Snel, snel nu het nog kan. De man en het meisje keken in de rondte. Nog niemand te bekennen. Hand in hand renden ze over de witmarmeren tegels tussen de rijen banken door. "Hierin?", vroeg het meisje geschrokken toen ze voor de kersenhouten biechtstoel stonden. De man zei niets terwijl hij de deur van de biechtstoel voor haar openhield. Met zijn hand op haar appelronde billen betraden ze de kleine ruimte. Ongemakkelijk om elkaar heen draaiend zochten ze naar de juiste positie voor het komende spel. Ze zuchtte, hij gromde zachtjes. Ze stond met haar rug naar de man toe. Ongeduldig pakte de man het meisje bij de schouders en bitste iets in haar oor. Ze zette haar knieën op het kleine harde bankje, duwde haar kont zo ver mogelijk naar achteren en drukte haar gezicht tegen het donkere hout. Afwachtend keek ze achterom.
Gesproken hadden ze elkaar nog nooit. Ze zat daar maar tijdens de zondagsdienst op de hardhouten kerkbanken. Haar schooluniform bestond uit een saaie, grijze lamswollen trui en een donkerblauwe rok, net tot over de knieën natuurlijk. Kuithoge kousen en zwartglimmende instappers completeerden dit toonbeeld van jeugdige smetteloosheid. Ze had zwart, stijl haar dat aan de achterkant tot net over haar schouders viel. Vlak boven haar wenkbrauwen was het haar in een kaarsrechte pony geknipt.
De man wreef met zijn grote handen ruw over de billen van het meisje. Ondanks dat er nog een laag stof tussen zijn handen en die fantastische kont zat, was zijn erectie al bijna volledig. Hij schoof de rok van het meisje omhoog, en het deed hem denken aan het theaterdoek dat opging voor de eerste akte. Een melkwitte, perfect ronde kont, gestoken in een deugdelijk zwarte slip bevond zich op precies de juiste hoogte voor hem. Nu moest het gebeuren. Hij trok het onderbroekje van haar kont en keek gulzig op haar neer. Dus dit was wat Hij hem al die jaren had onthouden! De man trilde licht bij het zien van zoveel jeugdige geiligheid. Ze keek hem met grote ogen aan toen hij beslist bij haar naar binnen gleed. Hij greep het meisje bij haar middel en langzame, diepe halen voerden zijn lichaam, zijn geest, zijn hele wezen, naar plekken waar hij eerder slechts van had gedroomd.
Slechts enkele weken terug had hij dit meisje voor het eerst in de kerk gezien. Hij kende haar niet uit het dorp en ook de andere dorpelingen bij wie de man subtiel geïnformeerd had, kenden het meisje niet. Ze kwam meestal enkele minuten voor aanvang van de dienst alleen binnen en als de kerk uitliep was ze net zo snel weer verdwenen.
De benen van de man begonnen licht te trillen nu zijn orgasme naderde. De beperkte ruimte van de biechtstoel begon hem plots te benauwen. Deze daad van ongebreidelde wellust zou hem duur komen te staan. Branden in het vagevuur zou hij, voor eeuwen. Opgeschrikt door enkele stemmen van buiten de biechtstoel hield hij plots zijn bekken stil. Maar het was te laat. Met een geroutineerd soepele draaibeweging duwde het meisje haar lichaam naar achteren, en dwong hem nog eenmaal diep in haar. Geschrokken en extatisch kwam de man klaar, zijn handen omspanden klauwend haar billen.
Snel trok het meisje haar onderbroek omhoog en haar rokje naar beneden. Ze deed de deur van de biechtstoel open en stapte naar buiten. Over de schouders van het meisje heen zag de man twee dorpsgenoten naar hen kijken. Het meisje draaide zich om en bukte naar de man. Met haar wijs- en middelvinger schepte ze een klodder sperma van zijn paarse habijt en stopte deze zwijgend in haar mond. Terwijl ze glimlachend de kerk uitliep, knipoogde ze in het voorbijgaan naar de twee vrouwen die inmiddels richting de biechtstoel liepen. Buitengekomen keek ze op de bewegwijzering en zag tot haar genoegen dat het volgende dorp maar een paar kilometer verderop was.
Zevenentwintig jaren lang vroeg ik me af hoe het zou zijn om te sterven en nu weet ik het dan. Ik had lief, at en dronk, genoot, las, zong en danste, schilderde en schreef en uiteindelijk was het allemaal voor niets. Iedere weg loopt dood; iedere weg loopt naar de dood. Had ik het vooraf geweten dan had ik wat minder mijn best gedaan. Minder vaak gerend om de trein nog net te halen. Minder vaak naar voren gedrongen voor een meter bier bij de laatste ronde. Zevenentwintig jaar lang vroeg ik het me af.
Het vooruitzicht van de dood maakte me niet somber. Nooit! Ooit zei ik dat de dood het laatste geheim was, maar Rana moest lachen en smaalde dat het alleen maar het laatste geheim zou zijn waar ik achter kwam. Alleen het geheim van de dood neem je mee in het graf.
Ik realiseerde me dit allemaal natuurlijk ook al vroeg. Ik had geluk: mijn familie was groot, er werd veel gestorven en nog meer gevreesd voor Here en hel. Het was angst voor het ontastbare, het ongeziene en het onvoorziene. Maar de zekerheid van de dood is heel wat beter te begrijpen dan het raadsel van het leven. Dood is rust. Uiteindelijk rust alles. Leven is onnatuurlijk.
Ik weet nu niet alleen hoe het is om dood te gaan; dat is nog wel een beetje angstig geweest - mij overviel "op het laatste moment" toch nog een gevoel van plankenkoorts, maar uiteindelijk was het toch zoals met alles in het leven. Het was zoals ik eigenlijk al van te voren wist hoe het zou zijn. Het zoveelste déjà vu dat blijkbaar in de genen opgeslagen ligt en intuïtief gevoeld, doorvoeld, kan worden voordat het gebeurt.
Ik weet nu óók hoe het is om dood te zijn. Dat valt erg mee; het bevalt wel. Ik weet, zonder dat het me hindert. Ik mis niets zonder bezit, zonder smaak. Er is geen pijn, geen angst. Niet dat er veel is. Er is niets, alleen Roemer. Het kan misschien wel saai worden, maar het voelt niet slecht. En ik weet nu zeker. Er is geen hierna. Hierna is er niets. Dit is het dan. Dood. Een gesloten boek is uit.
Hij zat weer uit het raam te staren. Het was bijna vijf uur. Buiten begon het te schemeren. Weldra zou hij zijn pc uitzetten, de lichten doven en zijn bureau afsluiten. Vervolgens zou hij de sleutel in de grijze kast hangen die zich in de mess bevond, via de trap naar de benedenverdieping afdalen en uitprikken aan de klok onder de trap. Met een slentergangetje zou hij dan het grindpad volgen tot aan de fietsenstalling waar zijn oude grijze herenfiets aan de ketting lag.
Hij woonde nu bijna twee jaar in een klein negentiende-eeuws arbeidershuisje aan de rand van de stad, midden in de migrantenbuurt. Zolang het weer het toeliet leefden de mensen er op straat. Hij was het al gewoon dat de kinderen hem naliepen en vroegen naar euro's. Hij had zijn lachje klaar, een droge grijns, en schudde met het hoofd terwijl hij met zijn hand een afwijzend gebaar maakte. Verder negeerde hij de schelle kinderstemmen. Wanneer hij de deur achter zich dichttrok en het straatlawaai buitensloot, hoorde hij zijn huis roepen om onderhoud. De zakken stuc en potten verf, het plamuurmes, de pleisterspaan, borstels en de trapladder stonden klaar. Het was nooit voor vandaag, altijd voor de dag van morgen. Vandaag was nooit een goede dag, altijd morgen.
Elke avond maakte hij eten klaar, zo was hij het gewoon. Na het eten kroop hij voor de tv en probeerde hij de roes die altijd een belofte inhield maar nooit een uitweg bood.
Om de twee weken nam hij op vrijdagavond de trein naar huis, het ouderlijke huis, zijn tas vol was, zijn hoofd vol kleine dingen - dingen van weinig belang, dingen uit zijn jeugd. Hij beelde zich in dat thuis de tijd stil bleef staan, zomer zestien, een heerlijke zomer. De tijd was thuis nooit stil blijven staan. Zijn sporen waren duidelijk zichtbaar op het gezicht van zijn moeder, in de gebogen houding van zijn vader. De tijd liet zich voelen, in de sfeer die er hing, een sfeer die er geen twijfel over liet bestaan dat hij geen kind meer was en kon zijn. Hij was een man in de tijd, er was geen weg terug. Deuren gingen langzaam dicht en wat zich daarachter bevond verdween in de afgrond, werd herinnering. Zijn ouders hadden niet het eeuwige leven. Er zou een tijd komen, en die tijd kwam snel, steeds sneller, dat hij zijn tweewekelijkse trips niet meer kon maken.
Hij had een vriendin die hem niet gaf wat hij van liefde verwachtte. Toch bleef ze zijn vriendin, al jaren, want hij durfde geen ander meisje benaderen als het vlees schreeuwde en de gedachte aan haar beloftes inhield die zij nooit kon waarmaken. Zij ontmoetten elkaar in hoop en verlieten elkaar in desillusie, telkens weer. Vaak had hij geprobeerd er een eind aan te maken, maar in het licht van de lust scheen wat verstandig en bezonnen was altijd veel te voorbarig.
Toen hij nog kind was vluchtte hij voor kleine zorgen in strips. Later vluchtte hij voor grotere zorgen in boeken. Vluchten lukte niet meer. Hij las veel boeken, dikke boeken, verstandige boeken. Ze gaven hem geen rust, geen zorgeloze wereld.
Hij liep al lang met het idee ooit zelf een boek te schrijven, een boek om in te vluchten. Daarin zou hij een wereld creëren waarin alles was zoals hij het wou, voor altijd. Dat boek zou hij de titel 'Vlucht met mij' geven. Hij zou het boek in de rekken van elke bibliotheek van de stad zetten en dan zou hij...
Klokslag vijf. Hij zette zijn pc uit, doofde de lichten en sloot zijn bureau af. Hij hing de sleutel in de grijze kast die zich in de mess bevond en daalde de trap af naar de benedenverdieping. Daar prikte hij uit aan de klok onder de trap en volgde het grindpad tot aan de fietsenstalling waar zijn oude grijze fiets aan de ketting lag. Hij sprong op zijn fiets en reed de schemerige avond in.
Hebben de jonge leeuwen uw ivoren huid al verslonden? Plukken de muskieten al dromerig aan uw vezels? Is uw droom thans verscheurd zoals mijn leven dat is? Verkeert uw, neen ons, vorige leven nog in uw overpeinzingen? Kunt gij mijn naam nog heugen!?
Vanwaar zulks een haastig vertrek, mon cherie? Gaf u dan niet om mij? Ik híeld immers van u en daar doet de ridicule diagnose van Doctor Feldschauer geen gram aan af! Wat weet die duivelsche charlatan met zijn ongemakkelijke canapé, smakeloze wandkleed en lachwekkende bolknak nu van echte liefde! Neen, Herr Doctor Feldschauer is een dragonder van het vileinste water. Een incapabel sujet dat kostbare zuurstof verspilt met zijn wartaal en zijn verschijning niet waardig is. Maar het hindert niet. Mijn neus bloedt en zal blijven bloeden, tot men vergeet wat de aanleiding was voor deze poppenkasterij. En dan, mijn liefste, dan trek ik het venster achter mij toe en haast ik mij naar het toestel dat mij ongemerkt aan uw zijde zal doen voegen, daar aan de andere kant van de aardbol.
Ik heb beslag weten te leggen op de wonderlijke nieuwe machine van Oom Harold. Een zogeheten schrijfmachine, met alle karakters op olijke ivoren toetsen. Een piano der conversatie als het ware. Oom kreeg hem cadeau van mijnheer Soule, die aimabele Amerikaan waarvan ik eerder, zij het handgeschreven, heb verhaald in mijn brief van 18 november jongstleden. Ma lettre à vous. Gij leest mijn brieven toch wel? Ik heb hem zojuist buiten de wetenschap van Oom Harold naar de bibliotheek weten te slepen en de deuren vergrendeld middels een prudent geplaatst zitmeubel. Mijn rug protesteerde hevig, met venijnige steeken langs mijn verzwakte ruggenstreng. Maar zoals gij weet hecht ik aan privacy als menschenvlees aan warm leer. Het is waarlijk een wondere machine, en al behoeft de werking ervan geen uitleg, dit is mijn derde en laatste poging. Bij de voorlaatste versies heb ik wellicht wat al te begeesterd op de toetsen gehamerd, waardoor er gaten in mijn zinnen vielen. En een zin zonder zijn verband is als een wijze zonder zijn tong. Als een wijn zonder zijn vat. Als een whiskey zonder zijn gloed. Inderdaad. Ik ben opnieuw bezweken. Maar is dat werkelijk zoo een verwonderlijk feit? Het onderscheidt mij immers van de doden, al voel ik nochtans niets meer van de levenden.
Er glijden schaduwen onder de deuren. Ze schitteren en golven en likken aan het vloerkleed in het schijnsel van de kaars waarvan ik mij bedien. Oom Harold veronderstelt vast dat hij aan mijn opmerkzaamheid kan ontgaan, doch ik zie hem wel!
Nadat gij zich zo ruw onttrok aan mijn bestaan om op spoken te jagen in een vreemd landschap en gij u afwendde van het huis waarin wij lief en leed deelden (doch voornamelijk lief, n'est-ce pas? N'est-ce pas??) heb ik getracht aan mijn miserabele lot te ontsnappen. Amper twaalf passen van waar ik nu over de machine gebogen zit, achter de grootste boekenkast in de bibliotheek en uit het zicht van Oom, wilde ik mijn zielerust omhelzen. Die verdraaide Oom Harold had het echter voorzien en heeft het touw buiten mijn weten behandeld met een zakmes. Bij mijn val brak ik mijn arm en sleutelbeen en verloor twee voortanden (waarvan één zich op mysterieuze wijze in mijn voorhoofd heeft genesteld) en ik werd gedurende zes maanden verbannen naar een rustoord in Zwitserland. Maar 'rustoord' faalt als omschrijving. 'Rustoord' behelst niet de frustratie, de zinloosheid en het lange, lange wachten. O God, dat eeuwige wachten... Een hèl was het, een verschrikking! Zij hebben er een deel van mijzelf ontnomen, mijn perceptie ontwricht, mijn levenslust ondermijnd, mijn tijd ontvreemd, mijn... mijn God... Mon Dieu, pourquoi m'a tu abandoné? Vous n'avez pas confiance en moi? Maintenant ils viendront me chercher! Je vous aimerai toujours... toujours... TOUJOURS!
Och, als ge mij nu toch kon aanschouwen. Of, neen, toch liever niet. Ik ken mijzelf niet meer. De spiegel boven de schouw toont de beeltenis van een volmaakte vreemdeling, met warrig haar en een ingevallen, grauw gelaat. Ik vrees de genadeloze nachten en schuw de onafwendbaarheid der dagen. Menschenhaat huist daar waar jouw liefde ooit warmte bracht. De fles is inmiddels haast ledig, gelijk mijn wilskracht. O, wat rest mij nog? Oom Harold en het hoofd der huishouding, die gluiperige Spaanse slampamper, staan al een eeuwigheid op de deuren te bonzen, onder het uiten van luide verwenschingen en de verschrikkelijkste represailles. Verhitte adem tovert woeste blosjes op het enge venstertje. Ik heb zin om er een gebroken hart in te trekken.
De versperring heeft het nu haast begeven - Vous ne m'attraperont jamais! - en het geschreeuw wordt inmiddels begeleid met het ritmisch gebonk van een improvisorische stormram. Spoedig zullen zij zich toegang verschaffen tot deze ruimte. Spoedig zal ik uitkijken over de Zwitserse heuvels. La vie sera de mon côté une fois de plus! En mijn neus zal wederom bloeden, gelijk mijn verkilde hart. Maar deze brief kent slechts één enkele geaddresseerde, er staat mij één ding te doen en daarmee moet ik haast maken. O, bittere Ironie, zie hoe ik mij tegoed doe aan mijn eigen misère - à ma propre misère! - verpakt in drooge vezels, weggespoeld met een laatste slok wanhoop.
Vergeef me mijn verwarde ziel, mijn liefste, en hef samen met mij het glas op onze spoedige hereeniging.
...van die types die van 100 meter nationaal herkenbaar zijn. Hij heeft een plastic glimlach en zegt "Howda ya doing". Zijn honkbalpetje staat achterstevoren op zijn hoofd. Of basketballpetje. Hij draagt een beugel want met witte tanden kom je verder later. Op zijn oversized t-shirt staat zijn politieke voorkeur, Beavis & Butthead. Voor al zijn uiteenlopende emoties heeft hij slechts één expressie; "Oh my God". Hij kan zich geen nationaal sportevenement voorstellen zonder volkslied, overvliegende straaljagers en grotesk militair machtsvertoon. In het buitenland ziet hij Spiderman in de bioscoop en drinkt Starbucks koffie. Ook is hij in het Hard Rock Café geweest en alles dat hij mee naar huis brengt voor zijn minderjarige broer is een Six Flags t-hirt. In het steakhouse vraagt de bediening beleefd of het hem gesmaakt heeft, "Yeah, it was just like home!"