'Mag ik naast u komen zitten?' Tegenover me staat een jongeman in legeruniform, baret op het hoofd, plunjebaal over zijn rechterschouder. Ik schuif op om hem de ruimte te geven, waarop hij zijn plunjebaal laat vallen en naast mij plaatsneemt. Ik schat hem een jaar of twintig, hij is atletisch gebouwd en ziet er vermoeid uit. Afgezien van de jongen en mijzelf is er niemand op de bushalte. Het is guur weer en het is al laat maar gelukkig zitten we droog.
Uit mijn ooghoek zie ik de jongen zijn plunjebaal openmaken. Hij haalt een met zilverfolie omwikkelt pakketje eruit en tegelijkertijd stijgt er een akelige geur uit de plunjebaal op. Hij opent het pakketje en begint gulzig een boterham te nuttigen. ‘Eet smakelijk’, zeg ik tegen hem en glimlach. ‘Bedankt’, zegt de jongen, ‘wilt u er ook een’? ‘Nee dank je hoor, ik eet zo thuis nog wat’. ‘Zware bivak geweest?’, informeer ik, ‘je ziet er afgepeigerd uit’. ‘Nou nee, geen bivak, maar het echte werk deze keer. In de bergen van Afghanistan missies uitvoeren voor de VN. In het kader van de peacekeeping zeg maar. Maar een goeie tijd gehad hoor, ik zou zo terug gaan’. Zijn blik dwaalt af naar de plunjebaal, de kennelijke bron van de penetrante stank.
Hij neemt een flinke hap van zijn boterham en vertelt met kauwende kaken verder. ‘Over het algemeen aardige mensen, maar een beetje bijgelovig soms. Daar kunnen wij nuchtere Hollanders niet zoveel mee.’ Hij knipoogt. ‘Zo reden we vorige week op onze gebruikelijke route door de bergen, toen mijn maat me wees op een spelonk tussen de rotsen die we daar nog niet eerder gezien hadden. Omdat we toch honger hadden, zijn we gestopt, en na het eten van wat blikvoer liepen we er naartoe. Met onze zaklampen schenen we naar binnen en de grot liep op het eerste gezicht vrij diep de berg in. We besloten naar binnen te gaan, ik met de zaklamp, mijn maat met zijn Uzi paraat.’
‘Na een tiental stappen zag ik in de verte een flauw lichtschijnsel. Op onze hoede liepen we langzaam door. Ongeveer vijftig meter verder stuitten we tot onze verbazing op een deur. Aan weerszijden van de deur bevond zich een kandelaar met in elk een kaars. Boven de primitieve, donkerhouten deur stond een tekst in het steen gebeiteld. “Een ieder die de schat aanschouwt zal geen afstand meer van haar willen doen.” In het Arabisch, maar vreemd genoeg begrepen we de tekst allebei. Mijn maat twijfelde, maar ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en gooide met al mijn kracht deur open.’ ‘En?’, informeer ik gespannen. ‘Meneer, u wilt het niet geloven. Achter de deur bevond zich een gigantische kamer. De wanden waren versierd met prachtige muurschilderingen, sierlijke kroonluchters verlichtten de ruimte en er stonden tafels overladen met de heerlijkste gerechten. De geur die er hing speelde met onze zintuigen. Het was gewoon een klein paradijs onder de grond. En in de hoek van de kamer stond een kist.’ ‘We liepen naar de kist toe en openden deze voorzichtig. U begrijpt, we zijn nuchtere jongens zoals ik al zei, maar helemaal vrij van angst waren we toch niet.’ ‘Wat zat erin dan?’ ‘Muntstukken, meneer, tjokvol muntstukken, meer dan we ooit bij elkaar gedroomd hadden.’ ‘Toen we daar zo stonden, gefixeerd op de rijkdom die voor het oprapen lag, hoorden we plots een zucht. In een andere hoek van de kamer bevond zich een smalle doorgang die we niet hadden gezien. We liepen erop af en in de zijkamer waar we uitkwamen, op een aantal kussens op de grond, lag een vrouw, haar gezicht naar de muur gekeerd. We hadden nog geen stap in de kamer gezet of ze draaide zich om, kwam half overeind en rekte zich uit. Twee diepbruine ogen staarden ons beiden secondenlang aan. We stonden als aan de grond genageld en wisten even niet wat we moesten doen’.
‘Die schat grijpen en wegwezen dacht ik zo’, zei ik enthousiast. ‘Nou, dat is dus ook wat we gedaan hebben. Het kostte wat moeite om het te verdelen, maar uiteindelijk hebben we allebei wat meegenomen. Kijk.’ Hij duikt weer in zijn plunjebaal en haalt een plastic tas tevoorschijn. Met twee handen legt hij deze op zijn schoot en frummelt het kleverige plastic open. Op zijn schoot ligt nu een bloederige klomp met daaraan lange slierten plakkerig, met bloed doordrenkt haar. Eén doffe oogbal kijkt mij aan, van de ander is niets meer over dan een weke, gelige massa, half uit de kas glibberend. Een stuk huid van de wang was bij het uitpakken aan de binnenkant van de plastic tas blijven plakken. De jongen kijkt mij argwanend aan en houdt het hoofd beschermend tegen zijn borstkas. ‘Denk maar niet dat ik haar ooit nog wegdoe. En als ik straks thuiskom, stel ik haar meteen voor aan mijn vriendin.’ Hij tilt het hoofd voor zijn gezicht, veegt wat slierten haar uit het gezicht en kust zachtjes de grijze lippen.
Dolgelukkig verscheen de inpakpiet die ochtend in de loods. Afgelopen nacht was hij voor het eerst weggeweest met de Dakpieten. Hij mocht nog niet mee naar binnen om verlanglijstjes en wortels uit de schoenen te halen. Maar toch. Het aangeven van de cadeaus en het zorgvuldig opbergen van verlanglijstjes terwijl ze van dak tot dak gaan is al een stuk spannender dan inpakken.
Vol belangstelling luisteren de collega-inpakpieten naar zijn belevenissen. Allemaal willen ze Dakpiet worden. Of nog beter: Luisterpiet. De Luisterpieten hebben een vertrouwensband met Sinterklaas. Wat de Luisterpieten vertellen is wat er in het boek van Sinterklaas komt te staan. En alleen de allerbeste Pieten mogen met Sinterklaas huisbezoeken afleggen. Dit allerhoogste is slechts voor een klein select gezelschap weggelegd.
Maar goed. Hij was dus met de Dakpieten op het dak geweest. Hij had gesproken met een luisterpiet. Buitenzinnen van trots had hij z’n verhaal gedaan. Vol respect hadden de anderen hem de rest van die dag behandeld. In de pauze werd Inpakpiet aangesproken door een onbekende zwarte Piet. Deze stelde zich voor als Opleidingspiet. Opleidingspiet nodigde hem uit om ’s avonds eens een keer langs te komen bij zijn clubje. Het clubje van ambitieuze Pieten die het in zich hebben Huisbezoekpiet te worden. En dat ook kunnen worden, zonder eerst de jarenlange ervaring van dakpiet of luisterpiet op te moeten doen.
’s Avonds ging Inpakpiet naar het opgegeven adres. De deur werd geopend door een grote zwarte Piet met een ouderwetse roe. Die werden tegenwoordig toch niet meer gebruikt? Hij werd door deze Piet naar het zaaltje begeleid. In het zaaltje zat Opleidingspiet aan het hoofd van de tafel. Naast hem een lege stoel. Nog zeven andere Pieten zaten al aan de tafel. Aan de muur oude portretten van Sinterklaas. Een poster van het blauwe kasteel. En een foto van Dubbelloops Piet. Inpakpiet begreep meteen dat dit een heel bijzonder clubje moest zijn.
Onderwijspiet stelde Inpakpiet voor aan de anderen. Hij gebruikte daarbij mooie woorden over de instelling en de motivatie van Inpakpiet. Daarna ging het over het feest van Sinterklaas, het uitdelen van cadeaus en strooitechnieken. Telkens weer werd daarbij benadrukt dat alleen de lieve kinderen en andere goedgelovigen daarvoor in aanmerking komen. Wat er in het boek staat over de mensen dient de leidraad te zijn voor een echte zwarte Piet. Voorzichtig werd er hier en daar gediscussieerd over het herinvoeren van de roe en de zak.
Toen werd het woord weer gericht tot Inpakpiet. Hij had geluk vanavond. Op zijn eerste avond zou hem een grote eer te beurt vallen. Sinterklaas zou die avond langskomen. Sinterklaas is op zoek naar speciale Pieten. Voor zijn speciale huisbezoeken. Inpakpiet begreep meteen waar het over ging. Ook hij bewonderde Dubbelloops Piet al een tijdje. En de actie waarmee die z’n martelaarschap had verworven zullen velen nooit vergeten. Velen zullen het zelfs nastreven om op een gelijksoortige manier martelaar te worden.
Daar wordt aan de deur geklopt. ‘Sinterklaas kapoentje!’ roept de grote zwarte Piet met de roe. Iedereen begint te zingen. Daar komt Sinterklaas. Hier en daar klopt hij wat zwarte Pieten op de schouder, alsof ze al jaren goede bekenden zijn. De rust keert weer en Sinterklaas neemt plaats aan het hoofd van de tafel, naast Opleidingspiet.
De Sint schraapt z’n keel. Hij gaat wat zeggen. Dan klinkt er opeens een harde knal. Rook vult de ruimte. Gekraak en een nog een knal komen uit de hal. De grote zwarte Piet met de roe strompelt met een bebloed gezicht naar binnen. Hij wordt ingehaald door mannen in donkere pakken met bivakmutsen. Met hun wapens in de aanslag stormen ze binnen.
‘Liggen!, liggen!, niet bewegen!’
Een zwarte Piet grijpt in z’n zak en haalt een wapen tevoorschijn. De mannen van het arrestatieteam beginnen te schieten. Inpakpiet ziet hoe Sinterklaas opstaat en weg probeert te komen. De negen inslagen in zijn rug kleuren donker op zijn toch al rode mantel. Ook Inpakpiet voelt hoe de kogels zijn lichaam binnendringen. Het schieten is gestopt. Of hij hoort het niet meer. Wel ziet hij steeds meer politiemensen binnenkomen.
De meeste belangstelling gaat uit naar Sinterklaas. Daar staan wel zes mannen met kogelvrije vesten omheen. Met hun wapens in de aanslag. Een agent in burger duwt ze opzij en knielt naast Sinterklaas. Inpakpiet ziet zijn teleurgestelde blik als hij een plakbaard in z’n handen houd.
‘Kut’ zegt een zwaarbewapende commando door z’n bivakmuts. ‘Het is een hulpsinterklaas, het is niet de echte!’
Inpakpiet is eigenlijk wel opgelucht. Hij moet ondanks zijn pijn zelfs een beetje lachen. Het enige wat hij nu nog kan bedenken is dat hij wel wat pepernoten zou willen strooien. Met een glimlach op zijn gezicht beweegt hij zijn hand naar zijn zak. Hij ziet twee automatische geweren zijn kant opdraaien.
Hij ziet één vinger de beweging aan de trekker maken.
Geen zitplaats tot mijn grote ergernis. Die zijn bezet door middelbare scholieren. In het middenpad staan slingeren is geen pretje, maar opeens zie ik op de achterbank van de bus een open plek. Ik wurm mij er naar toe en neem plaats tussen een overdadig met sieraden behangen, bloemzoet ruikend meisje en een puistige puber. De puistige puberjongen luistert naar muziek met een mp3-device.
Ik weet niet of je wel eens achter in een bus gezeten hebt. Het stoot en trilt er nogal. Al die trillingen dringen je lichaam binnen via voeten, kuiten en dijen en wekken als het ware opgespaarde tegoeden tot leven hetgeen weer een zekere ongemakkelijke lichamelijke reactie teweeg brengt. Zeker als je net als ik een strakke spijkerbroek draagt en naast een jong meisje zit. De bus gaat links, de bus gaat rechts.
Haar aanwezigheid maakt dat mijn stoffelijkheden het overnemen. Haar op haar bovenbenen rustende handen glijden naast haar. Een hand raakt mijn dijbeen. Even draait zij haar hoofd in mijn richting. Onschuldig lacht zij bloemen naar mij. Het zweet breekt mij uit.
Na een busrit met zekere lengte, stapt het meisje op. Zij loopt naar de uitgang en spoedig zal zij de bus verlaten. Als de bus nog rijdt, houdt zij zich vast. Haar hand is geklemd om de keiharde en koude stalen buis naast de klapdeur waarop de STOP-knop zit. Zij kijkt mij aan en drukt met haar duim op de knop. Ik smelt duizend doden.
Ik blijf alleen met de jongen op de achterbank van de bus. Hij heeft zojuist de geluidsset uit zijn oor gehaald en kijkt mij vorsend aan. Om de stilte te breken, vraag ik hem hoeveel uur muziek er nu op zo'n ding gaat. "Oh uren", klinkt het nogal onnozel. Exacte vakken behoren blijkbaar niet tot zijn interesseveld. Ik probeer een beetje meer vrijpostigheid en stel hem de vraag; "En waar luister je naar?" Zonder blikken of blozen zegt hij: "Een pianoconcert van Rachmaninoff."
...van die types die op driekleurige hooggehakte teenslippers lopen. Verzwikte enkels ten spijt glimt haar plastic schoeisel met een blauwe streep en een gele en een groene. Grote gouden nepdiamanten pronken er bovenop. Haar immens veel te dikke benen beginnen smal bij de kuit en dijen ontzagwekkend uit boven de knie. Glimmend bruin heeft zij haar proportionele figuur in de veel te strakke polyester legging gehesen. Vertikale strepen in alle kleuren van de regenboog repeteren eindeloos. Haar ceintuur in de grootste maat is bezet met spiegels en kralen. De blubberende navel zichtbaar door het zwarte gaasshirt en een joekel van een felgele borstenhouder. Rijkelijk gevulde borsten is een understatement. Het type waar Antilliaanse mannen als een blok voor vallen. Het type ook dat als een blok valt voor grote sterke Antilliaanse mannen met zwaaiend zwart lid. Op de markt staat ze naast me. Met haar gouden tand lachend ontbloot, geeft ze mij een zoete ondeugende gulle lach; "Check die guy! Jij hebt twee lekkere pan dushi's!"