Ringen
Als een stilleven hangt ze. Haar benen staan loodrecht op haar tengere rompje. Evenwijdig aan het oppervlak. De spanning op haar rug houdt het publiek in haar greep. Collectief stokt de adem.
Tergend langzaam zakken haar knieën in de richting die de zwaartekracht dirigeert. haar ellebogen scharnieren mee en haar lichaam maakt de rotatie. Jarenlang trainen, van half zes 's ochtends tot zeven uur 's avonds. De ijzeren discipline als leidraad in haar kinderjaren. In een steenkoude loods in een boerendorp werd de grondslag gelegd voor de topprestatie op deze spelen. Trainen voor haar oudere zussen, trainen voor haar moeder. Vriendinnen...daar had ze geen tijd voor.
Op haar verjaardag mocht ze een uurtje eerder naar huis. De overgebleven familie zat rondom de uientaart en zij blies elk jaar een extra kaarsje uit. Vervolgens beden zij voor gezondheid en geluk. Elke verjaring opnieuw.
Haar knokige ellebogen gestrekt, slechts voor een scherp oog zichtbaar trillend, bleef ze anderhalve seconde in handstand. Ze trok haar knieën in, en strekte opnieuw, vertraagd, voorbereidend op de afsprong met salto en schroef. Dit kostte haar de meeste energie.
Natascha Primankova. Een meisje klein van stuk, haar bleke doorschijnende huid, haar kinderlijk gezichtje. Ze was de jongste der Primankovas. Haar drie broers zouden nu 25, 26 en 28 zijn. De etnische zuiveringen hebben dat voorkomen.
Haar grootvader was een dichter. Een goede volgens sommigen; de beste die haar volk ooit heeft voortgebracht volgens anderen:
-- Dromen
achter vele deuren zocht ik maar vond je niet doolde door ieder bos je was er niet
jij bent me jouw dromen schuldig de mijne zijn gedoofd ondanks kou vind ik warmte bij de herinnering aan jou
Oleg Primankova (1927) -- Arm stierf Oleg. Vanavond kon Natascha het verschil maken. Na een perfecte oefening volstond slechts een pure afsprong voor roem en ovatie. Onder ogen van een wereldpubliek stond Natascha voor de drempel van het vrouw zijn. Geluk zwaaide in de ringen en het deskundig publiek siste bij elke zwier.
De Chinezen en de Russen bij het paard tuurden naar de ring-artieste. Ze beefden van stille bewondering en de knoop in hun maag speelde mikado met hun organen.
Voorover, één keer rond, twéé keer rond, drie keer rond... snelheid! Op het juiste moment loslaten, de knieën aan de borst getrokken, de salto, haar benen gestrekt. Schroef.
En de landing. Zonder hupje.
Het publiek joelde en jankte van opwinding. De trainer barstte uit in tranen, en de verslaggevers in de toren waren sprakeloos. Dit was nog nooit vertoond.
Natascha Primankova haalde alle voorpagina's. Zonder dat ze één interview gaf.
“De vraag naar ’Wat is Zijn?’ is tegenwoordig in vergetelheid geraakt, ofschoon onze tijd het zich als een vooruitgang toerekent de ‘metafysica’ weer te beamen.”, schrijft Martin in 1927. Inderdaad een interessante vraag, want is het niet zo dat het Zijn gerekend wordt als het meest algemene, alledaagse en daarom het meest lege begrip?
“Illud quod primo cadit sub apprehensione est ens, cuius intellectus includitur in omnibus, quaecumque quis apprehendit." Wat iemand ook vat aangaande het zijnde, altijd ligt daarin al een verstaan van het zijn besloten.
Hoe vaak gebruiken wij niet het werkwoord ‘zijn’ in onze spreektaal zonder dat wij precies kunnen omschrijven wat het werkwoord nu exact inhoudt? Maar toch; wij kunnen spreken en schrijven in termen van zijn, zonder de diepste betekenis van het woord te kennen. Het lijkt dat voor een alledaags gebruik van het Zijn we altijd al een vaag verstaan hebben van het Zijn. Dit noem ik het vage voorverstaan van het Zijn, het alledaagse begrip van Zijn dat wij allen kennen.
We zouden dan ook een scheiding moeten maken tussen twee soorten vragen die men kan stellen. Ik noem ze ontische vragen en ontologische vragen.
Ontische vragen zijn de vragen zoals de natuurkunde of de scheikunde ze stelt, ‘hoe warm is…’, ‘wanneer is…’, ‘hoe lang is…’. Het zijn vragen die wel betrekking hebben op de dingen die zijn, maar niet de vraag naar het zijn zelf stellen.
Ontologische vragen zijn vragen als ‘wat is’ en constateringen als ‘dat is’. Het zijn vragen die zich bezig houden met het zijn van de dingen, het is de vraag naar de conditie van het zijn van het ding.
Alle dingen zijn in eerste plaats zichzelf. Een stoel is een stoel. Waarom is een stoel een stoel? Simpelweg om de reden dat de stoel stoelt, zoals de boom boomt en de keuken keukent. Alle dingen verrichten op de eerste plaats de handeling zichzelf te ‘zijn’. Alle dingen zijn dus in eerste plaats zijnde, we noemen ze zijnden voor zover het ding dingt.
De vraag naar het Zijn van de zijnde is geen makkelijke om te beantwoorden omdat de conditie van het zijn niet direct ondervraagd kan worden door een toevoeging te doen aan het zijn van het zijnde. “Definitio fit per genus proximum et differentiam specificam. ‘Zijn’ kan inderdaad niet als zijnde worden begrepen; enti non additur aliqua naturea. Oftewel het ‘Zijn’ is niet een zijnde, het is geen ding dat wij vast kunnen houden.
Het Zijn staat buiten de wereld van de zijnden, hoewel elk zijnde betrekking heeft tot het Zijn. Dat compliceert de vraag naar het Zijn mateloos. En dit terwijl iedereen al een vaag voorverstaan van het Zijn heeft. Alleen demonstreert die doorsnee-verstaanbaarheid slechts de onverstaanbaarheid. Martin besluit dan ook “Dat we altijd in een zijnsverstaan leven en de zin van zijn tegelijk in duisternis is gehuld, bewijst de principiële noodzaak de vraag naar de zin van “zijn” te herhalen”.
Ik wil dan ook als huiswerk opgeven dat dit weekend iedereen nadenkt over de zin van het Zijn, en het bijzonder zijn eigen Zijn. Zullen wij dat afspreken?
I found my friend
Het is hoog tijd dat ik mijn leven herschik. Dat ik prioriteiten stel. Zo schreef ik gisteren op een stick-it note: "Vergeet niet van Pol te houden." Pol is mijn man. Hij weet van niks en zo wil ik het houden ook. Het is niet nodig hem ermee op te zadelen. Daar zou hij toch maar onder lijden. Sinds ik het weet, slaap ik niet meer. Men raadde mij aan: "zie jezelf graag" maar dat kan ik niet.
Ik haat mezelf voor elke seconde die ik verloren heb. Vorig jaar bijvoorbeeld had ik best op vakantie met Pol kunnen vertrekken. De schat had de route al helemaal uitgestippeld: eerst richting Luxemburg, dan afzakken naar het zuiden van Frankrijk. Mijn lieverd wou zelfs zo'n tandemligfiets voor ons kopen. Maar ik zag tegen de vermoeiende trip op en sloeg z'n droom aan diggelen.
Nadat ik gisteren het briefje had geschreven, huilde ik een beetje. In de woonkamer was het licht gedempt en theelichtjes verspreidden een zachte gloed. Nu het toch allemaal niet zo nauw meer stak, trakteerde ik mezelf op een vierde glaasje port. Ik schoof een CD van de meester in de stereoketen. Willoos liet ik me in de fauteuil glijden en zong mee.
The wind in the willow played
Love's sweet melody
Het was een teder moment. Ik vecht tegen zout als ik eraan terugdenk.
Vandaag is het somber en grijs weer. Moeder natuur miezert met me mee. Met m'n roestig vehikel fiets ik naar het werk. Ik voel de motregen niet. Ik moet sterk zijn omdat ik praktische problemen moet oplossen. Pol zal zich immers in de steek gelaten voelen. Ik zal op briefjes schrijven hoe hij een wasmachine moet bedienen en op hoeveel graden zijn onderlijfjes moeten worden gewassen. En ik wil een paar lijntjes van mijn favoriete zanger in het marmer.
Het tankstation ligt er rustig bij. Het is nog maar even over zessen. De grote neonletters zoemen wanneer ik m'n fiets tegen de bakstenen muur parkeer. Achter het gepantserd glas zit vandaag alweer een nieuw meisje aan de kassa. Ik kijk er niet meer van op en haast me door de rekken met blootbladen en sigaretten naar achter.
Een weerzinwekkende lucht doet me bijna kokhalzen. Het is, zoals gewoonlijk, een zwijnenboel.
Zie jezelf graag!
Waarom werk ik nog? Ik kan niet anders. Als ik thuis blijf, komen de muren op me af. Rustig verruil ik m'n jas voor een schort. Ik neem een dweil en vul een emmer met ijskoud water en voeg er een flinke scheut ammoniak bij.
I found my friend on Blueberry Hill
When I found you
De ammoniak prikkelt m'n ogen.
De zwart en witte tegels in de mannentoiletten staan blank. Iemand heeft de kraan van een wastafel laten open staan. Ik draai hem dicht en begin te dweilen. Het is niet het water dat stinkt. De zure, misselijkmakende geur walmt uit één van de hokjes. Ik open een willekeurige deur en wat ik daar zie, slaat alles. Bruine strepen tot op het plafond, kots, vermengd met bloed in de pot. Instinctief grabbel ik in m'n schortzak, neem een wasknijper en zet hem op m'n neus.
Tho' we're apart you're part of me still
For you were my thrill on Blueberry Hill
Ik ben de stront. Ik krijg wat ik verdiend heb. Op m'n handen en voeten kruip ik rond en veeg alsof m'n leven er van af hangt.
Plots grijpt iemand mij bij mijn middel en tilt m'n rok omhoog. Voor ik kan reageren, heeft hij m'n slip gescheurd. "Eén gil en je bent dood!" schreeuwt de maniak. Ik verkramp. Hij slaat mij op de billen. Ik schrik en begin te snikken.
"Spaar mij," smeek ik.
"Waarom zou ik, slet? Jij kruipt rond in een openbaar toilet en maakt me heel erg geil!"
Het is alsof elektriciteit m'n wervelkolom raakt. Ik zit op m'n handen en voeten en m'n tranen druppelen in de w.c. pot. M'n belager in de ogen kijken, durf ik niet.
"Alsjeblief... Ik... Ik ga sterven... Ik lijd aan een ongeneeslijke kanker..."
Ik barst in een hartverscheurend snikken uit.
"Slet!" roept hij "Vroeger heb ik ook kanker gehad en hoor je mij klagen, trut? De chemo en de bestraling hebben m'n snikkel reusachtig vergroot en nu ga ik jou daarmee neuken. Heb je daar wat op tegen, sloerie? NOU?"
De geweldenaar splijt m'n billen met z'n stalen knots en begint te poken. Bij iedere haal kletsen zijn ballen tegen m'n kut. Ik houd mij aan de pot vast.
But all of the vows you make
Were never to be
Even meen ik te voelen hoe hij eindelijk komt, maar met een paar vingers klemt hij z'n balzak af. Dan trekt hij mij aan m'n haar naar zich toe en doorboort m'n ingewanden. In één stoot spuit hij brandend lava in m'n darmen. Een gulp baant zich een weg naar boven en terwijl ik misselijk boven de pot hang, duwt hij m'n hoofd er dieper in. Een tel later kletst ammoniak tegen het emaille en als ik de laatste keer adem, proef ik de zoete smaak van de dood.
Dikke Jongen 14 - "De Witte Auto of How To Piss Off"
Mijn reeds eerder beschreven huisgenote reed eens een zwarte Citroen AX van negen jaar oud. Het gedrocht op wielen diende uitsluitend om haar van A naar B te verplaatsen. Enige andere status heeft een zwarte Citroen AX van negen jaar oud niet.
Echter, het lijkt meer regel dan uitzondering te zijn dat een lage statuswaarde van een auto positief correleert met het aantal gebruiksmogelijkheden. Zo werd de gebutste en gedeukte auto zonder goede verwarming en geluidsinstallatie oneerbiedig gebruikt als vuilnisbak, toilet, oud-papierbak, glascontainer, asbak, Kliko-gescheiden-afval-depot, hondenhok, afvoerputje en vliegtuigkotszakje.
Een blikje of flesje onder het rempedaal tijdens een autoritje? Gewoon een kwestie van harder doortrappen zodat de auto alsnog op tijd tot stilstand kwam. En als dan niet en het betrof een hard en onroerend Gemeentelijk- of Rijksobject, dan nog steeds geen probleem.
Met enig leedwezen nam mijn huisgenote afscheid van het wagentje. Je kon wel zeggen dat een deel van haar leven in het wagentje lag of liever er mee bezaait lag.
Het leedwezen was van korte duur want mijn huisgenote is gezegend met een ferm stel jetsers en blonde wapperende manen. Zeker in de zomer op weg naar het strand wil dit bekijks trekken als het schouwspel zich verplaatst in een lage cabriolet sportwagen, gehuld in strakke rode minirok. Een beetje autokenner weet welk een auto mijn huisgenote vervolgens aanschafte.
Een Mazda MX5 Cabrio werd gekocht en wel geimporteerd uit Amerika want alleen daar rijdt de 1.8 versie rond en dat is een stuk interessanter dan de laffe Europese versie met slechts 1.6 onder de motorkap.
U raadt hoe mijn huisgenote in haar nopjes was met deze aanschaf. Hoe zij niet kon wachten tot het half april zou worden als de kleine sportwagen afgeleverd zou worden. Hoe zeer zij hoopte op een knalhete zomer waarbij rijden met open kap en een knetterende geluidsinstallatie haar tot de toppen zou stuwen. Hoe zij haar blonde manen zou laten wapperen.
Uiteindelijk, op de grote dag half april, is het mooie weer cabrioletrijders gunstig gestemd. Daar komt zij aanrijden in haar trotse bezit. Haar glimlach van oor tot oor heeft vier vliegen gevangen maar dat mag de cabriopret niet drukken. Het witte kleine sportwagentje met gekietelde motor klinkt als een geolied racertje. Een beetje liefhebber mag graag passagieren. Dikke Jongen staat op zijn balkon, met uitkijk op de parkeerplaats, wild voor zich uit te schreeuwen. Hij is aan de telefoon.
Een aantal jaren geleden wilden verschrikte buren nog wel eens in angst naar binnen rennen. Nu is iedereen gewend aan het alles behalve indrukwekkende maar nog steeds luidruchtige tafereel.
Zowel Dikke Jongen als ik zijn gelijktijdig getuige van het verschijnen van de witte Mazda. Dikke Jongen probeert imposant voor zich uit te brullen. Ik bestudeer het dashbord, de kuipstoel, het korte pookje en het eenvoudig open te klappen zwartlinnen dak.
Na mijn geinteresseerde ronde door de wagen kijkt mijn nog steeds breeduit glimlachende huisgenote mij aan. Mijn ogen geven haar een felicitatie met de aanschaf van deze voiture. Haar ogen nemen de felicitaties aan en beloven mij een ritje met open dak. Weliswaar op de passagiersplaats, maar toch.
Dikke Jongen is inmiddels uitgeschreeuwd aan de telefoon. De telefoonverbinding nog niet verbroken of hij braakt er het volgende uit; "HAHAHA, DAT WORDT NOOIT WAT!! EEN WITTE AUTO, DAT ZIET ER NIET UIT".
Woorden schieten te kort om de situatie te beschrijven maar 'schouders ophalen' en 'the ultimate pissoff' komen in de richting. Mijn huisgenote en ik kijken elkaar aan en inderdaad, dat wordt nooit wat. Met Dikke Jongen.
Het is een luttel aantal maanden later als Dikke Jongen zijn grote metallicblauwe Ford Mondeo Stationwagon leasebak mag inleveren. Vanaf nu geen gepronk meer met andermans veren. Vanaf nu een door eigen portomonnee betaalde wagen. Vanaf nu een klein mager wagentje omdat de eigen portomonnee niet zo diep bleek.
Dikke Jongen schaft zich het meest uitgeklede Opel Kadett-model dieselbestelbusje aan. Een klein burgerlijk wagentje met de binnen deze context hilarische kleur... wit.
Ik vraag hem of het ooit nog wat zal worden met zijn auto in de kleur wit.
Geheel verstoken van de intelligentie om mijn vraag met dubbele bodem in te schatten, behept met het geheugen van drie seconden gelijk een goudvis en het incident met de witte Mazda MX5 Cabrio glad vergeten, antwoordt Dikke Jongen;
"Oooh, maar ik vind de kleur van de wagen niet belangrijk! Een witte wagen moet je hooguit een keer extra wassen".
Pensioen
De piepjes vertellen me dat er een sms is. Ik heb e-mail staat er. Enigszins nerveus neem ik plaats achter de eerste PC die ik tegenkom. ’Nijmegen Centraal 024’. Meer niet. De routine begint. Ik neem een week vrij en thuis vertel ik dat ik een weekje naar Engeland moet, zoals ik wel vaker af en toe weg moet.
Op het station ga ik eerst naar de kluis en opzichtig zoek ik de key-card die ik niet heb. Daarna naar het loket en de procedure “kluisje openen na verlies kaart” wordt gestart. Ik vertel dat m’n diskman in de kluis zou moeten liggen. Ze zijn opvallend snel vandaag. De instructies staan op de cd die in het apparaat zit.
In de auto stop ik de schijf in de laptop. Verbaasd neem ik kennis van de plaats waar ik mijn volgende opdracht moet uitvoeren. Niet zo slim van die knakkers. Vlak bij mij thuis. Kan er dan niemand bedenken dat ik dan gezien wordt of zo? Op naar de dichtstbijzijnde Van der Valk en hopen dat ik geen bekenden tegenkom. Op de kamer aangekomen neem ik de verdere instructies door. Standaard ongeval met dodelijke afloop, besluit ik. Benieuwd welk lokaal stuk tuig me dit keer gaat assisteren.
“Dag Arjan”, zeg ik verrast terwijl ik de vervallen stal binnenloop en mijn tijdelijke hulp herken. “Van Veen, kijk eens aan, dus dit noem jij een saaie kantoorbaan?” Arjan is een goedgebouwde sportieve begin-dertiger. Niet het soort waar ik normaal mee moet werken. “Ach, ik geloofde ook al niet dat jij voor de thuiszorg werkte” zeg ik lachend. Ook Arjan heeft instructies gekregen en kijkt alles nog eens door.
“Overvalletje in een agrarische setting” klinkt het resoluut uit zijn mond. Verbaasd kijk ik hem aan. Het is mijn taak die hij op zich neemt. “Creatief”, zeg ik om mijn verbaasde blik te verklaren. We werken het plan uit. Ons doelwit zal worden beroofd en vermoord door een homohoer en hier in deze stal worden achtergelaten. Lekker smeuïg verhaal, doet het altijd goed. We moeten het doelwit alleen nog op een niet al te opvallende manier en het liefst vrijwillig op de juiste locatie zien te krijgen. Ook dat mag ik aan Arjan overlaten. “Ik zorg ervoor dat hij met Roel gezien wordt. Da’s altijd goed voor de juiste sfeer.” Hij zegt het. Roel is in onze buurt een bekend non-monogaam praktiserend homoseksueel. Het plan bevalt me. Ik vraag of hij al weet wie het doelwit is. Hij knikt. Waarom weet hij het al wel en ik nog niet? Ik voel een lichte onrust in me opkomen.
We spreken de volgende dag af op de zelfde plaats. Via de bekende omwegen heb ik het definitieve fiat gekregen. Het moet echt gebeuren.
Ik loop de stal binnen waar Arjan het zichzelf al makkelijk heeft gemaakt. Een paar hooibalen fungeren als stoelen en tafel. “Goedemorgen” klinkt het opgewekt. Wat een secreet. Ik schiet hem zonder aarzeling door het hoofd. Met de opgewekte blik nog in zijn ogen valt hij rustig om. Vorige week is Roel bij mij geweest om wat cd’s te branden. Zijn brander was kapot liet hij me in de volle dorpskroeg weten. Ik werd nog gewaarschuwd. “Stop maar een kurk in je hol, ha ha ha” grapten de lokale tractorpiloten. Dat flitste me gisteren al door het hoofd. En hij wist meer dan ik. Die avond heb ik ernstig zitten nadenken. Het kon niet anders. Ze moeten mij dus hebben. Schijnbaar moet ik met ‘pensioen’.
Pensioen is een term die ik wel vaker gebruik voor dat soort klussen. Ook ik zou ooit met ‘pensioen’ moeten en ik was al begonnen met de voorbereidingen. Ik wilde geen bedrijfspensioen. Misschien dat ze daar iets van gemerkt hebben.
Ik laat Arjan liggen. Tijd heb ik niet, ik moet handelen. Ik denk aan mijn gezin. Vaak heb ik hierover al nagedacht. In gedachten zie ik mijn vijfjarige zoontje en m’n tweejarige dochter. Ik heb geen zin om over een paar weken in Zuid-Amerika ergens in een oude Telegraaf te lezen dat ze een verschrikkelijk ongeluk hebben gehad. Meestal waren ze ouder, in mijn plannen tenminste. Dan hadden ze nog mee gekund. Nu kan het niet.
Het meisje
Ach meisje toch. Hoe triest sta je daar. Alsof je de ultieme paradox bent. Jij mooie meid, met je leuk bedoelde kerstmuts op. Je staat daar knap en chic. Het weinige satijn met kant benadrukt je mooie vrouwelijke rondingen. De verwarming ongetwijfeld hoog om de kou en het slechte weer buiten te houden. Als een goedkope hoer sta je daar achter het glas jezelf te verkopen. Voor geld laat je de mannen binnen. Om je lijdensweg en vernedering te benadrukken voel je bij iedere binnenkomst kort maar duidelijk de guurheid van de koude stad om je bijna naakte lijf waaien. Alsof een geile oude koning winter je lijf begeerlijk likt.
En ik zie toe. Ik sta hier verregend en vernikkeld van de kou. M’n kleren nat en vies. Ze beschermen me niet tegen de elementen van dit koude land. Ach, zoals jij als kind niet beschermd bent tegen het wrede leven. Je kreeg je moeders ellende over je heen. Ik weet wel hoe je gejankt hebt.
Je ogen stralen een goedkope warmte naar iedere geilaard die met z’n kraag omhoog voorbijloopt. Een goedkope warmte om ze binnen te lokken. Maar achter dat laagje warm fineer huist een stalen koudheid in je ogen. De kille ogen van je moeder.
We zijn beiden verschoppelingen van deze hoogdravende maatschappij. Ik een te oud geworden zwervende matroos. Een zeeman zonder schip die leeft van kleine louche dealtjes en alles wat verder op m’n pad komt. Jij bent een hoer. Een meid die het laatste verkoopt wat ze nog heeft. Zonder eer. Het geweten van je ziel verstom je met cocaïne en verzuip je in rode wijn. Je droomt weg bij het glorieuze gevoel van de high. Een droomwereld waar je in vlucht om de realiteit maar niet onder ogen te hoeven komen. En je zuipt om de schijn van geluk te voelen. Dat warme gevoel van mensen naast je en het gevoel van onbezorgdheid. Lachen, vrede en overvloed. Maar de kater is bitter. Bitter als één van je zogenaamde vrienden weer misbruik van je heeft gemaakt. Een spreekwoordelijke dolk in je mooie ruggetje heeft geduwd.
Al twintig jaar sleep je je loodzware lot met je mee. En het heeft je hier gebracht. Dit venster aan deze gracht.
Je moeder stierf aan een overdosis. Haar idealen uit een mooie tijd kapot geslagen op de harde realiteit. Liefde en warmte voor iedereen. Enkel het goede in een mens zien. Tot ze de schijn niet meer ophouden kon. Tot de waarheid haar hard en meedogenloos terug zette op de aarde.
Gedesillusioneerd zocht ze haar geluk in dezelfde chemicaliën als die jouw ellende nu nog dragelijk houden.
Toen je moeders ziel het diepst van de put raakte en de troep haar geest het verste weg dreef van haar lijf, toen kwam jij m’n lief.
Het kleine meisje met de grote mooie bruine ogen.
Ach je moeder vond je zo lief en zo mooi. Maar met haar kapotgeslagen ziel en verloren dromen stroomde er enkel ellende over je heen. Teleurgesteld, depressief en verslaafd. Ze was geen moeder voor je
Ik weet niet of je me al opgemerkt hebt. Al dagen sta ik hier. Aan en af, sta ik hier uren te kijken. Naar jou sta ik te kijken. Eindeloos veel gespuis als ik trekt aan je venster voorbij. Je zult me wel niet gezien hebben. Of je bent goed in toneelspelen. Mij negeren.
En gelijk heb je.
Ik was er ook nooit voor jou.
Meisje m’n meisje, het spijt me zo maar ik kon geen vader voor je wezen.