Lang was het geleden dat Johan gelukkig was. Hij woonde nog thuis en z'n ouders zorgden voor hem. Als kind was hij een blije jongen, die iedereen aan het lachen kreeg. Het leven was simpel in die tijd, vaste patronen, spelen in de buurt, naar school en geen gezeik.
Vanaf het moment dat hij een jaar of 16 was kwam de kentering in z'n leven. Door school werd hij uit z'n vaste ingesleten patronen gedwongen. Hij kwam er niet meer vanaf met een halfuurtje huiswerk per dag, hij moest boeken lezen, stage lopen, scripties maken, allerlei onzin waar hij toch niet beter van zou worden. Meekomen met de klasgenoten wilde hij niet. Hij verafschuwde ze, zijn klasgenoten die zich ineens veel beter thuis leken te voelen bij deze leeftijd. De sukkels van vroeger werden de helden van nu, en andersom, zo leek het. School was een verplicht nummertje voor hem, meer dan een half uur huiswerk was er nog steeds niet bij en hij slaagde uiteindelijk met vijven en zessen.
Een aantal jaren later was het niet beter geworden. Veel psychologen had hij niet gehad, maar zijn angst om verder te moeten in het leven werd met de dag ondraaglijker. Hij had nog een korte vervolgopleiding gedaan en nu was de tijd gekomen dat Johan het huis uit moest. Voor zichzelf zorgen. Ook dat verfoeide hij. Hij begreep echt niet wie in Godsnaam had uitgevonden dat een mens moest werken, en ook nog sociale contacten onderhouden omdat je anders depressief werd. Zijn ouders hielpen hem met het inrichten van z'n flatje op zes hoog en de eerste keer dat hij alleen in z'n nieuwe huisje sliep, zei z'n moeder: "Nou Johan, slaap lekker vanavond hè?" Dat was het dan. Twintig jaar voorbij en overgelaten aan z'n lot door z'n ouders.
Johan sliep die eerste nacht niet zo goed als z'n moeder hem toewenste. De volgende dag moest hij naar z'n werk. Een simpel baantje bij een schoonmaakbedrijf. Verstandelijk kon hij meer, maar geestelijk gaf hem dat te veel druk. In elk geval liep hij niet meer tegen afwijkingen in z'n vaste patronen aan. 's Ochtends om zeven uur beginnen en s' middags half vier naar huis. Soms een keer overwerk maar daar viel mee te leven.
Toch werd het na een paar maanden bijna ondraaglijk voor hem. De wetenschap dat hij beter kon dan hij was knaagde aan hem, maar de moed het patroon te doorbreken ontbrak. Uit pure frustratie zette hij dan 's avonds zijn cd-speler keihard aan. Zweedse death metal was favoriet. Avonden hield hij dit vol. Tot ongenoegen van zijn buren, die regelmatig wraakacties ondernamen. Zijn auto werd besmeurd en zijn balkon lag onder de zut. In zijn brievenbus vond hij regelmatig een hondedrol. Johan zat er niet mee. Depressief lag hij op de dunne vloerbedekking te wachten tot de cd uitgespeeld was.
Op een middag had hij het allemaal klaar in z'n hoofd. Na het werk als hij thuis kwam zou hij er een einde aan maken. Hij had de beslissing genomen en hij zag het allemaal weer helder. Voor het eerst in lange tijd. Na het werk reed hij opgewekt naar huis. De zesde verdieping waar hij woonde was hoog genoeg. Hij nam de lift, groette een medebewoonster en liep naar zijn voordeur. Linea recta liep hij door naar het balkon aan de achterkant. Een kwartiertje had hij naar beneden staan kijken. Als je hier zou vallen zou je zeker dood zijn. Hij liep naar binnen en kwam terug met een veiligheidskabel die hij bevestigde aan het balkon. Het andere eind maakte hij vast aan zijn veiligheidsvest en liet zich over het balkon glijden. Als glazenwasser was hij wel gewend aan grote hoogten. Fluitend begon hij de ramen van al z'n buren op zes hoog te wassen.
Het nirvana van de gegeneraliseerde Riemann-hypothese
Het begon zo’n vier jaar geleden. Op een vrijdagavond. Zoals gebruikelijk. In de kroeg. Dronken, laat en stinkend leerde ik Esther kennen. Ik: vorig jaar nog drop-out van de Faculteit Filosofie en nu begonnen met Wiskunde. Acne van een hormonenoverschot uit mijn pubertijd. Bril, en een grote bek door het vele bier. Zij: Knap koppie, tenger postuur en mooie grijze kijkers. Lastiggevallen door een andere slungelige jongen waar ze kennelijk niets van moest hebben. Niet dat ze dat liet blijken. Integendeel. Maar haar aura reflecteerde feilloos haar stemming. Even later raakte ik met haar aan de praat. ‘Haar ex’, zei ze. Een oppervlakkig babbeltje, en het vluchtige afgeven van een telefoonnummer bij het afscheid. Twee weken later belde ze, en we spraken af voor de bioscoop.
Voor de film dronken we eerst wat. Koetjes en kalfjes over onze opleidingen. Zij was van origine Tsjechisch en wilde liever Wiskunde gaan doen. Maar haar ouders wilden dat zij HEAO ging doen. Ik weet nog dat ik indruk probeerde te maken met de combinatie van Filosofie en Wiskunde, maar dat het niet lukte. Een afwezige blik in haar ogen vermeldde desinteresse.
Door naar de film. Ik had een lekke band en fietste op haar fiets, een oversized opoefiets met jasbeschermers die geborduurd waren in alle kleuren van de regenboog. We hadden al aardig wat op en de meligheid van de film overviel me. Ik kreeg de slappe lach. Verschrikkelijk. Esther bleef stoïcijns onder zowel de meligheid van de film als onder mijn slappe lach. Humor deerde haar in het geheel niet. Niet dat de film haar smaak niet was, maar er waren andere dingen die haar boeiden. Wiskunde bijvoorbeeld, zoals ze later vertelde. En seks, zoals ik later in de nacht ervoer. Twee uur later beleefde ik een van m’n mooiste hoogtepunten. Onverzettelijk werkte zij door naar haar eigen hoogtepunt dat met een kreun en een zucht volgde. In het schemer van de narust viel haar uitdrukkingsloze gezicht me weer op.
Het bleek dat Esther wat je noemt ‘moeilijk te bereiken’ was. Soms bijna autistisch. Altijd zwijgzaam. Maar het lag niet aan mij. Ze was gewoon zo, zei ze. Behalve die ene keer bij haar stereo op de grond bij haar thuis. Toen ik haar studentikoos kleine CD-collectie bekeek en Hazes opzette kwam ze gezellig en knus naast me zitten. Samen bekeken we de cd-doosjes. Uit haar kleine cd-verzameling sprak al een duidelijke volkse inbast. Nederlandstalig, Top 40 en wat space rock zoals een CD-singeltje Tiga & Zyntherius dat ze vaak opzette voordat we het bed opzochten. Esther bleek een onverzadigbare honger naar sex te hebben. Samenzijn was klaarkomen. Zij altijd bovenop. In stug tempo doorwerkend naar haar eerste hoogtepunt, en dan mijn hoogtepunt. En altijd daarna weer haar lege, afwezige ogen, starend naar het plafond. Afwezig en zonder woorden. Voor mij was liefde met Esther bedrijven een goddelijke hereniging waarbij ik zomaar in huilen kon uitbarsten. Plichtmatig bleef ze dan doorwerken, onverzettelijk naar wat haar toekwam.
Soms spraken we af bij de bioscoop, soms in een café. Als ik aankwam zocht ik altijd naar haar opoefiets met in kleuren van de regenboog geborduurde jasbeschermers. In de cafe’s vertelde ze me hoe graag ze eigenlijk Wiskunde had willen studeren in plaats van naar de HEAO te gaan. Ik vertelde haar van de wortelformule en afgeleiden waar ik op de HAVO mee speelde. Zij vertelde me over reëele en complexe functies, over niet constante rekenkundige rijen en vermoedens en zeta-functies. Mijn interesse was geboren en eindelijk hadden we naast de sex wat gemeenschappelijks.
Samen zijn we toen een cursus Wiskunde gaan volgen. Man, wat was ze goed. Als een onbewogen beweger bleek ze in staat om vraagstukken als Euler over het verband tussen priemgetallen en de zetafunctie te bevatten.
En na afloop van onze cursusavonden waren er altijd Hazes, de seks en Tiga & Zyntherius. Haar hang naar seks was echter groter dan ik vermoedde. Ze ging vaak met haar vriendinnen uit en kwam niet op ons afgesproken rendez-vous. Soms, als ik haar belde, kreeg ik andere mannen aan de lijn. Ze wilde het er niet over hebben. ‘Ik heb andere geesten nodig’, was haar enige commentaar.
Maar ook op het gebied van Wiskunde gingen we niet gelijk op. De wiskunde kent twee stromingen: de analytische, mijn vak, en de abstracte. Esther bleek een abstractica pur sang, op zoek naar grenzen, uitersten en nieuwe verbanden waar ik als analyticus alleen maar wilde begrijpen, bevatten en verklaren. Het was een spanningsveld waarin ik enerzijds de aandacht kreeg die ik zo begeerde, maar anderzijds geen lang leven beschoren was. Esther zocht grenzen, en ik redenen. Na enige tijd bleef Esther af en toe weg van de cursusavonden, mij steeds ongelukkiger makend. ‘Een nieuwe mentor’, zei ze. Hij bleek een specialist te zijn in de abstracte wiskunde uit Rusland van het gezaghebbende Steklov Wiskundig Instituut te Petersburg.
In die schaarse momenten dat we elkaar nog zagen, probeerde ze uit te leggen met welke vraagstukken ze bezig was. Mathematisch historische figuren als Fermet, Wiles en Taylor. Vooral Taylor z’n methode om door het semi-stabiele geval van een centraal vermoeden uit de algebraïsche meetkunde te bewijzen, het zogenaamde Taniyama-Shimura-Weil vermoeden hield haar bezig.
De twee weken na haar bekentenis over haar nieuwe mentor, bleef zij weg bij onze wiskundelessen. Ik had geaccepteerd dat zij andere mannen en kennis nodig had, maar miste haar. De kokette manier van het zoeken naar nieuwe wegen. Het laatste dat ik van haar vernam was een handgeschreven briefje. Doorgegeven via mijn wiskundedocent. Over dat ze haar vrijheid nodig had. Dat ze mijn liefde wel wilde beantwoorden, maar gewoonweg niet kon. Ze trok een parallel met de laatste film die we samen hadden gezien: de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. ‘Ik zal je analytische vermogens missen. Maar ik beloof je: er komt een dag, dat we elkaar weer ontmoeten….’. Vluchtig gepend op een lijntjeskarton van een ouderwetse kaartenbak. Haar typische afgeronde letters en vloeiende verbindingslijnen: ik was haar kwijt.
In het begin nachtte ik huilend de regen door de ramen, geholpen door de muziekklanken van de ondraaglijke lichtheid van het bestaan in het filmhuis. Gebroken, verbitterd en met plaatsvervangende passie bleef ik de wiskundelessen volgen, me verdiepend in analytische technieken. Wiskunde was mijn laatste strohalm. Om mezelf te handhaven in een liefdeloze wanhoop om alsnog tot Esther te komen. Net als in de ondraaglijke lichtheid van het bestaan: geen scheiding zonder hereniging. Ze had het zelf op het briefje geschreven.
Na gepaste periode van liefdesverdriet bereikte mijn honger naar het oplossen van analytische vraagstukken manische hoogten. Ik waagde me zelfs aan de materie van Poncaire en Riemann. Poncaire tracht een antwoord te vinden op de vraag hoe de ruimte waarin wij ons bevinden er uitziet. En dan de gegeneraliseerde Riemann Hypothese! Riemann beschouwde de zeta-functie niet als reëele functie, maar als complexe functie. Riemann's fundamentele ontdekking was dat er een eenvoudig verband is tussen de bepaalde functiewaarden. Zo'n verband heet een functionaalvergelijking. Om de functionaalvergelijking van Riemann op te lossen, maakte ik gebruik van het verschijnsel dat kennis vloeiend zal eindigen. Ik experimenteerde met het breukvlak van vloeiend eindigen en absoluut eindigen. Wiskunde was hier ontoereikend. Mijn queeste naar de genesis van de universele mystiek ving aan. Kabbala, Ain Soph en de emanatie van het iets uit het niets fascineerden me het meest.
Het was voor mijn afstudeeropdracht dat ik mijn oplossing voor de Riemann hypothese postte op de sites van New Schience en Guardian onder het pseudoniem van Sjors Parelman, een knipoog naar Grigori Perelman, de grote wiskundige die ook werkzaam was op hetzelfde instituut als waar Esther haar mentor vandaan kwam. Ik was benieuwd naar de reacties; vooral die van Esther. Ik wist dat ze deze sites bekeek en had in de scriptie voldoende hints gestopt om het voor haar duidelijk te laten zijn dat ik het was. Waar zou zij met haar ontwikkeling in de abstracte wiskunde staan? Het was op de avond van m’n afstuderen dat ik me dit afvroeg, en dat de oude wond gevoed door alcohol weer openbarstte. Eenzaam en hopend keerde ik na mijn afstudeerfeest naar huis terug.
Bij thuiskomst staat er een fiets in de gang. Oversized met in kleuren van de regenboog geborduurde jasbeschermers. Terwijl m’n hart twijfelt over stilstaan of overslaan, kijk ik haar grijze kijkers diep aan bovenin het trapgat. Vanuit mijn woonkamer schijnt een fel licht. Haar ogen zijn niet meer lichtgrijs, maar nog helderder. Een lichte azuurglans straalt me vanachter Esther tegemoet.
‘Kom boven’, zegt ze. Ze draait zich om, en ik voel de pijn van haar vertrek weer. Maar ook de spanning van toen, voor het eerst met Esther. Maar ook angst. Haar ogen staan zo onbeweegelijk en stoïcijns als ze nog nooit gestaan hebben. Zacht hoor ik vanuit de huiskamer de tonen van Tiga & Zyntherius komen. Sunglasses at night. Langzaam loop ik de treden op, terug naar mijn Esther.
Eenmaal in de woonkamer zet ze een zonnebril op, zie ik dat ze een naam op de muur heeft gekalkt, “Riemann”. Ze begint te dansen. Vloeiend, langzaam, steeds langzamer. Tiga zingt:
I wear my sunglasses at night so I can so I can Watch you weave then breath your story lines.
‘Heb je ooit van het Nirvana gehoord?’, vraagt ze. Een open deur na een jaar Filosofie, maar ik kan niets uitbrengen. ‘Dan weet je ook wat het bereiken van het Nirvana inhoudt’. De gepassioneerde beschrijving van een ietwat vreemde leraar Oosterse filisofie schiet aan me voorbij. Stel je voor, je hele bewustzijn, leven en ervaring zoals jij en ik hebben, is gevat in een druppel water. En dan wordt die druppel ineens geheel met de zee. Weg herinnering. Het lijkt alsof Esther m’n gedachte heeft gehoord. Onbeweegelijk kijkt ze me aan. Het licht in de kamer wordt nog helderder. Ik zoek waar het vandaan komt. Uit de slaapkamer. Esther ziet me zoeken, zet haar zonnebril af en geeft hem aan mij. De onbewogen azuurglans in haar ogen maakt me bang, maar ik kan m’n nieuwsgerigheid ook niet meer bedwingen. Ik zet de zonnebril op en probeer de slaapkamer in te kijken. Tiga weer:
And I wear my sunglasses at night so I can so I can Keep track of the visions in my eyes. Keep track of the visions in my eyes.
Don't masquerade with the guy in shades oh no Don't masquerade with the guy in shades oh no
‘Vergelijk het met emaneren’. Natuurlijk kan je emanatie beredeneren, zoals jij in je scriptie hebt gedaan, maar heb je het wel eens echt ervaren? Ik kijk de slaapkamer in. Op bed zit –of moet ik zeggen ligt- een klein dwergachtig wezen met ledematen als van een zwaar verminkte baby. Door de opaline huid van gelei schijnt een schitterende heldere gloed die de hele slaapkamer verlicht. ‘Dit is mijn mentor, Grigori Perelman’, hoor ik Esther achter me zeggen. Haar armen om mijn nek. Ik draai me om. Haar irissen geven opaline. Hetzelfde licht als Griogori op het bed. Haar mond raakt de mijne. Een herenigende schicht warmte schiet door mijn mond, ruggegraat, longen, schouders, armen, handen en vingertoppen. In mijn ooghoek zie ik op de huid van Griogori de kleurschiftingen als van een intktvis steeds sneller en contrasterender worden. Maar het kan me niet schelen. Ik zoen Esther terug en sluit mijn ogen. Het laatste dat ik zie, is zijn licht dat ons omsluit.
[update] Stuur nú uw vrinden een vuighe kerstkaart
‘Maandagochtend 8.45, meeting point Centraal Station te Amsterdam. Inzet: 3de graad. Jurering overeenkomstig sectie 5, sub c van het Genootschap.’ En een telefoonnummer. Meer stond er niet in braille geponst in het briefje. En meer was niet nodig om me op scherp te zetten. Na telefonische acceptatie van de uitdaging heb ik mij het afgelopen weekeinde bezonnen op een geschikte strategie, mij bezondigd aan een overdadige hoeveelheid Glenfiddich Single Malt en mijn tastzin verwend met de satijnzachte perzikhuid van mijn geliefde, Rosalie.
Opgewekt verlaat ik die maandagochtend mijn appartement, gewapend met mijn zonnebril en mijn witte blindenstok voorzien van twee rode, vingerdikke banden. Als ik op de plaats van bestemming aankom, staat mijn uitdager me al op te wachten, alsmede de Afgevaardigde van het Genootschap. Na een kille voorstelronde begeven wij ons naar het startpunt, pal voor het Victoria-hotel. Het harde geluid van het voortrazende verkeer dringt zich aan ons op. In de verte bevindt zich het Centraal Station, op twee oversteekplaatsen, enkele opengebroken trottoirs en tientallen zich verplaatsende hindernissen, afstand. Ons einddoel is de veerpont achter het station, vertrekkende over ongeveer zeven minuten.
‘Heren, u bent er klaar voor?’ Mijn uitdager, eveneens voorzien van een witte blindenstok, antwoord bevestigend, ik knik in de richting van de stem. De Afgevaardigde blaast kort op zijn scheidsrechtersfluit. Ik zwiep met mijn stok in de richting van mijn uitdager en tref hem, aan het geluid te horen, vol in het gezicht. Gegil en gekreun laat ik achter mij, als ik mij vastberaden op het zebrapad stort. Gierende remmen en gillende stemmen vullen mijn hoofd. Enkele stappen later ben ik veilig aan de overkant en begint het relatief eenvoudige stuk trottoir tot aan de ingang van het station.
Ik trek een sprintje en concentreer me op de geluiden om mij heen. Gymschoenen, leren zolen, hoge hakken en het piepen van stalen wielen in de trambaan worden door mijn hersenen in rode stippen op een denkbeeldige kaart getransformeerd. Een enkele passant kan ik niet meer ontwijken en ik schop in het voorbijgaan het mandje kleingeld van de straatmuzikant om, die de mensen op het plein terroriseert met zijn inspiratieloze Oost-Europese deuntjes.
Juist als ik denk dat ik nabij de hoofdingang kom, knal ik hard op een ijzeren omheining. Ik trek mijn stok uit het hek, krabbel overeind en probeer mijn weg te vinden langs de afzetting, terwijl ik mijn bloedende neus probeer te stelpen met mijn mouw. “Godver, kloteverbouwingen’, schreeuw ik het uit, ‘uit de weg. Mijn tijd!’ De stroom voetstappen volgende, vind ik alsnog een ingang van het station. Ik ren zo snel ik kan door de voetgangerstunnel in de richting van het einddoel.
Tot mijn schrik hoor ik de luchtgeveerde sneakers en ruik ik de overdadig aangebrachte eau de cologne van mijn tegenstander naast me op het moment dat ik het station aan de achterzijde verlaat. Zodra het ritmisch piepen van de stoplichten overgaat in een zenuwachtig getik, rennen we elkaar duwend en trekkend in een soort bizarre omhelsing, naar de overkant. Ik hoor de fluittoon van de veerpont en verlos me met een flinke ruk van de graaiende handen van mijn uitdager. Ik hoor hem snuiven en steek mijn been in de lucht, in een laatste poging hem van me af te schudden. Hij struikelt over mijn uitgestoken voet en maakt een harde smak op de grond. Zijn stok valt uit zijn handen en schuift ternauwernood over de klep van de veerpont, welke juist omhoog begint te komen. Ik spring over de klep en rol zijwaarts over het dek van de veerpont. De veerpont vertrekt, mijn uitdager vloekend aan wal achterlatend.
‘Volgens mij is dit niet helemaal volgens de regels’, zegt de Afgevaardigde, nog uithijgend van zijn eigen inspanningen. ‘Wat nou, hier staat helemaal niets over in de regels. Ik heb gewoon gewonnen, sectie 5, sub c, vrije regels dus’, schreeuw ik hem toe. Een ogenblik denkt hij na. Dan raapt de Afgevaardigde de witte stok van mijn tegenstander op en pulkt één van rode banden eraf. Ik voel hoe hij mijn blindenstok aan het uiteinde in zijn handen neemt. De Afgevaardigde bevestigd de rode band op anderhalve centimeter afstand onder de andere rode banden. “Gefeliciteerd met je 3de graad’, zegt hij, terwijl hij mijn rechterhand schudt.
...van die types die hun zangcarriere louter en alleen aan hun prachtige stem te danken hebben. Ze smakt tijdens het eten en spreekt met volle mond. Ze staat altijd lomp in de weg en praat een beetje raar. Het is haar stemgeluid en de dingen die ze zegt. Altijd naast de plank met een slecht gevoel voor humor. Als een olifant in een porceleinkast banjert ze door iemands leven. Ongevoelig voor subtiliteiten en meer dan een tikkeltje ordinair van geest. Ondanks alles is ze een nationale bekendheid en heeft zij een imposante zangcarriere.
[update] Stuur nú uw vrinden een vuighe kerstkaart