Prozac
Dit zijn de tijden dat ik leef. Dit zijn de tijden dat ik echt leef. De pieken en de dalen. Het touw om m’n nek, de uitgekotste overdosis Ibuprofen, maar ook de woeste verkrachting en opwindende pyromanie. Sinds vele maanden slik ik mijn dagelijkse hoeveelheid Prozac dubbel. Na zes weken ben ik dan door mijn voorraad heen en rest mij een even zo lange periode zonder. Dit zijn de tijden dat ik echt leef.
Het is fris, er staat een redelijke bries en het motregent. M’n handen diep in de zakken van m’n lederen jas begraven en de kraag recht overeind. Ik loop gebogen om zo de sigaret tussen m’n lippen zo lang mogelijk brandend te houden. Lantaarnpalen lichten mijn glimmende pad geel. Aan en af neurie en zing ik in m’n hoofd fragmenten van de muziek van Nick Cave. Doelloos dool ik door de straten en steek ik verloren pleinen over. Alleen. Alleen in de grote stad. Minachtend werp ik een blik door het raam van een arabische-horecagelegenheid waar buiten de jengelmuziek nog hoorbaar is en binnen de allochtonen thee drinken en minachtend maar geil naar de blondine achter de bak kijken. ‘Klootzakken’ . Ik steek een straat over en door haast in paniek de rem vol in te trappen voorkomt een automobilist nog net een aanrijding. Mijn zintuigen hebben deze gebeurtenis genoteerd doch aandacht besteed ik hier niet aan. Nick Cave zingt in mijn hoofd. ‘All beauty must die’, ‘All beauty must die’. Als een ouderwetse platenspeler welke steeds overslaat. ‘All beauty must die’, ‘All beauty must die’, ‘All beauty must die’. Een harde ijzige windvlaag streelt m’n gezicht. Ik loop langs een bushokje waar duidelijk verlicht een poster hangt van twee aantrekkelijke circa twintig jaar oude meiden met een te grote en te witte glimlach. Politiek correct één blank en één gekleurd. Ik werp er een norse blik op. ‘All beauty must die’, ‘All beauty must die’. Ik nader een groot en druk kruispunt. Van de overkant komt er een meisje aangelopen. Een typisch grotestadsmeisje. Kordate snelle pas, gesloten blik op haar gezicht en een ontraceerbare mengelmoes van zeker zes mensenrassen. De twintig net voorbij is ze een aantrekkelijke verschijning. Lichtbruine huid, mooi gezicht en donkerbruin kort haar. Zonder twijfel de mastrubatiedroom van vele tienerjongens. Ze wil rechts langs me heen lopen. Lomp haal ik met volle kracht uit. M’n vuist raakt het poppetje op haar neus en bovenkaak. Ze ligt voor me op het natte asfalt. Na een kort moment compleet van stomheid geslagen te zijn maakt ze, al haar vier ledematen gebruikend, een achterwaartse beweging. Bloed stroomt hard van haar gezicht en kleurt de witte zebrastrepen rood alvorens weggespoeld te worden door de regen. Ik, haar beul, nader haar. ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’. In een korte doch doeltreffende beweging steek ik mijn arm door de wirwar van haar krioelende armen en benen en grijp haar bij haar jas. Ik trek haar overeind. ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ Nick Cave zingt luider en luider. Ze krijste en schreeuwt, maar niets weerhoudt mij nu nog. ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’. De weinige omstanders kijken verbaasd en geschrokken toe. Een enkele automobilist rijdt niet verder, doch geen durft mij, de beul van deze schoonheid, te benaderen. Ik hou haar voor mij, met een arm voor haar hals langs. Mijn spieren hard en gespannen als de staalkabels van havenkranen. Ze spartelt, ze krijst, ze schreeuwt en ze krabt. Niets weerhoudt mij nu nog. Waardig, langzaam en met grote passen loop ik het kruispunt op. Richting het midden. ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ Het noodlot nadert in de vorm van een gele stalen draak. ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ De vrouw schreeuwt paniekerig en met waarschijnlijk een smekende blik in haar ogen kijkt ze naar de bevroren omstanders en de gestopte automobilisten in hun warme comfortabele auto’s. ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ Te tram dendert met piepende remmen doch onstopbaar over de natte stalen rails. ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ Wanhopig schreeuwt en paniekerig trapt en krabt de levenslustige vrouw. De lichten van ons noodlot verblinden ons. ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ ‘Ting ting’ Het laatste wanhopig gekrijs van de vrouw. ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ ‘All beauty must die’ En toen de pijn.
Stijlwending
Tot op de dag van vandaag is zij de mooiste vrouw waarmee ik het bed deelde en dat zal voor altijd zo blijven. Niet omdat mijn jaren gaan tellen, u kent mijn krachten niet, maar meer om haar ongrijpbare schoonheid.
Zij heette Marissa Karapiperis en zoals haar naam reeds doet vermoeden, kwam ik deze Griekse dame tegen op Kreta tijdens een warme zomer.
De wereld ging even heel snel toen ik haar ontmoette. Toen ik haar zag, schoot Donar zijn bliksem door mij heen. Toen ik ter kennismaking haar hand voelde, doorzeefde Cupido mij met zijn giftige punten.
Een minuut later wist ik het zeker; Marissa stamde direct af van de goden. Marissa was uit de categorie volledig en voor altijd onbereikbaar. Nog een minuut later nam ik mijn besluit; Marissa zou van mij geen poging ondervinden haar voor mij te winnen. Dat was onbegonnen werk. Marissa moest een vriend hebben, dat kon niet anders en als dan niet, dan toch nog bestond de rij wachtenden uit een driecijferig getal.
Ik besloot haar eindeloos lang aan te staren. Nog voordat de strijd was begonnen had ik de strijd reeds opgegeven. Marissa, kijk naar me en lach, dat is alles dat ik wil. Ach nee, laat ook maar, naar jou kijken is voldoende.
Marissa, in tegenstelling tot veel van haar besnorde en zwaar behaarde landgenotes, was gezegend met gladde armen. Marissa hield van de sportschool en haar lichaam leek nog het meest op dat van Venus haarzelve. Een koperen gloed bescheen haar van top tot teen want naaktzonnen deed zij het liefst.
Lange zwarte gekrulde haren tot aan haar billen. Twee grote bijna zwarte ogen met de wenkbrauwen van Brooke Shields. Een fijn neusje met volle lippen. Gladde witte tanden en een volle lach. Marissa had het allemaal. Lange vingers met sterke nagels die accent aan een wilde nacht kunnen geven. Met haar een meter zeventig leek ze overladen met een bijna dubbele D. Een taille om te zoenen, een naveltje zo lief om van te huilen. Twee billen met kuiltjes van het sporten. Marissa had het allemaal.
Als ze over straat liep, vielen gesprekken stil. Haar strakke spijkerbroek was haar redding waar een kort rokje voor ongelukken had gezorgd. Haar benen waren relatief lang en zij combineerde stoere tred met een uitzonderlijk sierlijke vrouwelijke stijl. Haar loopje maakte gek. Vrouwen wilden haar de ogen uitkrabben, mannen hingen aan haar lippen. Marissa had het allemaal.
Marissa werkte achter de tap in een bar en waar Marissa was, was het onnoemelijk druk. Tot de dag dat zij door een ruit liep en haar hele linkerarm in een mitella verdween.
Het appartement van Marissa was door God zelf uitgezocht tegenover mijn appartement en zo gebeurde het dat wij in haar vrije uren over het strand liepen, dat wij praatten en dat wij 's avonds Uzo dronken. Veel Uzo.
Nog steeds was zij onbereikbaar en nog steeds was mijn hoogst haalbare naar haar kijken. Dacht ik.
Toen zei ze dat ze na de vakantie naar Nederland zou komen en eenmaal in Nederland zou ze bij mij langskomen. Ik knikte van 'ja' en dacht daar niet te veel bij.
Zij kwam naar Nederland. En ze belde mij op en ze vroeg wanneer ze langs kon komen en ik zei "schikt vanavond nog?". Ik was buiten zinnen want zij kwam vanavond nog.
Op het station kustten wij voor het eerst een warme groet. Op het terras daar ergens in het Zuiden van het Land vlogen de nazomerse Wieckse Witten erin. Ik stelde haar de vraag, 'Why me? Why not the 999 others?'. Zij keek mij verbaasd aan en antwoordde dat die andere 999 alleen maar wilden neuken en dat ik de enige was geweest die een briefje onder haar deur had gestopt en gevraagd had hoe het met haar ging met haar arm in de mitella.
Voor mij klonk het plausibel, zij had geen keuze.
Haar verschijnen, later in de kroeg waar ik meestal deed verpozen, zorgde voor veel uitgestoken handen bij wijze van felicitaties in mijn richting. Ik ontmoette veel schouderkloppen, lovende woorden over mijn geslaagde jacht en bladen bier vielen mij ten deel. Haar aanwezigheid werd beloond met een een kring van aandacht, veel vragen en hongerige ogen. Marissa was het gewend. Marissa had het allemaal.
De avond gaat in een flits en ik douche eerst. Als Marissa uit de douche komt, lig ik in bed en zie haar Griekse goddelijk gebronsde heerlijkheid bij kaarslicht de kamer binnenschreien. Zij kruipt bij mij onder het laken.
Eens leek zij volledig en voor altijd onbereikbaar. Nu biedt zij mij haar naakte schoonheid aan. Zij ligt naast mij, zomaar voor het grijpen.
Zij pakt mij vast en begint met sex voordat ik wat kan zeggen. Haar kussen zijn onpersoonlijk, zij heeft een te harde hand, haar goedbedoelde massage maakt ze niet af, op mij zitten lijkt geinspireerd op een botte pornofilm, vanachteren kreunt ze gemaakt, zoveel mogelijk standjes in zo min mogelijk tijd schiet mijn loom & liefdevol paren voorbij. Na 20 minuten gevoelloze en onbedaarlijke acrobatiek wil zij slapen. Ze doet een shirt aan in plaats van tegen mij aan te liggen en keert haar rug naar mij toe.
Haar vraag waar ze morgen heroine kan kopen, laat mij voor enige tijd in shock met open ogen naar het plafond staren. "Nou, niet om te spuiten hoor, maar gewoon om te roken". Ik ben perplex.
Rob
Rob was anders, dat zag je zo. Hij was een reus. 62 meter en 33 centimeter. Maar niemand was bang voor hem. Rob was een vriendelijke reus. Met hele grote voeten en een hele grote lul. Daar haalde hij regelmatig een klein geintje mee uit. Thuis dipte hij zijn vlezige lans in een ketel stollende chocolade. Daarna tekende hij er een gezichtje op; met spuug plakte hij wat schaamdons op de eikelhoed en hij wikkelde er een burgermanskostuumpje omheen. Fotootje, tekstje en een contactadvertentie in het plaatselijke juffertje was geboren:
Verlegen negroïde man, normaal postuur, sportief, zoekt contact met gezellige struisse meid. Overmatige beharing geen bezwaar. Hij genoot van de reacties.
Van Rob kon je dus niet met droge ogen beweren dat het een onvriendelijke reus was. Sterker; het was een graag geziene gast, overal waar hij kwam.
Treurig hoe een vriendelijke goedzak als Rob de Reus dan ook kon veranderen in een gemeen Kolos die de mensheid slechts schade wil berokkenen. Een badkuipje clandestiene stook ging daar dan wel aan vooraf.
Als Rob 'm namelijk flink geraakt had; ontwaakte razende woesternij in die enorme reuzenschedel. 3000 paarden konden hem dan niet meer houden. Met zijn vuisten sloeg Rob scheuren in het asfalt; hij velde hoge bomen in een ademtocht en regelmatig kneep hij de runderen in de weides tot pulp. Meer dan af en toe smeet hij een kudde geiten aan gruzelementen tegen Alpenbergwanden. Elke woedebui eindigde wel met een hondertal walvissen in een baan rond de aarde. U denkt des ochtends dat u met uw lease-bak door flarden mist uw weg richting baas baant? Hahaha, welneen. Dat zijn de briezende tochten uit de neus van Rob de Reus. Het regent weer zegt u? Astemblief, Rob zweet nog van het jongleren met kometen.
Rob de Reus, bijvoorbeeld, sloeg meerdere malen per jaar zo hard op de kleibodem dat er ergens in een derde wereldland wel een plaat verschoof. Rob kwam regelmatig krijsend klaar en werd stante pede tot witte kerst verheven. U ziet wel eens witte strepen in de blauwe hemel boven u? Dat is Rob. Eb? Vloed? Rob zeikt in zee. Flinke vorst? Rob trekt zijn koelkast open. Stroomstoring ergens op aarde? Rob legt zijn gsm achter de lader.
Nee. Eigenlijk is die hele Rob een grote lul. Maar wie wil 'm dat vertellen?
schreef bicat om 03:20 AM [link]
Wednesday, October 1, 2003
Dikke Jongen 10 - "De blauwe fiets"
Het einde van de feestavond, die voor Dikke Jongen zo dramatisch eindigde met de diefstal van de fonkelende knalrode mountainbike van zijn Grote Broer, werd niet bepaald lichtzinnig opgevat zijn Grote Broer.
De "kankerdekanker's" en "godverdegodver's" en "dat ziet verdomme een blinde nog aankomen" of het psychisch veel pijnlijker "kun je nou helemaal NIETS?", waren niet van de lucht. Ten overstaan van een groot en dronken en leedvermaak apprecierend publiek werd Dikke Jongen door zijn broer volledig, professioneel en met passie met de grond gelijk gemaakt. Applaus viel Grote Broer ten deel, hij weigerde echter een toegift.
Die kwam later, spontaan door Dikke Jongen zelf gegeven.
Niets weerhield Dikke Jongen er nog van goed gekapt de zomer in te fietsen op zijn eigen blauwe mountainbike. Met een beetje groot vallend shirt zag je zijn dikke buik nog steeds niet en met zijn tweewekelijks kappersbezoek en elke ochtend een uitgebreide sessie voor de spiegel was Dikke Jongen nog altijd een opmerkelijke verschijning voor veel vrouwenogen.
Daar komt het rode stoplicht op het drukke kruispunt in de stad al dichterbij en Dikke Jongen suist in zwierige stijl zijn onheil tegemoet.
Als een geoefend, maar toch imaginair, sportman overziet Dikke Jongen het kruispunt, noteert het rode stopteken en geeft vliegensvlug van zijn coordinerende centrum naar zijn uitvoerende centrum een signaal. Zijn linker wijsvinger en linker middelvinger knijpen geroutineerd in de remhandle, waar overigens slechts plaats is voor alleen deze twee vingers.
"Heeee, dit is dus wel een SPORTmountainbike", vertelt Dikke Jongen regelmatig ongevraagd luid en duidelijk aan iedereen die dat horen wil en niet horen wil, "en daar horen toevallig wel lichtmetalen kleine sportremhandles bij, met slechts plaats voor linker wijsvinger en linker middelvinger".
Dikke Jongen stopt zijn blauwe mountainbike net voor het zebrapad en het hele kruispunt staakt de ademhaling. "Wat gaat Dikke Jongen doen?", besterft het op ieders lippen en gelukkig laat Dikke Jongen zijn publiek nooit lang in spanning zitten.
Dikke Jongen besluit 'surplace' voor het zebrapad te blijven staan. Een gewaagde manouvre die je veel ziet bij kortebaan wielerraces waarbij de tegenstander wordt uitgedaagd door op de fiets stil te blijven staan, voeten op de pedalen, wachtend op wie als eerste de sprintrace zal afmaken. Een waarlijk stukje evenwichtskunstenarij.
De meegetorste massa van het lichaam van Dikke Jongen zorgt er echter voor dat de manouvre niet vlekkeloos verloopt en zo komt het geheel van mens en machine in een onbalans terecht. Dikke Jongen draait zijn stuur, zet zwaar aan op zijn rechterpedaal en wil met een krachtige sprong met fiets en al op het trottoir springen.
Zijn voet schiet van het pedaal, de fiets hangt scheef in de lucht en Dikke Jongen suist met zijn scrotum richting remblokken die niet beschermd door een spatbord de zwarte band met de vele noppen omklemmen in de stalen V-hoek waar tevens de zadelstang zich bevindt.
Door de kracht die het lompe lichaam van Dikke Jongen de fiets heeft gegeven, beweegt het achterwiel nog immer vervaarlijk rond de as en de hoge rubberen noppen schieten als bollingen van een kaasrasp voorbij het remsysteem.
Met een doffe klap verdwijnt eerst de spijkerbroek in het donkere gat waar remklauw, noppenband en zadelstang bij elkaar komen. Daarna wordt het hele draaiende mechanisme geblokkeerd door de eivormige testikels van Dikke Jongen die te groot zijn om doorgedraaid te worden.
Al zou Dikke Jongen het openbare leven op het bewuste kruispunt deze middag stil willen leggen door alles en iedereen bij elkaar te brullen van de pijnscheuten, het zou hem nog niet lukken.
Door de plotselinge stagnatie van het achterwiel, schrijft de natuurkundige wet voor, zal de zich nog steeds voortbewegende massa een andere uitweg zoeken. Energie gaat immers nooit verloren en daarom boort de grote pens van Dikke Jongens zich in het zadel.
Met een diepe zucht wordt alle lucht uit de longen van Dikke Jongen geperst en schiet het zadel langs de maag bij de lever naar binnen. Zijn kinnebakkes mist op een haar na de pin van de voorwork en het domme, edoch goedgekapte hoofd, klapt dubbel richting borstkas.
Niet bij machte zich uit de verwrongen staalmassa's te wurmen stort Dikke Jongen, na deze vertikale actie nu ook horizontaal ter aarde. Het achterwiel ligt dubbel, het zadel is plat, de remklauw ontwricht, de zadelpen gebroken, een gescheurde spijkerbroek en een enkele spaak hier en daar uit het voorwiel.
Het licht op het kruispunt in de stad wordt groen en de dagelijkse gang der dingen neemt een vervolg.
schreef Kiers om 12:03 PM [link]
ja, sorry hoor
Er schoot in Mary Servaes' schoot een scheut zaad
oh, excuus dat was een vergissing het goedje moest haar mond in
schreef bicat om 02:26 AM [link]
Motivatie
“Aaah, nee hè? Waarom doe je dat nou?” vraagt ze licht geïrriteerd. Ik weet dat zij er een hekel aan heeft, maar ík doe het graag. “Omdat ik eerstdaags zal sterven” antwoord ik naar eer en geweten.
De dood is niets. Wij mensen hebben de dood uitgevonden. Overal moeten we een naam voor hebben en een verklaring. Oorzaak en gevolg, van A naar B, hij leeft niet meer dus hij is dood.
Ik stel me de dood voor als de eeuwige droomloze slaap. Geen bewustzijn, gedachten of herinneringen. Helemaal niets. Als ik me dat probeer voor te stellen, vooral ’s nacht als het piekeren erg goed gaat, grijpt de gedachte me bij de strot. Een zeer plotseling opkomend gevoel van onthutsende onzekerheid. Ooit zal ik sterven.
Daarmee kom je vanzelf bij de vraag wat je hier doet en waarom je hier bent. Je wordt je bewust van je onbeduidende aanwezigheid in het heelal. Dat heelal dat ook al zo onbegrijpelijk is. Eerst was er niets en dan: KABOEM, tadaa, het heelal. En dat niets, wat is dat dan eigenlijk? Het is in ieder geval goed voor een paar uur slapeloos gepieker.
Jarenlang heb ik vele uren gepiekerd. Proberen te begrijpen waar het nou eigenlijk om gaat. Het zoeken naar de antwoorden. Maar geen wetenschap en geen religie kan mijn vragen beantwoorden. Ik vrees dat ik zal sterven zonder antwoorden. Probeer dát maar eens te accepteren.
Rest me niets dan mijn tijd uit te zitten. Ik probeer het een beetje leuk te houden voor mezelf. Soms is het daarom ook leuk voor anderen, vaak niet.
“Omdat ik eerstdaags zal sterven” is dus mijn voornaamste motivatie in dit leven.
Zuchtend staat ze op en loopt naar de badkamer. Mijn antwoord onbegrepen. Ze kent me niet. “Je weet dat ik daar een hekel aan heb” galmt het uit de badkamer. “Zo irritant, het was leuk maar jij verpest het weer voor mij” Om de kans op herhaling te vergroten verontschuldig ik me. “Sorry schat, ik denk er gewoon niet bij na, weet je. Ik zal het nooit meer doen. Kom hier, dan maak ik het goed”
Lachend springt ze naast me in bed. “Je bent niet goed wijs” besluit ze.
Volgende keer doe ik het weer.
schreef Lennard om 12:07 AM [link]
Tuesday, September 30, 2003
Kleingeld
We lagen wat te wriemelen en met m'n wijsvinger met korte nagel masseerde ik haar strakgespannen roosje. Steels knabbelde ik op haar kleine roze speentjes die spoedig verstijfden. Met haar tong knipte ze mijn amandeltjes. Mijn tong gleed langs de contouren van haar oorschelpje. Onderwijl schampte ik langs de hoofdpoort die al glinsterde van overgave.
Ik zweeg maar maakte geen geheim van mijn wensen. De nacht zuchtte onder het juk der verwachtingen.
Het ging nogal stroef. Het duurde wel een minuut of 2 voordat Japie over de drempel was. Ik dacht even dat mijn toompje kapot zou scheuren; 1 maal eerder had ik een pijnlijker zwaard, en dat was toen ik te gehaast een rits omhoog trok. Vanaf dat moment kon ik een verkrachterscarrière wel op mijn buik schrijven. Ruim 16 jaar na dato zit er nog een blauw bewijsje op mijn duitse helm.
Ik had wel vaker de lusten der analiteiten beleefd, maar die avond ging het gewoon wat stroef. Mijn god, hoe lang kende ik haar eigenlijk. 30 minuten?
Maar als de kinderen eenmaal binnen spelen kun je met klunen en schuiven heel wat teweeg brengen. Omdat het voorzichtig moet, ben je meer met de techniek bezig. Je neukt. De essentie van het pure neukwerk dringt tot je door. Èn... niet onbelangrijk... je hebt 2 handen vrij om haar op haar gemak te stellen.
Omdat ze er veelbelovend voor ging zitten, besloot ik met mijn rechterduim haar pareltje te stimuleren. Kent u die westerns waar een trein in langzame cadans de snelheid opvoert? Keurig. Houdt dit beeld vast.
Alras bereed ze me als waande ze zich op Duindigt. Ik voelde mijn eed'le kastanje schroeien als een dolle. Ondertussen vloog het dak eraf. Trillend en (toch ook wel een beetje) kermend arriveerde ze. Een genotstraantje spatte uiteen op mijn borst.
Op naar het tweede bedrijf. Ik besloot haar zo vloeiend mogelijk op haar rug te leggen. Nee. Schuin op d'r linkerzij. Zo had ik vrij zicht en vrij spel. Mijn zwaartepunt schroeide nog steeds en ik rook de lucht van rauwe sex.
Enfin, 5 minuten later spoot ik voldaan en afgepeigerd mijn kwaliteitsyoghurt in haar darmkanaaltje.
Zwijgend raapte ze het hoopje kleren op en verdween richting douche. Toen ik wakker werd miste ik wat kleingeld en een pakje sigaretten. En op het behang had ze met dunne stront haar NAW-gegevens geschreven.
schreef bicat om 01:14 AM [link]
Monday, September 29, 2003
Herenkasteel
Het is bepaald vreemd dat het adres in bijna alle databases ontbreekt. Voor de positivisten vanwege privacy, voor de rest om de mogelijkheden open te houden dit soort praktijken weg te moffelen buiten de marges van de democratie.
Zelfs in de buurt van het gebouw weet niemand ervan. Het vierkante pand ziet er best indrukwekkend iit, maar wel onder een roes van onbeduidendheid. Typisch zo'n stadsgebouw waarvan niemand zich afvraagt wat zich daar afspeelt. En dat is dan ook precies de bedoeling. In dit deel van de stad, achter de centrum-façade die de plaatselijke VVV-folders ziet, wekt het vooral de indruk de achterkant te zijn van een noodzakelijk maar doodsaai verpozen.
Het inpandige terras aan het penthouse zorgt voor de associatie met een kasteel, zoals die nogal eens gemaakt wordt, het rasterwerk wat eroverheen is gespannen lijkt te duiden op een volière. Uiteindelijk was alleen de op de ijzeren deur gerichte camera opmerkelijk te noemen. De deur die verrassend geluidloos openzwaaide nadat mijn begeleider een code in had getikt op het morsige paneeltje links.
Binnen stond een zorgelijke maar vriendelijk glimlachende man: "Goedemorgen, ik ben Gielhart Draeckenhooft, leider van het project, komt u verder."
Binnen was alles wit, licht en schoon, voorzien van alle clichés die je met een plek als dit verbindt. Tot en met het geharde glas, zacht-plastic ondergronden en brandende lampjes die lijken te duiden op afgesloten ruimte die ja dan wel te nee 'veilig' zijn. Gielhart, "Zeg maar Giel hoor, dat doet iedereen," leidde me naar een klein kaal hokje met een tafel. Omdat we allebei vast wel wat vragen hadden, dacht Giel.
De Bijzonder Lang Onbehandelbare Groep, B.L.O.G. in de wandelgangen, is een afdeling die geldt als een laatste verblijfplaats voor de allerergste gevallen. Voornamelijk mannen, die nog gewoon kunnen eten en slapen en de meeste lopen ook nog en hebben redelijk controle over hun motoriek. "Helaas voor de maatschappij", mompelt Giel, "zitten ze aan geen enkel apparaat vast wat je uit kunt zetten." In principe verblijven ze er tot ze een relatief natuurlijke dood sterven. De meesten hebben geen familie- of vriendschapsbanden, of hebben ze zelf verbroken, in meer of minder rigoureuze mate.
Een rondleiding zou waarschijnlijk het meest illustratief zijn. Al snel beginnen bekende namen te klinken. Gielhart Draeckenhooft ging me vermoeid sloffend voor in de lange gangen. De draadglasramen in de reeds vele malen geverfde kozijnen waren zonder uitzondering aan de binnenkant voorzien van gelige nicotine- en teervlekken, vreemde klodderachtige vegen en handafdrukken. "Dit zijn de gemeenschappelijke ruimten, maar deze specifieke groep van 6 man zit alleen achterin. Eerst komen de nachtverblijven."
"Dit is de kamer van Bernard Ischmael Katendrecht, zo'n beetje de aanvoerder van het stel. Dat het geheel onder zijn vaandel op hun eigen treurige manier toch nog een beetje in beweging is, is de enige reden dat hij nog op dit aardse rondloopt. Niet dat-ie het niet geprobeerd heeft hoor. Sindsdien zijn zelfs de vorken van zacht plastic. Treurig type, maar ja dat zijn ze allemaal. Er schijnt om te beginnen bij de geboorte iets helemaal verkeerd te zijn gegaan met de hersenhelften. Werken volstrekt los van elkaar. Maar, tot in ernstige mate. Volstrekte detachatie noemen we dat. Hij voert zelden het hoogste woord, maar als-ie wat zegt kun je er donder op zeggen dat niemand, buiten het groepje om, er chocola van kan maken." De anonieme cel met zachte wanden en meubilair blijkt nauwelijks af te wijken van degenen die volgen.
"Hier verblijft Jacques Quiers," knikt Giel, "de zelfbenoemde vazal van Bernard, een bijzonder geval. Ontzettend verliefd op de leider, maar nog steeds overtuigd van zijn heteroseksualiteit. Niet dat dat er nog veel toe doet. In een bui van innerlijke liefdesrazernij, omdat hij zijn eigen obsessie voor anale sex verafschuwde, heeft hij in een reguliere inrichting met een schroef die ergens uit zijn bed stak zijn volledige, eh, geslacht verwijderd. Gillend van de pijn hebben ze hem uit een plas bloed, braaksel en dunne poep gehaald, terwijl hij, naar het zich liet aanzien, zijn zwaar verminkte geslachtsdeel fijn te kauwen."
"Het is een verbazende verzameling, maar de meneer van deze kamer springt er iedere keer weer bovenuit. Marmessos Niksos, van origine Grieks, zat in Wageningen op een hogeschool voor natuurwetenschappen en was, net als zovelen daar, veganist. Ergens is er iets fout gegaan met een soort van mannelijke variant van boulimie. Komt op zich niet zoveel voor, maar je helemaal volproppen met boekweit, linzen en soja blijkt psychisch enorme gevolgen te kunnen hebben. Hélémáál doorgedraaid met eten die man. Het enige wat ik nog van hem hoor zijn gerechten en omschrijvingen. Zelden zonder de meest exotische vleessoorten. Doet verder geen vlieg kwaad hoor. Sinds hij zijn hele familie- en vriendenkring heeft geprobeerd op te bakken heeft-ie dan ook niet zo heel veel mensen over om kwaad te doen."
"Deze cel is van een ander bijzonder exemplaar. Altijd een erectie, altijd. Speelt er ook de hele dag mee. Komt van origine uit Friesland, maar weet zijn eigen naam niet eens. Alle grappen over zijn 'polsstok' zijn al gemaakt, dus denk nou maar niet dat je daar het ijs mee kan breken. Hij kan hartstikke leuk uit de hoek komen, maar meestal blijft hij er in staan. Met z'n hoofd naar de muur. En maar trekken hè." Binnen in de cel liggen overal propjes tissue en in de katoenen wandbekleding zaten overal vlekken, ongeveer op dezelfde hoogte.
De cel ernaast leek een donderslag in de heldere omgeving. Felgekleurde grote vlekken door de hele cel, slingers van onduidelijke samenstelling "verschillende groenten, gedroogde uitwerpselen en kleine stukjes papier" volgens Giel. "Deze meneer is alleen maar aan het verkleden, de hele dag door. Hij heeft een tijdje in een circus gezeten waar hij trucjes met zijn piemel deed, mensen mochten dartpijltjes naar hem gooien die hij in zijn mond ving en als klap op de vuurpijl, mochten mensen tegen betaling met een moker op zijn hoofd slaan. Iedereen die dat ooit gedaan heeft schijnt in zijn geheugen gegrift te staan en ze hebben hem gepakt toen hij nummer 15 met een grote klauwhamer "zijn wisselgeld HAHAHAHAHA!" aan het terugbetalen was. Zelfs hier spreken we hem alleen aan met de naam die destijds in de kranten stond, Dick T."
"Je ziet het niet aan het kamertje," wees Giel naar het kleine ronde raampje, "maar de meneer die hier is ondergebracht is iedere dag iemand anders. Ieder uur op slechte dagen. Of soms zelfs in een flits om niks. Dan weer springt-ie luid schreeuwend in het rond omdat-ie bang is dat-ie op een foto komt en dat mag niet scherp zijn. Dan weer beweert-ie dat iedereen een broer van hem is, of op zijn minst een neef in de eerste lijn. Dan speelt-ie de rol van overleden tekstschrijver, geeft opeens zijn vrouwelijke kant, waarschijnlijk zijn moeder, de hoofdrol. En als er iemand bijvoorbeeld iets over een bos zegt, dan is híj uitgerekend opeens de Boswachter met bontlaarzen. Zegt-ie."
"Het is een bijzondere verzameling zo," doorbrak ik de stilte terwijl we doorliepen naar de achterste recreatiezaal, "maar hoe zit dat nou met die website?"
"Website?" De heer Draeckenhooft leek oprecht verbaasd. "Hoe bedoelt u?" "Wel, zo ben ik hier verzeild geraakt, toch?" "O, bedoelt u dat... Nee, die bestaat eigenlijk helemaal niet hoor. Er staat een oude administratie computer in die recreatieruimte en daar mogen ze omstebeurten wat op typen. Een wereldvondst al zeg ik het zelf. Fantastisch. Ze staan er in een kring omheen. Juichend. In de handen klappen. Quiers moeten ze af en toe platspuiten omdat hij uit puur enthousiasme harde stukjes uit zijn ontlasting rond gaat gooien. En dat is natuurlijk niet prettig voor de anderen. Ze lachen zich af en toe helemaal gek. Het is het enige wat ze hebben, dus ik zou er niet aan moeten denken dat het weg zou vallen. Maar voor zover ik weet is er geen enkele verbinding met de buitenwereld. We hebben er voor gezorgd dat er geen telefoonaansluiting is in de ruimten waar de patiënten mogen komen."
Hoofschuddend kijk ik naar het groepje uitgelaten stumpers. Eén heeft er zijn haar geblondeerd ("met ochtendurine" volgens Giel) een ander heeft van tandplak een klein kroontje gemaakt wat hij met brede gebaren aan Bernard overhandigt en een ander stelt voor die bijzondere gelegenheid op te luisteren met een luchtige bouillon van geraspte berenbal. De Fries veegt zijn zoveelste druppeltje navocht van zijn eeltige eikel.
"Zullen we voordat je kennismaakt eerst even jouw verblijf bekijken? Kun je daar ook je dekens en je reserveoverall neerleggen."
Vandaar dus deze oproep: Er staat een kasteel, ergens in een stad in Nederland, en daar houden ze me gevangen!
HELP ME! Iedereen is hier gek! BEHALVE IK! Ik zal tijdens het luchten het geluid van een hondsdolle bever maken, om u allen te helpen bij uw speurtocht! HELP ME!
schreef Hoof om 12:13 AM [link]