Bij binnenkomst wordt mij het Sawaddeekap! toegezegd door een dame met zwartglanzend haar. Met hakken haalt zij 1.63 en zonder hakken is dat iets over 1.50 hetgeen standaard is in de dienstverlenende sector in BKK.
"You like normal massaaage or herb massaaage?"
Nou, doet u mij maar een herb massage. Gisteren weer teveel GinTonic, Mehkong en Singha gedronken, vandaag even relaxen.
Ik krijg een zakje met kruiden, een handdoek, twee slippers en een onderbroekje gemaakt van het een of andere linnen dat meer op papier lijkt. Ik begeef mij richting douche. Oei, dat meurt aardig na gisteravond en de spieren zijn ook goed verkrampt. Ik weet niet wat er allemaal gebeurd is maar het hele lichaam doet pijn.
De douche maakt mij schoon, het papieren broekje gaat aan en in een andere kamer wacht de massagetafel reeds. Ik geef een nieuwe dame met zwartglanzend haar het zakje kruiden en zie een alleraardigste glimlach, een rij witte tanden en wederom Sawaddeekap! Een klein Thais poppetje met bruine vlugge vingertjes.
Het verhaal begint op de buik en haar handjes en vingertjes masseren mijn rug. Nou ja, masseren... het is meer kneden en dat kneden gaat over in trommelen, rammelen, trekken, knijpen en duwen. Zo klein als ze is, zo hard ook gaat ze te werk. Tot aan de pijngrens.
Hoofd, nek en schouders, alles zit onder de olie. Alles doet pijn zo lang ze bezig is maar zodra ze een plekje loslaat en ergens anders aan de gang gaat, bedwelmd een overweldigende loomheid mij.
Drie kwartier later word ik wakker. Mijn papieren broekje is uit en ze masseert mijn bilspleet met olie. Het zakje is opengetrokken en alles geurt naar kruiden die ik niet ken. Dan stopt ze.
Het Thaise poppetje vraagt mij om te draaien en op de rug te gaan liggen, hetgeen geschiedt. Ik kijk in een prettig gezicht dat zich concentreert op haar werk: mij ogenschijnlijk slopen tot aan de pijngrens.
Voetzolen, tenen trekken, Achillespees, kuiten, benen, bovenbenen, bovenbenen binnenkant en uiteindelijk liezen en vol op en over de erogene zones. Ik weet niet hoe ik het heb en het onvermijdelijke gebeurt: hij gaat voor zichzelf denken.
Fier rechtop staand, denkt hij zelf en hoe meer haar massage, hoewel nog steeds geconcentreerd op de spieren in mijn lichaam, in de buurt van mijn erogene zones komt, hoe meer bloed er uit mijn hoofd stroomt.
Dan pakt ze mijn rechterhand. Ze legt mijn hand op haar bil en kijkt mij veelbetekenend aan.
"You like massaaage all the way?"
Ik smeek een onverstaanbaar 'ja' en ze klinkt instemmend met het noemen van haar prijs van 1000 Baht.
Ho ho ho, maar dat is dus te veel en dit is nog steeds BKK dus mijn hersenen schieten wakker en ik roep 300 Baht. Het onderhandelingsproces gaat snel want zij weet dat ze niet teveel bloed moet laten teruglopen naar mijn hersenen, anders kon de 'massaaage all the way' wel eens afgelopen zijn.
Snel wordt de deal beklonken op 500 Baht hetgeen nog steeds 10 Euro betekent. Maar dan gebeurt het...
De restanten van het papieren broekje worden weggescheurd en Sjaak wordt vakkundig in de olie gezet. Mijn hand wordt door haar vanachteren in haar broekje gestopt en ook ik mag aan de gang met olie. Ik heb haar vast als een bowlingbal, duim in het bovenste gaatje.
Zij bewerkt mij met vakkundige hand: van langzaam en weer terug naar snel, van snel afzakkend naar langzaam, van onder tot boven, draaiend in de rondte, strakke staccato, lome schuif, knijpen en kietelen en helemaal stoppen. Dan buigt ze zich voorover, spreidt haar benen en ik heb liggend op mijn rug nu helemaal vrijspel met mijn rechterhand en haar twee bruine geoliede kadetjes.
Mannen zijn visueel ingesteld en ze weet het. Ze doet het erom. Haar hooggehakte hertekontje komt nog hoger te liggen en ik sterf duizend doden. Mocht het mijn laatste aanblik zijn, ik zou er voor tekenen.
Dan gaat ze pas echt aan de slag. Met gierende versnelling en immer strakkere omknelling knijpt ze mijn kleine jongen het bloed uit en in zijn paarse kopje. Wild slingerend probeer ik hem in zijn ene oog te kijken voor de knipoog met verstandhouding maar het lukt niet.
Hij is de weg kwijt, dit is hem nog nooit overkomen. Zelfs zijn ouweheer heeft minder routine dan de hand van deze kleine meesteres. Haar kleine bruine knuistje maakt nu omwentelingen per minuut gelijk een racende motor.
Mijn tenen tintelen, de kuiten spannen zich en via de hamstring kolkt een super-tsunami door de lendenen. Via mijn liezen en door mijn stam perst zich een prop naar buiten.
Van een prop is eigenlijk geen sprake. Van een niet aflatende golf zaad des te meer.
Langs mijn oren hoor ik 'whhooosh...' en in de borstkas voel ik een chronisch tekort aan lucht. Een vreemde grimas om mijn mond laat de lippen verstijven. Mijn ogen voelen als 180 graden naar binnen gedraaid en mijn lichaam begint te krullen tot foetushouding.
Het middenrif verkrampt en ik voel twee testikels in mijn nek naast een continue doffe dreun in de slagaderen. Van mijn rug rol ik opgekruld op mijn zij.
Heel in de verte hoor ik, "Hahaha... you like massaaage all the way?!". Dan verlies ik mijn bewustzijn.
Het Cafe
Ik sta aan het begin van een café. Door de open deur achter me valt licht binnen, de bar zelf is gehuld in een aangenaam schemer. Het ziet er uitnodigend uit, de bar heeft een zuigende werking op me. Alsof ik niet anders kan loop ik verder naar binnen. Ik voel me hier thuis. Het voelt vreemd. Ik weet dat ik hier nooit eerder geweest ben, maar het lijkt ook alsof ik hier al veel tijd doorgebracht heb. Alsof ik deze mensen ken.
De kristalheldere stem van Frank Sinatra klinkt.
I've traveled each and ev'ry highway; But more, much more than this, I did it my way
Ik loop naar de bar en ga zitten. ‘Hey Lis, mag ik een biertje van je?’ Het floept zo uit. Hoe weet ik dat ze Lis heet? Ik ken haar gezicht, maar toch weet ik dat ik haar nooit eerder gezien heb. Toch? Tenminste niet hier. Ze werpt me een glimlach toe. Ergens tweede helft twintig met bruin krullend haar. Ze heeft een vertederende en ontwapenende uitstraling. Geen schoonheid volgens de tijdschriften, meer een aantrekkelijke liefheid. Iemand bij wie je je direct op je gemak voelt.
“Alsjeblieft” Ze zet het bier voor me neer, werpt me een leuk lachje toe en loopt verder achter de bar. Ik steek een sigaret op en kijk om me heen. Er hangt een warme sfeer in het café. Het voelt alsof iedereen hier vrienden is met elkaar. Vrienden die geen woorden nodig hebben, maar gewoon gelukkig samen kunnen zijn. Ik kijk rond en zie allemaal verschillende mensen. Ik zie sprekende gezichten en aparte types. Mensen die uitstralen dat ze vol verhalen zitten en veel meegemaakt hebben.
Sommigen praten met elkaar, sommigen lachen met elkaar, anderen zitten alleen aan de bar en kijken vredig voor zich. M’n ogen kruizen die van een kleine veertiger. Hij draagt een zwart goed-passend pak met stropdas. Kort geeft hij me een knikje van herkenning en draait zich van me af. Verbaasd blijf ik kijken in de richting waarheen de man liep. Wie is dat? Hoe kent hij mij? Waar ben ik hier eigenlijk?
To think I did all that; And may I say - not in a shy way, No, oh no not me, I did it my way.
Ik doe veel op mijn manier. Sommige mensen vinden dat vreemd van me, anderen vinden dat m’n charme. Frank Sinatra in een café, dat hoor je niet vaak.
Ik zie me zelf lachen in de spiegel achter de bar. Ik zie me zelf lachen tussen de flessen sterkedrank door.
Ik voel een hand op m’n rechter schouder. Nog voor ik m’n hoofd omdraaien kan glijdt de hand weer weg, alsof het allemaal één vloeiende beweging was. Verbaasd kijk ik om. Rechts niets, links zie ik een jongen van me aflopen. Iets verderop legt hij weer z’n hand op iemands schouder en laat deze weer wegglijden. Amicaal, bedoeld als een nonchalante begroeting. De jongen gaat zitten en begint te kletsen.
Voorbij hem, uit het duister, komt een vrouw aangelopen. Een vrouw met … iets. Een bepaalde uitstraling die me grijpt. Alsof ze in licht gehuld is. De jongen spreekt haar aan. Ze blijft staan en moet lachen. Ze heeft een mooi gezicht. De jongen gebaart met z’n handen en de vrouw schokt met haar bovenlijf van het lachen. Ze ziet er stoer-elegant uit.
De laatste tonen van de muziek sterven weg.
Ik neem een flinke slok van m’n bier. Ik kijk weer naar haar. Ze kijkt terug. Ze kijkt net iets langer dan normaal maar wendt vervolgens haar blik van me af. Ik neem een trek van m’n sigaret.
Onze ogen ontmoeten elkaar weer. Een glimlach kruipt op haar gezicht. Een spontane glimlach. Niet zo’n gespeelde lach van een vrouw die iets van je gedaan willen hebben, nee, een echte, oprechte glimlach.
Sinatra zingt z’n volgende lied.
De vrouw legt haar hand op de schouder van de jongen, zegt iets, lacht even en loopt verder. Mijn richting op.
Gefascineerd blijf ik kijken.
Ze heeft een grote bos blond-rossige krullen. Als waaiende manen om haar vrolijke hoofdje. Leuke sproetjes en sprekende ogen. Ze manoeuvreert zich tussen de mensen door en komt dichter bij. Het lijkt wel of ze naar mij toe komt. Ze wil niet verder, nee, ze komt echt naar mij!
De vrouw staat voor me. Ze kijkt me aan met haar brutaal-guitige blik. Verdomde goed weet ze dat ze aantrekkelijk is, maar verwaand komt ze niet over.
“Hoi” zegt ze zelfverzekerd. ‘Ehhh, hoi’ antwoord ik. Ik word er vrolijk verlegen van.
Something in your eyes was so inviting, Something in you smile was so exciting
“Je biertje is bijna op, wil je een nieuwe?” Ze overdondert me helemaal. Ik laat het gebeuren. Ik vind het eigenlijk wel prettig. Haar fijne, heel iets hese stem grijpt me. Nog voor ik antwoorden kan rijkt ze me een nieuw glas aan en houdt ze ééntje voor zich zelf in haar andere hand.
“Ja, je zat hier zo alleen, ik denk ik kom even met je kletsen” ‘Eehhmm, ja’ antwoord ik. “Wat vind je eigenlijk van dit café, vind je het leuk?” Ze kijkt me aan met een speelse blik in haar ogen. Ze lijkt geïnteresseerd in m’n antwoord. Nieuwsgierig en geïnteresseerd.
Ze is komen zitten op de kruk naast me. Beiden zitten we met onze gezichten naar elkaar toe en de bar aan onze zijkant. Haar knieën dicht bij de mijne. Ze draagt een lichte spijkerbroek, cow-boylaarzen en een vrouwelijk shirtje. Haar borsten zijn mooi en welgevormd. Gewoon mooi en welgevormd. Zonder seksuele lading.
Ik antwoord haar dat ik het hier prettig vind. Dat er een fijne sfeer hangt hier, maar dat ik er ook wel een vreemd gevoel er bij heb. Een vreemd gevoel omdat het zo bekend lijkt maar dat ik weet dat dit ik hier nooit eerder ben geweest.
… two lonely people We were strangers in the night Up to the moment When we said our first hello. Little did we know…
Oh god wat heeft ze een lieve glimlach.
Ze kantelt haar koppie heel iets. Ze plaatst haar handen tussen haar benen op de rand van haar kruk en kijkt me diep in m’n ogen. Ze leunt iets naar voren.
“Ja, dat klopt het is allemaal een beetje nieuw voor je, maar wel fijn toch? Geniet er maar lekker van.” Speels geeft ze een tikje op m’n knie. ‘Hoe bedoel je?’ Ik vind het nu allemaal wel erg vreemd worden. Haast alsof dit allemaal opgezet is of zo. ‘Hoe bedoel je?’ vraag ik weer. Ze kijkt me aandachtig in m’n ogen. Ze kantelt haar hoofdje van links naar rechts.
“Je weet wel waar je bent. Eigenlijk weet je het wel. Je weet ook wel wie ik ben.” Weer kijkt ze me lang en aandachtig in m’n ogen.
Ik begrijp haar niet. Ik vind het raar worden. Voor me zit een heerlijke vrouw. Een vrouw die oprecht in mij als persoon geïnteresseerd lijkt. Ik zit in een café waar alles perfect is. Het bier is koud, de mensen zijn fijn en ik voel me goed. Maar ‘iets’ voelt ook onnatuurlijk. Alsof het té goed is.
Ze pakt een sigaret uit haar pakje en kijkt me weer aan. Met haar lieve lachje. “Sigaretje?” vraagt ze. Ik zou weg kunnen smelten bij haar stem. Bij haar.
Ik neem de sigaret aan. Ze ziet m’n moeilijke en gepuzzelde blik. “Ja, je hield je vroeger altijd groot. Je zei altijd dat je dit allemaal niet geloofde. Dat dit niet waar was. Je deed ook altijd alsof dit allemaal niet bestaat, maar diep, heel diep in je wist je het eigenlijk wel. Eigenlijk wist je het heel goed. Je wilde het alleen niet geloven.” … “Je weet ook wel wie ik ben.”
Met haar koppie nog steeds iets schuin kijkt ze me speels-uitdagend aan.
“Zeg het maar” Haar stem klinkt heerlijk. ‘uummm’ Ze houdt zich stil en kijkt me alleen nog maar aan. Ik word gegrepen door haar ogen en verdrink er bijna in. Ik moet kort even met m’n hoofd schudden om weer bij de les te komen. ‘uueehhh’ Haar lachje blijft oh zo zoet maar ze laat me niet meer los. Ze blijft wachten op een antwoord. Ze blijft me aan kijken. Het is alsof alleen wij twee nog maar bestaan.
“Zeg het maar Bart, je hoeft je niet meer groot te houden, je hoeft niet bang te zijn.” ‘Uuhhhh, ben ik, ik, ik, ik, …… ben jij, eeuuhhh?’
Oh god, ze zit parmantig op haar kruk. Haar kinnetje omhoog en haar mond in een tuitje getrokken. Ze bijt iets op haar onderlip. Een halve meter van me af.
‘Eehhhmmm, jij bent…. en ik ben…..’ “Ja zeg het maar” ‘Jij bent God?’ Mijn stem is nog nooit zo klein en kwetsbaar geweest.
“Ja Bart, goed zo” ….. “Ik ben God. Jij bent dood en dit is jouw hemel. Helemaal speciaal voor jou.” ….. Ik weet niet wat ik denken moet. Geschokt staar ik naar het wezen voor me. Die mooie meid, die… die…die… God? Zwijgend en lief kijkt ze me aan. Diep in m’n ogen. “Helaas, ik kan er niets aan doen Bart, jouw tijd is nu gekomen. Je bent hier, in je hemel.” Ik kijk haar aan. “Kom, Lis heeft twee borrels voor ons ingeschonken en ik heb je net een sigaret gegeven.”
Van stomheid geslagen neem ik het glas in m’n hand en breng ik de sigaret naar m’n mond. “Het is hier best fijn Bart, ik heb dit allemaal speciaal voor jou gemaakt. Kom op, hier heb je vuur.”
Haar hand komt naar de sigaret tussen m’n lippen.
FFFFFFLITSSSSSSS
Ik zie niets dan fel licht. Niets dan verblindend wit in m’n ogen.
“Meneer Oostvogel, meneer Oostvogel, kunt u mij verstaan? Meneer Oostvogel, hoort u mij? U ligt op de EHBO van het ziekenhuis. Maakt u zich geen zorgen. U hebt een ongeluk gehad. Wij zorgen voor u. U komt er wel weer bovenop. Meneer Oostvogel, hoort u mij?”
Het kleine dorp in de Bourgogne ligt letterlijk middenin een wijngaard. Puligny Montrachet kent een Rue de l'eglise en een Place de l'eglise en daarmee heb je het wel gehad.
De grond is kalkachtig met klei, bevat veel stenen, is goed gedraineerd en snel verwarmd door de wit/gelige kleur.
Een beetje wijnkenner wordt bij het horen van deze combinatie van prachtige factoren lyrisch.
En voor de niet-wijnkenner: vertrouwt u op de wijnkenner want de droge witte wijnen die hier vandaan komen zijn een reis waard.
Onze reis eindigt dan ook in Puligny Montrachet. Het lekkerste hapje voor het laatst.
Het kleine vierkante parkje is omgeven door eeuwenoude kastanjebomen. De motor van onze auto is het enige geluid op het hete middaguur en als we geparkeerd zijn en ook de ventilator stopt, horen we enkel de wind in de bomen.
Op een van de hoeken van het parkje staat een restaurant en het heet "Le Montrachet". Hoe kan het ook anders.
Wij gaan zitten en bestellen een grote koeler met een beetje ijs en een fles wijn. Een Puligny Montrachet.
Ik neem een slok.
Ik proef het tuinhekje van Vlasman, mijn oud-docent drankenkennis. Het roestige, Franse tuinhekje met de zilveren glimmende druppel ochtenddouw bij zonsopgang.
Als ik in de kleine douwdruppel kijk, zie ik het hele panorama duizend keer uitvergroot. De zonsopgang, het groen van de bomen, de blauwe lucht, de lange landweg. Het gouden kleurenpalet van het leven toont in miniatuur haar rijke schakeringen.
Allemaal is het te zien in deze ene druppel.
Ik proef van het exotische fruit dat ik ruik. Ik zie tinten marsepein en beleef een geroosterde noot. Het onmiskenbare botertje, zo karakteristiek voor deze wijn, is vandaag heel subtiel. De slok wijn vertelt mij zelfs over zonsondergang.
De tinten witte bloesem uit de wijn passen uitstekend bij het vergezicht dat ik heb; de dikke kastanjebomen in het parkje en het stille loomwarme Franse dorp tijdens de lunch. Een vogel tsjilpt.
Het is een sensationele wirwar van zintuiglijke en spirituele belevenissen. Heden en verleden vermengen zich moeiteloos en mijn emotie bespeelt virtuoos mijn ratio.
In mijn mond zijn de wijnzuren van een bijzonder discrete aard. De intense zachtheid van dit Chardonnay druifje neemt een imponerende lengte aan.
Golf na golf voeren de meest uiteenlopende elementen mij mee op hun ingenieuze tocht die uiteindelijk tot in de verre stilte leidt. Daar waar alles samenkomt.
Wanneer ik terugkeer op aarde, na mijn lange reis over de rivier die de slok Puligny Montrachet voor mij vormt, kijk ik links van mij.
Opa's piemel
Met een gruizige geruis suisde de lichtgekleurde Mercedes over de lange weg naar de herenboerderij. Zwijgend stopte opa bij het hek, even zwijgend stapte Peerke achter uit. Ook op deze donkere dag wist de knecht zijn plaats, zijn taak in het geheel. Hij had vandaag zijn werkgeefster naar het graf gebracht, maar die koeien melken zichzelf niet. Van de boer zelf kon hij niet verwachten dat hij er zou zijn. En dat was ook niet direct nodig, hij bracht het er in zijn eentje ook uitstekend vanaf. Hij had zijn leven niets anders gedaan.
Ik zat al de hele reis aan het sierrandje van de leren voorstoel te plukken en peuteren. Zo stuurs en verbeten als opa keek kon ik niet, iedere keer als ik dacht aan hoe het nu was werd mijn gezicht warm. Alsof de tranen vanaf mijn hart mijn hele gezicht opvulde. Het hielp nu niet dat we al maanden wisten dat oma het niet lang meer zou maken. Ik geloofde niet dat ik me verdrietiger kon voelen als nu.
De nacht dat pappa en mamma verbrandden was natuurlijk veel erger. Dat begon bijna een beetje te wennen, toen oma het op een middag zo zacht ze kon aan me vertelde. Dat ze niet zo lang meer bij me kon blijven, omdat haar lichaam werd verteerd door de 'K'. Iets ergs, begreep ik. Te erg om uit te spreken. Dat ik het met opa ook best zou redden. En een grote sterke jongen zou worden, misschien ook wel boer. En opeens was het zo ver, vorige week. En nu nog definitiever. Samen met opa zijn we overgebleven op de grote boerderij. Bij het boodschappen doen op de zaterdag zullen de mensen waarschijnlijk met nóg meer medelijden naar me kijken. Van een afstandje.
"Ik ben blij dat ze dood is." zei opa nogal onverwacht. Ik dacht dat ik het niet goed hoorde, maar er viel niks verkeerd aan te verstaan. Ineens trok alle gevoel weg uit mijn gezicht. "Ze was gek van jou. Maar voor mij maakt het weinig verschil dat ze er niet meer is." Raspend begon ik iets te zeggen. De woorden stokte in mijn keel. Het leek alsof er een dichte mist om de auto hing. Alles grijs, alles dicht, dof en doods.
"Ik heb je nooit verteld dat ik als kleine jongen een ongeluk heb gehad. Dat is ook waarom ik zo raar plas." Ik wist niet wat ik hoorde, maar het liefst hoorde ik niets. Opa praatte, bijna zonder intonatie door, terwijl hij met zijn handen over het stuur in het niets staarde. "Dom ongeluk. Ik klom over een hek en ik gleed weg door de modder onder mijn klomp. RATS! Nooit zoveel pijn gehad als toen. De dokter kwam binnen een uur langs en heeft me zelf naar de grote stad gebracht. Om een lang verhaal kort te maken, ik moest voortaan plassen als een meisje en verder moest ik maar onthouden dat veel dingen die mensen met hun piel deden voor mij niet meer konden. En dat was het."
Om het nu vandaag over opa's piemel te hebben was wel het laatste wat ik wilde.
"Je weet toch hoe het gaat met kinderen maken?" Ik knikte. En opeens maakte ik de combinatie. "Jouw oma beloofde mij trouw, maar ze wist toen niet wat ze moest missen. Wat ik miste. Dat bleek toen snel en toen moest ik met haar een tweede afspraak maken. Ik kon niet anders. Ik wilde niet alleen achterblijven. Dat wil toch niemand?" Ik schudde van nee, terwijl mijn verwarring inmiddels herrie maakte in mijn oren. "Het heeft me nooit aan eten ontbroken en het was altijd proper in mijn huis. Maar liefde jongen, dat had ik blijkbaar niet verdiend. En nu is ze dood..."
Peerke had zijn nette pak inmiddels uitgetrokken en zijn overall uit de achterbak gehaald. Hij trok hem over zijn linkerbeen omhoog.
"Wat mij betreft is die afspraak dus per vandaag voorbij." Opa pakte de versnellingspook. "Ik zie jou als mijn eigen kleinzoon hoor. Dat blijft. Wat er hierna ook gebeurd." Ik kon niet bedenken wat hij bedoelde.
In één beweging zette opa de Mercedes in zijn achteruit en trapte het gas vol in. Angstaanjagend hoog schreeuwde hij "Ga d'r dan nou ook maar op liggen!"
Ik durfde niet naar voren te kijken toen hij remde en de auto direct vol gas weer naar voren schoot. Ik hoor het gegil en het gekraak nog iedere nacht. En even later gaat de opwindwekker en moet ík naar het land. Die koeien melken zichzelf immers niet.
Niek - "Pappa's oude werkjassen"
'Schiet verdòmme op!'
En om haar woorden kracht bij te zetten, port ze met een voet. Ik houd mijn adem in. Beweeg niet. Want ik ben bewusteloos. Deze keer helpt het niet. Moeder, langzaam en kalm:
'Je kan maar beter vlug opstaan, jongen. Anders geef ik je een reden om te blijven liggen'
En ineens sta ik rechtop. Zomaar. In het gelid. De keuken ziet blauw. Het tl-licht schreeuwt. Branderig. Rood. Blauw. Rood-blauw. En dan krijg ik een klap vol in mijn gezicht. Ik val weer achterover. Moeder krijslacht.
"Haaaaaaahahahahahaha, kleine etterbak! Je bent een nul. Een nùl, hoor je me? Zèg het me!'
Haar stem slaat over.
"J-j-ja Mam. Een nul", zeg ik voorzichtig. Mijn kin op mijn borst.
Ik geef meteen antwoord. Bang voor de onstuitbare stroom klappen die weer zou volgen als ik haar niet met respect zou behandelen. Zoals zij dat noemt. Haar opvatting van respect. Ik voel tranen prikkelen.
'Laat dat Mam maar weg'
Ze trekt de deur achter zich dicht. Een sleutel wordt omgedraaid. Ik zou zo graag een hondje willen.
Later op de matras trek ik mijn knieën tot aan m'n borst. Onder Pappa's oude werkjassen probeer ik mezelf warm te blazen.
Oh God. Kom me halen alstublieft. Als u me kunt horen, God. Haal me hier weg. Alstublieft. Het liefst vandaag.
Decker
Wegens een uitvaller door ziekte werd ik in een andere dienst geplaatst. Na een vijftal weken GFT containers was ik wel toe aan stratenvegen. Ik verwachtte dan ook een ontspannen dag: Koffie, wagen halen, naar de wijk rijden. Daar aangekomen krantje, koffie, bammetje. Beetje vegen, pauze. Tot een uurtje of drie en dan rustig terug rijden. Met een beetje geluk een klantje tussendoor. Een cafetariaturk die goedkoop wat rotzooi kwijt wil. Altijd mooi meegenomen. Meestal levert dat een paar blikjes bier op, soms wat contanten.
Op weg naar de planning om de autosleutels op te halen zag ik hem al. Een magere lange slungel. Kort zeer lichtblond haar en een snorretje. Harde blauwe ogen. Na mijn eerste taxerende blik kwam ik al tot de conclusie dat dit geen gewone straatveger was. Puur op uiterlijk.
“Decker, zeg maar Frans” stelde hij zich voor. “Lennard” zei ik efficiënt. De dag vorderde en stukje bij beetje leerde ik Decker kennen. Spannende verhalen over de BVD ten tijde van de kraakbeweging, een verzameling uniformen en onderscheidingen uit de beide W.O.’s, Decker had ze allemaal. Zijn duitse tongval wegens opgroeien bij de oosterburen maakte het allemaal nog spannender.
We werden goede collega’s. Vooral toen ik hem kapiteinsterren voor op het blauwe DT van de Marechaussee had bezorgd. Ik heb erbij gezeten en dat fascineerde hem mateloos. Ook de toen zeer actuele situatie op de Balkan hield hem bezig. Hij wist buitensporig veel over de situatie ter plekke, voor een straatveger.
Op een dag vertelde hij mij waarom. Hij bemiddelde voor de Kroaten. Hier werden huurlingen geronseld en daar ingezet. Niks geen geld kwam er aan te pas. Er werd goed voor je gezorgd en na afloop werd je eigenaar van een woning in de bergen of aan zee. Net wat je zelf wilde. Voor mij was er ook een mooie positie beschikbaar. Met mijn Marechaussee achtergrond kon ik wel in de persoonsbeveiliging. Of een soort sniper worden of zo. Hij was bloedserieus. ’s Avonds ben ik met hem mee gegaan naar zijn huis. Een zeer bescheiden rijtjeshuis in één van de slechtere wijken. Een “normaal” arbeidersinterieur. Na de koffie nodigde Decker me uit in zijn hobbykamer. Aangeklede etalagepoppen en posters aan de muur. De voorkeur voor Nazi’s had ik wel verwacht. Ik heb hem binnenste buiten gevraagd. Wie, wat, waar, waarom hij etc. De antwoorden waren goed. Ik zei dat ik er nog een nachtje over zou slapen.
Uitermate vroeg stond ik de volgende ochtend bij hem voor de deur. Half vijf was ook voor zijn doen erg vroeg dus er brandde nog geen licht. Ik gaf het sein. Met een klap vloog de deur open. Drie man voor de benedenverdieping, ik met vijf anderen door naar boven. Eén voor één de kamers veilig gesteld. Decker was nergens te bekennen.
Meer dan twee maanden achter die stinkwagens om bij hem te komen. En nu was de vogel gevlogen. Er lag een briefje: “Jammer Lennard, we hadden je echt goed kunnen gebruiken”