stadsverwarming
hoort, de winterkraai krijst een teken van naad'rend onheil in mijn steenhouten sponde wijst de barometer storm
ziet, de wind stoeit met het herfstblad ongeduldig verwacht zij de wintermonarch de mensen schuilen in huizen waar zij warmte door de buizen horen ruizen
voelt, de vrieskou striemt en snijdt door katoen, vleesch en geraamte de kwade vorst bijt zonder schaamte verdooft bewustzijn van tijd
Een mijmering
Het is laat en iedereen slaapt reeds. De Baron zit in zijn luxe walvisvoorhuidlederen Chesterfield uit een speciaal bouwjaar voor de open haard. De openhaard knettert fijntjes op het zeldzame Japanse kersenhout, eveneens uit een speciale oogst. De pantoffels van de Baron zijn afgezet met uilenveren en geven hem een behaaglijke warmte. Op elke pantoffel prijkt een opgezet oog voor beter zicht. Grapje van de restaurateur.
Meewarig tuurt de Baron in het vuur. Af en toe prikt hij een zoetzuur gemarineerd pantertestikeltje op een handgeslepen prikkertje van Oost-Timorese waterbuffelhoorn. De Baron neemt een flinke slok van zijn zeldzame single malt.
'Een teug', zou iemand anders zeggen. De Baron moet weekjes glimlachen. In hoeverre je een 'teug' kan nemen van een 133 jaar oude turfgestookte zeewier Islay op vroegjodiumbasis. Klein drupje Aquae Vitaeu erbij om de geest volledig aan het edele vocht te ontlokken.
'Wanneer is het eigenlijk begonnen?', stelt de Baron de retorische vraag aan zichzelf. Hij staat op en trekt zijn zijde kamerjas recht. Een kado van een aanbidder en gemaakt van uitsluitend de fijnste en kleinste zijderupsjes uit een vrijwel onbekende vallei in China.
'Eigenlijk heb ik geen idee', antwoordt de Baron zijn eigen retorische vraag aan zichzelf. Onderwijl kijkt hij op de massief gouden klok ingelegd met Victoriaanse diamanten uit de Zuid-Afrikaanse Kimberly-mijnen. Geschenk van een bevriend maar corrupt stamhoofd uit een Afrikaanse staat.
'De klok doet bijna vier en ik heb nog steeds geen slaap', mompelt de Baron. Even speelt zijn grote teen met de holle oogkas van het Bengaalse Tijgertapijt. Het ivoren nepoog is opgegeten door Leo, de kasteelmakaki met rode ballonscrotum.
'Vroeger had ik slechts een kaasplankje als ze gingen ouwehoeren met elkaar'. Ome Bicat, zo werd hij vroeger liefkozend genoemd door zijn nieuwe familie, loopt naar de dikke Duits-Middeleeuwse kastanjehouten eettafel waarop 276 extreem exclusieve distillaten staan uitgestald in eeuwenoude volgens oudambachtelijke kwaliteitseisen gemaakte zuiver kristallen karaffen. De Baron schenkt zich nog een Louis Treize in. Een geschenk van Napoleon aan Bismarck en voor erg veel op een veiling op de kop kunnen tikken.
'Dat werden al snel hele bachanalen'. De baron ruikt aan het met Cohiba's doordrenkte paarsfluwelen gordijn en realiseert zich dat de eveneens dikke Cubaanse huishouding deze week weer een stomerijronde voor het hele kasteel dient te plannen.
' ...en nu woon ik op een kasteel, bezit Hummers in alle kleuren van de regenboog en heb 41 inwonende gekken'. De Baron trekt aan het lange gouddraad met platina handgreep een enorme, tegen het hoge plafond zwevende, Donald Duck ballon naar beneden en gaat op zoek naar het ventiel.
Eenmaal het ventiel van de ballon gevonden, rolt Baron Bicat vervaarlijk met zijn kleine rode drankdoorlopen oogjes en hij tuit zijn lippen. Daarna zuigt hij zijn longen vol met helium en gilt op kinderlijk hoge toon door de holle gangen van het kasteel:
Ik mis je verschrikkelijk. Het is alweer elf jaar geleden dat het uit ging maar ik krijg je niet uit mijn gedachten. We waren zo’n mooi stel samen. Echte liefde was het. Je zult altijd heel speciaal voor me blijven, al was het alleen maar omdat ik je eerste mocht zijn.
Wat hebben we samen een hoop mooie dingen beleefd. Weet je nog dat pakhuis aan de dijk? Jij wilde met je rug tegen de muur zodat je de passanten op de dijk aan kon kijken terwijl ik m’n gang kon gaan. Of dat je vader vier uur ’s nachts vroeg of ik nog niet naar huis was. Terwijl ik in de keuken met het licht uit hoopte dat ik m’n broek aan zou hebben voordat hij even kwam kijken. Ja, dat waren mooie tijden. We waren echt gek op elkaar.
Ook nadat het uit ging, vlak na onze verloving, bleven we goede vrienden. Goed, de eerste tijd kwamen we elkaar vooral tegen in bed, maar dat werd allengs een stuk minder. Daarna waren we vooral echte vrienden, ook al begreep niemand wat wij nog met elkaar moesten. Vooral jouw vriendjes en onze ouders snapten er niets van. De tijd vloog en onze contacten werden minder. Op belangrijke momenten in ons leven kwamen we elkaar toch steeds weer tegen. Wij waren er voor elkaar als anderen er niet konden of mochten zijn.
Tot ik me plotseling realiseerde dat we al een lange tijd geen contact meer hadden. Ik ben gaan zoeken op internet en in de telefoongidsen. Zo heb ik je weer gevonden een jaar geleden.
Misschien had ik toen beter meteen op je af kunnen stappen. Nadat ik per ongeluk je kat aanreed moest een buurtbewoner zonodig vertellen dat ik al weken bij de school rondhing waar jij je kinderen ophaalt. Dat ik ook al gesignaleerd was in de supermarkt op momenten dat jij er ook was is toch niet zo erg? O.K. dat was misschien niet zo handig. Achteraf. Maar die gebroken neus had hij wel verdiend, die buurman van je met z’n grote bek. Zie je hem vaak? Heb je wat met hem? Ik merkte het meteen aan hem. Hij is niet te vertrouwen. Hij staat trouwens ook vaak bij school, wist je dat? En hij koopt twee kratten bier per week. De zuiplap. Let maar eens op hoe hij naar je kijkt, de smeerpijp.
Maar goed, vergeven en vergeten. Toch? Wat wij hadden is ook bij jou nog niet helemaal verdwenen. Denk er maar eens goed over na. Ik ken je toch als geen ander? Als jij er nou eens voor zorgt dat het straatverbod wordt opgeheven, dan kunnen we gewoon weer de draad oppakken als ik hier klaar ben. Toch?
Dikke Jongen 13 - "De Wetenschappelijke Observatie"
Enige tijd geleden liep een van mijn huisgenoten tegen vaste verkering aan. De vaste verkering kwam mee naar huis, sliep wat in de rondte, tikte een eitje, deed af en toe een plasje en dronk wijn aan tafel.
Dat klinkt allemaal vrij gewoontjes maar u heeft zijn grote ogen van verbazing niet gezien toen wij hem vertelden over Dikke Jongen. Zoveel gekkigheid geloofde hij niet.
De vaste verkering, zijn naam is Dijkhuizen, is wetenschappelijk gedragspsycholoog en hij zag een interessante casus in Dikke Jongen. Enige weken van observatie volgden en bij wijze van experiment overlegde Dokter Dijkhuizen zijn noteringen aan collegae wetenschappers.
Vandaag kreeg ik een email met daarin het kosteloze doch wetenschappelijk onderbouwde rapport over Dikke Jongen.
"Geachte heer Kiers,
Voorop gesteld blijken wetenschappers ook gewone mensen te zijn. Wij hebben met ons team smakelijk moeten lachen om de fratsen en strapatsen van uw patient Dikke Jongen. Een dergelijk geval maken wij niet vaak mee. Een unieke plaats op de Bell Curve kunt u hem zonder enige wetenschappelijke kennis van zaken met zekerheid geven.
Alle collegae op het lab hebben de stukken proza over DJ aandachtig bestudeerd. Ook zijn de nauwkeurige aantekeningen en observaties van Dokter Dijkhuizen met grote zorgvuldigheid verwerkt in onze modellen.
Wij menen enig tegenwicht te moeten geven met betrekking tot de naam die u de patient toekent.
Uit de kengetallen die wij onder ogen kregen, begrijpen wij niet helemaal waarom hij Dikke Jongen genoemd wordt. Dik is hij niet, misschien een beetje gezet, vadsig of vettig maar echt dik kunt u dat niet noemen.
En ook met de term 'Jongen' heeft ons medische team moeite. Gezien de begeleidende proza valt nog te bezien of uw patient een echte jongen is. Zijn ronduit stupide omgang met vrouwen geeft hem in gedragpsychologische kringen eerder de volgende kwalificaties; nicht, eunuch, shemale, wijf.
Op basis van onze gegevens stellen wij om redenen van duidelijkheid voor de initialen DJ een andere betekenis te geven.
Metingen hebben aangetoond dat de intellectuele vermogens van DJ tekort schieten. Zijn intelligentie-quotient komt niet boven dat van een gemiddelde inwoner van buitenlandse origine van een gemiddelde achterstandswijk uit een grote stad in Nederland.
DOM is dan ook de eerste kwalificatie die ons team te binnen schiet.
Verder onderzoek toont aan dat DJ bij de minste tekenen van binnenhuiselijke wanorde pieken vertoont in onze stressmodule. Proeven met kleine zoogdieren bewijzen dat dit gedrag wijst in de richting van een gewijzigde genstructuur.
Onder binnenhuiselijke wanorde verstaan wij kleine onregelmatigheden als niet opruimen van rommeltjes als een gelezen krant, het niet onmiddellijk afwassen na de maaltijd maar de volgende dag en niet tijdig bijvullen van gebruikte waxinelichtjes in de badkamer.
Deze latent autistische karaktereigenschappen en zijn drang naar orde meent ons het recht te geven hem te kunnen klassificeren als: JANKMUIL.
Ziet u eens hier, de twee letters D en J, krijgen ineens een geheel nieuwe dimensie. Dikke Jongen als roepnaam kunnen wij ondersteunen vanuit sociaal oogpunt. Echter, als functiebenaming of als zelfstandig naamwoord prefereren wij Domme Jankmuil te gebruiken.
De groote oorlog
We schrijven het jaar van onze lieve heer 1917. Ergens in de Belgische modder.
Koud, het is koud. Maar het ergste is de stank. De onverdraagzame eindeloos aanhoudende stank. Een dikke walm van de rottende lijken van je kameraden. Hun vlees woest door explosies en ander geweld verscheurd en gemengd met het vlees van de vijand. Het Britse vlees rot samen met het Duitse weg, hier in deze vervloekte ijzige Belgische modder. Ratten zo groot als honden vreten hun buiken er aan vol, maar krijgen het niet weg. Ja, we zouden de Kaizer wel terug jagen. Terug achter de Rijn! Terug naar de Middeleeuwen! Ik had in die dagen de hele verdomde Rijn niet op een kaart kunnen aanwijzen. Nee, we gaan met z’n allen! Alsof het een verdomd kampeeravontuur zou zijn. Met z’n allen in de pub van Gleeson. Avond na avond. En hoe rijker het bier gevloeid had hoe grootser de plannen en de voorstellingen. En voor de kerst zouden we allemaal weer om de stamtafel zitten daar. Als godvergeten oorlogshelden. En nu sta ik hier. M’n witte knokkels krampen zich om m’n geweer. Tot over m’n enkels sta ik in een dunne stinkende drab. Wanneer ik me voor het laatst gewassen heb? Zo goed is m’n geheugen niet meer. Geschoren heb ik al helemaal geen idee meer van. Als een stuk vee sta ik hier tussen de schimmen van wat ooit waardige mannen waren. Holle schulpen zijn het nu. Als je door hun ogen naar binnen kijkt zie je niets. Helemaal niets. Zelfs geen mooi zwart, nee, een grauwe glazige leegte. Het zijn schulpen die enkel nog bestaan om een uniform te dragen en hun geweer te bedienen. In de modder.
Ik ben de laatste . De laatste van man uit Halesworth. Met alle mannen van het dorp hebben we ons tegelijkertijd ingeschreven. Zo zouden we samen in hetzelfde regiment komen. Onze vrouwen hadden als verrassing en tegen de heimwee voor eenieder van ons een geel-paarse shawl gebreid. Geel-paars. De kleuren van Halesworth. De shawl is nu een moddergrauw vod ergens om m’n lijf. Net als de herinnering aan thuis. Grauw, vaag en niet meer van deze wereld. Fluitend en zingend marcheerden we naar het front. Grappen makend en de Kaizer imiterend. Ik marcheerde naast jonge Jim. Vol verhalen over hoe hij z’n Ashlyn trouwen zou als hij terug zou komen en hoe hij net als z’n vader officier wilde worden. Hij had gelogen over z’n leeftijd om toegelaten te worden. Z’n trotse vader had een oogje dicht geknepen. Jonge Jim was de eerste met een kogel in z’n kop. Ook het eerste menselijke lijk wat ik ooit gezien heb. Z’n ogen wijd open, alsof hij verbaasd over z’n eigen dood op z’n rug lag. Een godvergeten scherpschutter was het geweest. We kwamen de loopgraven binnen en eigenwijs als hij was moest hij toch even over het randje kijken. Zien hoe het niemandsland er uit zag. Een seconde later lag hij daar.
Al een paar uur dondert het oorverdovend. De grond trilt onophoudelijk. De ingegraven moffen een kilometer verder op krijgen de volle laag. Miljoenen kilo’s explosief staal worden hun kant op geslingerd. De hel moet nog erger voor hun zijn dan voor ons. Diep, diep in de aarde ingegraven om de explosies te overleven. Hopend dat ze niet direct geraakt worden, hopend dat ze zich uitgraven kunnen voor ze een stikdood sterven Grote beulen van kerels, mannen uit staal, schijten hun broek vol en janken als kleine kinderen onder zo’n bombardement. Maar dit maal geen gas. Het gas is nog erger. Omdat we allemaal maskers hebben sterf je niet meer aan het gas, het zorgt er enkel voor dat je situatie extra ondraaglijk wordt. Zo’n zwaar, oncomfortabel omhulsel om je hoofd, of anders een verschrikkelijke dood. Maar zo gauw het bombarderen ophoudt, zo gauw onze officieren op de fluit blazen en wij, het menselijke vee, over de rand klauteren liggen ze daar. Dan liggen ze daar met hun machinegeweren. Rataratarataratarataratarataratarataratarataratarata…. En zo maaien ze ons tot pulp. Het prikkeldraad dat het bombardement overleefd heeft volhangend met lijken. De benen letterlijk onder de romp weggeschoten. Na vier van dit soort stormacties was het dorp leeg. De mannen van Halesworth waren dood. Allemaal. Alleen ik heb het overleefd. Waarom? Geen idee. Geen idee waarom ik tot nu toe gespaard ben. Ik ben ook opgehouden met tellen hoe vaak ik over de rand ben gegaan. Als zo het bombardement ophoudt kan het m’n laatste keer zijn.
Zenuwachtig staan we hier. Duizenden mannen in de loopgraven. We kijken om ons heen. We zien de vieze lege gezichten naast ons. Bekende gezichten, maar ook allemaal dezelfde gezichten. Angstige gezichten. De meeste gezichten zal ik niet weer zien. Of mijn gezicht zal niet weer gezien worden. Ik hoop op een gelukkige kogel tussen m’n ogen. Ik wil niet lijden. Ik wil een snelle pijnloze verlossing uit deze hel als het dit keer mijn beurt is.
De aarde komt tot rust. Het bulderende geknal sterft weg. Af en toe nog een doffe harde eenzame knal. Het bloed raast me door de aderen, de zenuwen gieren door m’n lijf. Nerveus en onophoudelijk trilt m’n geweer. Bajonet bevestigd. Het gaat gebeuren. Pfffffffuuuuuutttttttt We stormen de gereedstaande ladders op. We rennen de hel dieper in om zo zinloze meters te winnen. Om zo de lijn op de kaart een centimeter te verschuiven. We dringen de trappen op om het maar gehad te hebben.
Rataratarataratarataratarataratarataratarataratarata…. Mannen vallen. Ik ren ren ren ren ren ren… Vuur, vliegende aarde, geschreeuw, vallende mensen, explosies, rijen rennende mannen, vallende mannen, de woelende aarde, het gevallen vlees verorberend, en ik ren ren ren ren. Naar voren. Naar de mof. Ik hoor het gebulder en de knallen niet meer. Het suist enkel in m’n oren. De explosies om me heen zijn enkel pilaren van vuur en aarde waar ik tussen door ren. M’n gekrampte handen om m’n geweer, met m’n bajonet wijzend naar de Duitsers. Daar waar ik heen moet.
Whhhooooowwwwwwwwww…. Een storm waait en suist in m’n oren. De wereld is zwart. M’n lijf tintelt en met wazige vlagen komt m’n zicht terug. Langzaam. Langzaam en golvend. Eindeloos suizen m’n oren. Het is alsof ik wakker word uit een diepe en nachten lange slaap. De herinnering aan m’n nare droom nog bij vlagen aanwezig in m’n hoofd.
Ik probeer met m’n ogen te knipperen. Af en toe zie ik grauw voor me. Grauwe modder. Het gevoel van kou neemt bezit van me. Ik voel m’n lijf op een vreemde manier. Alsof ik er niet echt van gewaar ben, alsof ik het ver weg voel. Tinteling, pijn, kou, ik lig op iets hards.
Nog steeds zie ik niet duidelijk. Golverig en wazig zie ik. Alsof ik in een wolk lig. Nog verder dan m’n gevoel hoor ik een gewouw. Bekende geluiden, doch te ver om ze echt te horen. Mijn wereld bestaat nu enkel uit mijzelf. Ik hier in deze wolk van wazig zicht, verre geluiden en langzaam terugkomend gevoel in m’n lijf. Koud, ik heb het koud. Erger nog dan de pijn. M’n hele lijf doet pijn. Alsof een grote schok m’n lijf veranderd heeft in een grote beurse blauwe plek. Aan m’n rechter zijkant voel ik scherpe stekende pijnen. Als schrijnende schaafwonden op je knieën maar dan over m’n hele zijkant en tot diep in m’n lijf. De pijn zit in me. Ik ben alleen nog maar pijn.
De modder voor me begint vorm te krijgen. M’n ogen bewegen zich, m’n hoofd niet. Ik lig in een soort bomkrater. Een kuil van een meter of drie doorsnee. De zijkanten lopen rond en lopen schuin omhoog. Aan de bovenkant houdt de wereld op. Daar boven houdt de grauwe modder op en begint een grauwe lucht. Een lichtgrijze lucht met vlagen blauw. Daar houdt de wereld op, daar begint de hemel.
Hoe lang ik naar die mooie grauwe hemel gekeken heb weet ik niet. Steeds meer begint mijn lijf er weer te zijn. M’n geest en lijf worden weer één. M’n lijf doet pijn, maar ik begin iets te bewegen. Liggend op m’n plekje in de modder spannen en ontspannen m’n spieren zich. Ik draai m’n hoofd. Ik kijk naar de andere kant en m’n hart slaat over! M’n adem stopt en ik zie m’n dood recht in de ogen. Dit is het, dit is het einde!
Een halve meter naast me, de hele tijd al zonder dat ik het merkte, ligt de vijand. In een vies grijs uniform ligt daar een Duitser. Z’n gezicht ongeschoren, bleek en bebloed. Hij ligt daar in de modder. Holle glazige ogen kijken me aan. Onophoudelijk kijken ze me aan. De vijand is ook een mens. Maar de man beweegt niet. De man maakt geen aanstalten om mij te doden. De man kijkt alleen. Hij is één met de modder om hem heen. Waarschijnlijk net als ik. Moeizaam komen er enkele geluiden over de lippen van de man. Ik versta niet wat hij zegt. Omdat ik de taal niet spreek? Omdat hij onverstaanbaar mompelt? Van de woorden die ik spreken wil blijft ook niet veel meer over dan een ‘humm’ We kijken elkaar recht in de ogen. We liggen in de modder. In de kou. Met pijn, veel pijn. Het verkrampte gezicht van de Duitser verraadt dat zijn lot ook bitter en zwaar is. Onbeweeglijk liggen we samen.
Weer wordt m’n adem afgesneden, m’n hart houdt zich weer gespannen stil in m’n borstkas. Angst jaagt door m’n lijf. De mof beweegt. Langzaam, kreunend en aan z’n gezicht af te lezen vergaand van de pijn. Z’n hand gaat naar z’n heup. Angstig probeer ik te bewegen. Ik wil weg. Ik wil hier weg, ik moet hier weg, dit is mijn dood. Ik wil hier weg!
Maar hoe hard m’n ziel ook roept, m’n lichaam reageert niet. Ik blijf hier liggen. Liggen in de modder, liggen in de kou, wachtend op m’n dood. De dood die zich zal aandienen door wat die mof met me van plan is.
Ik heb m’n ogen gefixeerd op m’n noodlot en op de man voor me. Vergaand van de pijn en tergend langzaam beweegt hij z’n linker arm naar z’n heup. De man ligt zo dat z’n hand voor mij buiten zicht is. Na een eeuwigheid begint de arm een terugkerende beweging te maken. De hand komt terug. Mijn kant op. Dit is het dan. Dit is het einde.
De mof heeft me de hele tijd aangekeken en blijft me aankijken. Zie ik ver weg een kleine glimlach op z’n gezicht kruipen? Zal de man genieten van mijn dood?
Met veel pijn beweegt de mof z’n hand naar voren. Ik zie het slecht. Ik zie slecht wat hij doet.
De Duitser heeft een soort flesje gepakt. Een plat flesje dat net in z’n hand past. Met moeite trekt de Duitser met z’n tanden de kurk uit de hals. Mij nog steeds aankijkend giet de man van de inhoud in z’n mond. Zo vaag de glimlach op z’n gezicht was, zo vaag is er nu een uitdrukking van voldoening te zien.
De man probeert het door te slikken, maar laat een deel uit z’n mond lopen. Nog steeds hebben onze ogen elkaar niet verlaten. Nog steeds kijken wij elkaar aan. Met veel moeite en pijn beweegt de man z’n arm weer. Langzaam reikt hij mij de fles aan.
Pappa is timmerman
Het is pikkedonker. Waar is mijn Bob de Aap?
Ik moet plassen. En ik wil naar Mamma toe. Michel, Mamma's nieuwe vriend is weer terug. Michel doet niet altijd even aardig tegen mij. Als Mamma er is wel, maar Mamma doet ook wel eens boodschapjes.
En ik doe niks. Speel gewoon met de racebaan of met Bob de Aap maar Michel komt altijd gelijk naar me toe. Dan kijkt hij me aan met boze ogen en begint heel hard te schreeuwen. Dan durf ik niet meer op te staan en plas ik door mijn broekje op Mamma's nieuwe zeil. Dan schuif ik met mijn bibs en buik over dat plasje maar Michel heeft het meestal wel door. Of hij moet in Pappa's doos zitten te zoeken. Dat doet hij ook als Mamma boodschapjes doet.
Toen Mamma vertelde dat Michel voor altijd bij ons zou blijven slapen heeft ze alle foto's van Pappa weggehaald. Pappa is al heel lang niet meer bij ons geweest. Ik weet niet waar hij is. Michel wordt heel boos als ik over Pappa praat. Dan wacht hij tot Mamma in de keuken is, of op de pot zit en dan stompt hij me. Dan trekt hij met een wijsvinger een streep onder zijn kin, als ik geluid maak. Ik ben bang voor hem.
Ik zit nou al de hele morgen in de kast. Of ook de middag al? Ik zit hier ook steeds vaker; volgens mij vergeten ze me. Maar ik hoor Mamma lachen. En een beetje gek hijgen doet ze ook. Michel maakt boze geluiden. En ik hoor gepets. Kan me niks schelen want ik moet plassen. Daarom klop ik op de deur van de kast.
Dan maar heel hard gillen, want ik wil niet in de kast plassen.
AAAAAAAAAAAH. AAAAAAAAAAAAH AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAH. Niets. Maar het gelach en gehijg en gepets is wel afgelopen. Alleen de boze geluiden niet.
Heel veel later, denk ik, word ik wakker van al het licht. Ik mag er uit. Mamma en Michel hebben allebei handschoenen aan. Op de tafel staat de gereedschapskoffer van Pappa. Pappa is timmerman.
De val
BATS!!! ‘Aahhhwww… godverrdedomme, kut … m’n kop’ Hard klapte ik op de grond. Ik zie niets, enkel een paar gele en oranje sterretjes. Langzaam keert m’n zicht wazig terug. Verticaal zie ik schoenen met broekspijpen, galante enkeltjes en fietswielen voorbijkomen. ‘Auw, godverredomme, kut stoepranden!’ Ik lig half uit m’n rolstoel. De armleuning drukt gemeen in m’n zij. ‘Godverredomme, klootzakken, jullie laten me ook gewoon liggen.’ Ik mompel het onverstaanbaar. De schoenen met broekspijpen, galante enkeltjes en fietswielen blijven aan mij voorbijgaan. ‘Ja, jullie voelen je zeker te goed om een zwerver zonder benen terug te helpen in z’n rolstoel hè!!’ Ik schreeuw het maar kom moeilijk uit m’n woorden. Dat is de schuld van de fles vieux van vandaag. Haha, dat is ook het enige mooie van mijn handicap. Ik neem ze zo mee uit de slijterij. Die puistige verkoophulpjes van 17 durven niet tussen m’n ongewassen stompjes te kijken als ik de winkel uit rij. Haha, bang om te zien wat geamputeerde benen zijn. Haha. ‘Kut, het begint te motregenen.’ Tegen wie zeg ik dit? Mezelf? Ik zal hier een paar uur moeten liggen, tot de alcohol uitgewerkt begint te raken. Of deze wrede stad moet toch nog een fatsoenlijk mens huizen. De straat wordt donker en nat van de regen. Een dun stroompje begint te lopen door de goot. Machteloos heb ik me bij m’n situatie neergelegd en heb ik m’n hoofd neer gelaten op de natte straat. Ik word koud. Hier en daar dringt het water door m’n kleding als een vlek van koudheid die langzaam maar onstopbaar bezit neemt van m’n lijf. Een vogeltje. Ik zie een vogeltje. Verbaasd zie ik hoe een slanke witgrijze duif naar me toegewaggeld komt. Recht op me af, alsof het beestje ook bij mij wil zijn. Mmm…. een puntje van plezier en schoonheid in deze misère. De duif blijft voor me staan en kijkt me recht in m’n ogen. Ik hoor hem spreken. Ik hoor hem echt spreken! Ik hoor geen woorden, maar het beestje praat met me. Ik hoor de woorden direct in m’n hoofd. “Ja ik ben het, ik die mooie duif voor je” Wat is dit? Staan m’n hersens nu definitief op sterkwater van vieux, wodka en jenever? Praten diertjes met me? “Ik wil je een leven geven. Een waardig leven. Je zult een man zijn tegen wie mensen op kijken. Een leven met een goede baan, een mooi huis, een mooie vrouw en succesvolle kinderen. Dat wil ik je geven” Het diertje praat met mij! Haha, wat leuk, hier kan niets tegen op! Ik voel me blij. Kinderlijk blij. Een glimlach die zich jaren niet heeft laten zien trekt op m’n gezicht. ‘Praat nog eens vogeltje, praat nog eens, je bent lief en leuk, toe praat met me…’ “Ik wil je een leven geven, een echt leven. Wil je dat?” ‘Ja lief duifje, ik wil een leven. Je praat met me, wat ben je leuk. Wie ben jij?’ Het duifje spreidt z’n vleugels en vouwt ze weer. Met z’n hoofd heen en weer bewegend loopt het beestje een paar keer op en neer voor m’n gezicht. “Ach ik heb vele namen, je kent me wel uit de verhalen” Hij kijkt me aan. Ik zie een korte felle rode fonkeling in z’n ogen. “Het goede boek spreekt over mij. Voor slechts een kleine wederdienst schenk ik je een waardig leven”
‘Aahhhwww… godverrdedomme, kut … m’n kop’ Ik grijp naar m’n hoofd. Ik voel me draaierig en slap alsof ik dagen niet gegeten heb. M’n hoofd voelt alsof de inhoud van binnenuit m’n schedel wil laten barsten. ‘Aahhhwww’ Ik open m’n ogen weer. Hè? Ik knijp m’n ogen dicht, wrijf met m’n knokkels hard in m’n ogen en open ze weer. Na een paar tellen komt het zicht weer terug. Ik zit in een houten kamer. Ja, een houten kamer! Voor me staat een groot mooi antieken bureau. Ik zit in een kamer bekleed met donkere houten panelen. Links staan rijen boeken, netjes de ruggen in een recht lijn. Rechts hangen ingelijste prenten. Haha! Wat is dit? M’n gezicht voelt glad geschoren. Ik kijk m’n ogen uit. Verwonderd als een kind. Het raam achter me geeft een schitterend uitzicht over de stad. Ik zie zelfs een regenboog nu de lucht opklaart. Haha! “Excuses meneer de burgemeester, u lag net even te dutten op uw werktafel. U werkt ook wel erg hard, ik heb u maar gelaten. Zojuist heeft een koerier een pakket afgeleverd. Hoge spoed zei de man. Het is van een projectontwikkelaar. Ik heb het even in gekeken, een ambitieus plan om dorpje V. aan de rand van onze gemeentegrens om te bouwen tot een lux ontspanningsdorp. De arbeidershuisjes willen ze verbouwen tot hotel kamers en van de mooie oude kerk willen ze een grote conferentieruimte maken. Leuk bedacht, maar niet reëel natuurlijk. Maar goed, u bent de burgemeester, kijkt u er maar even naar voor u het afkeurt.” De in pak geklede ambtenaar legt een pakket papier op het bureau voor me en loopt haast zonder geluid te maken weg. Wat is dit? Verbaasd als een kind blijf ik voor me uit kijken. Ben ik een burgemeester? Werk ik hier? Is dat dan mijn gezin op die foto? Haha! Maar,….en…uuhh….haha… zal de echte burgemeester dan wakker geworden zijn in mijn rolstoel? Van achter me komt een duif binnengefladderd. Zonder angst landt het beestje op het bureau. De duif spreidt z’n vleugels en vouwt ze weer. Met z’n hoofd heen en weer bewegend loopt het beestje een paar keer op en neer en hopt op de stapel papieren.. Het beestje tikt twee keer met z’n snavel op de papieren van de projectontwikkelaar, kijkt me aan en vliegt vervolgens het raam uit. Kort zag ik een felle rode fonkeling in z’n oogjes.
Kleine Maaike
Ze was vier, hooguit vijf. Ik kwam haar tegen op de schommel bij de kleine speeltuin. Ze was alleen. Zoals altijd. Ik had haar Maaike gedoopt.
(De laatste weken had ik haar goed geobserveerd. Om niet teveel in de gaten te lopen, had ik een onderhoudsvriendelijke hond aangeschaft. Met een hoge aaibaarheidsfactor. Onderdeel van mijn plan. Een goed plan, vond ik zelf.)
Ik ging op de schommel naast haar zitten, en stak een sigaret op. Ze zong een liedje, terwijl ze met haar blonde huppelvlechten speelde. Er vlogen twee ruziënde kraaien over. De hond keek me aan. Ik tilde hem op en kriebelde hem achter z’n oren. Zo zaten we een tijdje met z’n drieën.
“Mooie rugzak heb je daar. Is die van K3?”, verbrak ik de stilte. Langzaam draaide ze haar hoofd mijn kant op. Ze lachte haar meisjesgebit bloot. “Nee hoor, hij is van mij! Daar zitten mijn poppen in.” De hond deed precies wat-ie moest doen: klein, kwetsbaar en aaibaar op mijn schoot liggen. Zij zag ‘m nu ook, sprong van de schommel en liep verrassend gedecideerd op ons af. “Hij is lief”, zei ze. Ik gaf de hond aan haar. Het was een mooi stel.
Via de zandbak en de glijbaan, kwamen we uit bij de wip. We namen plaats. Zij eerst. Ik probeerde zo licht mogelijk te zitten, en bracht de wip in beweging. Maaike vertrouwde me inmiddels volledig, en vertelde aan één stuk door over van alles en nog wat. Haar stem was broos en lief. Ze lachte veel en uitbundig, ondanks het feit dat ze een serieuze oogopslag had. De hond liep inmiddels rondjes om het klimrek. Ergens was een open haard aangestoken. Het werd tijd.
“Weet je, thuis heb ik nog véél meer hondjes. Als je wilt, kunnen we er wel even naar gaan kijken.” Lang hoefde ze niet na te denken. Ik pakte haar rugzak op; zij nam mijn hand. Samen gingen we op weg. In mij groeide een zinderende, vreselijk aantrekkelijke onrust. Een diep duivels verlangen dat ik al zo lang had moeten bedwingen. Ik aaide haar vlechten. Nog even. Nog even...
Ik opende de voordeur, schoof met m’n voet wat kranten opzij en deed het licht aan. Maaike volgde me naar binnen en sloot netjes de deur. Heimelijk schoof ik het nachtslot erop. De hond trippelde naar de keuken, waar zijn bakken stonden. We liepen door de hal naar de woonkamer, die verlicht werd door een paar strategisch geplaatste spotjes. De gordijnen zaten dicht (potdicht, maar dat wist ík alleen maar). “Chips?”, vroeg ik. Dat wilde ze wel.
Met een grote schaal zoutjes en twee blikjes cola kwam ik even later de kamer weer binnen. Ze zat ze op de bank. Haar voeten konden nét niet bij de grond. Ze keek me aan. “Waar zijn de hondjes nou?” Hier had ik op gerekend. Uiteraard. “De hondjes, lieve schat, zijn boven. Als jij nou even hier blijft, ga ik ze halen.” Ze knikte, opgewonden. Zo jong nog. Zo vól vertrouwen in het leven. Met veel moeite wist ik me om te draaien. Het ging gebeuren. Ik voelde me bijna high.
Een paar vliegende stappen en ik was boven. Via de slaapkamer liep ik gehaast de werkkamer in. De werkkamer. Met de werkbank. De perfect onderhouden apparatuur. Mijn verzameling tangen. Het terrarium. En de grote gele containers. Ik kleedde me snel uit, m’n lid half erect voor me uit zwaaiend. Alles lag klaar, keurig gesorteerd. Dit had ik eindeloos geoefend. Speciaal voor dit ene moment.
Ik bekeek mezelf in de spiegel. Goedkeurend. Eén meter vijfentachtig, keihard afgetraind, in een zwarte overall met handgemaakte koppelriem. Een symmetrisch, krachtig gezicht. Smeulende blauwe ogen. Gezonde, dikke blonde lokken. Satan in de gedaante van een ariër. “Goedendag, mag ik mij even voorstellen? Het Kwaad is de naam. Het Grote Kwaad.” Ik lachte, zachtjes. Het kwaad grijnsde terug. Ik deed een boksersdansje. Showtime!
Toen ik beneden kwam, was ze weg. Mét mijn portefeuille. In de hoek lag een dood hondje.