"Is er nog hoop?" Dit wordt vast een droevig verhaal, dacht Gerard toen hij de eerste zin van zijn nieuwe short story had uitgetikt. Hij moest snel zijn, want de deadline van het modieuze wat glossy maandblad naderde ras en het geld was nodig want pinnen lukte niet meer. Het was een onverwachte meevaller geweest. Een andere date en hij was nooit in dat wat bourgeois café-restaurant in Utrecht terecht gekomen. Iets minder bier en hij had er nooit samen met de redacteur van het moderne maandblad staan pissen. Zo zie je maar, want dan was de lucratieve afspraak niet tot stand gekomen om een short story (one pager) te schrijven over een hoopgevende ontwikkeling in onze maatschappij. Iets dat de lezer aan het denken zet, maar niet te depri. Zo luidde de opdracht, en in 750 max..
Die eerste zin stak en Gerards vingers staakten. De zin sprong van het scherm en hoewel de zin biologeerde, bleek ze ook te blokkeren. Het witte scherm met één zin: "Is er nog hoop?". Dat zul je altijd zien, bromde Gerard, net als je het niet kunt gebruiken. Dat kloteverhaal moest echt binnen een uurtje af zijn, want deze schnabbel laten lopen, zou wel ongeveer het domste zijn wat je kon doen. Als je eenmaal in zo'n trendy blad gestaan had, was de toegang tot uitgevers, reclamebureaus, radio en televisie heel wat gemakkelijker. Brood op de plank moest er komen.
De zin was goed. "Is er nog hoop?" Niks mis mee, maar de rest wilde niet vlotten. En de rest van het verhaal was toch wel duidelijk. Eerst wat reutelen voor de colour locale en omdat je nu eenmaal een pagina moet vullen voor het een verhaal kan zijn. Op het eind een onverwachte wending, als uitsmijter. En dan is zo'n redactie ook weer helemaal tevreden. Een beproefd recept. Hij paste het al jaren toe. Iets over een cafe bezoek of zo en over onverwachte kleine kansen. Maar waarom lukte het dit keer niet? "Is er nog hoop?"
"Er is nog hoop!". Zo dat stond veel beter. Nu zou het wel gaan. Weg met dat writer's block! Een stekende pijn in de borst. Alsof er een olifant op je hart sta
Languit en gebroken drijft Enio op zijn kale eenpersoons-matras in zijn kale eenpersoons-kamer. Slap en doods hangt zijn arm over zijn buik. Na 80 kilo onderdrukking is alle gevoel er systematisch uitgeperst. De dekens liggen verfrommeld in een hoekje.
Enio staart naar de ornamenten in het plafond, met samengeknepen ogen en soep in een hoek, en luistert naar het gekraak van de elektronische wekkerradio terwijl het leven traag terugstroomt in zijn arm. Hij smakt met zijn lippen. Er is iets gestorven in zijn mond en er kleeft iets aan zijn gehemelte. Iets zachts. Hij richt zich op en steunend op zijn gehavende ellebogen inspecteert hij het onderlijf, als een generaal het slagveld. Gaatjes in zijn buik, netjes in een ovaaltje. 'Tandafdrukken', mijmert Enio. Tandafdrukken?
Zijn blik zakt af. Geblakerde sigarettengaatjes in zijn onderbroek. Een korst op zijn knie. Zwarte voeten, stukjes aarde tussen de tenen. Enio wiebelt met zijn tenen tot de klompjes aarde verkruimelen en op het matras uiteen vallen. Blijkbaar een wilde nacht gehad. Hij ploft weer neer op het matras en fronst naar het plafond.
Gestaag rijgen de fragmenten van de vorige avond aaneen. Hangend aan de bar van een uit zijn voegen barstend rookhol. De snoeiharde vierkwartsmaat van een politiek geëngageerde band uit Zweden. Een belerend vingertje in de lucht, terwijl de zanger zijn dubieuze opvattingen met een kushandje de zaal inslingert. De steelse blikken van een zwartharig meisje bij het podium die hem alleszins ontgaan. Een sprong in de tijd en een tikje op zijn schouder. Haar glimlach en aftastende blik. Zijn aanbod - eerst in het nederlands, erna in het engels - dat niet wordt afgeslagen. Het slurpen van zijn biertje terwijl hij vanover de rand van zijn glas naar haar kijkt. Alis, zo heet ze, die vertelt over de avonturen op hun eerste europese tour. 'I'm a so-cal grip-girl', vertelt ze meesmuilend.
Zijn armoedige grappen en haar welwillende lach, begeleid door het rumoer van een donderdagnacht. Uren die met zeeën alcohol worden weggespoeld en uit duizenden poriën als collectief zweet weer naar buiten kruipen. De handen van de buitenwipper die hen met zachte dwang naar de buitenlucht leidt. Haar stoutmoedige voorstel om een plek bij het water op te zoeken. Enio achterop zijn eigen fiets bij de zwartharige Alis, druk gebarend en pratend en aanwijzingen gevend terwijl ze hotsend en hobbelend hun bestemming naderen.
Geen mens te bekennen. Ze klimmen over het hek. Eerst Enio, die zijn knie schaaft aan het prikkeldraad dat kundig om het hek is gewikkeld. Dan Alis, die hoffelijk wordt bijgestaan door Enio. Als hij haar laat zakken zoent ze hem zomaar ineens op zijn mond. Hij is even van zijn stuk gebracht, maar herstelt zich en zoent haar terug. Gebukt en grinnikend rennen ze de dijk af naar het clubhuis, wat een mooi woord blijkt te zijn voor 'vervallen keet'. De deur zit niet op slot. 'Fits the description', grapt Enio en knikt naar het opschrift op de deurmat waarin ze hartelijk welkom worden geheten. Alis lacht, Enio grijnst, de deur zwaait krakend open.
De sobere inrichting wordt onthuld door het binnenvallende licht van de lantaarns, die in een statige colonne rondom de keet staan opgesteld. Stoffige tafels en zorgvuldig opgestapelde stoelen, een bar onder een gigantische spiegel en dito clubvlag, foto's van lachende mensen aan alle muren en rijen plastic bokalen op een houten lambrisering. Enio leest hardop de opschriften, terwijl Alis op zoek gaat naar eventueel alcoholhoudend materiaal. 1e Prijs Zeilcompetitie 1995, 1e Prijs Landelijke Scouting Zeil Wedstrijd, 2e Prijs OCC, Eervolle Vermelding Terkaplester Zeil-Zaterdag. Alis slaakt een opgewonden gilletje, Enio draait zich om. Ze staat te glunderen tegen het decor van tientallen flessen, ordentelijk opgesteld in een kast achter de bar. Rode en witte Chenet, JW Blacklabel, Chopin, Grey Goose. Niet slecht.
'X marks the spot', grijnst Enio. Ze krult zich rond zijn middel, zet een fles aan haar lippen, gaat op haar tenen staan en laat de inhoud rijkelijk in zijn mond stromen. Enio knijpt zachtjes in haar billen.
Met een roeispaan duwt Enio het bootje van de kant en stuwt hen met overdreven sierlijke armslagen voort, genietend van de tegendruk en de heimelijk blik die in zijn rug brandt. Het meer strekt zich uitnodigend uit, met elke slag drijft de metropool verder van hen af en daalt de roes sterker in. Alis vertelt over de klapband in Polen en de daaropvolgende overnachting bij een behulpzame oude man die juist op zijn brommer passeerde. Zijn echtgenote, een forse humeurige lapjesvrouw, verdacht hen om onnavolgbare redenen ervan van Duitse komaf te zijn en zonder schroom stond ze erop dat ze 's ochtends in alle vroegte weer zouden vertrekken. Ze was niet te vermurwen, alle pogingen om haar mild te stemmen ten spijt. 'De oorlog is daar nog altijd niet voorbij', verklaarde de man terwijl hij op de zijkant van zijn hoofd tikte en daarbij verontschuldigend zijn schouders ophaalde. Het vormt een voetnoot in de geschiedschrijving van de band's microkosmos.
Het ijskoude water beneemt hem de adem en jaagt zijn verbijsterde scrotum genadeloos omhoog, maar hij weet de opwellende schreeuw juist op tijd in de kiem te smoren. 'Met dank aan de aanzienlijke hoeveelheid drank in m'n lijer', schampert Enio. De riem was in een onbewaakt moment plotsklaps aan zijn greep ontsnapt. Enio was vloekend overeind geschoten, maar de roeispaan was al de duisternis ingedreven. Klappertandend en dapper lachend zwaait hij naar Alis. Ze glimlacht en zet de fles aan haar lippen.
Na een paar ferme armslagen is de riem eindelijk binnen handbereik en Enio grijpt hem triomfantelijk beet, wanneer in de verte een gedempt geplons klinkt. Een bekend, ritmisch geplons. Het geluid van een riem in het water. Enio draait zich om. Het wateroppervlakte strekte zich rimpelloos voor hem uit, Alis was verdwenen. Het bootje is niet meer dan een schim in de verte dat hij met open mond nastaart, tot het uiteindelijk helemaal aan zijn zicht is onttrokken. Het water kabbelt tegen zijn gezicht, de nacht drukt op zijn schouders en de spaan in zijn hand vormt een zwijgende getuige in het alomhullende duister.
Onwillekeurig denkt hij aan de duitse soldaten die met een fles in de hand stierven en wiens zittende lijken in de loopgraven werden begraven onder de almaar neerdalende sneeuw aan het Russische front. De bevroren grimassen van een verloren leger. Enio schudt zijn hoofd om het beeld te verdrijven. 'Hey!', schreeuwt hij, terwijl hij paniekerig om zich heen plonst. 'Alis!' Met wilde armslagen koerst Enio in de richting van de schim, onderwijl binnensmonds jammerend en vloekend, tot hij na een poosje het bootje weer in zicht krijgt. Enio houdt stil op een paar meter afstand. Het bootje dobbert kalm voor hem uit.
Het is leeg.
Enio hangt onrustig en besluitloos op zijn plek, als een vleselijke boei met ledematen. 'Alis?' Geen antwoord. Zijn ogen schieten onwillekeurig van links naar rechts. Niets dan water. 'Alis?' Een ijskoud voorgevoel kruipt van zijn kruis naar zijn keel. Verdoofd zwemt hij naar het bootje en trekt zich op aan de rand. Zijn haar hangt in slierten voor zijn gezicht als hij over de rand kijkt. Alis ligt languit in het bootje, haar kleren netjes opgestapeld op de zijne. Ze kijkt grijnzend op naar zijn verbaasde gezicht. Op haar buik ligt een kruis van rode wijn, met haar navel als som der delen. 'X marks the spot', fluistert ze. Die Alis. Enio hijst zich aan boord en stort zich druipend op het giechelende meisje.
Goedgemijterd rijdt de Sint door de natte straten. Ook dit jaar is de maan niet door de bomen waar te nemen. Het waait en het regent. Maar dat kan de pret niet drukken. Ook de Pieten hebben goede zin. Toch is er een gezonde nervositeit voelbaar. Het eerste bezoek van het nieuwe seizoen zal bijzonder worden.
Het was de Sint niet ontgaan dat er in Nederland iets was gebeurd. Zelf had hij ook geen gemakkelijk jaar achter de rug. Zijn connectie met Nederland, de Moorse achtergrond van zijn knechten. En dat alles in Spanje. Maar gelaten had hij ze hun gang laten gaan. De huiszoeking, de telefoontaps, de overduidelijk aanwezige observatieteams.
Maar nu dan eindelijk weer in Nederland. Statig zwaait de Sint naar de lachende kinderen achter de ramen. De Pieten rennen vrolijk rond en delen pepernoten en snoepgoed uit. De fanfare zet de Sinterklaasmedley in en het gezelschap vervolgt de weg naar het buurthuis. De ramen zijn versierd met knutseldingetjes. Binnen wordt luidkeels gezongen.
Eenmaal aangekomen ontdoet de fanfare zich van de instrumenten en de bar wordt opgezocht. Sinterklaas wordt door twee Pieten van z’n paard geholpen. Een delegatie van het organisatiecomité heet de Sint welkom. Deze Sinterklaasontvangst is tevens de avond van de eenheid. Het leek de buurt wel gepast om in deze lastige tijden Sinterklaas te gebruiken om nader tot elkaar te komen. Het Suikerfeest was immers ook een succes, dus waarom dit niet? Schaapachtig lachend geeft ook het hoofddoekje van het comité Sinterklaas een hand.
Na het gebruikelijke uitdelen van snoep en het aanhoren van de bekende liederen onderweg naar de speciale Sinterklaasstoel, neemt de Sint plaats. De microfoon wordt aangezet en het begint rond te zingen in de zaal. De pubers achter het mengpaneel hebben het snel opgelost. De ene loopt rood aan, bij de ander is het blozen minder goed waarneembaar. Maar uiteindelijk gaat de aandacht weer snel uit naar de Sint.
‘Beste mensen. Het is prachtig om iedereen, van alle rangen en standen, met alle culturele verschillen en met uiteenlopende geloofsachtergronden hier bijeen te zien.’ De Sint drukt zijn bril wat hoger op zijn neus. Bekijkt het papiertje nog eens zorgvuldig en maakt er vervolgens een prop van die hij weggooit.
‘Een tekst van niks.’ Het organisatiecomité kijkt vreemd op. Sinterklaas heeft blijkbaar z’n eigen speech en praat verder. ‘Het is natuurlijk heel mooi dat jullie hier allemaal zijn. Daar ben ik echt heel erg blij mee. Het is ook niet niks wat er de laatste tijd is gebeurd. En ik kan het weten. Ook Sinterklaas heeft het moeilijk gehad. Slechts kleine kinderen geloven nog in mij. Terwijl ik toch echt besta. Het geloven in mij is dan ook het enige echte geloof. Geloven in mij is goed voor de mensen. Mensen die in mij geloven krijgen snoep en cadeautjes. Door in mij te geloven wordt deze wereld een betere wereld. Maar er is totaal geen aandacht meer voor mij! Waar gaat het heen met dit land? Mijn meest trouwe aanhangers kleden zich herkenbaar. De Pieten dus. Ik heb zelfs een boek… "Het" boek noem ik het. Voor mij en de Pieten is dat boek heilig. Maar niemand die dit serieus neemt.’
Verbaasde blikken alom… De oude man gaat verder. ‘Daarom is het zo fijn dat jullie hier allemaal zijn. Hier, vanavond, zal ik beginnen met mijn eigen campagne. Ik wil dan ook graag twee lieve kindertjes hier op het podium die mij daarbij gaan helpen. Wie?’
Twee kindertjes staan nu op het podium. Enigszins nerveus en verlegen. De volwassenen in de zaal kijken afwachtend en nieuwsgierig naar wat er gebeurt. Sinterklaas staat op. ‘Hiermee geef ik het startschot voor mijn eigen heilige oorlog. Het geloof in Sinterklaas is het ware geloof. We zullen de wereld onderwerpen aan mij en mijn boek. Na vandaag zal heel de wereld weten dat Sinterklaas bestaat.’ Hij haalt zijn Colt Anaconda tevoorschijn en plaatst twee nekschoten. De Pieten halen hun AK-47 uit de zak en schieten in de lucht. Ze schreeuwen dat iedereen moet gaan zitten. ‘Sinterklaas Kapoentje!’ roept een fanatieke Piet.
Dubbelloops Piet gaat naar de Sint. ‘Het staat op video. Wij maken het verder wel af. Gaat u maar, de helikopter staat klaar.’ Ze kijken elkaar aan met de blik van mensen die afscheid nemen voor altijd. ‘Telkens als de maan door de bomen schijnt zullen wij jullie herdenken,' zegt de Sint plechtig. ‘Sinterklaas Kapoentje!’ besluit Dubbelloops Piet. Hij maakt een eind aan het gillende gekrijs van de hysterische kleuterjuf, laat twee hulzen vallen en plaatst nieuwe hagelpatronen in z’n wapen.
Sinterklaas moet nu haast maken. De boobytraps voor de antiterreur-eenheden moeten worden geplaatst. Bovendien is het algemeen bekend dat sommige Pieten behoorlijke klungels zijn. Daar blijf je niet bij in de buurt als ze met explosieven gaan knutselen.
‘Kijk je straks wel of er geen kindertjes tussen zitten die doen alsof ze dood zijn?’
De oude vrienden lachen nog even om dit grapje. Dan stapt Sinterklaas in de helikopter. Dubbelloops Piet ziet zwaailichten uit de verte dichterbij komen en sluit de deuren.