Een zonnige zaterdagochtend. De stad snakt naar bezoekers om haar te vermaken. Toeristen. Zwervers. Bewoners en junks. Dagjesmensen en verdwaalden. Allen vullen de wegen naar het kloppende hart van de wachtende stad. Zij vullen de stad met de benauwdheid van velen als een broeierige hoop. Vocht is het, dat er op deze hete zomerdag moet vloeien. In de mens, uit de mens.
Ik slinger op mijn fiets over het al licht zinderende asfalt. De geur van teer en uitlaatgassen. Ik ben op weg naar mijn kapper, ter voorbereiding op een even verwachtingsvolle avond als de dag. Mijn kapper is gehuisvest in een kleine souterrainwinkel met altijd nieuw personeel. Vaak meisjes van de Balkan of turkse mannen. De meisjes ongeïnteresseerd, met een afwezige blik in hun ogen. De mannen gesloten en stil. Soms een kop thee, soms niet. De inrichting is nog uit de tachtiger jaren. Groen formica met veel zwart en wit in zebraprint. Het enige verschil met nieuwe kapperszaken is dat het groen vervangen is door een koelwarme mix van rood formica met geborstelde staalplaten in grillige formaties. Zwart, afgewisseld met wit, is het enige dat altijd aanwezig is bij de kapper. Net als verven en blonderen. Zwart en wit.
Ik zet mijn fiets op slot op de Rozengracht en loop het trapje af het souterrain in. Bossen wezenloos geraakt haar staren mij roerloos aan vanaf het linoleum in afwachting van de bezem. In de stoel zit een oudere man. Grijze slapen. De kapster staat met haar rug naar me toe, en houdt achter een kleine ronde vergrootspiegel op voor de klant. Deze knikt in de grote wandvullende spiegel terug, met de berusting van alles dat hem zijn hele leven al overkomt, nu ook weer is verkomen. Het is goed zo.
De man vertrekt, de kapster draait haar hoofd naar mij. "Je kan gaan zitten in die stoel bij de spoelbak", zegt ze, met een licht buitenlands accent. Ik sta nog iets te ver weg om haar gezicht goed te kunnen zien.
Veel bijzonders is het niet. Ze ruimt de kaptafel op, nog steeds met haar rug naar me toe. Ik staar wat naar het plafond. Een schilferige rozet en barsten in het stuc.
Ineens staat ze achter me. Ze slaat de handdoek om en trekt m’n hoofd zacht en voorzichtig achterover, zodat mijn nek in de uitsparing van de wasbak valt. Ik zie haar gezicht ondersteboven. Meestal weet je dan niet of iemand knap is of niet. Maar ik kijk niet naar haar gezicht. Al mijn aandacht wordt getrokken door haar formidabele borsten. Ze begint mijn hoofdhuid te masseren met shampoo en m’n oogleden worden loodzwaar. Ik sluit ze. Op mijn netvlies deinen haar borsten in het tempo van haar ritmisch masserende vingers mee.
"Hoe wil je het geknipt hebben?", vraagt ze. Ik heb m’n ogen nog steeds dicht. Ik geniet van haar aanraking en het beeld op m’n netvlies. "Lekker kort, dan heb ik het minder warm op een dag zoals vandaag. Bovenop kort, zodat ik er wat gel in kan doen; maar kan je ook kijken of je m’n inhammen een beetje gedekt kunt houden? En m’n nek graag lekker kort, beetje opgeschoren. M’n oren mogen ook vrij." "Ok", zegt ze. "En ik heb een speciaal verzoek". Ze kijkt me vragend aan. "Ik heb op m’n slaap een behoorlijke wrat zitten. Kan je met het kammen daarvoor uitkijken? Hij kan anders behoorlijk gaan bloeden."
Ze zoekt met haar handen in mijn schuimende haar naar de plek waar de wrat zit. Ze voelt hem. Kan ook niet missen; het lijkt wel of hij elke keer dat ik bij de kapper ben geweest groter wordt. Hij is inmiddels zo groot als een pepernoot.
"Daar weet ik wel raad mee", zegt ze. "Maakt u zich maar geen zorgen. Ik zal het zo knippen dat er niets te zien zal zijn."
Ze stopt met haar masserende bewegingen in m’n haar met shampoo en pakt de douchekraan. Ik open mijn ogen. Even. Want het water van de douche maakt mijn oogleden leden weer loodzwaar. De shampoo trekt zich tussen de strengen van mijn schone haar terug, Vocht is het, dat moet vloeien. In de mens, uit de mens. Vakkundig geholpen door de zachte maar resoluut werkende handen van de kapster. Haar enorme borsten zijn op m’n netvlies gebrand. De zindering van de hete stad bereikt de stoel waar ik in zit. Mijn adem wordt heel langzaam korter en hoger in m’n borstkas van de spanning; de spanning zakt van mijn borstkas naar m’n buik en verandert in warmte. Ze stopt abrupt, en droogt m’n haar af. Op haar aanwijzing neem ik plaats in de kappersstoel voor de wandvullende spiegel. Ze slaat het kapperszeil over de stoel en knoopt het achter me in mijn nek vast.
"Wilt u een kopje koffie?" vraagt ze. Maar ik drink nooit koffie. Daar word ik hyper van. "Heb je ook thee?" vraag ik. Ze geeft me een kopje heet water met een een Aldi-theezakje. Vervolgens veegt ze de haren van m’n voorganger in de put in de grond.
Het gespannen gevoel is weer weggetrokken uit mijn onderlijf. Ik neem een slok thee. Want de avond zal komen, en het is vocht, dat in de mens en uit de mens moet vloeien.
Een kleine krakende speaker. Marco Borsato zeurt op de radio. "Ik heb een masker opgezet". Meestal komt de discussie wel op gang tijdens het knippen. Zeker bij Marco Borsato; maar nu niet. Ik vraag me af wat ik tegen haar zal zeggen. Al was het maar om Marco te overstemmen. Zal ik het over het weer gaan hebben? Of over de klanten? Maar ze is me voor. Het wordt het weer. En de hitte. En wat we vanavond gaan doen. Zij gaat naar Marcanti. Had ik kunnen verwachten. Aan mijn soort uitgaansgelegenheden –doorgaans wazige bruine kroegjes en dito house tenten- heeft ze geen boodschap. Te apart en vreemd voor haar. Maar tijdens het knippen begint ze langzaam meer tegen me aan te leunen. Is het door het 'vreemde', dat ze toch spannend vindt, of is ze op haar gemak gesteld door de koetjes-en-kalfjes-discussie? Of is het gewoon vermoeidheid van het staan de hele dag?
Nog een kop thee. Het vocht vloeit snel naar binnen om haar door te kunnen laten gaan met knippen. Nu leunt ze met haar benen tegen de armsteunen en mijn bovenarm. We hebben elkaar na de thee niet zo veel meer te vertellen. Routineus knipt ze, en ik kijk in de spiegel weer naar haar prachtige bovenlijf. De hoge adem keert terug. Mijn buik wordt nu snel warmer. Door de thee, door de zweterige warmte onder het kappersschort.
Langzaamaan begint ze vaker en langer op me te leunen. Het beeld in de spiegel. Haar haarzoekende vingers en bewegende armen. Het koele staal van de schaar in m’n nek. Kippevel. Haar stevige grote borsten onder het truitje schokken ritmisch op haar armbewegingen mee in de spiegel. M’n adem wordt nog korter. Ik moet me inhouden om mijn adem stil te houden. Zij is inmiddels weer begonnen te praten over vanavond met haar vriendinnen. Als steeds verder weg door een tunnel raken haar woorden mijn oren, raken alles, strelen overal als haar handen en de schaar en de kam, knippend, bewegend, bijna rijdend, tegen mijn been.
Mijn hand glijdt onder de kappersschort onzichtbaar in m’n broek om de onvermijdbare verlossing te zoeken. Ik zie haar borsten op elke knipbeweging licht meeschokken. Ik smoor m’n heupcontracties met een lichte zucht weg in een knikbeweging met m’n hoofd tegen haar borsten. Ze trekt ze niet weg. De thee is op, en het vocht, dat ook in de mens vloeit, begint langzaam uit de mens te vloeien. Ze pakt me stevig beet. Een onderdrukte kreun. Een zachte onderdrukte krachtschreeuw van haar. Warm kloppend vocht druipt langs mijn kaak in mijn nek en onder de kappersdoek. Een stekende pijn bij m’n slaap. Ze heeft m’n wrat eraf geknipt.
Roemer is nooit trots. Een nors en ontevreden mens. Nimmer tevreden is hij, of toch? Roemer is inderdaad toch trots. Trots op zijn schoenen. Jaren heeft hij gezocht naar de lichtst denkbare nette schoenen met de dunst denkbare zolen. Je kunt er op joggen, ze wegen nauwelijks meer dan pantoffels. Je kunt er zelfs goed op denken en ze zien er keurig uit. Roemer kocht steeds vijf paar tegelijkertijd. Eerst bij G. Kiers & co in Rotterdam, "G. Kiers & co sinds 1850". Hij kwam er zelfs voor naar Nederland toen hij in de Zure Stad in het Bergland woonde. Later ontdekte hij dat de schoenen ook te koop zijn in het bollendorp, vlak bij zee, vlak bij huis. Ieder jaar koopt Roemer nu een nieuw paar van die wondersloffen, drie paar veters en een handzame tube schoensmeer met doseerdop.
De wondersloffen hebben twee nadelen: ze worden gemaakt naar het recept van Ford en ze zijn zeer gevaarlijk als het regent. Het recept van Ford is "All colours as long as it is black". Zwart is natuurlijk een prima kleur, en zeer praktisch, vooral als je bankier bent of beambte of naar een begrafenis moet, maar het liefst zou Roemer toch rode schoenen dragen. Hij heeft zich er maar bij neergelegd dat hij nooit rode schoenen zal kunnen vinden die aan zijn oudemannenwens van zo licht mogelijk schoeisel voldoen. Maar Roemer kijkt wel vaak naar voeten die met rode schoenen lopen.
Het tweede nadeel is belangrijker. Als het regent worden de zolen namelijk spekglad. Als de straat stroef is, is dat geen probleem. Als de straat vlak verloopt is het gevaar gering. Dus in de Zure Stad in het Bergland was het gevaar groot. Levensbedreigend waren de Zuurmannen die alles poetsten, polijstten, pasteuriseerden, zelfs hun straat. Als de regen Roemer onverhoeds overviel, kon hij niet verder in het golvende landschap van de Zure Stad, bang van de heuvel te glijden op zijn gladde zolen. Gelukkig vond hij vaak een tram of een bus. Er kon veel, maar op je sokken lopen in de Zure Stad op die prachtig schone straten tussen de prachtig schone Zuurmannen en Zuurvrouwen, dat durfde Roemer mooi niet.
Ooit zag Roemer een kind op blote voeten in de Zure Stad. Ja, één keer zag hij blote voeten in de Zure Stad. Eerst dacht Roemer dat het een hippie was. Later dacht hij: een zwerfster, een geestesgestoorde. Maar het was een sterke vrouw. Ze was zestien, zeventien, misschien achttien. Ze hoonde. Ze haatte. Ze haatte de gepolijste straten van de Zure Stad. Een krachtige vrouw, maar te jong om met haar voorbeeld de Zuurmensen tot inkeer te brengen. Het leek Roemer bovendien nogal koud. Met je blote voeten in de sneeuw.
Nu is Roemer terug in het Platte Land. Het regent. Hij balanceert op gladde hielen van zijn wonderschoenen. Het regent dat het giet. Grote vreugde stroomt langs hem en kleurt de straten glimmend zwart en grauw. Wat een vrolijk land. Al die leuke gekleurde lichtjes die zo mooi weerspiegelen in het grauwe natte wegdek. Roemer zoekt de weg. Hij schuifelt, want de architect is blij. Ja de architect is blij en trots. Er is hier geen straat, maar louter plavuis, plavuis over de volle breedte van de straat. Glibberig plavuis zonder kleur of smaak. Balancerend zoekt Roemer zijn weg over het gepolijste speksteen. Misplaatst en lelijk is de weg. Dus de architect is trots en blij. De architect is zelfs extra blij en trots, want hij bouwde hier een Zwarte Madonna. En daarlangs loopt de weg die Roemer dagelijks gaat. Dit is de toegangspoort naar het centrum van de Stad des Heeren.
Deze stad was ooit geen vreemde in een landschap dat aansloot op de zee. De lucht was zilt, het licht was zeeïg. Roemer gaat wel eens naar het Panorama van Mesdag om te proeven hoe het ooit in de Stad des Heeren geweest is. Maar de mensen bouwden een pier die de zee in loopt (een wandelpromenade in een woeste zee) en ze bouwden torens die de hemel in lopen --- kantoorruimte die het hemelvuur trotseert. Kantelt men de Stad des Heeren, dan blijft ze even troosteloos en verloren. Alleen met een kolkende groenzoute lucht en een strakke lichtblauwe zee.
Vanuit de torens kan men de zee zien en het Bosch. Dat is echt meegenomen als je daar werkt, maar als Roemer buiten loopt voelt hij dat hij er niet hoort, niet thuis hoort. Net Mondriaan. Horizontale en verticale lijnen zonder respect voor menselijke maten. Rood geschreeuw, blauw lawaai, gele pijn. Roemer houdt niet van Mondriaan. Roemer houdt niet van deze stad en zeker niet van de Zwarte Madonna.
Op de vloer van de zwarte madonna bloeit de kunst. Roemer kan daar erg van genieten. De winkels die er ooit gedacht waren, kwamen niet. Onbewoonbaar, onmenselijk in maat en kleurvoering, kleurontvoering, net als de rest van de madonna, en daardoor leeg en dor. Maar deze sokkel is wel erg bruikbaar om kunst te exposeren. Steeds hangt er iets nieuws. Geen dingen die je in een gezellige kamer zou willen hebben. Fel roze, lichtgevend groen, aanstootgevend in vorm, inhoud en kleur. Maar in de zwarte madonna kun je de kunst wel mooi etaleren. Daar komt ze uit en tot haar recht. Een lichtpuntje in een stad zonder respect. De enige reden waarom de zwarte madonna wat Roemer betreft toch mag blijven.
De schoolreis naar Winterberg was voor Harro nou niet echt iets om naar uit te kijken. Hij ging liever gewoon naar school, moeite als hij had met veranderingen. Harro was het hele schooljaar al smoorverliefd op Barbara, een meisje uit de andere klas. Veel verder dan haar aankijken kwam hij niet. Bovendien zou hij op zo'n schoolreis toch weinig indruk op haar kunnen maken. De vaste plekken waar hij haar op school tegenkwam tijdens het wisselen van lokalen, waren voor hem van veel grotere importantie.
De bewuste ochtend dat hij naar school fietste, verliep voorspoedig. Onderweg werd hij ingehaald door een tuuterende Mark. Harro kon zich een kwartiert warmtrappen achter de slipstream van diens brommer. "Zo, jij trapt stevig door", had Mark gezegd toen ze gelijk op school arriveerden. "Ach ja, kwestie van conditie", antwoordde Harro dan. En het moet gezegd worden; Harro had ook een redelijk getraind lichaam, voornamelijk door de vele jaren die hij verplicht van z'n vader op judo had gezeten. Maar een echte kerel was Harro er niet door geworden. Veelal moest hij z'n tranen onderdrukken als hij gepest werd.
Al met al had Harro toch een zekere populariteit onder z'n klasgenoten. Zij zagen zijn onzekerheid niet zo. Hij had redelijk veel humor, zag er goed uit en hij was natuurlijk verliefd op dat mooie meisje uit de andere klas, iets dat hem toch aanzien verschafte. Harro voelde zich redelijk op z'n gemak toen hij met een aantal klasgenoten de bus instapte. Hij had een plekje naast Mark weten te bemachtigen, wat voor hem toch een zekere opwinding betekende. Mark was duidelijk niet het doetje van de klas en naast hem groeide Harro's aanzien.
Toen het onderwerp van Harro's verliefdheid de bus binnenkwam, klonk een licht gejoel. Klasgenoten keken naar Harro, Harro keek naar Barbara, Barbara lachte blozend en Harro voelde zich even geweldig. Dit was goed gegaan, hij had er niets voor hoeven doen en de rest van de reis kon hij hier wel op teren.
Na twee uur werd de bestemming bereikt en de leerlingen verteld waar zij hun langlauf uitrusting konden ophalen. Zoals het meeste dat hem verteld werd, ging ook dit langs hem heen. Harro lette meer op Barbara dan op wat de leraren vertelden. Toen de groep de bus uit stapte en naar de grote hal liep waar de leerlingen hun uitrusting konden halen, liep Harro dicht achter Mark. Hij kon gewoon volgen en nadoen wat er gedaan moest worden. Langlaufen had hij nooit gedaan. Bij het aantrekken van de ski's onstonden reeds de eerste moeilijkheden voor hem. Harro was zenuwachtig en keek een beetje hulpeloos rond of iemand hem met z'n ski's kon helpen. Barbara had haar ski's al onder gebonden en stond vrolijk met vriendinnen te kletsen. Ze had geen oog voor de ski's van Harro. Gelukkig hielp zijn leraar Frans hem al mopperend in z'n ski's. Zo kon hij tenminste toch gewoon op tijd vertrekken ook al waren de eersten al zo'n twee minuten geleden vertrokken.
Ook het langlaufen zelf was niet Harro's grootste talent. Reeds na vijf meter viel hij voor het eerst. Het opstaan met die lange ski's lukte niet. Hij durfde ze niet af te doen omdat hij bang was dat hij ze dan niet meer onder zou krijgen en zo veel tijd zou verliezen. Na een minuutje worstelen stond Harro weer. Het laufen verging hem moeizaam. Het tempo van de rest was voor hem niet bij te benen. Kwaad keek Harro naar de groep voor hem, maar durfde niet te roepen dat ze op hem moesten wachten. Hij raakte steeds verder achterop en zijn frustratie groeide evenredig met de afstand die hij achterlag.
Een kwartier en een valpartij of vijf later zat hij al bij de laatste groep. Deze jongens kende hij alleen van gezicht. Harro probeerde nog wanhopig contact te leggen uit angst straks alleen te zijn. Maar ook deze groep was te snel voor hem. In het begin wachtten ze nog uit verplichtingsgevoel. Vele duikelingen later deden ze net of ze hem niet meer in de gaten hadden. In de verte verdwenen ze achter een heuvel. Harro was nu alleen. Hij vocht tegen z'n tranen en vloekte inwendig. Op pure wanhoop sleepte hij zichzelf voort. Elke de drie minuten viel hij wel een keer.
Van de andere leerlingen was geen spoor meer te bekennen. Inmiddels was het was gaan sneeuwen. Dikke vlokken belemmerden zijn zicht. Hij was hier hopeloos verdwaald. Paniek had zich van hem meester gemaakt. Door zijn hoofd gingen al angstige gedachten over de bus die zonder hem zou vertrekken. Hij hoorde ook veel meer Duits om zich heen dan hem lief was.
Harro ging in de sneeuw zitten. Hij huilde om zijn zwakte. Na vijf minuten stond hij op en sleepte zich verder. Het besneeuwde bos aan zijn linkerhand zag er aantrekkelijk uit. Harro wilde zich verstoppen. Voor het eerst sinds hij ze aanhad, deed hij zijn langlaufski's af en liep het bos in. Het bos was dicht en lastig begaanbaar. Hij liet zich niet ontmoedigen. Vastberaden liep hij steeds verder het bos in. Koud had hij het niet want zijn moeder had hem geholpen met z'n kleding. Het skipak dat hij droeg leek waterdicht. De vallende sneeuw deerde hem niet.
Na twintig minuten was hij zeker dat niemand hem hier nog kon zien. Op een plek die hem geschikt leek gooide hij zijn ski's neer en begon met zijn handschoenen te graven in de sneeuw. De schaamte was groter dan de drang tot overleven. Toen de kuil diep genoeg was, werd hij rustig. Hier zou hij blijven. Als een roofdier dat z'n einde voelde naderen, legde hij zich neer.
Uren later had Harro nog steeds niet bewogen. Hier was hij onzichtbaar en dat voelde lekker. Hij had zijn naam al vele malen horen roepen, zelfs behoorlijk dichtbij waren ze naar hem op zoek geweest. Even meende hij zelfs de stem van Barbara te horen. Harro had terug kunnen roepen en hij zou gevonden zijn. Maar hij deed het niet. Doodstil bleef hij tot het geroep verstomde. Hier zou hij blijven. Dit was zijn wraak op de klas die niet op hem wachtte.
Toen ik op de lagere school zat, naaide mijn moeder kleren voor mij en mijn zusje. "Veel goedkoper dan al die nutteloze mode", zei mijn moeder als er weer iets klaar was. Wij woonden in het land ver weg van de grote stad. Bovendien spreken wij over jaren geleden. Misschien had mijn moeder zelfs wel gelijk, hoewel je er vandaag de dag niet mee wegkomt.
Zo droeg ik stretch-terlenka van bruine snit. Ik was klein en omdat ik maar langzaam groeide, deed ik lang met mijn kleding. De stretch in de terlenka was bovendien op de groei bedoeld. Onbedoeld kreeg ik gladde plekken op mijn steeds strakker zittende broekje.
Aan het einde van de lagere school deden wij met de hele zesde klas een toneelstuk. Wekenlang werd er geoefend voor de grote dag. Vaak had ik mijn strakke bruine stretch terlenka broek aan met de gladde plekken. Ik kreeg een rol in het toneelstuk waarbij ik op een trap moest klimmen. De hoofdleraar vond mij daarvoor de meest geschikte.
Op de avond van de toneelvoorstelling zat de kleine aula van de lagere school vol met alle leraren. Vrijwel alle ouders kwamen kijken en er werden foto's gemaakt. De hoofdleraar maakte veel foto's en toen ik op mijn trap klom, zag ik het flitslicht van zijn camera meermaals afgaan. Ook werden er groepsfotos genomen en was er een te gekke foto van mij met mijn twee beste vriendjes tijdens repetities. Ons werd verteld dat een week na de voorstelling alle foto's opgehangen zouden worden in de aula. Wij hoefden alleen onze naam onder de foto te zetten en daarbij hoeveel nabestellingen wij wilden. Alles zou geregeld worden bij wijze van afscheid van de lagere school.
Toen alle foto's werden opgehangen ontbraken de foto's van mij op de trap tijdens de voorstelling. Ook de foto van mij met mijn twee vriendjes kon ik niet vinden. Mijn vriendjes dolden mij een beetje met een paar meisjes waarvan zij wisten dat ze mij leuk vonden. Nu weet ik beter. De foto waarop ik sta afgebeeld in mijn te strakke bruine stretch-terlenka broek zit al jaren in een vergeelde envelop. Al jaren, in een alleen gewaand ogenblik, neemt een gepensioeneerde hoofdleraar een kijkje.
...van die types die met zes jaren Havo een gemiddelde leerling blijken. Maar daarna kreeg ze de smaak pas goed te pakken. Verder studeren wilde ze en de wereld bestormen en HBO doen en misschien nog wel een kopstudie Wetenschappelijk Onderwijs. Nog geen 26 jaren was ze toen ze klaar was. Voordat ze de wereld ging bestormen in het bedrijfsleven eerst een paar maanden de wereld zien. Enig leek het haar en zo origineel ook. Met het vliegtuig helemaal naar Bangkok en dan van eiland naar eiland. Dwars doorsteken naar Indonesie en Jakarta, vlakbij Bali. Daarna welverdiend uitblazen in Australie want het was best een trip geweest. Vier jaar heeft ze de wereld bestormd als intercedente. Toen was het beter voor haar lichaam al die pilhormonen niet meer te slikken. Volkomen onverwacht en verrast was ze zwanger binnen drie maanden en nu is het wachten alweer op de derde. Korte, hippe namen, vrolijke kleertjes en praten over kolven met haar vriendinnen. "Heerlijk, dat impusieve. Dat zit echt in me!"