'Hee joh! Niet zo kijken jij!' Onbewust keek hij naar het groepje jonge buitenlanders dat langs de gracht zat. 'Nee, niet hierheen kijken, vuile hond!'. Peter liep door de stad zonder iemand kwaad te doen en nu werd hij, puur uit provocatie, uitgescholden door dit groepje tuig. Hij liep door. 'Hond' werd hem nog nageroepen. Inwendig begon hij te koken. Dit was onrecht waar hij niet tegen kon. Het groepje bleef gelukkig zitten. Hij voelde angst en woede. Hij durfde niets te doen, maar het liefst had hij ze allemaal in elkaar geschopt. Keihard! Ongenadig! Hij had er ééntje loeihard op z'n smoelwerk moeten slaan, maar zijn verstand won het altijd van zijn emoties. De gevolgen van zo'n daad konden wel eens erger zijn dan wanneer hij niets deed. Toch zat het hem niet lekker. Dat stelletje kanslozen dat niets anders deed dan andere mensen intimideren.
Toen Peter vijf minuten later weer enigszins tot bedaren was gekomen, realiseerde hij zich dat hij straks ook weer terug moest. Hij moest zien te voorkomen dat ie weer langs dat tuig moest. Hij kende de weg in deze stad niet zo dus wist hij niet precies hoe hij langs een andere weg terug zou moeten. Zijn auto stond in de parkeergarage en daar moest hij sowieso naar toe. In het winkelcentrum bleef hij voor een etalageruit staan. 'Feestartikelen en kostuums' stond er op de ruit. Hij aarzelde even maar ging toen naar binnen.
Een kwartier later kwam hij weer naar buiten. Peter voelde zich weer wat meer op z'n gemak. Hij was op bezoek bij zijn tante in deze voor hem onbekende stad. Hij zou voor haar wat boodschappen doen, ze was de jongste niet meer en niet meer heel erg goed ter been.
Na de boodschappen in de supermarkt gedaan te hebben liep hij weer terug. Zijn tante was de enige familie die hij nog had. Zijn vader en moeder kende hij niet en z'n oom was vroeger al overleden. Z'n tante was alles voor hem, en Peter was alles voor haar. Z'n tante was altijd bezorgd om hem omdat hij haar enige neef was. Peter was zich hier van bewust en instinctief ging hij gevaar uit de weg. Terwijl hij terugliep nam hij de stad nog eens goed in zich op. Hij was hier vroeger met z'n tante wel geweest maar erg veel herinnerde hij zich er niet meer van. Hij begon zachtjes te fluiten.
De volgende afslag was de straat waar hij op de heenweg uitgescholden was. Hij haalde een keer diep adem en liep de straat in. Het groepje zat er nog. Hij liep er zachtjes fluitend langs. 'Hee hond! Jij mag hier niet lopen als wij hier zitten. Terug jij!' Peter liep zonder te kijken verder. Twee jongens sprongen op en beletten hem de doorgang. Peter keek hen met een rustige blik aan. 'Jij hond! Oprotten hier, flikker!' werd hem toegeroepen. Zijn blik maakte de twee onzeker. Peter was zijn angst kwijt. Hij keek eens opzij naar de vier nog zittende jongens, en toen weer naar de twee die voor hem stonden.
'Weet je' zei Peter, 'Weet je dat ik een tyfushekel heb aan jullie soort? Je krijgt precies drie seconden om aan de kant te gaan of je moet goed kunnen zwemmen.' Onmiddelijk kwamen de andere vier om hem heen staan. Hij zag een mes in de hand van een jongen. 'Jij hebt een grote bek tegen ons, dat had jij niet moeten doen.' zei de jongen met het mes. 'Kom maar' zei Peter tegen de jongen. 'Als jij de eerste wilt zijn.' De jongen stak toe. Peter ontweek de stekende beweging behendig en pakte razendsnel de jongen's arm . Hij draaide de arm van de jongen op diens rug en ving de messteek van de tweede met hem op. De getroffen jongen viel neer en bleef bloedend liggen. Peter trapte het mes uit de hand van de tweede belager, greep hem vast, tilde hem met twee handen boven z'n hoofd en smeet hem vier meter verder de gracht in.
De anderen keken elkaar verschrikt aan. Dit was duidelijk niet verwacht. Ze draaiden zich om en vluchtten weg. Peter schoot een verlaten steeg in, ontdeed zich van zijn kleding, trok zijn rode masker over zijn gezicht , schoot een webdraad uit zijn pols en slingerde hen achterna.
Bij het buitenverblijf van de Zwarte Kraagbeer stond een bord met daarop 'Stekelvarken'. Die moest zich dus ook ergens bevinden. Maar hoe wij ook tuurden, er was in geen velden of wegen een Stekelvarken te bekennen. Gelukkig zagen we een mannetje van de dierentuin, die na een aktieve dag vol dieren voederen en strontscheppen, zijn jas aantrok om naar huis te vertrekken. Het Stekelvarken is er niet, zeiden we. Maar volgens het mannetje hadden we het helemaal mis, het Stekelvarken was wel degelijk aanwezig maar bevond zich in het nachtverblijf waar hij zat te 'wennen'. Wennen? Wennen waaraan? Aan het samenzijn met de Zwarte Kraagbeer. Het gaf geen pas om zo'n Stekelvarken zomaar bij een Zwarte Kraagbeer te gooien, het arme dier zou zich doodschrikken. Daarom zat hij in het nachtverblijf te wennen. Er waren, zo kregen we te horen, ook Woestijnvosjes. Maar die waren nu niet te zien. Wennen? Wennen! Zij zaten echter in een ander hok te wennen dan het Stekelvarken. Want niet alleen moesten het Stekelvarken en de Zwarte Beer aan elkaar wennen, ook de Woestijnvosjes en het Stekelvarken moesten aan elkaar wennen. En de Zwarte Kraagbeer moest aan de Woestijnvosjes wennen. En vice versa. Je kon die beesten niet zo maar plompverloren bij elkaar gooien, dat moest geleidelijk gebeuren. Ze moesten de tijd krijgen om aan elkaar te wennen. Ze gingen heel goed samen, het Stekelvarken, de Zwarte Kraagbeer en de Woestijnvosjes, als je ze maar de tijd gaf om geleidelijk aan elkaar te wennen. Daar was tijd voor nodig, veel tijd, maar als ze eenmaal aan elkaar gewend waren konden ze het meestal goed met elkaar vinden. Nou ja, soms liep de Zwarte Kraagbeer dan wel eens rond met een aantal stekels in zijn achterwerk, maar je moest niet op alle slakken zout leggen. En de Zwarte Kraagbeer eet de Woestijnvosjes niet op? Nee, haha, die denkfout werd vaker gemaakt. De Bruine Beer in het belendende vertrek was een vleeseter, maar de Zwarte Kraagbeer niet. Dat was een fruiteter. Woestijnvosjes hadden dus niets van hem te vrezen. Als je ze eerst maar goed liet wennen? Inderdaad, als je ze eerst maar goed liet wennen. Geleidelijk.
De kille klank van haar schelle schreeuw droeg mijlenver door de broeierige lucht om uiteindelijk weg te sterven. Het water, direct getuige van het gruwelijke schouwspel, was stomgeslagen. Rimpelloos. De jungle hield krampachtig haar adem in en zweeg in alle talen om vervolgens terug te keren naar de oppervlakkige harmonie die de harde waarheid als een onderhuidse parasiet verborgen hield. Maar ze wist dat ergens het lichtknopje moest zitten.
Want dat was er eigenlijk altijd, hoewel verborgen en soms onvindbaar. Vanaf haar geboorte voelde ze het met een stellig weten. Dat moest ook wel met een serpent als moeder en een hyena als vader. Ze was het product van een plakkerige nacht ergens aan een stinkend water waar geen ster aan de hemel te bekennen was. Alleen de omfloerste laffe maan was aanwezig. Maar ik wil er om wedden dat zij zich het liefst afwendde en haar ogen wilde sluiten voor de toekomst. Voor het leven dat vanaf dag één al aan verrotting onderhevig was.
Ze werd regelmatig vergeten, opgesloten, bewusteloos geslagen of anderszins aangepakt. ‘Wees in godsnaam stil!’ riep haar moeder met een kussen in de aanslag toen ze naast het zwembad met haar lievelingsbeer zat te spelen en het tere kinderstemmetje als tevreden gezoem over het water gleed. 'Stil zeg ik je. STIL!! STIL!!!’. Wat na een lange hete zomer reacties uitlokte van de bedienden. Ze werd na verschillende verstikkings- en verdrinkingspogingen ontoerekeningsvatbaar afgevoerd met gillende sirenes. Een anekdote die te pas en te onpas aangehaald werd door haar vader. Omdat ze goed in haar oren moest knopen dat het haar schuld was dat haar moeder onder mensonterende omstandigheden opgesloten zat. Dat de wereld aan haar moeders voeten had gelegen, net als haar vele minnaars. Maar dat deerde haar vader niet. Oh nee, want ze was toch altijd bij hem gebleven en dat gaf hem macht, zo vertelde hij zichzelf. Macht die hij veelvuldig misbruikte tegen de talloze dames, soms nog bijna kinderen, die haar voordeur en zijn bed deelden.
Ze had haar moeder ooit één keer bezocht. Het weer was verdrietig en ze verbaasde zich dat het lagedrukgebied net die dag overtrok. Toen ze terugreed scheen de zon en voor het eerst in twintig jaar begreep ze het. Alsof iemand haar het lichtknopje gewezen had. Bevrijd van de moederbinding die er niet was maar haar toch jaren geketend hield verliet ze het grote huis diezelfde dag nog. Haar vaders afscheidswoorden wensten haar het lot van haar moeder. Ze beantwoordde ze met een gefluisterd ‘Liever gek dan hier.’ Gelaten reed ze de lange laan op. Langs het water met de eindeloze rijen statige cipressen die het huis omsloten tot alleen een stipje in haar herinnering overbleef.
En ze had er vaak aan getwijfeld. Was ze echt gek? Zat het in haar genen? Was het normaal dat ze geen sauna in kon zonder sprookjesboek? Dat ze niet met goed fatsoen een bloemenwinkel voorbij kon lopen zonder alle rozen in de winkel één voor één te liefkozen, te ruiken en als het tegenzat te kopen? Dat ze alles bewaarde van de mensen waar ze van hield, tot aan gebruikte zakdoeken en geknipte teennagels toe? En was het normaal dat ze soms zo bang was dat ze niet geschikt was om ‘te houden van’ omdat niemand haar ooit verteld had hoe, dat ze haar bad vulde met ijsblokjes om te voelen dat ze nog leefde. Dat ze zichzelf injecteerde met kleine hoeveelheden gekoeld sodawater om haar angstkoorts te laten zakken? Dat ze vele avonden verdronk in een melancholische plas whisky, doortrokken van opium en foute vrienden? Maar dat laatste deden haar vriendinnen ook. En die waren niet gek. Sterker nog, die hadden het ver geschopt op de maatschappelijke ladder. De een op een nog dubieuzere manier dan de ander maar ze zaten er. En ze waren goed voor haar. Eindelijk mensen die goed voor haar waren. Ze belden haar altijd als ze uitgingen en wilden dat zij meeging. Omdat ze ‘zo lekker gek kon doen’ zeiden ze. En omdat ze geleerd had te geven. Heel veel, in de hoop dat iemand haar ooit aardig vond. Gelukkig voor haar had ze geld. Veel geld.
Ze had het de notaris nog eens horen zeggen na de begrafenis van haar vader waar een lange stoet onfortuinlijke dames het graf verliet. Haar moeder en zij waren de enigen die achterbleven. Het zwarte gat gaapte haar aan en ze kon alleen maar lachen. Onophoudelijk. Een zenuwachtige, schrille lach die haar moeders eeuwigdurende apathie leek binnen te dringen. Voor het eerst in vijfentwintig jaar keek haar moeder haar aan en even leek het of haar mondhoeken vertrokken tot een grimas. Was er een blik van verstandhouding? De broeder zette met moeite de roestige rolstoel in beweging en reed hem in het witte instituutsbusje.
Het was donker toen ze de lange cipressen-laan achter zich liet en het huis binnenstapte. Ze vond het lichtknopje en even stond ze als een klein meisje betoverd in de enorme hal. Weg waren de spoken uit haar verleden. De kroonluchter keek haar fonkelend aan en daagde haar uit het leven te pakken, het vast te houden en het te verslinden tot ze er dood bij neer zou vallen. En dat zou ze doen zo beloofde ze zichzelf. Alleen. In het grote huis dat ze ging vullen met nieuwe herinneringen.
Drie dagen later belde ze haar vrienden. Die arriveerden stuk voor stuk als chique verpakte cadeautjes op een kinderverjaardag. Er kwam geen einde aan. Als stralend middelpunt verwelkomde ze alle bekende en onbekende mannelijke en vrouwelijke gezichten. Ze voelde zich als Alice in Wonderland want ze was nooit jarig geweest. De vele kamers vulden zich, de onuitputtelijke wijnkelder begon schrale plekken te vertonen en de kobaltblauwe traploper kreeg sleetse plekken van de vele voetstappen naar de bovenste verdieping. Daar vloeide de lust rijkelijk in menig orgie die zich onverstoord voortzette aan de rand van het zwembad. Harmonisch bewegende lichamen boven het rimpelloze wateroppervlak gaven uitdrukking aan een schone schijn van saamhorigheid en echte vriendschap. Jaloerse blikken hield ieder voor zich, maar bloed kroop waar het niet gaan kon en verboden gedachten groeiden tot duizelingwekkende proporties.
Het trouwe noodlot liet haar nooit in de steek. Haar leven was nu, nog meer dan vroeger, verworden tot een jungle waar het recht van de sterkste alleen overstemd werd door haar fortuin. Haar onwetendheid maakte het gevaar groter dan voorheen, toen de dreiging zichtbaar en bekend was. Nu fluisterden boze schimmen dat ze naïef was. Vertelden ze elkaar lachend over haar zwakheid, spotten ze met haar liefde en goed vertrouwen. Minachtend keken ze naar haar rug als ze straalde en genoot van het volle huis en de stromende liefde. Lief lachend keken ze haar aan als ze zich naar hen uitstrekte. Snode plannen vormden zich omdat rijkelijk gedeeld nooit genoeg is en de honger naar meer het wint van de moraal. Vond men haar sprookjesboeken en sodashots eerst excentriek en vertederend, ze waren nu gewillig voedsel voor het roofdier dat zijn prooi besloop.
Haar verzameling liefdevolle herinneringen nam inmiddels absurde vormen aan op het smetteloos groene gazon naast de oude eik. Hier was ze vaak één met haar gedachten, dromend over alles wat haar liefde voortbracht. Volmaakt gelukkig want een kinderhand is snel gevuld. De lucht was zwanger van de zoete geur van de engeltrompetten die met hun prachtige witte bloemen haar verzameling een bijna hemels uiterlijk gaven. Haar blik dwaalde over het gazon naar haar vrienden die zich stuk voor stuk laafden aan de zon en op haar lauweren rustten. Een siddering van genot trok langs haar ruggengraat.
’s Avonds rilde ze van ellende in haar ijskoude bad. De frequentie waarop ze zich in de ijzige massa begroef nam schrikbarend toe. Net als de sodashots. Een draad van rode plekken liep over haar blanke vlees. Ze werd getroost door haar zorgzame huisgenoten die haar veelvuldig hulden in een wolk van opium. Als troost gaven ze haar de zaadjes van de engeltrompet die ze begon in te nemen als dropjes. Ze verzekerden haar dat het heerlijk geurende gewas met al haar schoonheid alleen maar goeds kon voortbrengen. Hoe kon ze weten dat die geveinsde onschuld giftige doorns plantte in haar hersenschors waardoor ze een andere wereld binnenging. Een wereld zonder licht. In al haar onwetendheid kwam ze veelvuldig in contact met haar donkerste dromen en daalde ze af in het diepste duister van haar ziel. En daar voelde ze met een stellig weten dat ze gevangen zat. Dat ze alleen haar levende lichaam nodig hadden voor hun op geld beluste plannen. Dat ze haar ziel lieten afglijden naar een staat van eeuwigdurende apathie waarin wilde herinneringen aan de geur van geronnen bloed, chloor en duur parfum weer boven kwamen. Herinneringen die gepaard gingen met gekrijs en zoute tranen. Het duurde nu niet lang meer.
Het was een plakkerige donkere avond waarop geen ster aan de hemel te bekennen was toen het witte busje voor het huis stopte. Alleen de omfloerste laffe maan was aanwezig. Maar ik wil er om wedden dat zij zich het liefst afwendde en haar ogen wilde sluiten voor de toekomst. De kille klank van haar schelle schreeuw droeg mijlenver door de broeierige lucht om uiteindelijk weg te sterven. Het water, direct getuige van het gruwelijke schouwspel, leek stomgeslagen. Rimpelloos. De jungle hield krampachtig haar adem in en zweeg in alle talen om vervolgens terug te keren naar de oppervlakkige harmonie die de harde waarheid als een onderhuidse parasiet verborgen hield. Maar ze wist dat ergens het lichtknopje moest zitten…
Dit verhaal, mijn verhaal, laat zich toch nog opmerkelijk snel vertellen. Vlak voor mijn eenentwintigste verjaardag was ik alsnog ontevreden over mijn eindexamenresultaten en ofschoon ik reeds lang was toegelaten tot het universitaire onderwijs en het kandidaatsexamen reeds succesvol had afgerond, besloot ik het eindexamenjaar over te doen opdat ik de ontsierende achten voor grieks en natuurkunde en de negen min voor biologie van mijn eindlijst zou kunnen poetsen om aldus alsnog het maatschappelijk waardevolle cum laude aan mijn cv te kunnen toevoegen. Onder de destijds geldende wettelijke bepalingen was dit alleen mogelijk indien het gehele eindexamen ongeldig werd verklaard door het bevoegd gezag. De reglementen van het Christenlyceum verleenden de bevoegdheid daartoe bij exclusiviteit aan de rectrix die zulks bij zwaarwegende gronden binnen drie en dertig maanden na het verstrekken van het door de eindexamenkandidaat mede ondertekende diploma en het gewaarmerkte getuigschrift en gehoord de ex-examinandus kon besluiten.
In die tijd nam ik nog standvastige besluiten en bekommerde ik me niet om de mogelijke consequenties daarvan. Ik verzocht simpelweg per aangetekend schrijven het eindexamen ongeldig te verklaren (ik bezit nog een afschrift van deze twee-regelige brief). De rectrix voelde zich genoodzaakt velen over mijn verzoek te consulteren (waaronder de decaan van de universiteit, de docentenvergadering van het Christenlyceum en mijn voogd). Allen adviseerden, zoals te verwachten viel, negatief. Daar de procedure echter formeel in het horen van louter de ex-examinandus voorzag - in aanvulling op de toetsing op zwaarwegendheid van de gronden - en zij zich geconfronteerd zag met een talentvolle, doch koppige oudleerling die nimmer betrapt was op plichtverzuim of onregelmatigheden, gaf zij zich uiteindelijk gewonnen. Hierbij moet worden aangetekend dat de overgave niet volledig was aangezien ze kans zag de voorwaarde op te leggen dat ik mijn universitaire opleiding gedurende een jaar zou moeten onderbreken om fysiek de lessen van het eindexamenjaar te kunnen volgen. Zij stelde mijn aanwezigheid tijdens de lessen en op zogenoemde buitenschoolse activiteiten verplicht ofschoon zij hiertoe de bevoegdheid niet leek te bezitten (de rectrix schermde met een reglement van orde dat ik niet kende en ook niet kon of heb kunnen achterhalen). Dit beviel mij minder en het is niet onwaarschijnlijk dat zij ook op die onvrede speculeerde in de hoop dat ik mijn verzoek het eindexamen ongeldig te verklaren alsnog zou intrekken. Dit deed ik evenwel niet.
De herziening van de cijferlijst zag ik als een belangrijke investering in mijn toekomst. Het ongemak als ook formeel volwassenen plaats te moeten nemen tussen de brugpiepers van weleer was au fond een gering offer voor het "cum" dat ik zag als de perfecte afronding van een voorwetenschappelijk bestaan. Aldus hoefde ik me geen enkele zorg meer te maken over mijn toekomst.
Mijn onderneming bleek echter vanaf het eerste moment gedoemd. Ondanks de door mij aangegane verplichting moest ik de introductiedag verzuimen. Het betrof de begrafenis van een oudoom, een kleine middenstander die ik desondanks graag mocht en dikwijls bezocht. Ome Hank had mij uitvoerig bedacht in zijn testament, waarschijnlijk omdat hij meende dat ik naar hem was vernoemd. Dit is niet zo: ik heet eigenlijk Hans naar mijn grootvader aan moederszijde maar mijn vader verhaspelde mijn voornaam bij de burgerlijke stand zodat ik als storende spelfout door het leven ga. Aanvankelijk leek het missen van die introductiedag geen probleem. Ik hoefde immers niet te worden ingewijd in de regelementen en procedures daar ik deze al een keer met goed gevolg had gevolgd. De consequenties waren echter desastreus en onafwendbaar.
Zonder rooster miste ik vanaf de eerste dag de aansluiting bij het ritme van de groep waardoor ik van de acht verplichte vakken er twee verzuimde (Duits en Aardrijkskunde). Ik begrijp nog steeds niet goed waarom mij dat niet opviel al moet ik achteraf toegeven dat ik op het Christengymnasium weliswaar fysiek aanwezig was, maar geestelijk in andere dimensies verkeerde door enige simultaan verlopende verliefdheden. De planning om de drie dames binnen mijn bereik en buiten hun zicht te houden kan te veel van het goede geweest zijn, ben ik bang. Hoe het ook zij. Ik verzuimde twee vakken en daardoor miste ik de aankondiging voor de data van de schoolonderzoeken. Niemand lichtte mij in en ik werd ook door niemand aangesproken op het feit dat ik dit onderdeel van de examinering gemist had. Er werd louter vastgesteld en proces verbaal opgesteld maar nergens kwam de gedachte op dat het verzuim geen moedwil was geweest. Hierdoor kreeg ik ook niet de mogelijkheid de desbetreffende vakken in te halen. Nog dagelijks vraag ik me af of dit moedwil en boze opzet is geweest. In ieder geval vermoed ik de sterke regie van de rectrix. Het verlies van het diploma (althans het mislukken van de herovering daarvan) kwam hard aan. Noodgedwongen moest ik mijn universitaire opleiding beëindigen daar de grond voor toetreding tot het wetenschappelijk onderwijs formeel vernietigd was.
Een herkansing op het Christenlyceum zat er niet in. Men weigerde mij, aangezien volgens de reglementen slechts een tweetal pogingen gedaan mocht worden. Toch kom ik nog op de reunie ter gelegenheid van het eeuwfeest van de school. Maar dan bespringen mijn jaargenoten me en word ik het slachtoffer van zinloos geweld. Het eerste van het Christenlyceum!
...van die types met een rode broek en blauwe colbert. Strak gesteven met gouden knopen. Drie links en drie rechts, klassiek double brested. Lichtblauwe dunne zomersokken en donkerblauwe instapschoenen met kwastjes. Een witte Polo over de bolle edoch gebruinde buik. Breedsprakig armgebarend plukt hij bij tijd en wijle aan zijn immense gekrulde snor met grijze tinten. In de rechterhand een bel whisky, in de linkerhand een smeulende Cubaan. Hij lijkt een ruwe bolster. Een bril met breed gouden montuur omringen lieve bruine vaderlijke hondenogen, maar blijkt een blanke pit. Groots praat hij over zijn fabriek, de kleinkinderen en zijn jacht in Antibes. Zijn vrouw is niet meer. Zijn jonge Indonesische assistent Haryanto weet alles van hem.