huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


Saturday, September 25, 2004

EGO "The Movie"
EGO "The Movie", ongelimiteerd uiterlijk vertoon en materialistisch gehunker met verrassende plotwendingen.

schreef Kiers om 10:17 AM [link]

Friday, September 24, 2004

Kermis

Zaterdagavond. Lachende mannen haasten zich rond acht uur naar het dorpshuis. Hier en daar een joviale groet. Een uur lang worden de laatste spullen klaar gezet . Dan klinkt het fluitje. De fanfare hijst zich in de instrumenten en iedereen zoekt zijn plaats. De generale repetitie begint. Commando’s vliegen door de zaal en sabels kletteren. Uiteindelijk zet de groep zich gelijktijdig in beweging, precies op het moment dat de fanfare de eerste noot laat klinken.

De repetitie is een formaliteit. Drie rondjes lopen en tenminste één keer tegelijk stil gaan staan als het verwacht wordt, zijn genoeg om de tap in gebruik te nemen. Alleen de instructies voor morgen gaan nog aan het ‘ingerukt’ vooraf. Het is tijd om aan de tafels te gaan zitten. Ook nu kent iedereen z’n plaats. Fanfare bij fanfare, bestuur bij bestuur en officieren bij officieren. De rest gaat in de buurt van de bar staan. Rond half elf zijn de bonnen op die we verdiend hebben met ons werk. Het is wachten op de man die het idee krijgt om door te gaan in de kroeg. Maar ook dat gebeurt, traditie is traditie.

Zondagmiddag. Half twaalf is de tijd dat de familie van buiten het dorp op de koffie komt. Na het gebak en het tweede kopje gaan de mannen een biertje drinken. De vrouwen gaan zich in de keuken met etenswaren bezighouden. Rond een uur of twee wordt er gegeten. Uiterlijk half drie gaan de mannen die geacht worden geüniformeerd op de kermis te verschijnen zich omkleden. Tien voor drie aantreden. De eerste bladen bier gaan rond. Het is tijd om de koning af te halen. De optocht vertrekt en komt bij het huis van de koning aan. Bier. Weer terug naar het dorpshuis, weer bier. Friet van de kraam en dan weer feest. Nog wat formaliteiten, beetje met vlaggen zwaaien en dan gaat het echte zuipen beginnen.

Maandagochtend. Kleine oogjes druppelen binnen. Om half negen begint de schuttersmis. Kwart over negen geven de pastoor en de dominee een rondje. Doe maar een jonge. Weer een optocht, weer ergens bier. Uiteindelijk komen we aan op het veld waar geschoten mag worden. Nummers worden afgeroepen. Zo’n honderdtwintig man tussen twee keer schieten voor een prijs. Het wachten wordt aangenaam gehouden met bier. Hier en daar een jonge, het liefst uit een fles met een laag ijs aan de buitenkant.

De dag wordt waziger. Hoe dan ook, ’s avonds is er een nieuwe koning en moet er nog een optocht gelopen worden. Het is feest in de tent. Het vaandel moet nog even worden weggebracht. Waarom weet niemand. Maar we doen het toch. En drinken een biertje in de tuin van de meneer waar het vaandel wordt gestald.

Mensen dansen, lachen en ouwehoeren. Soms zijn er uitvallers. Die worden thuis uit bed gehaald. Soms zijn er mensen even onvindbaar verdwenen. Maar die komen meestal wel weer terug. Buiten gebeurt van alles, achter de schiettent en de oliebollenwagen. Stugge boeren worden losse dansers van Zuid-Amerikaans kaliber. Jouw vrouw is mijn vrouw en andersom. Tenminste, zolang het niet te veel in het zicht gebeurt.

Slechts weinigen kunnen de afloop van deze avond navertellen. Mensen verdwijnen en worden teruggevonden in bushokjes, maïsvelden en in sloten. Of op de bank bij de buren naast een koude koffie. Of ze worden wakker van het reveille om half zes: dronken pubers op een platte wagen achter een trekker, vergezeld door een geluidsinstallatie waaruit meestal de vrolijke klanken van een death-metal clubje klinken. Om dan alsnog terug te keren in hun echtelijke sponde alwaar de reguliere bedpartner nietsvermoedend ligt te slapen. Slimmeriken gaan beneden op de bank liggen zodat ze zouden kunnen volhouden daar de hele nacht te hebben gelegen

Dinsdagochtend gaan de vrouwen iets gezamenlijks doen. De mannen slapen bij, of proberen hun uniformen weer op orde te krijgen. ’s Middags dienen ze immers weer tiptop te verschijnen. Voor inderdaad weer een optocht en wat gewapper met vlaggen. Weer de hele dag feest in de tent, alleen de spoeling wordt dunner. Katers beginnen hun tol te eisen en zo nu en dan komt het voor dat er mensen wegens een relationele crisis thuisblijven. Tenminste, volgens het geruchtencircuit. Ook de afloop van deze avond is voor velen een gewiste herinnering, voor zover het geheugen nog toegankelijk was.

De dagen erna verlopen kalm. Hier en daar worden voorzichtig weer praatjes gemaakt op straat of bij een vereniging. Oppervlakkig en met een afwachtende houding. Uiteindelijk blijft het bij lachen om diaree tegen een lantaarnpaal of een vreemde slaaphouding in het klimrek op het schoolplein. Dronkemanspraat en zwalken zijn geen onderwerpen meer die de moeite waard zijn. Na een week concludeert het dorp opgelucht dat het weer een prima kermis was.

Ook ik heb weer zin in volgend jaar, ik hou immers van tradities.

schreef Lennard om 12:31 PM [link]

Thursday, September 23, 2004

Talent

De kroegen rond de kerk leken vol. Maar zijn imponerende verschijning zou overal entree vinden.
Deuren zwaaiden voor hem open; hier en daar wierp hij een eurootje voor de voeten van het plebs.


Met stoere grepen baarde ik dan daverende akkoorden welke de kunst verstaan de nog ongebruikte harten van jonge meisjes in te palmen. Van brug tot kam landschappen schilderen die glooien onder de last van Rock 'n Roll en mijn bakkebaarden liet ik groeien tot spitse punten die mijn mondhoeken raken. De duckwalk zou mijn vervoersmiddel worden. Met ontbloot bovenlijf snaren strelen. Rook, bier, zweet en de lucht van drie, hooguit vier akkoorden. Jammen voor de pussy, dat dekt de lading wel.

Sporten. Vanaf een bepaald niveau omhangen met idolatrie. Schuchtere jongvrouwen met een opschrijfboekje voor de kleedkamerdeur. Wielerfans versus geschoren benen. Geboetseerd als zwemmer wil ik het water splijten. Mijn door Apollo geslagen lichaam maakt liefde met de kleine druppeltjes, druppeltjes die op verkenningstocht gaan langs zonbruine huid en door training verkregen welvingen. Helaas moet ik hiervan afzien. Ik heb het al van de tijd verloren. Remia kleurt mijn bestaan.

Doch over zwemmen:
Ik zwom de afgelopen nacht een paar kilometers in het kanaal hier aan de rand van de provincie. Na 11 jaar onafgebroken in de nachtploeg heeft het lichaam aan ritme verloren. De fabriek gaat failliet en ik kom erachter dat ik voorgoed van mijn nachtrust beroofd ben en de komende jaren voornamelijk overdag slaap. Beleef de stad in duisternis. Boodschappen via Internet, waardoor ik toch nog aan mijn boeken kom. Ik heb mijn boeken en gedichten om me te beschermen, zongen de zangers en zo is het ook. Ik discussier, provoceer, vul mijn neurolinguïstische schatkist, en educeer mezelf via internet. Afgezien van de ruis blijkt deze een geduldige bron. Een bron die ik, zoals eerder vermeldde, met liefde afwissel met het natte glijden tussen Almelo en Nordhorn.

Over natte glijers geraaskald:
Wie heeft er een vrouw nodig, waarom kiest men voor het alleenzijn? Geen idee. Het bevalt me wel. Tot nu toe. 's Avonds met je Janus keihard op het aanrecht roffelen, de sonoor brommende vaatwasser die wel spoelt maar niet zuigt. Veel drinken, goedkope sigaren en ondertussen ook nog een zak chips leegbeffen. Tegen het krieken van de ochtend strontlazarus je plakkende voorhoofd van de tafel scheuren, volle blaas. De wasbak red je nog net en een week aan vuile vaat wordt bezeken. Tjah. De kater komt later.

Medicijnen. Mijn zusje, een nog jonge bloem met kraaiepoten, vult alle vakjes in zo'n speciaal doosje. Tabletten en capsules die me sturen tijdens de strooptochten van bewustzijn. Ik slik ze gedwee. Twee harde ogen die me dwingen. Doktoren hebben hard en goed geleerd en verdienen respect, dat kreeg ik vroeger van huis uit mee. De paplepel met levertraan kleurde mijn jongemannenjaren. Laten we zwijgen over de Nederlandse varkens welke ik in Leuven ontmoette.

Op mijn zolder staat geen oude doos met mooie verhalen. Een stapeltje langspeelplaten, houten wasknijpers aan een waslijn. En veel stof. Het was goed, ik besloot geen gitaarles te nemen. De illusie is immers mooier dan haar afdruk. Ze zeggen dat ik gek geworden ben.

Ik reik tot de wolken.
Het evenbeeld God's
Lantaarns doven, echter
Mijn aura verspreidt een laaiende wellust


schreef bicat om 11:20 AM [link]

Wednesday, September 22, 2004

De sleutel

Gelukkig was er de duif, onzichtbaar ergens buiten (waarschijnlijk in een van de hoge populieren), die koerde. Roemer voelt zich even minder eenzaam en de buitenwereld zag er even groener uit. Daarna drukken weer de stilte, het gebrek aan wind en vooral de hitte. De voor het jaargetijde ongewoon droge hitte die zinderde en de tuintegels onbegaanbaar maakte voor wie op blote voeten lopen wilde. Het was niet de angst gezien te worden, zo hield Roemer zich zelf voor, maar het gebrek aan schaduw dat hem de straat deed mijden. Het nodeloos gezweet. De uitputting van het zinloos gevecht tegen een stekende zon waartegen schild noch harnas bescherming konden bieden. De zon heerste vandaag niet alleen buiten. Deze zon drong overal door, in de schaduw, binnenshuis en Roemer vroeg zich af of ze ook de nacht zou verslaan --- in ieder geval voelde hij zijn maag en longen schroeien. O Zon, bad Roemer stilletjes voor zich heen, Uw koninkrijk is gekomen.

“Maanvogel, maanvogel, zing nog eens. Je lied over de rode bergen. Je lied van kleur en lijden. Voordat maan verdrinkt en niemand je meer kan horen.” Ooit, lang geleden, had Roemer deze strofe geschreven. Op een onverwacht moment. Hij schreef nooit lyrisch, altijd was het rationeel. Dus dat hij een gedicht had geschreven, was verbazingwekkend en verwarrend. Hij had het gedicht nooit kunnen vergeten. De zes regels vormden een gedicht dat hem inspiratie noch inspanning had gekost, omdat het er opeens was. De zes hadden zich aan hem opgedrongen. Een moment van droefheid zonder aanleiding. Daar had hij destijds vaker last van: weemoed en zelfmedelij.

Opmerkelijk, dat gevoel was al weer heel lang weggebleven. Maar waarom brak dat inzicht nu dan toch door? Samen met de herinnering aan de maanvogel zwemmend in het door rode bergen omringde Alpenmeer. Er was geen aanleiding. Roemer verdwaalt sinds het ongeluk steeds. Zijn geest is een warboel al kun je dat aan de buitenkant niet zien. Hij dwaalt in zijn geheugenkasteel waar herinneringen die er zouden moeten zijn, oplosten in het niets of blijkbaar ergens anders zijn verstopt. Nergens is zijn pad tegenwoordig meer gebaand, maar hij verdwaalt vooral in zijn eigen huis. Roemer zoekt een pen. Op het bureaublad ligt er geen en in de la van de keukentafel bevinden zich alleen de lege, nooit weggeworpen balpoints die hij jarenlang verbruikt heeft om geboortedata aan te strepen in rouwadvertenties. Roemer had de lege balpoints onlangs op een rij gelegd en geteld. Het bleken er zevenentwintig te zijn.

Het hoge fluiten van het televisieapparaat irriteert altijd, maar vandaag kan Roemer er helemaal niet tegen en wordt hij misselijk van de pijn in zijn hoofd. Vreemd dat niemand de hoge tonen van transformatoren en beeldbuizen waarneemt die hem nachtenlang uit zijn slaap kunnen houden. Ook de lage brommende toon met zijn 60 Hertzen die de vriezer voortbrengt, is hem een doorn in het oor. Zou het helpen als hij alle stoppen in de meterkast radicaal verwijderde? Een nieuwe balpoint aanschaffen behoorde bij deze temperaturen zeker niet tot de mogelijkheid. “De rust die je zoekt, vind je niet. Het water dat je wilt is er niet. Dorst op een eiland van drukte”, dicht Roemer, terwijl hij geen pen kan vinden. Dat geeft uiteindelijk ook niet, want dan hoeft hij het probleem welke papiersoort hij zou moeten gebruiken niet op te lossen. Het gedicht vervluchtigt en alleen een vage herinnering blijft hangen. Roemer glimlacht en zoekt een afwasborstel. Waarom hij die zocht wist hij niet. Het kon niet voor de afwas zijn, want hij had al dagen lang niets meer gegeten en gedronken.

Waar was de huissleutel? Jezus, ik weet het echt niet meer, mompelde Roemer in zichzelf. Zijn maag kromp en zijn hart brandde. De sleutel moest eenvoudigweg in huis zijn; de deur zat op slot en Roemer was binnen: “Een gevonden sleutel is geen vreugde. Alleen bij deuren zonder sloten weet men zeker dat zij nimmer passen zal”, dichtte Roemer. Hij moest de deur gisteravond zoals iedere dag hebben afgesloten. De enige andere uitweg was het raam aan de voorzijde. Geen optie en bovendien kon hij het huis niet onbeheerd met open venster achterlaten. Roemer zocht op zijn knieën in de gang, onder de kapstok en in de paraplubak. Nergens.

Zijn associërende brein heeft Roemer meer dan eens geholpen hopeloze, ja zelfs uitzichtloze en opgegeven zaken te ontwarren. Zelf heeft hij het over kortsluiting in de hersenen. Soms weet hij niet waarom hij iets wist, waarom hij een bepaalde aanpak volgde, waarom hij de specifieke vraag stelde, hoe hij het detail vond, hoe hij wist waar de oplossing van een probleem lag. Die etherische helderheid heeft hem bovendien naast successen ook gebracht in doodlopende tunnels van verblindend schone fantasie. Creativiteit kan ook doden, weet Roemer, het is geen vogel die men zout op de staart kan leggen. Het liefst leeft Roemer daarom samen met nuchtere noeste types zonder fantasie. Die weten altijd waar hun sleutel is. Vandaag is hij echter op zichzelf aangewezen.

Ook op of onder de zwarte vleugel lag geen sleutelbos. Niet in opa’s houten sigarenkistje, niet in de marmeren vensterbank, niet op de eettafel. De angst sloeg toe: als hij dit zelfs niet meer kon oplossen, dan was Roemer echt verloren.

De keuken. Alle keukenkastjes inclusief de vriezer en de afwasmachine werden nauwkeurig onderzocht. Te vergeefs. De slaapkamer: Roemer keerde de matrassen om. De toiletpot werd aan een gedetailleerd onderzoek onderworpen, evenals alle jassen (de binnen en buitenzakken), de kostuums (idem), de boekenkast, zijn tas. Nergens.

Roemer ging zitten. Hij gaf het zoeken op. Het had geen zin meer. Hij zou thuis blijven. Het was ook te warm om naar buiten te gaan.

“Wat is de kracht die dwingt tot leren; tot steeds weer opstaan na een val, waardoor de bloemen bloeien als het regent en die mensen sterven (ein-de-lijk ster-ven) laat” Gek. Dat was het tweede gedicht dat hem inviel. Wat zou de dag verder nog brengen?

In de voordeur!

“De sleutel die gevonden is, past niet op alle deuren. Voor het ontsluiten van het hart is zij te broos. De waarheid vereist een breekijzer” zong Roemer. Hij verliet het huis. Zijn bestemming was nog onbekend.

schreef Peeter Burgeik om 11:57 AM [link]

Tuesday, September 21, 2004

Michiel

Het is ondanks de bierprijs druk op de dansvloer. Vele jonge meisjes en jongens zwingen op de muziek die in Nederland een half jaar terug gedraaid werd. De hal is niet al te groot, wel hoog. Achterin staat een DJ zijn plaatjes te draaien en in een hoek staan enkele tassen met stiekem naar binnengesmokkelde flesjes bier. In mijn hand heb ik stiekem een, uit één van de tassen gejat flesje bier.

“Wil je dansen?” Vraagt een mooie glimlach met Vlaams accent. Voor me staat een meisje zoals beschreven wordt in vele romannetjes. Ze is iets kleiner dan ik ben (niet al te groot dus), heeft mooi lang zwart haar, schitterende ogen en haar voetjes tippelen op de muziek in een ritme waar zelfs een tapdanser geil van zou zijn geworden. Onder haar blouse, ook belangrijk, zitten twee welgevormde borstjes die doen denken aan een paar handpeertjes, en strakke benen steken in haar 501 broek. Ik schat haar een jaar of twintig.

“ Sure, come on.” We dansen enkele minuten op een rustig nummer en ik besef dat ik nog geen tien minuten binnen ben en zeer gelukkig. Ik dans met het mooiste meisje in heel Frankrijk en ze kijkt me aan alsof ...

We zoenen, onze lippen smelten op elkaar, onze tongen dansen. Ze is werkelijk bloedgeil en niets zal me ervan weerhouden deze schoonheid vanavond nog bruut te nemen op het strand. Ze trekt langzaam haar hoofd naar achteren. “Heeft u zin om naar buiten te komen?” Vraagt ze met een trilling in haar stem die me doet bibberen over mijn hele lijf. Of: “Heeft u zin om naar buiten te komen?” Vraagt ze, en de gedachte doet me bibberen over mijn hele lijf. Dat kan ook.

Opnieuw versmolten zitten we buiten in de nachtelijke rumoerigheid van Soullac op de stoep als er achter ons wordt geroepen om een meisje genaamd Michelle. De mooie glimlach met Vlaams accent stopt met mij te zoenen en draait zich om. Ze bespreekt iets met twee jongens die ongeveer anderhalve meter bij ons vandaan blijven staan en ik kan er geen woord van volgen. Als ze uitgepraat zijn kijkt Michelle me lief aan en wil weer verder gaan met waar ze gebleven was. Met twee vingers gebaar ik haar even te wachten. Wat er is vraag ik.
“Mijn vriend staat binnen te huilen.”
Krijg de rampestamp, dat heb ik weer.

“Uhm,” zeg ik vertwijfeld, “is het niet verstandiger als je naar je vriend gaat dan?”
“Nee, die gaat morgen toch weg.” Zegt Michelle met opnieuw die trilling in haar stem die me ditmaal doet overtuigen van haar oprechtheid. “Wil jij met me meegaan naar het strand?”
Na zo’n driehonderd meter te hebben gelopen voelen we zacht zand onder onze voeten. Dat we hier gaan zitten stelt ze voor, en dat lijkt me nou een uitstekend plan.
Ze begint me opnieuw te verwikkelen in een hevig tonggevecht als ik haar handen onder mijn shirt voel gaan. Ik reageer met een zelfde actie en mag haar verder volgen als ze langzaam mijn shirt probeert uit te trekken. Samen zitten we, beide ontshirt, omgeven door armen en verliefdheden. We gaan erbij liggen en zoveel armen en zoveel handen en zoveel gevoelens zorgen voor een heerlijk zanderige verstrengeling. Ik neem het initiatief over en probeer haar 501 los te knopen. Mijn andere hand moet te hulp komen maar daarna gaat het vlot. Niet veel later zijn we allebei helemaal naakt en zoekt mijn flink opgewonden pik haar met zandkorrels beplakte Belgische kutje.
“Ow, ik wil dat je me hard neukt, neuk me hard, neuk me harder.” En ik doe mijn best, maar veel harder kan ik niet en ze houdt blijkbaar van praten onder de happening want in chronologische volgorde hoor ik:
“Ja, stop je schuimkopje dieper.”
“Niet in mijn poep, niet in mijn poep.”
“Lang, lang, lang, langer lul, langer.”
“Beweeg me dan.”
“Kom maar met die vlokken, ja jongen, kom maar.”
“Schuurt dat zand altijd zo?”
“Ja, ho is even,” Merk ik naar mijn idee terecht op, “als je zo door blijft gaan moet ik eerder lachen dan klaarkomen hoor.”

En we bedrijven verder en het is heerlijk, genot. En ik moet bijna huilen als ik ineens aan jou denk en daarom lukt het ook niet en niet veel later zit Michelle naast me en kijkt verdrietig voor zich uit.
“Als het aan mij ligt moet je dat gewoon eerlijk zeggen hoor.” Zegt ze met ingehouden verdriet.
“Nee,” zeg ik zacht fluisterend en mijn arm om haar heen geslagen, “het ligt niet aan jou, echt niet Michelle, echt niet. Hè toe, niet huilen, hé, kom op joh, echt, het ligt aan mij. Helemaal aan mij. Jij bent mooi en lief,” en ze lacht vertederend naar me door haar tranen heen, “en bijzonder, en hé, echt, het ligt niet aan jou. Jij deed het goed, alleen, tja, ik weet niet wat het is. Sorry.”
“Hoe heet je eigenlijk?” En ze glimlacht nu bijdehand en alleen tranen op haar wangetjes getuigen van een verdrietig moment in het verleden.
“Michiel heet ik.”

schreef Michiel om 10:46 AM [link]

Monday, September 20, 2004

Dans alsof niemand kijkt

Dans alsof niemand kijkt,
Zing alsof niemand luistert,
Leef alsof het de hemel op aarde is!

Ze had de woorden al zo vaak gelezen en ze kreeg er maar geen vat op. Verstandelijk dan, want ze kon ze wel voelen. Heel intens. Maar voelen alleen was niet genoeg. Niet in deze wereld, die geregeerd werd door een ver doorgevoerde verafgoding van de logos waar de gekte van de dag blind maakte voor ware schoonheid. Waar mensen alleen konden functioneren wanneer hun soortgenoten zich veilig verschansten in zelfverzonnen hokjes. De apenpakkenmaatschappij waar anders zijn en vrijheid begrippen waren die alleen in boeken voorkwamen. De werkelijk vrijen werden opgesloten en de waarlijk gekken doolden rond. Met holle ogen en lege blikken vulden ze het straatbeeld, de kantoren en klinieken. Gretig zoekend naar slachtoffers om leeg te zuigen en de verkreukelde verpakkingen voor dood achter te laten. Geweten was een vergeten goed.

Ze wist dat de hele wereld gek was en zij niet. Ze zouden haar nooit begrijpen, zoals ze dat nog nooit gedaan hadden. Vroeger vond ze dat erg. Wilde ze ergens bijhoren en probeerde ze mee te gaan in de waan van de dag. Maar waarom? Al die tijd had ze gevangen gezeten in het web dat Chronos en Mammon voor haar gesponnen hadden. Muurvast. Een knoop had zich gevormd in haar maag, ze snakte naar adem en ze voelde dat ze op een dag die knoop zou moeten doorhakken. Intuïtief wist ze dat dit haar enige kans op leven was.

Als in een waas zag ze zichzelf in de voltooid tegenwoordige tijd die haar gebracht had wie ze nu was. De vernederingen, de gemene steken onder water in gezelschap, de pijnscheuten van de zoveelste vuistslag die als een moker op haar neerkwam. Gevoelloos gebeukt. Ze hield niet meer van zichzelf want wat was het nut? Keer op keer was haar duidelijk gemaakt dat ze nergens toe deugde, er absoluut niet toe deed. De hand van de meester was genadeloos, redeloos. En ze liet het toe. Want de harde handen hadden ook een zachte kant. Ze streelden haar tot grote hoogten en dan voelde ze zich machtig. Groots en sterk heerste ze over de wereld. Danste ze alsof niemand haar zag, zong ze alsof niemand haar hoorde en voelde ze dat ze leefde alsof het de hemel op aarde was. Totdat ze tijdens de volgende ronde tegen de vlakte ging en kroop en kronkelde om haar verscheurde ziel in veiligheid te brengen en haar gewonde ledematen voorzichtig bij elkaar te rapen.

Op zulke momenten was Sophia er altijd. Redde ze haar uit haar benarde positie en soms leek het of ze daardoor even los kwam van alles wat haar vasthield. Zij deed haar de situatie met andere ogen zien en deed haar voelen en geloven dat ze haar lot in eigen handen had. Dat ze beter af zou zijn als ze dit zwarte gat zou ontvluchten en zich bij haar zou voegen. Zij zou goed voor haar zijn. Zij zou haar troosten en haar laten zien wat ware liefde inhield. Ze was dan ook graag bij haar en ze wist dat zij haar op een dag de kracht zou geven. De kracht van de wijsheid om weg te gaan naar een plaats waar de rust heer en meester was.

Toen het zover was leefde ze in een roes. Haar nieuwe huis lag net buiten de stad en de vrouwen die haar ophaalden gaven haar een middel dat haar liet zweven naar een staat van gelukzaligheid en heerlijke leegte. De eerste dagen was ze beneveld en ving ze alleen flauwe beelden op van haar omgeving. Daarna leerde ze veel nieuwe mensen kennen. Mensen waarin ze dingen van zichzelf herkende en ze kwam erachter dat ze nu een plaats gevonden had waar men haar begreep, ook al was het maar een klein beetje. Ze deden in elk geval hun best. Ze genoot van alles om haar heen. Het grote park met het intens groene gazon voor het huis met de vele gangen en kamers. De gigantische achtertuin vol geurende rozen die haar terugbrachten naar de gelukkige jaren van haar jeugd, voordat haar ouders het tijdelijke voor het eeuwige verruilden. Haar kamer waar ze zich altijd kon terugtrekken. De geest van de jongen met de liefdevolle blauwe ogen en de witte jas. Ze wilde hem alles vertellen. Alles, de hele wereld. Ze vertelde over Sophia, Chronos en Mammon en hij keek haar aan met een blik die zij als ‘begrijpend’ las. Ze had hem heimelijk haar liefde beloofd en ze zorgde eindelijk weer goed voor zichzelf. Ze borstelde haar dikke bos lange bruine haren tot het glansde en besprenkelde haar ranke nek met rozenwater op die plaatsen waar haar aderen warm onder haar huid klopten. Sophia kwam af en toe want de noodzaak om haar te zien was niet meer zo groot en zij was iemand die dat voelde als geen ander.

Tot het moment dat ze opnieuw kennismaakte met haar grootste angst. Een angst die ze ver weggestopt had en die alleen af en toe naar boven was gekomen als ze terugdacht aan de akelige eeuwigheid die achter haar lag. Ze wist dat er nu iets dreigde wat veel erger was en wat ze niet kon ontvluchten. Het gevaar sloop door de gangen en hield vaak stil voor haar deur. Dan hield ze haar adem in en vocht tegen haar tranen. Ze hoorde het ademen. Het was een zwaar hijgend gewetenloos verlangen naar haar lichaam. Een verlangen dat zij alleen maar aanwakkerde door haar liefelijke verschijning. Haar schitterende gloed van onschuld en naïviteit. Ze voelde dat haar prille gevoel van eigenwaarde overschaduwd werd door een haag van zwarte gedachten die als een woekerende klimop haar mooiste fantasieën verstikte. Ze had zich sinds ze hier was veilig gevoeld. Veilig in de wetenschap dat de blauwe ogen over haar zouden waken.

Maar Sophia had haar al gewaarschuwd dat niemand haar kon beschermen. Dat zijzelf de enige was die haar lot bepaalde. Ze moest niet afhankelijk zijn maar trots. Trots op zichzelf. Trots op haar schoonheid, haar liefde en haar anders zijn dan veel vrouwen die ze kende. Vrouwen die zichzelf verloochenden en geen contact hadden met hun wilde ziel. En dat kon ze ook wel. Als Sophia er maar was. Dan kon ze haar liefdevolle verschijning kracht bijzetten met ogen die de wereld tegemoet straalden en iedereen in haar omgeving deden smelten. Maar waarom moest juist dit de aanleiding zijn van haar ellende? Waarom mocht ze zichzelf van de ene op de andere dag niet meer verdrinken in die prachtige blauwe ogen? Waarom waren de gesprekken met haar fantastische geliefde gestopt? Ze voelde zich verloren, klein en misselijk. Nu werd ze rechtstreeks geconfronteerd met de bron van haar onrust. Keek ze dagelijks in zwarte poelen van begeerte. Las ze de zedeloosheid in de gebruinde gelaatstrekken en was ze bang voor de vervaarlijk schitterende tanden. Alles was perfect aan dit gezicht maar het was koud en hard. Het leefde niet echt. Het keek haar aan alsof ze een geval was. Een ding wat hij kon uitbuiten. Hem over haar gevoelens vertellen wilde ze niet en haar lust om te leven verdween iedere keer dat zijn lust in haar stille kamer tot een hoogtepunt kwam. En dat was dagelijks.

Sophia werd gaandeweg verdrongen door Isis. Zij wist beter hoe met deze situatie om te gaan. Trots maakte haar niet beter. Het bracht haar steeds dieper in haar gevangenis, alsof er iedere dag een nieuwe deur achter haar dicht ging. Sophia probeerde het nog maar Isis was meedogenloos. Zij maakte de dienst uit en niemand anders. Ze zorgde ervoor dat de glanzende haren transformeerden naar een doffe pluizenbol die ieder moment van ellende met de wind meegevoerd kon worden. Het rozenwater maakte plaats voor zwarte vegen en in haar huid kerfde ze hiërogliefen die God weet waar uit haar brein ontsproten. Ze veranderde zienderogen in een schuwe herfstkat die klagelijk wegdook als er ook maar een blijk van liefde en aandacht haar kant op kwam. Isis deed haar werk goed en beheerste haar ziel volkomen. Haar wilde ziel die zo graag wilde dansen, zingen en leven. Maar haar voeten waren geketend, haar stem verstomde en haar wil om te leven was met Sophia meegegaan. Ver weg, naar een plaats in haar hart waar ze nooit meer bij zou komen.

schreef Nijn om 10:00 AM [link]

Sunday, September 19, 2004

Types - De Bodybuilder

...van die types die de armen niet meer kunnen strekken. Zijn spieren beginnen in zijn pols en lopen door tot in de opgepompte biceps. Tot een hoek van 30 graden kan hij zijn armen strekken maar daarna houdt het echt op. Verkorte spieren door het eindeloos pompen van gewichten. Een grote tattoo siert zijn bovenarm die hij met zijn buitenproportionele triceps wel eens laat rollen. Gebruinde schouderpartij met brede vleugels die het mouwloze shirt ver omhoog laat komen. "Gold's Gym", zegt het shirt, de klassieker in zijn wereld. Hij is kaal en kijkt nors, zoals dat hoort. Zeker 1.95 meters. Zijn popperige vrouwtje loopt onstabiel op haar hoge hakjes naast hem. Gelukkig vindt zij steun aan zijn armen als kabeltouw. Het wasbordje op zijn buik kan ik raden. Heerlijk vindt hij het; elke dag na het trainen gaat hij bij oma langs. Dan lost hij bij een kopje thee met een wolkje melk zeker vijf kruiswoordpuzzels op.

schreef Kiers om 11:57 AM [link]




huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


-bicat- !

Kritieken worden pas waardevol wanneer u zelf een duit in het vuighe zakje doet.
Inspiratie? Mailen maar.
Onvuighe inzendingen worden zomaar geweigerd. Met of zonder reden.
(?)