Donker
Nadat ze de deur heeft van de winkel heeft afgesloten, kijkt ze snel om haar heen. Alles is donker, de straat is verlaten. Snel naar huis, gevaar dreigt overal tegenwoordig. Er zijn al vaker meisjes verkracht in deze buurt. Ze trekt haar sjaal nog iets dichter om haar heen en stopt dan haar handen diep in de zakken van haar lange leren jas. Ze voelt het koude busje peperspray. Het geeft een veiliger gevoel. Na een diepe ademteug draait ze zich van de deur af en begint te lopen.
Als ze bijna de straat uit is begint het zachtjes te motregenen. Geeft niet, een beetje regen is niet erg. Ze heeft altijd van regen gehouden. Nog vier straten voor ze thuis is. Ze slaat de hoek om en raakt even verblind van twee lichten. De taxi rijdt hard door, de wereld valt weer in zwart. Halverwege de straat hoort ze het, voetstappen. Schuin achter zich. Nerveus probeert ze in de winkelruiten te zien wie er loopt. Ze ziet de straatlantaarns en een schim. Een schim van haarzelf. Angstig meisje, op weg naar huis. Ze moet er bijna om lachen.
Toch gaat iets sneller lopen. Ze durft niet om te kijken, dat valt op. Ze wil niet opvallen. Het liefst wil ze verdwijnen in de zwarte nacht. Oversteken, drie straten te gaan. Een regendruppel blijft aan haar wimper hangen. Ze durft hem niet weg te vegen en klemt haar hand nog vaster om het busje. Het is vast iemand die net als zij, op weg is naar huis. Naar zijn vrouw en vijf kinderen misschien zelfs. Of misschien is het een stevige vrouw, met zware tred. De straat lijkt eindeloos lang, haar gang eindeloos traag. De voetstappen klinken nu recht achter haar. Zijn ze dichterbij? Ze probeert te luisteren maar het gebonk van haar eigen bloed dat door haar slapen gonst, overstemt alles. Zal ze rennen? Of juist stil staan zodat de ander kan passeren. Ze kan niet beslissen dus loopt zo gewoon mogelijk verder. Haar hakjes galmen door de straten. Ze moet zich beheersen niet dezelfde passen te willen lopen als de persoon achter haar.
Het einde van de straat komt in zicht. Ze hoeft alleen nog naar rechts de straat door en dan langs de fabriek. Dan is ze veilig. Haar spieren zijn verkrampt van het vasthouden van het busje spray. Ze probeert zich te concentreren op haar voeten. Een been voor het andere, het is niet meer zover. Op de hoek blijkt de straatlamp kapot, ze ziet de weerspiegeling flikkeren. Zijn de voetstappen er nog wel? Heel even haalt ze haar hand uit haar zak om een pluk nat haar van haar voorhoofd te vegen. Enkele seconden laat ze het busje spray los. Een klein moment is ze volslagen weerloos.
Natuurlijk gaat het mis. Hier gaat het altijd mis. De man achter haar heeft hier opgewacht, dit moment van hulpeloosheid. Hij grijpt haar arm en geeft haar een harde duw richting de muur. Dan trekt hij haar jas omlaag over haar armen, grijpt haar bij haar keel en rukt in een keer haar bloes open. Als in slowmotion hoort ze elke knoop van haar bloes afknappen. Met gedempte tikjes vallen ze op de natte straattegels. Ze worstelt met de jas maar krijgt haar armen niet los. Dan ziet ze iets blinken. Haar hart staat volledig stil, een mes! Snel snijdt hij haar beha los. De kleren hangen nu nog flodderig in rafels om haar heen. Haar borstjes steken vooruit, haar tepels stijf van kou en angst. Ze voelt een regendruppel tussen haar borstjes glijden, het moment duurt een eeuwigheid. Ze probeert zijn gezicht te zien maar ziet alleen het psychotisch fonkelen van ogen in flikkerend licht.. En lang haar, hij heeft lang haar?
Met een hand trekt hij haar rokje omhoog tot net over haar heupen. Ze voelt het koude staal langs haar lies glijden. Dan een koude vlaag frisse lucht langs haar lippen. Het slipje is verdwenen. Vocht vloeit rijkelijk, angst doet dat.
Hij laat haar keel heel even los, alleen om haar om te draaien. Haar tepels schuren langs de oude bakstenen muur als hij haar benen van elkaar schopt. "Kont naar achteren teef!" gromt de man achter haar. Maar ze is verstijfd van angst en doet helemaal niets. De man lijkt het niet eens te merken. Met een hand trekt hij haar hoofd naar achteren, aan haar losgevallen, natte haar. Even laat hij zijn tong langs haar oorschelp glijden, teder, alsof ze geliefden zijn. Dan rukt hij met zijn andere hand haar heupen naar achteren. Ze voelt een vinger langs haar gezwollen klit strelen. Is het regen of geil wat langs haar benen druipt? Een huivering trekt langs haar ruggengraat. Een klein momentje staat de wereld stil. Nog even en hij zal haar penetreren. Alsof ze niets meer is dan een neukbare hoer. Een gore slet, onderworpen aan een wildvreemde man.
De voetstappen sterven weg. Ze laat een klein zuchtje. Het klinkt bijna teleurgesteld. Achtentwintig lentes en nog steeds maagd. Langzaam slentert ze verder naar haar voordeur.
Het eerste dat ik me herinner is een vaal licht dat door de beslagen ruiten naar binnen filtert. Ik knipper tegen het eerste ochtendgloren. Een onbedwingbare drang de deuren naar buiten open te slaan, de verschraalde bier- en sigarettenlucht te verdrijven. Ik aarzel en overzie het slagveld. Lege flessen en een ongekende stilte. Een enkele druppel glijdt langs het kozijn. Ik waan me kolonel van een leger waarvan de soldaten gedeserteerd zijn en de officieren met verlof. Voorzichtig open ik deuren en ramen, pas ik op voor het oude beslag. De koude lucht slaat medogenloos op mijn longen. Met de natuur valt 's ochtends klaarblijkelijk niet te spotten.
Je slaperige gezicht kijkt veilig vanachter de trap naar mij. "Het gaat... het gaat...", wuif ik je hoestend weg. Maar je blijft en glimlacht naar mij, en enigszins vermoeid spiegel ik je gebaar. We zijn de enigen die nog overgebleven zijn, en in mijn gedachten heeft die daad alleen al iets heroïsch. Ik neem je bij de hand en verleid je naar buiten - de tuin in. Dit is ons heldenepos. Als het publiek naar huis is spelen de acteurs op hun best. Ik slik maar mijn keel voelt dor en droog.
Verbaasd bij het aanschouwen van zoveel schoonheid staan wij genageld aan de grond, in de tuin, op de oude keien, in de kou die smaakt naar metaal op je tong... De lucht boven ons kleurt een diep violet. Ik fluister hees "hemelvaartsochtend", haast onhoorbaar, "het is hemelvaartsochtend". In je ogen zie ik je de prille zon weerspiegelen, en achter je ogen zie ik een eeuwenoud verlangen. "Kom..." raspt je stem, "....kom mee naar boven." En je belooft me in stilte geheimen te delen. En ik... ik beloof je een hemelvaartsochtend.
Corpssex 1 "De Voorzitster"
Groen was hij met zijn net achttien jaren. Zelfs na de groentijd was hij nog groen. In zijn groen-zijn hadden de leden van de groencommissie geen verandering kunnen brengen. Ook zijn in spe wannabe vrinden van het corps hadden daar geen verandering in gebracht. Hij was nog steeds zo groen als gras en het zou Ingrid zijn die hem ging ontknapen.
Ingrid was voorzitster van de studentenvereniging. Ingrid was niet de mooiste want hoewel geen negerin had zij de lippen van een negerin. En door jaren harder te zuipen dan de kerels was Ingrid uitgegroeid tot een haast onneembare vesting, zo zag ze eruit. Met hele dikke titten. Dat dan weer wel.
Hij was nog maar net achttien jaren en dikke titten hadden hem altijd wel gelegen. Vanuit de bladen die appelleerden aan zijn moedergevoelens werden dikke titten de hemel ingeprezen. En wist hij veel? Veel vergelijkende waar had hij niet. Sterker nog, hij was maagd en zodoende intrigeerden dikke titten hem mateloos.
Ingrid had tijdens de groentijd al snel door dat hij het type 'mooie jongen' was die dat zelf nog niet in de gaten had. Maar wat wil je ook? Op zijn kaartje stond een klein Gelders plaatsje vermeld en in kleine Gelderse plaatsjes maken jongetjes van net 18 nog geen indruk. Waar wel eigenlijk?
Na de groentijd had ze hem op een van de eerste avonden in de societeit opgezocht. Pontificaal was ze voor hem gaan staan en had hem met haar machtige titten steeds verder de hoek ingedreven. Bier liet ze halen door gewilligen om haar heen. Zij was de voorzitster, reeds ver over de 20 en hij was onder de indruk. Hier stond een dame met ultiem grote jetsers, bier werd voor haar gehaald, zij had macht en ze wilde met hem praten. Geen weerwoord kwam over zijn lippen.
Haar uitnodiging was snel door zijn strot gedouwd; jij komt bij mij eten, ik kook, ik zorg voor wijn en dan gaan wij eens fijn praten. Hij was net achttien en had geen keus. Hij had ook geen idee. Hij dacht dat ze hem uitnodigde voor een etentje bij haar thuis.
Haar studentenkamer in de stad was een gemiddelde. Wel hingen er heel veel foto's van allerlei commissies waarin ze actief was of was geweest. Overal insignes, bokalen, sherpen, galajurken, indrukwekkende relikwieen van bestormingen en andere studenten trofeeen.
Haar aperatief heette bokbier en snel werd het Duvel. God wat kon ze zuipen en verdomme, ik laat me toch niet onder tafel drinken door een vrouw?
Nog voor het voorgerecht was de eerste fles rood er doorheen. Na het voorgerecht waren er drie lege flessen te tellen. Twee gangen volgden en nog eens drie flessen sneuvelden.
"Verdomme, wanneer nam hij het initiatief nou?". Voorzitster of niet, ze bleef een vrouw. Had hij nog niets in de gaten, dan?
Een sloot aperatief, drie correcte gangen diner en zeven flessen wijn. Ingrid stond te tollen en hij zat maar op de bank. Toen viel ze aan en pontificaal liet ze zich op hem vallen.
Paarszwarte lippen van de wijn zo groot als die van een negerin sperde zij open naar zijn maagdelijk mooie jongensgezicht. De adem als een asbak want een pak peuken ruik je zelfs na zeven flessen wijn. Haar handen grepen al in zijn kruis en zij rukte haar eigen broek open, schoenen vlogen door de kamer.
Haar immense borsten lagen zijn borst en zijn buik en zijn schoot en waar eigenlijk niet want Ingrid was overal op hem. Haar hoofd zakte naar onderen en haar handen rukten de riem, de rits en zijn broek van zijn lijf. Ingrid was botergeil en moest geneukt worden. Dat had hij nu wel in de gaten.
Door de kamer ging het. Struikelen met de broek op de enkels, glazen omver, de asbak geleegd op een vol bord. Zo, die asbak nemen we mee naar boven en dat flesje wijn moet ook maar mee. De trap op en te steil en te donker en te geil want Ingrid wil tongzoenen en ongelooflijk wat meurt ze uit haar bekkie. Rommeldebommel naar de zolder licht kapot en nog maar een fles ontkurkt. Ze duwt zijn hoofd naar haar heuvel en van romantiek is geen sprake: beffen jij!
En nog maar een paar glazen wijn afgewisseld door pijpen, beffen, swassantnuffen de hele rataplan en weer terug. Alle bewegingen en geuren en associaties vliegen in de rondte, God was is ze zeikend nat, hoort dat zo? Nou, heel nuchter is hij ook niet maar dan rent Ingrid weg, de voorzitster van de studentenvereniging in haar blote dikke kont met haar enorme titten. Godskolere wat een reet, hij ziet het nu pas in het donker met het weinige licht dat de ramen geven reflecterend op haar massieve achterwerk.
Rommeldebommel gaat het drie trappen naar beneden en daar ligt hij op zijn rug op haar bed. Over het randje dronken en snel moet hij gaan zitten want het bed begint te draaien. Ingrid kotst de plee vol. Dat kun je hier horen maar godsnogantoe wat een herrie! En weer een keer! Hij moet rechtop zitten want het bed gaat nog harder draaien en bij haar derde ronde kotsen in de pot, wordt de associatie hem teveel.
Op de knieen voor haar bed en met twee volle lagen spuugt hij alles eruit, onder haar bed. Was hij nu in haar geweest? Volgens hem toch wel, ja aan zijn natte snikkel te voelen dus wel. Tsjezus wat draait dat bed hard en hoe kan ik hier pissen? De wasbak, natuurlijk de wasbak. En als hij het zich goed realiseert, zo in de wasbak pissend; "ben ik net ontmaagd?!".
Voetstappen op de trap verraden de voorzitster van de studentenvereniging die hem vorige week zo intimiderend in de societeit had uitgenodigd. Als ze de slaapkamer binnenkomt duwt ze hem op bed. Ingrid had na het legen van haar maag geen tandpasta gevonden, sorry voor het ongemak, maar ze lag hem al te pijpen.
Dikke lippen of niet en alles wat er gebeurd was ten spijt, een snoeiharde erectie kon hij niet onderdrukken. Ze ging op hem zitten en weldra was het 'de missionaris' die hem vond. Zijn klamme voorhoofd diep in het kussen gedrukt, zijn handen om haar grote billen geklemd stortte hij zijn maagdelijk zaad in de veels te natte akker van de voorzitster van de studentenvereniging.
De weg naar huis kent hij niet, een taxi moet hem brengen. Beetje bij beetje komt, verdeeld over dagen, de film terug.
Dat Ingrid bij daglicht minder aantrekkelijk is, dat Ingrid 27 en laatste jaars is, dat ze eigenlijk wel heel veel gedronken hadden, dat de borsten van Ingrid de eerste en de besten zijn, dat Ingrid heel erg ongesteld was en het niet de tannine was die hij proefde, waarom hij onder het bed had gekotst en niet uit het raam en grotendeels naast de wasbak had gepist en niet erin, dat zij eigenlijk wel tandpasta had gehad maar het niet kon vinden en of hij nog een keer langs zou komen. Van zijn wannabe vrinden in spe van het corps kreeg hij schouderkloppen. Het maakte niet uit wat je neukte als je maar neukte en de voorzitster van de vereniging was een goeie want als die met haar dikke reet onder je lag kon je lekker hard op en neer pompen met je zatte knar zodat je ook met drank op nog een eind weg kon ejaculeren. En wie was er niet allemaal over Ingrid heen geweest? Waarom hij dacht dat ze voorzitster was? Hele jaarclubs hadden haar uitgewoond. Nee, niet allemaal tegelijk natuurlijk, hoewel een dronken triootje was hier en daar wel eens voorgekomen. En ze begon altijd met Duvel. Dat hij eigenlijk, nu hij de voorzitster geneukt had en er helemaal bijhoorde, pas echt ontgroend was.
Ach ja, en dat hij en passant ontmaagd was op deze avond realiseerde hij zich ook nog.
Svetlana
Ze ligt op haar rug. Donkerbruine haren over wit beddengoed. Ik kijk naar haar.
Ze staart voor zich in het niets. Gecontroleerd en rustig blaast ze een onafgebroken kolom rook omhoog. Ze staart hem na, haar blik onveranderd. Alsof ik er niet ben.
Haar naakte lijf ligt onder een dun wit laken. Bedekkend, maar niet verhullend. Waar haar geest drijft weet ook zij waarschijnlijk niet.
Duidelijk verraadt het klamme textiel de contouren van haar lijf. Haar tepels priemend door de stof.
Ze is ontspannen. De blik in haar ogen, vredig en rustig. Tijdloos en in het oneindige gericht. Ze straalt een simpel geluk uit. Alsof het goed is zo. Maar ook een fragiel geluk.
Over het bed valt een streep zonlicht. Mooi fijn zonlicht zoals je eigenlijk alleen kunt zien op een lome vrije dag. Een uitgeslapen en verplichtingloze dag zoals vandaag.
Het licht kleurt de lakens zachter wit en de zon over haar bedekte borsten maakt het stilleven poëtisch.
Ik zou hier uren naar kunnen kijken. Van mij zou de tijd nu mogen ophouden met bestaan. Dit, dit moment zou van mij voor altijd mogen zijn.
Haar gezicht beweegt naar een fijne kleine glimlach. Haar mondhoeken laten hun normale emotieloze stand los en komen zachtjes een stukje omhoog. Heel iets. Haar ogen gevuld met een weinig warmte.
Het is waarschijnlijk een mooie gedachte die haar raakt.
Een slank streepje rook danst omhoog uit de asbak naast het bed. Ritmisch gaat haar borst op en neer.
Er beweegt verder niets. Er gebeurt verder niets. Ik kijk. Het is alsof ik een toeschouwer ben die eigenlijk geen deel uit maakt van deze perfecte wereld.
De glimlach wil zichzelf vasthouden op haar gezicht, maar toch kruipt haar mond weer terug. Terug naar die stille houding. Die veilige mond zonder emotie. De warmte uit haar ogen is verdwenen. Haar ogen verstarren zich. Ze ziet er weemoedig uit. Het lijkt alsof de fijne herinnering weg ebt en ze treurt om het verlies. Alsof de fijne tijden van vroeger ongrijpbaar als mul zand tussen haar vingers door glippen.
Ze krampt haar schouders iets naar elkaar. Het lijkt alsof haar lijf zich klein probeert te maken. Haar ogen verharden en haar wenkbrauwen komen iets omlaag. Angst is haast te lezen in haar ogen. Angst en weerbaarheid.
Haar ademhaling is nu duidelijker aanwezig. Alsof het harder gaat. Ik kijk in haar ogen en zie een boosheid. Een boosheid gevoed door angst.
Die mooie sterke nonchalante vrouw waarnaast ik vandaag wakker werd is weg. Svetlana, de stoere zelfvertrouwde vrouw. Dit is ze niet. Een klein bang schepseltje ligt er tussen mijn lakens. Als een aangereden hertje, angstig en gedreven door instinct.
Ik voel me ongemakkelijk. Ik weet niet wat ik nu moet. Dit is niet de Svetlana die ik ken. Dit is niet de mooie stoere Balkan-prinses waar naar ik met zoveel bewondering en smacht verlangd heb.
Wat moet ik toch? Ze…ze… Ik besluit om naast haar te gaan liggen in bed. Als steun? Als troost? In ieder geval om iets te doen.
Haar huid voelt heet maar haar ogen zijn zo koud. Ze zouden me kunnen bevriezen.
Er klinkt een klein snikje. Ze kruipt tegen me aan. Als een poesje die zich oprolt, kruipt ze in foetushouding tegen me aan. Haar arm over m’n lijf, haar hoofd op m’n borst. Ik voel hoe gespannen ze is. Haar hele lijf hard en verkrampt.
Ze maakt weer een snikkend geluid. Ik lig op m’n rug, de angstige Svetlana over me heen. Ze ligt op me en ik kan geen kant op. Ik voel haar adem over m’n lijf. Haar gezicht is ook niet hetzelfde. Die heerlijke en zelfverzekerde blik is weg. Hier ligt een klein bang meisje. Hier over me heen.
Niet wetend wat ik moet doen aai ik haar haar. ‘Nee!’ roept ze. ‘Nee, nee, dat wil ik niet” Geschrokken hou ik op. Ik probeer haar gezicht te zien maar ze heeft het van me af gewend. ‘Nee, dat wil ik niet’ ze roept het zachtjes en kruipt nog dichter om me heen. Alsof ze in me wil zijn. Wil vluchten. Haar borst maakt kleine schokkerige beweginkjes. Heel zachtjes hoor ik haar ademhaling gelijk met het geschok. Ze huilt. Ze huilt zonder tranen. Zachtjes. Ze aait m’n schouder. Ik snap het niet maar ik begrijp dat ik hier nu voor haar moet zijn. Het is het enige wat ik kan doen. Blijven liggen. Ik leg m’n arm om haar heen. Ze reageert er niet op. ‘Ik wil ook vrij zijn’ Een klein meisjesachtig stemmetje. ‘Ik wil ook vrij zijn’ “Maar je bent toch vrij?” ‘Nee, ik wil ook vrij zijn zoals m’n broertje, ik wil niet altijd hier in huis blijven’ Haar stem klinkt klein en boos. Een diepe boosheid. Kwaadheid, alsof ze uit een onmacht spreekt. Ik voel haar tranen over m’n borst glijden. Tussen de woorden door snikt ze. ‘Nee, nee, nee, zo wil ik dat niet, ik wil zelf beslissen ik wil niet altijd hier thuis zijn’ Ze aait m’n schouder weer. Sneller en steviger als daarnet. Haast alsof ze iets probeert weg te poetsen. Ze begint harder te huilen. Haar lijf schokt er van. Dan ineens kruipt ze op me. Een knie aan beide zijkanten van m’n lijf. Ze zit op m’n buik. Haar gezicht gloeit en de tranen stromen. Haar haren geplakt over haar gezicht. Ze pakt m’n hoofd tussen haar handen en begint me te kussen. Kleine kusjes over m’n hele gezicht. Kus, kus, kus, kus, kus, kus, kus, kus… Alsof ze er mee geobsedeerd is. En zo onverwacht als het begon houdt ze er mee op.
Ze kijkt me aan. Ze gaat rechtop zitten en laat zich helemaal gaan. Ze jankt en huilt alsof ze enkel nog emotie is. ‘Ik wilde het niet. Ik wilde het niet, ik wilde het niet!’ Met haar vuist slaat ze op m’n borst. Haar huilen wordt zachter en ze maakt knijpbewegingen met haar vingers in m’n borst. Ze blijft snikken en de tranen vloeien zonder ophouden. ‘Ik wilde het niet, ik wilde het niet.’ “Wat wilde je niet?” ‘Die familie-eer, ik wilde die kut-familie-eer niet. Ik wilde ook vrij zijn, ik wilde ook vrij leven. Pappa en mamma houden me klein. Veel te klein. Dat wil ik niet, dat wil ik niet, dat wil ik niet!’ Ze jankt onophoudelijk en haar woorden komen er moeilijk door. Weer bonkt ze met haar vuist op m’n borst. Haar gezicht rood, heet en door tranen verzopen. ‘Ik wilde het niet, maar ik moest ook leven. Ik kon niet anders, ik heb ze dood geschoten, ik moest ook vrij zijn. Ik wilde het niet!’
'Neem mij'
Almachtige Vader, aanhoort mijn laatste rede. Mijn ouders dwongen me u te aanbidden. Met harde hand en op straffe van een droge korst. Kan ik het helpen dat ik u daarom vergat? Toch wil ik een beroep op u doen.
Nu is het moment daar, het tijdstip waarop alles samenvalt. Zoals alles in de tijd samenviel, gelijk een onzichtbare doch presente ontmoeting aan de horizon van een ieder.
Ik heb dit moment gekozen, doelbewust. Het nadert. Het einde aan mijn schrale leven. Schraal, want onbenut. Ik leed een doorsnee leven. Ontliep de uitdaging, vermeed het risico maar koos voor het gebaande. Het keienpad in mul zand.
Ook de verlokkingen in het maïsveld liet ik links liggen. Ontdeugende naroepsters sloot ik af, met de handen tegen mijn oorschelpen.
Waarom richt ik me tot u, nu op dit late donkere uur. Buiten begeeft zich geen ziel, de lampen in de straat doven steeds sneller achter elkaar. Maar ik lig hier, mijn ogen gesloten, het hoofd op tafel.
Niet langer laat ik me deren door de bijtende vorst, Heer. Niet langer verdraag ik mezelf. Ik hoor slechts mezelf. Alleen. Te lang. Te lang geleden verloor ik uitzicht op voorspoed. Waarom? Ik nam geen risico, Heer.
Daarom vraag ik u: 'Neem mij'. Ik verdien uw ontferming niet, ik besef dat. Mij past slechts het likkende hellevuur. Verteerd en afgelikt door goudrode vlammen zal ik.
Ik was nooit van u verzekerd; nu nog niet.
Daarom wil ik u iets laten zien. Glimt 'ie niet mooi?