Voetbal
Pas laat ben ik door vrinden overgehaald te komen spelen in een voetbalteam.
Eén van mijn argumenten niet te spelen op zulk nivo was de blessuregevoeligheid van oude ongetrainde lichamen op koude velden. Snel werd ik onder tafel gepraat door mijn vijf jaar jongere compaan. Ik besloot mee te doen en niemand teleur te stellen.
Het was in de eerste wedstrijd. Onze keeper meet 2.03 meter en weegt 147 kilo en ik stond linksback. Op linksback, had ik gemerkt, heb ik een prachtig overzicht op het veld.
De corner wordt genomen en ik sta tegen de linkerdoelpaal. Aan de binnenkant van de linkerdoelpaal zoals mij was opgedragen. De cornerbal vliegt door de lucht en daar roept onze keeper reeds "LOOOOSSS". Mij was verteld, als dit commando klinkt, niets te doen.
Ik kijk vanuit de ooghoeken rechts omhoog en zie een algehele zonsverduistering. Prachtig, hoe verrassend mooi de natuur kan zijn! Het moment van stilte dat volgt, doet mij mijn hele leven heroverwegen.
Wonderbaarlijk zo mooi als de koekoek uit de boom vliegt en ik andere vogels hoor tjilpen. De wind ruist zacht door de groene bladeren en dan opeens wordt mij iets duidelijk.
De wind waait vanuit alle hoeken in mijn richting!
De luchtverplaatsing voelt als een vacuümtrekkend natuurverschijnsel in mijn richting. Plotseling realiseer ik mij dat onze keeper in de lucht zweeft met zijn armen ver voor zich uitgestrekt om de vijandige bal uit de lucht te trekken. Door zijn enorme massa heeft hij luchtverplaatsingen teweeg gebracht die mijn zintuigen niet gewend zijn.
Ik staar ontzet omhoog en bereken snel waar de vijandige bal en de keepershandschoenen elkaar zullen ontmoeten. Mijn conclusie is dat dit proces precies boven mijn hoofd gaat plaatsvinden.
Mijn lokroep naar de koekoek of ik met hem mag meevliegen heeft op dit moment geen zin meer. Een snelle beweging om de doelpaal heen, komt niet in mij op en weldra gebeurt het onvermijdelijke.
Ik word geplet tussen een landende keeper van 147 kilo en een niet meeverende doelpaal.
'Krak', gaat het in mijn hoofd, nek en ruggegraat en zoemend blijf ik op de grond liggen. Mijn wereld is groen en ruikt naar vers gemaaid gras. Het is geen onplezierige ervaring maar het enige dat ik nog kan is met mijn oogbollen draaien en dat moet een keer gaan vervelen.
Tijdens de rest van de eerste helft wordt mij uitgelegd dat er een tweede helft is. Ik mag nog een hele tijd bijkomen want er is ook nog een 'rust' gedeelte.
De suikers uit het kopje thee halen de man in mij weer boven en in de tweede helft doe ik wederom mijn ongenadige best.
Het is hem vergeven want hij had ook alweer heel lang niet gevoetbald maar waarom de links-mid zo onverwacht en vooral ook zo hard de natte bal moest terugschieten naar de keeper, blijft voor mij onduidelijk.
Feit is echter wel dat ik op het moment volledig verrast word door een met ziedende snelheid op mij afkomende voetbal. Het is meer een projectiel en door het gemeen snelle karakter van de vlucht durf ik niet links of rechts te springen.
Mijn redenering op het moment is dat wat ik ook doe, ik het nooit goed zal doen. Spring ik links, dan zal de bal mij links volgen. Spring ik rechts dan zal het hittegeleide projectiel mij rechts volgen. Ik sta machteloos vastgenageld op de plek. Wel heb ik de tegenwoordigheid van geest alvast een krommende vooroverbuigende beweging te maken. Het helpt echter niet veel.
'BOFF', gaat het en de voetbal plant zich met 385 kilometer per uur in mijn kruis.
Later, in de donkere ruimte waarin ik mij bevind, voel ik mijn lichaam weer bewegen. Er wordt aan mijn lichaam gerommeld en ik hoor vrind S. roepen, "Trek hem recht! Je moet hem op je rug rechttrekken!"
Ik voel dat ik op mijn rug word gelegd op een zacht en warm en bollend oppervlak. Aan mijn enkels en oksels word ik uit elkaar getrokken en het heeft een verhelderend effect.
Mijn ogen openen zich en ontvangen een vaag grijzig licht. Ik krijg in de gaten dat ik op mijn rug lig op de rug van onze keeper die met zijn imposante lijf een levende werkbank vormt voor mijn twee, mij uit elkaar trekkende, teamgenoten.
Mijn testikels dalen af en ik krijg mijn vermogen tot focussen terug. De grasmat golft nog aardig en ik word begeleid naar de slingerende witte zijlijn. Er wordt tegen mij gepraat en ik merk dat ik niets hoef terug te zeggen. Het voelt als de warme wattendeken van echte vrienden.
Wijdbeens zit ik op het bankje in de dug-out, het zweet gutst van mijn hoofd. Het geplaagde scrotum doet verwoede pogingen tot herstel van schade die ik nooit volledig zal kennen.
Mijn inmiddels opgedane kennis van het voetbalspel leert mij dat elk nadeel zijn voordeel heb en dat ik vanaf hier 30 minuten kan bijkomen voordat mijn eerste voetbalwedstrijd een feit is.
Een kwartier later gaat de pijn over in een zwaar pulserend gevoel. Enkele minuten later kan ik zelfstandig staan.
Langzaam sleep ik mij richting kleedkamers en douche alleen en verlaten. Godzijdank, de monotone piep in mijn oren uit de eerste helft lijkt ook te stoppen.
Ik zit aan de bar in de voetbalkantine en overdenk de situatie met gemixte gevoelens. Ik heb inmiddels een van binnen prettig tintelend scrotum. Het is alsof ik langdurige en fantastische sex heb gehad. Naast mij kruipt een 12 jarig meisje op een barkruk. Zij bestelt een Chocomel en ik kijk haar aan.
Vrijwel onmiddellijk krijg ik een ontmoedigende mededeling van de barman; "Heee! Zit niet zo raar naar dat kind te kijken!".
Was het 'ik-heb-een-fijn-tintelend-gevoel-in-mijn-scrotum' op mijn gezicht zo duidelijk? Blijkbaar wel.
Roemloos
onder katoen verscholen, sluimert de potentie met hoornen getooid, woest grommend, agressief de inkeping spuwt bij tijd en wijle een bewonderenswaardige plons
op schootsafstand van jong en onschuldig en mals steigert het paarse beest fier, kloppen dikke aderen veelbelovend
de prooi, schuchter doch glanzend tot volledige opname bereid haar lillende lippen stromen vol haar gouden pareltje siddert
na afscheid van de sportieve omstrengeling rest een roemloos orgasme en een oorverdovend gezucht
Hoe te spreken (2)
Minderheidstaal, ik sprak er al eerder over. Het is de taal die u en ik zelf scheppen uit de grote Taal die u en mij probeert te vangen in haar regels. Weet u nog, die mensen of groepen die u wilden leren hoe te spreken? Ik sprak over “ik hou van je” als een vorm van minderheidstaal, het was een uiting van taal die vlucht uit het stramien van de Taal; op velerlei wijzen ontrok ze zich aan de haar opgelegde regels.
Het is niet toevallig dat juist in de liefde we zoveel minderheidstaal tegenkomen. Juist de liefde is een spel dat zich ontrekt aan de grote regels en haar eigen regels schrijft. “Vandaag gaan we niet naar ons werk, maar blijven we lekker samen in bed.” Al ontrekt u zich maar aan de regels van de maatschappij om ’s ochtends naar uw werk te gaan. Maar denkt u niet dat u zelf niet onderhevig bent aan de macht, u bent dan wel gevlucht voor de grote machtsstructuren, zelf oefent u microfascismes uit in uw spreken.
De geliefde kan afscheid nemen van u. Als is het maar even, ze gaat boodschappen doen, ze gaat met haar vriendinnen uit. Ze neemt afscheid van mij. En ik, ik blijf hier. In de liefde is het altijd de ander die afscheid neemt, het is het ik zelf dat altijd hier blijft, achter blijft. Ik kan mijzelf met recht verdrietig voelen als zij weg is. Zij heeft mij achter gelaten. “Afscheid nemen” is in de liefde een werkwoord dat maar één zijde heeft. Het is altijd de ander die weg gaat. Het is altijd het subject dat blijft.
Als ik schrijf “object van mijn liefde, zij verlaat mij”, dan eigen ik me haar toe. Door de taal oefen ik mijn macht op haar uit. Ik verklaar haar tot object van mijn liefde, en ik zeg: “U is wreed, u verlaat mij. Zielige ik blijft hier. Bloedt uw hart niet? Kom terug”. Het is haast een smeekbede, en in die smeekbede zit mijn macht. En ik vind dat ik het recht daartoe heb, want het is altijd de ander die mij in de steek laat.
Zo schrijft Barthes, vrij denker, gebroken geliefde, schrijver van De Nulgraad van de Taal, over Werther en over zijn eigen geliefden: “De ander is in een staat van voortdurend vertrek, permanent op reis; een trekvogel, sprongbereid, dat hoort bij zijn personage; ik daarentegen, ik die liefheb, ik ben uit de aard van de zaak het tegenovergestelde, een blijver, onbeweeglijk, ter beschikking, in afwachting, ik houd zo lang op de plaats rust, ik ben te bevragen, als een vergeten pakket in een stationspostkantoor.”
“Afscheid nemen” is een onomkeerbaar werkwoord, ontwrocht uit de repressieve meerderheidstaal. Door haar te bezigen, door te zeggen “zij neemt afscheid van mij”, oefen ik macht uit. Ik zet de minderheidstaal als wapen in, ik steel haar. Ik breng mijn wapen in stelling tegen haar, uit de hoop dat ze terug keert naar mij.
Ceci n'est pas une pipe
In de rechtbank noemde Freya hem kak in de kop. Siegfried riep hondenclit. De rechter wees alles aan Freya toe: het huis, de auto, de hond en de centen. Ook al veroordeelde het vonnis Siegfried tot de bedelstaf, hij schikte zich in zijn noodlot.
Hij verhuisde naar een kleine flat in een reuzevogelkooi langs een grote autosnelweg. Het geld, het huis en de hond miste hij niet zo erg als de schaamstreek van zijn ex. Ok, hij was z'n schuilspleet wel eens ontrouw geweest, maar Siegfried was dan ook een heet standje. Hij had haar bedrogen met al haar vriendinnen, de kassajuffrouw van de winkel om de hoek, z'n schoonmoeder en vele andere hoeren, maar had zij hem daarom verlaten? Siegfried kon het moeilijk aannemen. Freya ging toch zelf vreemd, zelfs met de hond! Dat had hij uitgedokterd toen hij eens een hondenbrok in haar schaamhaar ontdekte. Siegfried gaf z'n kwakput ook regelmatig een pak rammel. Een goed wijf moet immers voelen wie de baas in huis is. Nee, hij dacht dat die takketrut hem verlaten had omwille van zijn werk. En hij was er zo trots op! Op café blufte hij dat hij van z'n hobby zijn beroep had gemaakt. Z'n beukgerief had hem wel eens verweten dat het niet genoeg opbracht, maar hij had haar met hand en tand de voordelen uitgelegd. Andere mannen wilden warm eten als ze thuis kwamen van het werk. Siegfried niet, hij eiste enkel dat haar hete spleet kletsnat stond als hij thuiskwam. Dan befte hij haar sappige pruim en spoot de spanning uit z'n ballen. Siegfried had die spermacontainer te veel in de watten gelegd, nu hij er zo over nadacht.
Door de scheiding zat hij dus aan de grond. Samen met z'n geld verdwenen ook z'n minnaressen. Nog net kon hij in leven blijven, niet meer, niet minder. Maar op een dag kreeg Siegfried een lumineus idee. Ja, hij zou weer vaginascheuren, ook al belandde hij daarvoor in de nor! Siegfried kocht een piepklein notitieboek en bond het rond z'n pols. Voor hij ging werken, verborg hij het onder de mouw van z'n pull. Op het werk wachtte hij geduldig z'n kans af. En op een dag stond hij waar hij wou: op de verzendingsdienst. Ijverig en ongemerkt noteerde hij in z'n boekje de adressen van wijven die bij hem in de buurt woonden. Op vrije dagen schaduwde hij de geile slettebakken. Hadden ze een vriend of waren ze gehuwd, dan schrapte hij hen van z'n lijstje.
Siegfried was bijna met z'n hand getrouwd toen z'n geduld eindelijk beloond werd. De huppelkut in kwestie werkte als lerares in een strenge, katholieke school. In het holst van de nacht ontving ze druipgrotjes, die tegen de ochtend weer afdropen. Bij het bedrijf waar Siegfried werkte, bestelde de lesbo voorhangpenissen, dildo's, vibrators en tijdschriften waarin potten elkaar bepotelden. Ja, dit gansje was een buitenkansje.
De dag waarop Siegfried zijn zak wou legen, brak aan. Het voelde zwaar aan wanneer hij met een washandje over z'n hete kruis wreef. Zou die sloerie het fijn vinden om door een echte man geneukt te worden? Godver, hij moest zich beheersen of hij schoot het wastafeltje vol! Haar telefoonnummer had hij gemakkelijk op het internet gevonden. Het lag op een briefje naast z'n telefoon. Toch belde hij haar niet op. Siegfried kleedde zich aan, stak het briefje in z'n jaszak en belde haar in een telefooncel op tweehonderd meter van haar deur. Het was valavond, het weer mieters slecht en bruingele bladeren bedekten de straten. Maar laat ik de setting overslaan, iedereen hunkert naar de seksscène, is het niet?
"Hallo, met wie spreek ik?"
"Spreek ik met Sissi Labiche?"
"En effet. Wat kan ik voor u doen?"
"Je benen openen, slet!"
"Pardon?"
"Je hebt me goed begrepen. Ik kom naar jou en buffel jou tot je scheel ziet."
"Mais enfin! Salopard! Cochon!"
"Ja, ja, ik weet dat je onschuldige meisjes Frans leert op een kutholieke pottenkwekerij. Ik denk niet dat de directeur graag zou horen dat je 's nachts je neus nat maakt tussen scholierenbenen en dat je hen met voorhanglullen ontmaagdt. Wat denk jij?"
"Maar dat is pure chantage!"
"Precies. Open je deur. Nu! Vooruit!"
"Wat als ik niet wil?"
"Je begrijpt me niet. Niet willen is geen optie. Je doet de deur open of ik verwoest jouw leven. Je woont hier in een mooie buurt. Er is veel groen, er lopen veel jonge meisjes rond. Dat wil je toch niet opgeven? Luister, ik ben de kwaadste niet. Ik zal jou geen pijn doen. Ik heb enkel wat pech in m'n leven gekend, heb net een scheiding achter de rug en..."
"Salopard! Tais-toi! Ik wil jouw problemen niet horen, ik heb er zelf genoeg! D'accord, je mag mij nemen. Als je mij maar geen pijn doet. Eénmaal! Eén keer, hoor je, smeerlap? En maak dat het snel voorbij is."
De preutenlikster smeet de telefoon dicht. Snel liep Siegfried uit de cel en naar haar huis. De deur stond op een kier. Hij haastte zich naar binnen, want zijn ballen stonden op springen. Siegfried trof z'n gerief in de keuken aan.
"Geen geintjes uithalen, trut" Hij haalde met z'n vlakke hand uit en sleepte haar mee naar boven. Daar wierp hij zijn boorput op bed. Het wijf had jammer genoeg geen dikke tieten, maar what the fuck, het kloppende bloed in z'n stengel maakte z'n broek een maatje te klein. Siegfried trok z'n machtige zwaard, hief haar rok omhoog en scheurde haar slip. Hij sloeg haar nogmaals in het gelaat. "Kijk me niet aan" brulde hij.
"Je zou me geen pijn doen!"
"Dat is dan gelogen, slet!" en nogmaals sloeg hij haar hard in het gezicht. Met geweld spreidde hij haar benen, rukte haar schaamlippen open en spuugde op haar kale doos. "Ik neuk je suf, trut!" Z'n paarse staaf schoof volledig in haar snee. Siegfried begon te beuken. Z'n ballen kletsten tegen kut. Het duurde niet zo heel lang of z'n prostaat kreeg spasmen.
Voldaan rolde hij van z'n zaadbak af. Siegfried gunde zichzelf een ogenblik om uit te blazen. Hij had geen schrik, de pot kon hem toch niets maken. Hij woog 85 kg, zij was vel over been. Plots begon zij te lachen. Wat als gewone lach startte, werd al gauw hysterisch.
Siegfried kroop op haar en deelde een paar rake meppen uit.
"Stop daarmee, gek wijf!" brulde hij.
De feeks stopte met lachen en keek hem met pretlichtjes in de ogen aan. "Mes felicitations! Ik hoop dat ik jou aids cadeau heb kunnen doen, rotzak!"
Hij keek haar aan als toen hij het hondenbrokje in het schaamhaar van z'n ex vond. Dan sloeg hij haar een paar keer. "Je liegt! Zeg dat je liegt, stom rund!"
"Sla me maar dood, ik verdien het" riep ze. Een straaltje bloed sijpelde uit haar mondhoek. "Drie jaar geleden. Belgisch Congo. Artsen zonder grenzen. Net zoals je mij hebt genomen, zo heb ik een mooie, jonge, zwarte hengst bereden. Zie je: wie kwaad doet, kwaad ontmoet. Bienvenue à l'enfer, salopard!"
Het werd Siegfried zwart voor de ogen. Hij gleed van haar af en verloor alle besef van tijd en ruimte. Toen hij eindelijk naar buiten strompelde, was het pikdonker. Voor de eerste maal in z'n leven voelde Siegfried zich zo kut als kut kan zijn.
Dikke Jongen 16 - "Nog immer geen tekenen"
Het is Kerstmis 2028 en hoewel de weermannen rond de eeuwwisseling al riepen dat er een broeikaseffect zou ontstaan, merkt Dikke Jongen er op dit moment weinig van.
Guur jaagt de wind over de open vlakte van de lege polder. De grond is keihard bevroren en de snijdende wind is eufemistisch onprettig. Dikke Jongen gaat een catering-job doen in een grijze plaatstalen loods midden in de polder.
Dikke Jongen heeft zijn 25 jaar oude witte burgerlijke Opel Kadett dieselbestelbusje per ongeluk vol op de windkant van de loods geparkeerd. Bij het opendoen van de achterdeurtjes van de wagen is de helft van de garnituur, die hij zo zorgvuldig op alle borden had gelegd, in een klap door de wagen gewaaid.
"Godverdomme", had hij nog geroepen maar het hielp niets. De lollo-rosso en eikebladsla van het voorgerecht zit grotendeels tegen de binnenkant van de voorruit.
Terwijl Dikke Jongen zijn vadsige pens over het stuur vouwt om alle sla te verzamelen die nu in het luchtrooster hangt, hoort hij de warme en vrolijke klanken van binnen.
Dikke Jongen werkt nu 25 jaar in de catering met zijn eenmanszaakje. Lang geleden in 2003 is Dikke Jongen voor zichzelf begonnen. Hij liet "Management Support" op zijn business card drukken en had grootse plannen. In het begin nam hij veel kleine partijtjes aan.
Omdat de grote partijtjes uitbleven. Omdat het "Management Support"-nivo uitbleef. Omdat Dikke Jongen niet kan communiceren met mensen. Omdat Dikke Jongen altijd en alleen maar over zichzelf praat. Omdat Dikke Jongen verzandt in details en de grote lijn niet ziet. Of deze niet kan uitleggen. Omdat Dikke Jongen een te optimistisch beeld van zichzelf heeft. Omdat Dikke Jongen alleen maar van zichzelf houdt. Omdat Dikke Jongen een gewijzigde genstructuur heeft.
Ach, je kunt je beter afvragen waarom Dikke Jongen wel jobs zou krijgen op "Management Support"-nivo en daarom zijn het altijd kleine partijtjes gebleven die Dikke Jongen mocht opknappen.
De warme en vrolijke klanken van binnen stemmen Dikke Jongen enigszins vrolijk. Binnen in de grijze plaatstalen loods midden in de polder is het gezelligheid troef tijdens de Kerstborrel. De direkteur had iets extra's willen doen voor zijn personeel omdat het een goed jaar was geweest. Eigenlijk hoopte hij dat de Kerstborrel zou overslaan in een geweldig Kerstfeest.
Zoals bij elke Kerstborrel was er ook dit jaar weer voor iedereen een persoonlijk kadootje. En de gebruikelijke tantième ontbrak ook niet maar dat was als een dertiende maand en werd inmiddels helemaal normaal gevonden.
Altijd was er een goede sfeer op de Kerstborrel. Het bedrijf van de direkteur was eigenlijk een grote familie. Zo voelde iedereen het en dat zag je ook op een feest zoals het Kerstfeest. Fijne woorden, gezellige warmte, kinderen en zelfs goede buren werden meegenomen. Er werd goed gegeten en veel gedronken.
De direkteur had het Kerstfeest altijd zo gepland dat een uitloop mogelijk was. De grijze plaatstalen loods midden in de polder was normaal de werkplek maar een keer per jaar ging het dak eraf. Het was een keer voorgekomen dat de laatste lichtjes pas uitgingen om 05:00 uur in de morgen.
En dat vond de direkteur zo mooi: het grote contrast met een kille werkplek die werd omgetoverd tot feestzaal. Omdat het feest eigenlijk in de harten van de mensen zat. Omdat het eigenlijk geen kille werkplek was. Eigenlijk was het hele jaar door een feestzaal. Dat spreekwoordelijk beeld had de direkteur het hele jaar voor ogen.
Aan het einde van het jaar werden de dikke kalkoenen naar binnen gerold en ging de tap open. Aan het einde van het jaar was iedereen gelijk en werd het altijd een dolle boel. De direkteur vroeg zich af welk geks er nu weer zou gebeuren. Elk jaar gebeurde er wel iets geks. Dat vond de direkteur mooi. Het moest heel even uit de hand lopen. Dat was goed voor de verhalen en de werksfeer onder elkaar.
Het kon ook want niemand had last van het geluid zo diep in de polder. Bovendien werd iedereen met een grote luxe touringcar weer naar huis gereden.
Dit jaar had de direkteur zijn huiscateraar de opdracht gegeven een extra feestelijk tintje aan het gebeuren te plakken. De huiscateraar wreef zich al in de handen bij het horen van de wensen van de direkteur maar al snel merkte hij dat hij het niet alleen zou kunnen. De huiscateraar had een hulpje nodig en hij wist nog wel iemand.
Dikke Jongen was snel gebeld en natuurlijk had Dikke Jongen nog een gaatje vrij op Kerstavond. Een opdrachtgever had hem op het laatst in de steek gelaten en vrienden en familie heeft Dikke Jongen niet dus eigenlijk als vanzelfsprekend kon Dikke Jongen inspringen op Kerstavond.
Maar die ochtend al had het niet meegezeten. De hapjes en drankjes had Dikke Jongen alvast de avond ervoor ingeladen in de 25 jaar oude witte burgerlijke Opel Kadett dieselbestelbus. Dikke Jongen had de koeling in de auto aangezet maar veel te koud. Daardoor waren enkele hapjes te koud geworden.
Dat was nog niet zo erg maar de accu van zijn oude wagentje had het niet getrokken. Te veel energieverbruik! ...en toen Dikke Jongen wilde wegrijden naar het feest in de polder kwam hij er tot zijn grote schrik achter dat hij te laat zou gaan komen. De auto wilde vandaag niet starten.
Eerst iedereen bellen voor een startkabel maar dat was lastig want iedereen vierde het Kerstfeest en was niet thuis of zelfs helemaal niet te bereiken. De meeste mensen die hij dan nog kende, hadden hun mobiele telefoon uitstaan deze dag. Mocht hij dan iemand bereiken die een startkabel zou hebben dan zou die persoon ook nog eens naar Dikke Jongen moeten komen met de auto om het hele geval weer aan de praat te krijgen. Dit zou tijd gaan kosten.
Ooit was er een verlichte geest in zijn leven geweest die een bemoedigende hand amicaal op de schouder van Dikke Jongen had gelegd en sprak: "Luister Dikke Jongen, om met jouw eigen woorden te spreken, het is heel simpel. Jij bent heel erg handig met allerlei technische apparatuur maar je hebt een groot probleem en het probleem is dat jij jezelf altijd en overal overschat". Dikke Jongen kon deze wijze raad nooit tot zich nemen want Dikke Jongen luistert nou eenmaal alleen naar zichzelf.
Veel te laat was Dikke Jongen op de party aangekomen en dan ook nog eens die onhandige windvlaag die alles in de war gooide.
Met veel haast- en vliegwerk en het zweet op zijn voorhoofd had Dikke Jongen het eindelijk en gelukkig voor elkaar gekregen nog net op tijd zijn bijdrage aan het feest te leveren.
Alles was zo snel gegaan dat Dikke Jongen niet eens de tijd had gehad om over zichzelf te praten deze keer. Er moest gewerkt worden en er moest zelfs heel hard gewerkt worden want Dikke Jongen was ook gevraagd om Kerstman te spelen.
De direkteur wilde iets extra's doen voor zijn personeel en zo had hij bedacht dat het leuk zo zijn als er een dikke en vaderlijke figuur Kerstman zou spelen en een extra kadootje aan iedereen zou uitdelen. Dikke Jongen met zijn dikke buik en 58 levensjaren zou deze Kerstavond van 2028 tot een fijne en onvergetelijke kunnen maken.
Vliegensvlug was Dikke Jongen na zijn culinaire bijdrage weer naar buiten gerend. De vrieskou in om zich te verkleden als Kerstman. Zich een ongeluk zwetend had Dikke Jongen ongemerkt een windvlaag net onder de vadsige pens binnengewaaid gekregen. Vol op de blaas.
Het kon Dikke Jongen niet deren. Sterker nog, Dikke Jongen had het niet eens in de gaten.
"Het gaat goed!", zei Dikke Jongen tegen zichzelf. Dikke Jongen had zijn leven lang al last van het in zichzelf praten. Hoewel, last? Dikke Jongen had er geen last van dat hij altijd in zichzelf liep te praten. Het was meer de omgeving die zich van ergernis de haren uit het hoofd trok.
"Ik heb een moeilijke aanlooptijd gekend maar nu gaat het goed met mijn eigen zaak", zo sprak Dikke Jongen hardop tegen zichzelf. "Zie je nou wel, ik zet toch niet voor niets "Management Support"op mijn visitekaartje? Vandaag mag ik als Kerstman de extra kadootjes van het management uitdelen!". Een klein scheetje van opwinding kon hij niet onderdrukken.
Oei, wat was dat? Dat was toch geen nat scheetje? Hij stond hier midden in de polder, vol op de wind, in zijn witte T-shirtje, helemaal bezweet, toch geen buikloop op te lopen?
Snel trok hij het Kerstmannenpak aan. Met de maillot die hem van de enkels tot de nek insnoerde, het grote kussen op zijn buik dat hem nog dikker maakte. Tegen het wanstaltige aan bijna. Hij leek wel de Marshmallow Man uit de film Ghostbusters en misschien moest hij zometeen ook wel kotsen. Dat natte scheetje had hem geen goed gedaan.
De direkteur stond hem al aan te kondigen met de microfoon met alle personeelsleden lekker aangeschoten.
"Vanda- haag (hik)...", hikte de direkteur.
"... hebbu'm aardig hangen", klonk het uit de zaal en een luid kameraadschappellijk ons-kent-ons gelach galmde van voor naar achteren. Ach, een keer per jaar kon dit en mocht dit. Ze waren toch een grote familie en om dit soort dingen werd nog lang en smakelijk gelachen.
"Affijn... wat ik zeggen wilde", ging de direkteur nu verder met een serieuze ondertoon in zijn stem. "Wat ik zeggen wilde is dat wij met z'n allen dit jaar met de fabriek een goed jaar achter de rug hebben. Ik wilde jullie daarvoor bedanken...".
Even kreeg de direkteur een brok in de keel en de mensen die hem al langer kenden, konden een applaus niet onderdrukken.
" ...ik wilde jullie daarvoor bedanken en heb een groot deel van de winst die wij met z'n allen gemaakt hebben omgezet in..."
Dat is het moment! Nu moet Dikke Jongen verkleed als Kerstman de zaal inlopen en Yohoo Yohoo! roepen en met zijn zware Kerstmannen-zak op de rug naar het podium lopen.
De zak is enorm zwaar. Dikke Jongen zet aan en wil de zak op zijn rug zwiepen. De krachten op zijn darmwand nemen toe en opeens laat een enorme windvlaag van zich horen. Het is de windvlaag die ongemerkt net onder de vadsige pens van Dikke Jongen is binnengewaaid. Vol op de blaas.
Dikke Jongen is aan de dunne! ...en nog een natte scheet blaast zijn hele broek vol.
De dag zat al niet mee en nu heeft hij zijn Kerstmannenbroek ook nog volgescheten. Er is geen tijd te verliezen: hij moet naar het podium. Breeduit lachend, Yohoo Yohoo!-roepend loopt Dikke Jongen de zaal in naar het grote podium. Op weg naar de spotlights.
Bij de gedachte aan 15 seconden roem in de spotlights, Yohoo Yohoo!-roepend, honderden ogen op hem gericht, en kadootjes uitdelen, worden Dikke Jongen te veel. Van opwinding laat Dikke Jongen weer een dikke en natte scheet in zijn Kerstmannenbroek.
Dan vervolgt de direkteur zijn verhaal.
"De Kerstman zal jullie vanavond een extra kadootje geven. Kom maar vast naar voren en kleedt de Kerstman maar eens goed uit!".
Deze beeldspraak in beschonken toestand had de direkteur beter niet kunnen gebruiken want hij was nog niet uitgesproken of de eerste grijpgrage vingers en handen schoten al in de grote zak bij de Kerstman.
Helemaal verbouwereerd over het mislopen van zijn 15 seconde roem waar Dikke Jongen zo vurig op gehoopt had en de confrontatie met het gemis van volledige controle over de situatie, maken van Dikke Jongen geen goed verliezer laat staan organisator.
Het aangeschoten personeel komt massaal het podium op en er ontstaat een licht chaotische situatie.
Een enkele grapjas hier en daar maakt gebruik van de situatie en roept; "Kick'm in the nuts".
Een andere grapjas haalt uit en kickt hem in de nuts. Weer een andere grapjas schopt hem vanachter tegen de volle broek. Dikke Jongen heeft geen controle meer over zijn regelrechte diarree en laat een serie natte scheten gaan.
Dikke Jongen weet niet waar hij het zoeken moet en laat alles de vrije loop. Blinde paniek staat in de ogen van Dikke Jongen te lezen. Hij is nu 58 jaar en hoopt een keer door te breken met zijn op "Management Support"-nivo gerichte uit de klauwen gelopen beunhazerij en dan overkomt hem dit.
Maar het kan altijd erger. Een enkele helemaal dronken medewerker, roept hard dat hij "Die Dikke Kerstman gaat slopen...!", alvorens Dikke Jongen zich uit de voeten maakt.
Rechtuit rennend, achteruit kijkend, de broek volschijtend en de muts van de Kerstman over zijn voorhoofd voelend zakkend...
Enkele uren later wordt Dikke Jongen wakker. Een geweldige hoofdpijn is het eerste dat tot hem doordringt. Dikke Jongen voelt dat zijn hoofd lager ligt dan de rest van zijn lichaam. Langzaam draait hij zich om en bemerkt dat er een grootverbruik emmer mayonaise over hem heen is gevallen. Dikke Jongen merkt dat hij in een trappegat is gevallen en bewusteloos moet zijn geraakt.
Dikke Jongen kijkt op zijn feloranje Breitling en ziet dat het 5 uur, 31 minuten, 17 seconden en twee nanoseconds in de ochtend is.
Wat is er gebeurd? Was het niet middernacht dat hij op het podium stond? Wat is er met het feest gebeurd? Waarom heeft niemand aan hem gedacht? Waarom is hij 58 jaar en is er geen zak veranderd in 25 jaar?
Keerzijde
Lange tijd ben ik de rechterhand van Thomas Lepeltak geweest. De beroemde columnist op de tweede pagina van De Telegraaf deed zijn best maar wat veel mensen niet weten is dat een aanzienlijk deel van de produktie onder zijn naam door mij werd geschreven.
Het journalistieke van de zaak heb ik van hem geleerd, het eten heeft hij van mij geleerd. Het copieus bachanalen is een werkwoord dat ik persoonlijk heb uitgevonden en Thomas was er goed in. De duurste buik van Nederland was minder groot geweest als ik hem niet had verteld hoe al die heerlijkheden binnen te houden. Vervolgens schreven wij daarover en werd het gepubliceerd onder zijn naam.
Ik ben er voor opgeleid op HBO-nivo en ken de beste restaurants op mijn duimpje. De flessen, de kaarten, de specialiteiten, de chefs en de sous chefs, de maîtres en hun families. Ik ben goed in mijn contacten, praat graag een luister graag. Ik kan je 1000 anecdotes vertellen en ben menig maal laag gegaan op de hoogste wijnen. Hele kreeftenscholen schrikken bij het horen van mijn naam, wijngaarden zijn naar mij vernoemd.
Mijn etende en zittende en weinig bewegende leven noopt mij tot regelmatig doktersbezoek. De handdruk is vriendelijk, de chit-chat buitengewoon plezierig en hij weet waarvoor ik kom. Het is voor controle of ze deze keer niet te groot zijn. De man heeft ervoor gestudeerd en wel op universitair nivo.
Ik ontknoop de broek die tot de enkels zakt. Ik buig voorover en ontbloot mijn walnoot. De dokter gaat door de knieen en onderzoekt met zijn lampje mijn aambeien. De gebeurtenis is inmiddels een rustgevend ritueel geworden. In gedachten verzonken vraag ik mij af; "Is this what life is all about?".
Voor dit moment hebben wij allebei lang gestudeerd.
Hoe te spreken (1)
Onze taal is niet zo transparant als ze lijkt. U denkt te weten wat u zegt of schrijft, maar eigenlijk is de taal complex en ondoorzichtig. U weet het niet maar door de taal bewegen zich machtsstructuren. Er zijn mensen, groepen die u leren “hoe te spreken”. Misschien kunt u zich beter scherpen in “hoe niet te spreken”.
Er bestaat een taal buiten de Taal, een minderheidstaal die niet onderhevig is aan de machtsstructuren van de Taal (met een hoofdletter). Er is een taal die op de vlucht gevonden kan worden. De traditionele linguïstiek zegt u dat Taal een medium is om informatie door te geven. Dat deze tekst die u leest pure informatie is, waar of niet, dat mag u zelf beslissen. Zo gauw mijn woorden geen informatie meer in zich dragen behoren ze niet tot het domein van de Taal, maar is het koeterwaals. Of althans dat is wat het instituut van de Grote Taal u wil doen geloven.
Maar in de liefde, hoe vaak zeg ik niet “ik hou van je”? Een simpele grammaticale constructie, geheel correct. Het lijkt hier om een transparante taal te gaan zonder moeilijkheden of ambiguïteiten. Maar is het nu niet juist dit zinnetje dat u eindeloos zou willen herhalen voor uw geliefde? Keer op keer fluistert u het haar in: “ik hou van je”. Als het een keer voor het eerst gebezigd is, wil ‘ik-hou-van-je’ verder niets meer zeggen; het draait alleen opnieuw de oude boodschap af, die indertijd misschien niet eens in die woorden gebracht is, en die nu zo zinloos lijkt zodat het haast iets raadselachtigs krijgt. Ik herhaal het zonder dat het ergens op slaat; het gaat buiten de Taal om.
Het zinnetje “ik hou van je” is een minderheidstaal die ik gestolen heb van de Taal. Het luistert niet meer naar de regels van de repressieve Taal, haar boodschap is gevlucht, het is een toverformule geworden. Ik bevind me nu tussen de mystici en de tovenaars. De taal is zelf rebels geworden. Ik blijf het herhalen tegen mijn geliefde tot het geworden is tot slechts een ritme van klanken, gelijk ons minnespel.
Lacan, de psychiater, criticus tegen Freud, vrijgevochten denker, op de vlucht, schrijft “Ik hou van je” is geen zin: het brengt geen betekenis over, maar hecht zich aan een grenssituatie: ‘die waarin de een de ander aanhangt in een spiegelrelatie.’ Het is een holofrase.
Maar “ik hou van je” is niet slechts koeterwaals, mijn geliefde zou weten wat het betekende. Het is niet slechts een kinderrijmpje of een stukje schijn-taal. Het uitspreken is een ritueel, het feit “ik hou van je” wordt direct geëffectueerd bij het uitspreken. De woorden op mijn lippen hebben geen verleden of toekomstige tijd, ze bestaan alleen in het nu.
“Ik hou van je” is ook niet slechts een verkondiging van mijn liefde, het is simpelweg mijn liefde. Het is dit hier en nu. Dit stukje taal behoort niet meer tot het domein van de linguïstiek noch van de semiologie. Het verdraagt ook geen enkel passend antwoord. Wat te antwoorden op “ik hou van je”? Alles wat de ander zegt hierop voelt als een teleurstelling, ze kan geen taal vrijmaken op de vlucht. Elk antwoord maakt de betovering ongedaan. Het enige antwoord met dezelfde intensiteit is het zwijgen. Als mijn geliefde zwijgt wordt ik heel stil, de woorden op mijn lippen doven uit. Ze weet “hoe niet te spreken”.
Zaterdagmiddag
Tik… tak… tik… tak… tik …tak… tik… tak…
Tergend langzaam en eng monotoon klinkt de zware staande klok. Het galmt door het verder geluidloze huis.
Tik… tak… tik… tak… tik …tak… tik… tak…
Het voelt kil. Koud en sfeerloos. Het is hier een huis waaruit je het liefste vluchten wil. Het liefste zou je weg willen rennen van deze mensen. Ver weg. Vrij. Over de wolken. Weg!
Iedere vorm van genot of vermaak lijkt hier verbannen en veracht. Als goddeloos en inslecht afgedaan.
De man kijkt mij streng aan.
Tik… tak… tik… tak… tik …tak… tik… tak…
Ik hoor hem niet eens ademen. Hij zit bewegingloos alsof hij hoort bij het decor van deze trieste omgeving. Z’n ogen onophoudelijk op mij gericht. Hij kijkt op me neer. Alsof hij mij zonder ook nog maar een woord met me gewisseld te hebben heeft afgekeurd.
Hij zit aan het hoofd van de tafel. Achter hem zie ik de coniferen van het kleine tuintje en de grauwe vroege herfstlucht. Om de benauwende sfeer te benadrukken, lijkt het wel, is het een troosteloze dag. Zelfs geen harde wind of regen. Nee, enkel een grijze saaie zaterdagmiddag. Een lege dag.
De man heeft een nors gladgeschoren gezicht. Haar netjes in een fantasieloze scheiding. Hij draagt een wit overhemd. Niet stralend wit, enkel wit. Een donkere dunne stropdas en een dikke spencer. Z’n handen op tafel, voor hem, op elkaar. Eén trouwring en één zegelring met een platte vierkante zwarte steen.
Hij moet een strenge vader geweest zijn. Z’n ogen blijvend op mij gericht.
Z’n vrouw zit aan z’n rechter kant. Ze heeft kort blond-grijs haar. Ze draagt een grote bril die haar saaie gezicht geen goed doet. Ze probeert een vriendelijke glimlach op haar gezicht te houden, maar durft waarschijnlijk niet te spreken voor haar echtgenoot spreekt. De man van het huis.
Tik… tak… tik… tak… tik …tak… tik… tak…
De eettafel staat los van de muren. Het huis is ouderwets ingericht. Een duidelijke tweedeling tussen eet- en zitkamer. De muren zijn van onbehangen beige baksteen. Plavuizen op de vloer en zware eikenhouten meubelen in de zitkamer. Boven de bank hangt een fantasieloos schilderij. Een berglandschap. Zo stereotype dat je het zelfs hier, in dit huis, niet verwachten zou. Niets is aan het toeval overgelaten. Alles is bedacht. Waarschijnlijk omdat men niets anders heeft om de gedachten over te laten gaan. Koperen frutsels zijn tot blinken opgepoetst en er staan kleine kristallen figuurtjes op het dressoir. Naast de telefoon ligt een blocnote met een vergulde pen. Niet omdat de laatste telefonerende deze hier heeft laten liggen, nee omdat dit zo hoort.
Stap stap stap stap stap …
Eindelijk hoor ik iets. Eindelijk komt ze terug. Judith, de uitwonende dochter van dit gezin.
Ik was me rot geschrokken vanmorgen. Het moest een keer gebeuren. We kennen elkaar nu al bijna een jaar en half zo lang zijn we meer dan alleen vrienden. Ja, dan moet er op een gegeven moment ook kennis gemaakt worden met de ouders. Nerveus? Ik had gisteren in ieder geval een stuk meer gedronken dan zij. Ze moest al een uur op zijn geweest toen in wakker werd in haar studentenkamer. Ze heeft een fijn bed. “We gaan naar m’n ouders vandaag he?” Had ze gezegd. Ik had m’n ogen net open, maar kon de realiteit nog niet helemaal vatten. Het was ook zo anders dan normaal. In plaats van de leuke sportieve meid stond daar nu een… , een … ja, …een ijskonijn. Geen make-up op en haar haar netjes in een vlecht. Ze droeg een rok tot op haar enkels en een seksloos truitje. Een vest meer. Ik had haar bijna niet herkend als de Judith waarmee ik aan en af een half jaar lang de lakens deel.
Ze komt binnen en ik kijk naar de deuropening. Ik kijk als enige. Moeders kijkt met haar weeë glimlach naar mij en de tafel. Vader kijkt door me heen. “Zo moeder, ik hoop dat uw soep weer net zo lekker smaakt als altijd. Ik heb er echt zin in. U hebt vast uw best weer gedaan” Judith zet de pan op tafel en komt naast me zitten. Voor haar vader is het waarschijnlijk al een stap te ver dat ik, een buitenstaander, naast z’n bloedeigen dochter zit. Moeders blijft enkel kijken met haar weeë glimlach.
Zonder aankondiging zitten de drie met hun handen gevouwen en spreekt vader. Zo snel mogelijk vouw ik ook m’n handen en laat ik m’n hoofd respectvol zakken. “Lieve vader die in de hemel zijdt. Gezegend zei uw naam, uw koninkrijk kome. Wij danken u voor dit maal. Wij danken u voor al het goede dat wij mogen ontvangen. Wij vragen u om uw wakend oog te houden over ons. Wij vragen u om speciaal uw oog te houden op onze Judith die daar zo alleen in de grote stad woont. Wij vertrouwen er op dat u haar behoedt voor het kwaad en duister van de grote stad. Amen.” “Amen” “Amen” Ik hef m’n hand op om een kruisje te slaan maar zie dat niemand dit doet. M’n best proberend te doen mompel ik snel enkel “Amen” Vader kijkt me weer aan. Niet vriendelijk, niet als een uitnodiging tot een communicatie, hij kijkt me aan. “Jij eerst joh, gekkie” Judith stoot me zachtjes aan. Met een schijn-vrolijke lach kijkt ze de eetkamer rond. Ik hou m’n bord op. Zonder dat z’n ogen mij los laten haalt vader de deksel van de pan, schept hij een lepel vol groentesoep en giet deze in m’n bord. De lepel gaat terug de pan in om dit een tweede keer te doen. Hij komt weer omhoog. Halverwege beweegt Judith zich naar me toe en plaatst haar hand, onder tafel zodat de anderen het niet zien, half op m’n bovenbeen, half op m’n kruis en fluistert in m’n oor: “Ik heb geen slipje aan” Haar tong likt kort door m’n oor. Van schrik laat ik het bord uit m’n hand glijden.