Novembernevel
Het was de tweede van november van het jaar 1916. De Westvlaamse modderpoelen waren omzwachteld met dikke nevelslierten. Muren van ondoordringbare mist hielden de doodse kilte gevangen. Tientallen donkere gedaanten lagen roerloos in de loopgraven, ondergelopen kraters en schuttersgaten, één met de modder. Het leek een surrealistisch helletafereel ontsproten aan de zieke geest van een duivelskunstenaar. Een verschrikte vogel schoot kwetterend de mist in. Een doodse stilte had het Niemandsland in zijn greep. Of toch niet.
Een donkere schim strompelde doorheen het kluwen van prikkeldraad, kapotgeschoten stellingen, modder en puin. Piepend sneed de adem door zijn longen, zijn gerafeld uniform stonk naar modder, bloed en goor. Hij vluchtte, rende doolloos langs de lijken en verstomde wapens. Waar was hij? Hij had er geen idee van, hij moest gewoon verder, terug naar die afgrijselijke plaats. Zou hij nog op tijd komen? Zijn botten schreeuwden om rust en zijn hoofd bonkte als een stalinorgel. Hij was de tel kwijt geraakt hoeveel keer hij had gepoogd zijn doel te bereiken. Hij kon en mocht niet opgeven! Hij voelde het; ditmaal zou hij op tijd komen, als hij die verrekte plaats maar vond.
Schichtig schoot zijn blik heen en weer, de loop van zijn geweer sloeg als een doorgedraaide kompasnaald alle richtingen uit. Niet schieten, hou je kalm, hou je stil en maak voort, verraad je niet, praatte de gedaante zich moed in. Hij plofte zich neer achter een muur. Het was hier stil, angstwekkend stil. Het strijdtoneel was hier lang afgelopen. Bedroog zijn verwarde geest hem of leek het alsof hier nauwelijks nog sporen van de oorlog te zien waren? Alles leek hier zo rustig. Te rustig. Zelfs het constante gedreun van de kanonnen was hier niet te horen. Hij tuurde doorheen het dikke witte gordijn. Vervloekte mist. Hij kon niets zien. Hij voelde aan dat het eindpunt nog niet in zicht was. Hoe lang moest hij hier nog ronddolen, in dit godverlaten hellegat! Hij vloekte! “Bedaar!” knarsetandde hij. Daar ergens voorbij het dorp. Hij schatte de afstand naar de kerktoren die hij in de verte waarnam.
Zijn keel was droog. Kon hij die vervloekte mist maar opdrinken. Die mist misleidde hem, het leek wel dat ze eeuwig over de velden hing en hem gevangen hield, weg van zijn doel. Kon hij maar een glimp van de blauwe lucht boven hem opvangen. Kon hij de zon maar op zijn huid voelen. Dorst, die scheurende dorst. Al uren geleden was de laatste druppel uit zijn veldfles verdwenen. Op de lijken waarmee de velden bezaaid lagen, had hij enkel wat conserven en nat brood gevonden.
In het dorp leek alles stil. Hij verschool zich in het struikgewas en bestudeerde de huizen. Hier was helemaal niets kapotgeschoten? Hij hoorde geen gevecht, geen sporadisch geweervuur in de verte, niets. Alles lag er doods bij. Waar waren zijn makkers? Als ze al gesneuveld waren onder de tegenstand, waar was de vijand dan?
Plots hoorde hij geschreeuw. Eerst vrij zwak, alsof de wind het van ver had meegevoerd, maar het was al dagen windstil. Het geschreeuw en krijgsgejoel zwelde plots aan alsof het uit zijn eigen schedel kwam! Hij was verward. Daar dus, hij stormde uit zijn schuilplaats in de richting van het gekrijs. Hun gekrijs! Hij meende de stemmen van zijn makkers te herkennen. Hij kon niet volgen, het geschreeuw verwijderde zich weer, lokte hem weg. Ze riepen hem, zijn naam, hij hoorde het goed zijn naam! Ze schreeuwden om hulp, dat hij de gasmaskers moest brengen! Die verrekte maskers!
In de ruïne van het huis had hij verstijfd van angst het toneel gadegeslagen.
Enkele straten verder hadden zijn makkers hevige slag geleverd toen ze in een hinderlaag waren gevallen. Hij had verlamd van angst de groene wolken tussen hen in zien ontploffen. Hun gekrijs had door merg en been gesneden toen die dampen hen hadden omsingeld en gedood. Rillend van afgrijzen was hij ineengekropen. Luid geschreeuw in zijn oor had hem tot de werkelijkheid geroepen. De chaos van geweervuur, vallen puin en granaten, maakte hem horendol. En dan dat geschreeuw in zijn oor! Maak voort, zet je masker op en breng de rest naar voor! Hij had het geschreeuw niet gehoorzaamd. De zak met maskers was uit zijn handen gerukt. Onder de fluitende kogels en zware knallen, waren twee mannen de vuurlijn ingestormd. Machinegeweervuur was losgebarsten boven zijn hoofd. Hij had geflipt. Hij had zijn handen tegen zijn oren geklemd en geschreeuwd!
Hij was overeind gesleurd en een vreselijk monster was tegen hem tekeer gegaan. Hij was ineengekropen van angst. Het monster wilde hem de groene dampen insturen samen met de achterblijvers hier. Nee, ik ga niet naar voor, ik blijf hier! Hier ben ik veilig! Het volgend moment had de schuilplaats het onder een donderende knal begeven. Hij werd meegetrokken door de anderen. Ze waren naar voor gestrompeld onder het hevige vuur, al schietend hadden ze getracht de anderen te ontzetten. Hij was als verdoofd geweest. Hij had gedacht veilig te zijn achter een hoop stenen, toen het monster naast hem, het sein tot de aanval had geblazen. Hij was roerloos blijven liggen. Zijn hart was uit zijn borst gesprongen. Naar ademsnakkend had hij zich op zijn rug gerold. Het monster had enkele van zijn makkers naar achtergestuurd om versterking. Hij wou mee, weg van deze helse slachtpartij. Ruw was hij tegen de grond gedrukt toen hij hen achterna had willen hollen. Nee, niet hier blijven, hij wou ten koste van alles weg. Het monster had gedreigd, nee, nee, het monster ging hem afmaken, met een vlugge beweging was hij weggedoken en had zijn geweer op het monster leeggeschoten. Met opengesperde ogen was het monster ineen gezakt.
Hij had even verstomd gestaan, maar had beseft dat hij weg moest, nu het nog kon. Hij had gerend en gerend en huilend had hij het geroep van zijn makkers genegeerd. Plots was hij door een felle pijn in zijn rug tegen de grond gesmakt. Hij heeft niet geweten niet hoe lang hij daar had gelegen, maar toen hij bij zijn positieven was gekomen, was alles stil geworden. Hij bleek ver van het slagveld te liggen, had hij ontdekt. Zijn oorspronkelijke paniek had hem doen vluchten, maar hij had zich vermand en was op zoek gegaan naar zijn makkers. Met alle munitie die hij had kunnen vinden.
Maar hier in het dorp, het was toch dit dorp, vroeg hij zich af, alles was stil.
Al zoveel keer was hij hier terug gekomen, telkens weer had hij hun geschreeuw gehoord, maar zijn makkers had hij nog niet gevonden. Hij besloot het dorp door te sluipen. Hij zag een pad en volgde het. Hij had al een tijdje hun geschreeuw niet meer gehoord. De nevel leek hier minder te worden. Een laag muurtje daagde op uit de slierten. Een kerkhof. Hij kon zich niet herinneren dat hier een kerkhof had gelegen. Hij dwaalde langs de graven. De graven blonken als nieuw, allemaal de zelfde witte zerken netjes op een kaarsrechte rij in een zorgvuldig aangelegd plantsoen geplant. Hij begreep het niet. Wat was dit. De namen waren duidelijk leesbaar. Hier lagen allerlei mannen van verschillende compagnies. Hoe kon dit? Die waren hier niet eens gelegerd bij zijn weten. Plots verstijfde hij. De adem stokte in zijn keel en hij werd week van binnen. Op een steen, tussen een lijst van namen, zag hij niet alleen die van zijn makkers. Daar in het midden stond ook zijn eigen naam.
Het was nog vroeg. Die tijd tussen waken en dromen waar het flauwe licht speelt met de parels op het blad. Hij is op zijn plek. De plek waar een fluisterzoete geur zijn voorhoofd streelt en de eerste hommel zacht zijn oor kust. Straks, als het lawaai ontwaakt en de betovering verbroken wordt. Straks. Maar eerst nog nu. Nu, waar de scherven naast hem liggen en de rozen op het etiket hem aanstaren. Stille getuigen van de lege lange nachten.
Hoe vaak heeft hij haar hals gestreeld? Weemoedig, bang, wanhopig en dronken van verlangen om het leven te kunnen grijpen, te kunnen begrijpen. Waarom had niemand hem verteld over loslaten, liefde en houden van. Waarom was hij degene die onwetend bleef. Kon hij er iets aan doen? Had hij erom gevraagd soms? Hij wilde rust, met rust gelaten zoals hij met rust liet. Geen oordelen meer over te laag of te hoog, te weinig of te veel. Los gaan, de verwildering verruilen voor de vrijheid. Eindelijk vrij. Eindelijk vrij! Als het lawaai komt, kan het hem niet meer vangen. Dan is hij ontsnapt uit zijn levenslange kooi. Hij voelt het koude leven langzaam wegvloeien en een warm gevoel overspoelt hem. Waar beter dan bij zijn vrienden, de populieren, die al zoveel hebben gezien, die al zoveel van hem weten. Zij begrijpen en moedigen hem aan te kiezen. Zachtjes ruisend vertellen ze hun geheimen. Zwaaien ze naar hem met duizenden kleine handen en die geur, die heerlijke fluisterzoete geur. Ze voeren zijn warme ziel op hun takken mee omhoog. Voorzichtig, teder, liefdevol. Eindelijk begrepen. Eindelijk naar huis. Vandaag gaat voor niets de zon op.
...van die types met onopvallende vroegkale kleine wittige smalle hoofden. Met zijn veel te magere lichaam hangt de receptionist van het familiehotel in zijn hopeloos ouderwetse zwart/witte oberkelner outfit. De slappe zwarte strik smoezelig om de magere witte nek. Het witte overhemd is van een vervlogen mode. Een beetje vaal en versleten. De stof waarvan het gemaakt is, is eveneens al jaren niet meer gangbaar. Vlekken op zijn zwarte broek poetst hij weg met een scheut zwarte koffie. Ouwe horeca-truc. Al jaren werkt hij op vreemde uren en de zon ziet hij zelden. Hij is van middelbare leeftijd. Als hij ambitie heeft gekend, is het nu een relikwie. Het werk aan de receptie stelt niet veel voor. Soms knapt hij een uiltje. Zijn professionele vriendelijkheid is een uitgesleten patroon gelijk zijn hele vertoning. Zeker twee maal per maand ruikt hij in een hotelkamer aan het gedragen ondergoed van een jong meisje. Als ze lekker ruikt, trekt hij zich af en maakt met haar camera een foto van zijn ejaculaat.