naar een perkje achter de boom en tape haar mond dicht. Ik bind haar handen op haar rug. Buiten bewustzijn zit Justine tegen de boom. Ik loop terug en trek de scooter het gras op. Ik duw het gevaarte onder de bossage. De fiets van Justine zet ik tegen de scooter. Vanuit deze donkere beschutting kijk ik toe of ik ongezien mijn werk heb kunnen doen. Niemand te zien. Niemand te horen. Justine zit nog steeds bewegingloos tegen de boom.
Ik loop naar de boom en til het meisje onder haar armen rechtop. Ik hoor haar zachtjes gekreun en raak reeds in vervoering. Lief en fluweelzacht jongemeisjes gekreun.
"Justine... wordt eens wakker", fluister ik in haar oor. Langzaam komen haar krachten terug en na korte tijd kan ze weer een beetje op eigen benen staan. Justine doet haar ogen open. Van paniek is geen sprake. Ik kijk haar aan. Zij kijkt mij aan. Ze wil wat zeggen maar merkt dat haar mond is dichtgetaped.
Terwijl ik mijn werk doe, vertel ik haar waarom ze hier staat.
"Er zijn vier angsten voor de dood, Justine". Ik zie haar schrikken als ik haar naam noem. Wild snuift ze door haar neus.
"De eerste angst is de angst voor het stervensproces. Ben jij bang om te sterven, Justine?". Ik zeg het heel kalm zodat het jonge meisje tijd heeft om alles op zich in te laten werken.
"Justine, vrees jij dat je pijn zult lijden als je dood gaat? Vrees jij de psychologische foltering om van alles en iedereen te moeten achterlaten als je dood gaat? Iedereen waarvan je houdt?", zeg ik haar nog steeds op kalme toon terwijl ik haar verder vastbindt. Ze is verlamd van angst. Haar wilde gesnuif heeft plaats gemaakt voor lange en diepe ademhaling.
Ik trek haar armen om de boom heen. De boom is enorm groot dus het lijkt meer op het spreiden van haar armen. Ik bekijk mijn werk van enige afstand en ik ben tevreden. Met wijdopen armen staat ze daar en het voelt alsof ze op mij af wil stappen en mij wil omhelzen.
Dan kom ik weer dichterbij. Ik duw zachtjes mijn neus in haar nek en ruik een warme kindernek. Justine is 17. Ik ruik nog een keer en steek mijn tong uit. Ik lik in haar nek waar haar halsslagader zit. Ik voel haar kloppende levensader en ik proef haar zoete zweet. Jong meisjeszweet zonder al te veel oestrogeen. Zoet en geil.
"Een beweging lieve Justine, en je bent er geweest. Dat snap je wel, he?". Justine knikt met haar hoofdje en ze snakt nog een keer diep naar adem.
Ik buk en raap het touw op. Nu bind ik een enkel van het meisje vast. Justine staat rechtop en ik begin haar spijkerbroek los te knopen. Langzaam gaat de riem los en ik trek haar spijkerbroek omlaag. Een schattig roze slipje heeft ze aan. Ik zie de afbeelding van een klein poesje en toepasselijker kan het niet.
Ik druk mijn neus in haar slip. Ik voel mijn dikke neus tegen haar wijkende schaamlippen. Een rilling gaat door haar heupen. Ze wil wat zeggen maar de tape weerhoudt haar.
Nu haar spijkerbroek op haar enkels hangt en zij vastgebonden tegen de boom staat, gaat het echte werk beginnen. Ik ruk haar slipje van haar billen en bind haar andere enkel ook vast aan de boom. En daar staat ze dan. Wijdbeens, met gespreide armen in haar ontblote onderlijf.
Weer bekijk ik mijn werk van een kleine afstand. Fantastisch! Haar lange blanke benen zijn mooi zichtbaar en het kleine plukje schaamhaar verraadt waar het episch centrum van mijn daad zit.
Wederom loop ik naar haar toe en nu in haar andere oor vraag ik haar op fluistertoon naar de tweede angst voor de dood. "Justine ben jij bang voor vergelding na de dood?". Justine reageert niet. Justine verkeert in een hevige impasse en laat alles over zich komen.
"Justine, als jij zometeen doodgaat, ben jij dan niet bang voor vergelding na jouw dood? Heb jij niet iets misdaan in dit leven waarvoor God jou zometeen zal straffen? Heb jij wel eens nagedacht over de dag waarop het Laatste Oordeel geveld zal worden? Hoeveel heb jij misdaan, Justine? De helse afgrond spert zijn muil open, de hellepoel is gereed en de Toorn van God zal jou doen branden".
Ik ga met mijn tong langs haar oor en laat mijn rechterhand rusten op haar jonge venusheuvel. Weer voel ik een rilling door haar heupen gaan. Ik raak opgewonden.
Nu kniel ik voor haar en met mijn beide duimen duw ik haar schaamlippen uit elkaar. Ik kijk aandachtig naar haar geslachtsorgaan. Wat een jonge pracht! Glinsterend roze. Ik steek mijn dikke neus tussen haar lipjes en inhaleer diep. Welk een heerlijk zacht vlees en hoe mooi warm is zij. Ik lik haar clitorus en duw mijn tong zo diep mogelijk in haar. Justine heeft zichzelf niet meer onder controle.
Haar lichaam neemt bezit van haar geest. En spoedig zal mijn lichaam bezit nemen van haar lichaam. Mijn geest heeft mijn lichaam reeds bezet. Ter vervolmaking van deze bizarre hierarchie zal binnen afzienbare tijd mijn geest haar geest binnendringen waarmee de hele cirkel rond is.
In mijn hoofd hoor ik bijbellezingen uit mijn jeugd over de eindtijd, er is goede muziek, ontspannen sfeer en veel geknuffel. Voorspellingen uit het openbaringsboek wijzen erop dat de laatste generatie niet hoeft te sterven maar dat slaat niet op mij. Ik voel het elke dag, elke maand en elk jaar. Elke dag voel ik mij slechter. Ik weet dat ik ga sterven.
Ik ontknoop mijn grijs flanellen pantalon en trap mijn instapschoenen uit. Het is een handeling die slechts een paar seconden neemt.
Maar Justine hoeft niet te sterven. Justine is de laatste generatie en hoeft niet te sterven. Justine heeft geen angst voor de dood. Justine gelooft in God. Justine zal eeuwig voortleven en daarom zal ik in Justine gaan. Ik wil ook eeuwing voortleven maar ik ben bang voor de dood.
"Justine", hijg ik nu opgewonden bij haar oor, "de derde angst voor de dood is de angst voor het onbekende. Ben jij bang als je dood bent wat er daarna zal zijn? Zal het zijn zoals slapen? Of als het vallen in een bodemloze put? Zal het beangstigend zijn? Of juist zacht en vriendelijk?".
De tape op haar mond belet haar te jammeren maar haar schokkende strottehoofd en donkerdiep gekreun zegt mij alles. Het meisje is desperaat. Ik ervaar pure macht, ongeevenaarde geile lust.
Ik trek mijn voorhuid naar achteren en duw mijn eikel onder haar clitorus. Ik voel een derde siddering door haar lichaam gaan. Het zullen mijn drie vragen zijn die haar laten sidderen. Zij is in mijn macht en ik kan haar nu laten nadenken over dingen waar zij nog nooit over heeft nagedacht. Dat is de arrogantie van de jeugd. Vandaag verander ik dat voorgoed bij Justine.
Ik voel dat ze nat is. Het zal mijn speeksel zijn. Mijn handen omklemmen haar middel. Eerst kijk ik omlaag en ik zie hoe mijn ouwemannenlul in haar schuift. Beetje bij beetje. En weer terugtrekken en dan er weer in, weer een stukje dieper. Daarna kijk ik naar Justine.
Geen sensatie is interessanter dan het aanschouwen van andermans pijn omdat het zo actief is, zo levendig en zo onmiskenbaar. Ik wil andermans pijn alleen genieten. Een groot deel van de satisfactie verdwijnt als ik het zou delen met anderen. Ik ben alleen met mijn prooi. Mijn zwetende voorhoofd naast haar klamme gezichtje. Het contrast van haar zachte jammerende pijngekreun en mijn grommen.
Haar hoofd staat recht op haar schouders en ze kijkt mij aan. Met wijd opengesperde ogen volgt ze mijn hoofd dat nu opkijkt van haar venuszone naar haar gezicht. Ik kijk haar recht in de ogen en concentreer mij op haar grote zwarte pupillen. Diep kijk ik in haar en terwijl ik dat doe ga ik voor de eerste keer helemaal in haar. Diep in haar binnenste kom ik pas echt tot leven. In haar klamme van angst gekromde lichaam. Haar maagdelijkheid is ze bij deze kwijt. Dit is de dag dat zij van maagd naar bevruchte vrouw zal gaan.
Weer ga ik zo diep mogelijk in haar, mijn geest vloeit door haar pupil in haar beide hersenhelften. Ik neem haar over en haar oogleden worden slap. Haar ogen verkleinen en ze laat haar hoofd schuin hangen. Justine is gebroken. Justine geeft zich over en wordt een met haar binnendringer.
Mijn tempo versnelt en ik voel mijn eikel groter worden. Het is God die door de Geest dingen openbaart die over de Here Jezus gaan. De Geest van Justine en mijn geest zijn versmolten en op deze manier ervaar ik God. Vanavond ga ik Justine bevruchten. Mijn dagen op aarde zijn geteld. Ik heb reuma dus ik voel dat. De gekte galmt door mijn hoofd.
Vanavond heb ik de kans om mijn eeuwige leven te planten in deze maagd mij gezonden door God. Dit is de tijd van de wedergeboorte en naastenliefde. Ik plant mij voort in haar jonge schoot. Harder gaat mijn stootkracht en ik voel mijn scrotum krimpen. Mijn mondhoeken trekken van geiligheid en ik kijk naar Justine. Zij heeft haar ogen dicht. Ik zie een traan rollen.
Ik kan bijna niet meer praten van mijn eigen gehijg. "Justine, ken jij de vierde angst voor de dood? Heb jij wel eens nagedacht over het onvermijdelijke van de dood? De dood vernietigt de persoon die jij was, voor eeuwig en lang daarna. Eeuwig is een domme term, Justine, oneindig is veel beter. Er is geen afgrond zo diep en geen gevoel zo leeg en zo totaal dat in de buurt komt van de absuolute leegte van de dood.... en daarom ga ik je nu bevruchten. Justine, hoor je mij?"
Ik ben mij ten volle bewust van mijn eigen sterfelijkheid. Het verval van het lichaam. De rebellie van het vlees. De onvermijdelijke, onafwendbare opmars van de dood wordt aan de horizon zichtbaar. Toegegeven, ik praat een tikkeltje overdreven tegen Justine maar ik heb een creatieve aard. Ik hoef toch niet te sterven? Ik kan toch met lichaam en geest in Justine worden opgenomen om met de terugkerende Christus de eeuwigheid in te gaan?
"Justine, voel je hoe ik God bemin?".
Mijn tong steekt nu verkrampt en gekruld uit mijn mond. Ik bries als een hardwerkend paard. En zo voel ik mij ook. Vanuit mijn lendenen voel ik het opkomen. Mijn ene hand om haar smalle taille en mijn andere hand om haar kleine meisjesbil. Haar naakte jonge vlees in mijn hongerige hand geeft mij houvast op weg tijdens mijn laatste stoten in de richting van de eeuwigheid.
Ik stoot zo diep mogelijk mijn dierbare cellen in de richting van haar vruchtbare akkers. De voedingsbodem van waaruit mijn wederopstanding zal beginnen. Met diepe halen hijg ik in haar nek. Een aantal seconden is het zwart voor mijn ogen. Daarna kom ik bij en kijk op mijn horloge. Het is even na twaalven. Even na twaalven en ik ben nog in Justine.
Het galmt door mijn hoofd 'Waar zou Moeder zijn?'
Ik maak gebruik van het moment en zeg haar: "Het is de volgende dag, hier begint de volgende dag". Langzaam trek ik mijn slappe penis uit haar. Ik maak een langzame, terugtrekkende beweging om de hele situatie een theatraal cachet te geven. Voor zover dit nog niet genoeg een theatrale avond was.
"Justine, ik ga je zometeen losmaken maar niet helemaal. Je zult zelf je benen moeten losmaken. Je fiets staat onder die bosjes verderop en je broek ligt naast je. God zal behoeden dat dit begin van nieuw leven verstoord wordt. Wij hebben zojuist het feest van de wedergeboorte gevierd. Ga naar huis en bid tot onze heer voor ons gezonde kind."
Ik haal de knoop uit het touw die verhinderd dat Justine haar armen kan bewegen.
Mijn pantalon is inmiddels dicht en ik doe ook de jas dicht. Bijna theatraal knoop ik de lange jas dicht. De sjaal omgekruld tegen mijn nek en de bovenste knoop van de jas dicht. Ik haat een kouwe nek. Ik heb reuma dus ik voel dat. Dan trek ik de scooter onder de bosjes vandaan, stap op, start en rij weg.
Waar zou Moeder zijn? Hoe laat had ik met Moeder afgesproken en was het wel vandaag? Ik rij langzaam naar huis en passeer een eveneens langzaam rijdende politiewagen. Er wordt weer veel gecontroleerd op fietsers en bromfietsers zonder licht. Gelukkig rij ik met licht. Ik wil snel naar huis.
Thuisgekomen schenk ik een borrel in. Ik moet even helder denken. Waar zou Moeder zijn en hoe was de afspraak ook alweer? Verdomme, waarom weet ik dat niet meer? Ik zet de gaskachel aan en door de glazen ruitjes zie ik de cirkelvormige blauwe vlam die mij behaaglijke warmte gaat geven. Ik schenk mijzelf nog een borrel in.
Ik word wakker van de deurbel. Licht schijnt door de ramen zonder gordijnen. Vaalgrijs licht en ik zie dat het miezerregent. Waar ben ik? Godverdomme, ik zit in de stoel, de gaskachel is aan en het is licht. Hoe laat is het? Welke dag is het en zou Moeder niet komen?
De bel gaat weer maar wordt nu nadrukkelijker ingedrukt. Ik strompel uit de stoel. Al mijn ledematen zijn stijf. Wat heb ik een stramme pijn overal.
De glazen ruit in de voordeur verraadt geuniformeerd politieblauw. Ik hoor zware stemmen en reken uit dat het twee politiemannen moeten zijn. Wat zou er aan de hand zijn? Justine zal toch niet...
Een moment twijfel ik of ik wel open zal doen. Dan draai ik de sleutel om en zie twee grote politieagenten staan.
"Bent u Willem van Peijningen?", bast de ene agent. Ik knik en brom een onverstaanbaar 'ja'. Ik vrees het ergste.
Dan bast de andere agent, "uw moeder is vannacht bij een autoongeluk om het leven gekomen."