huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


Friday, August 13, 2004

Bonte Avond

Nico keek in de spiegel. Hij zag er moe uit, donkere randen ontsierden zijn grijsblauwe ogen. De afgelopen twee weken sliep hij slecht, voornamelijk omdat hij zijn medicijnen niet meer innam. Hij pakte een kammetje en fatsoeneerde zijn haar. Zijn eens zo weelderige bos krullen had met de jaren plaats gemaakt voor wat dun, vlassig grijs haar. Over enkele ogenblikken zou Martha, een van de verzorgsters die die avond dienst had, hem roepen. Dan zou hij voor de laatste keer zijn show opvoeren. Het repertoire van vanavond zou precies hetzelfde zijn als vorige week, en dat van de week daarvoor. Eigenlijk was zijn repertoire al een jaar niet meer veranderd. Vandaag precies een jaar geleden overleed Bep, zijn toenmalige echtgenote met wie hij ruim tweeënvijftig jaar gelukkig getrouwd was.
Hij herinnerde het zich nog als de dag van gisteren. Ze lag er aandoenlijk bij, dat kleine tere vrouwtje in dat grote bed. Ondanks dat ze door de chemokuur en medicijnen flink wat gewicht en haar verloren had, was ze voor hem nog even mooi als de dag dat hij haar ontmoette. Voordat ze ging liet ze hem beloven dat hij door zou gaan met zingen, zijn passie.

En dat deed hij. Het ging allemaal moeizaam, maar hij zette door, voor haar. Week in week uit probeerde hij met veel enthousiasme op te treden voor het kleine publiek, maar hij kon niet wennen aan de afwezigheid van zijn grootste fan. Vanochtend, toen hij weer alleen wakker werd in het koude tweepersoonsbed, nam hij het besluit. Vanavond zou hij zijn laatste optreden doen. Vanavond zou hij voor de laatste keer de liedjes zingen waarmee hij ooit, veel te lang geleden, de harten van duizenden fans stal. Hij hoorde een dof applaus. Dat betekende dat Frank en Els klaar waren met hun optreden. Even later ging de deur open en Martha stak haar hoofd om de hoek.
“Komt u? U bent nu aan de beurt.”
Nico wachtte naast het podium.
“Dat waren Frank en Els, met hun papegaaienshow! Bedankt Frank en Els!” riep Martha door de microfoon op het podium. Meer applaus volgde. Frank en Els liepen met hun vogels het podium af. “Succes Nico!” zei Els toen ze langs hem liep, Frank gaf hem een klopje op zijn schouder. “En dan nu, dames en heren, graag een daverend applaus voor,” ze hield even in en stak haar hand uit naar Nico, die klaar stond om het podium op te klimmen, “Nico Nightingale!”.

Het aankondigen van Nico met zijn artiestennaam klonk vertrouwd. Hij glimlachte en nam een trapje het podium op. Hij liep naar de microfoon. Met zijn hand omhoog tegen het licht keek hij het publiek in, en telde. Een stuk of dertig, het merendeel op houten stoeltjes, sommigen in een rolstoel. “Goedenavond allemaal! Hebben we er zin in?” riep hij, zoals hij dat elke week deed, en zoals hij dat ooit voor volle theaterzalen had gedaan. De oudjes knikten bevestigend en riepen enthousiast “Ja!”.
Martha zette de begeleidingsband aan en het publiek werd stil. Nico zette in na de eerste acht maten.

...
Ik zat vanmiddag ik de tuin
En dacht aan al die mooie uren
Die ik met jou heb doorgebracht
Samen midden in de nacht,
die mij niet lang genoeg kon duren

Ik hou van jou
Met je mooie blauwe ogen
Ik hou van jou
Ik heb jou nog nooit bedrogen
Ik hou van jou
Als ik denk, denk ik aan jou
Ik heb je lief, ik blijf je trouw
Het allerliefst blijf ik voor altijd, bij jou

Weet je nog, Spanje en de zon
’s Avonds wijn op het balkon ...
...

Het publiek applaudiseerde enthousiast na elk lied. Na afloop van zijn optreden maakte hij een buiging, ontving een glimlach van Martha en liep terug naar de kleedkamer. Achter hem hoorde hij Martha de avond afsluiten. Stoelen schoven over de linoleum vloer en de oudjes begaven zich, al dan niet onder begeleiding, terug naar hun kamers. Er werd op de deur geklopt.
“Ja?” zei Nico.
Martha kwam de kleedkamer binnen.
“Ik vond dat u het geweldig deed.” zei ze.
“Dank je wel.”
“Het is vandaag vast een moeilijke dag voor u geweest, een jaar na het overlijden van uw vrouw. Gaat het wel een beetje? U ziet er moe uit.” “Ik heb niet best geslapen vannacht.” zei Nico.
“Dat begrijp ik, zal ik u vanavond een extra slaaptabletje geven?”
Nico glimlachte. “Dat zou ik wel op prijs stellen”.
“Dan leg ik die bij uw bed, gaat u zo maar lekker slapen.” zei Martha, “Redt u zich verder wel?”.
“Ja hoor, dank je wel.”
“Goed, vast welterusten dan.” zei Martha en ze liep de kleedkamer uit.

Nico zat in zijn pyjama op de rand van het bed. Hij had zijn tanden gepoetst en zich gewassen. Martha had twee slaaptabletjes en een glas water klaargezet op het nachtkastje. Hij keek ernaar, en daarna naar de foto die erachter stond. Een foto van Bep in Spanje, een paar jaar terug, een paar jaar voor de diagnose die zijn en haar leven drastisch veranderde. Hij pakte het lijstje op, gaf het een kus en zette het weer neer. Hij slikte de brok in zijn keel weg.

Hij trok de la van het nachtkastje open. Achterin, achter een paar ongelezen boeken lag zijn oude brillenkoker. Hij pakte de koker uit de la en deed hem open. Zijn oude bril had Nico al lang geleden weggegooid, en in plaats daarvan gebruikte hij de koker voor de medicijnen die hij de afgelopen twee weken had opgespaard.
Hij kieperde de koker leeg in zijn hand en legde de koker terug in de la, achter de boeken. Hij deed de twee pilletjes van Martha bij die in zijn hand en pakte het glas water. Hij gooide alles in zijn mond en kauwde snel de medicijnen stuk. Een bittere smaak overviel hem. Snel dronk hij het glas water leeg.
Nico zette het glas terug, deed zijn bedlampje uit en ging op zijn rug liggen. Hij deed zijn ogen dicht en wachtte. Waarschijnlijk zou het wel een paar minuten duren.

Hij dacht weer aan het moment waarop hij die foto nam, in Spanje. Ze zaten op een boulevard op een terrasje en dronken rode wijn uit een aardewerken karaf. Het was ’s avonds en de zon was bijna onder. Ze zag er schitterend uit in het rode avondlicht.
Nico stond in het spotlicht op een podium. Hij had net een wereldoptreden gegeven voor een waanzinnig publiek.

Hij deed zijn ogen dicht, maakte een diepe buiging en genoot van het applaus.

schreef Bram om 10:04 AM [link]

Wednesday, August 11, 2004

Tirade

"Neemt u mij vooral niet kwalijk," klinkt een benepen stemmetje vanuit het geroezemoes, "maar ken ik u niet ergens van?"
Wat een dooddoener. Ik kijk op, benieuwd als ik ben naar de uiter van zulks een eigenaardige frase.

Over mijn tafeltje staat een man gebogen; gedrongen, bebrild, met tweed jasje en glimmend gelaat. Hij kijkt mij grijnzend en handenwrijvend aan. Er zit iets groens en onuitsprekelijks tussen zijn tanden. Na een kort inwendig beraad besluit ik niet terug te grijnzen.

"Luister eens," begint hij met fonkelende ogen, maar de lust daartoe is mij reeds ontgaan. Had hij zijn - vooralsnog eenzijdige - dialoog voorafgegaan met de zesde letter van het alfabet, dán was het uiteraard een volslagen ander verhaal geweest! Gestaag vertrek ik mijn gezicht in een grimas, verhef mijn ongeschoren bovenlip en begin diep vanuit mijn keel te grommen. Fluisteren is in onze hedendaagse herriecultuur een uiterst ondergewaardeerd fenomeen, dat, als je het mij zou vragen, mits goed gepraktiseerd en weloverwogen toegepast, mensen er daadwerkelijk toe kan bewegen hun kolérekoppen dicht te houden.

De hemel verschiet van kleur, de avond is aanstaande. Het gekakel om ons heen, waarin vurig werd verhaald van verlopen zomers en verloren reizen, verstomd.
Mensen strooien doorgaans kwistig met woorden en houden voor slechts een handvol fenomenen hun koppen dicht, maar fluisteren is daar wel één van. Trouwens, je kop dicht houden is, als u het mij zou vragen, eveneens een ondergewaardeerd fenomeen van heb ik jou daar, en dat is allemaal te danken aan dat kolére individualisme en die klote emancipatie dat ons land sinds de Vrije Liefde en Lange Haren in een verstikkende - en derhalve adembenemende - houdgreep houdt, verderfelijke hersenkronkels die vele dubieuze lieden sinds jaar en dag hartstochtelijk menen te moeten propageren binnen de muren van de volgestouwde hormoonpakhuizen die men 'de middelbare' placht te noemen. Er loopt iets warms en nats over mijn lippen en ik controleer instinctief of mijn neus bloed. Niets minder dan een onomkeerbare dood aan de maatschappijleerdocenten des vaderlands, als u het mij zou vragen.

Tweed, zoals ik hem voor het gemak was gaan noemen, wipt ongemakkelijk van het ene naar het andere been, maar lijkt vooralsnog geen aanstalten te maken om op te hoepelen en mij met rust te laten.
De vuile lul.
"Wacht nou!", probeert Tweed nog, maar ook daar ben ik niet voor te porren, een vergeefs verzoek om redenen die allicht in een zodanige mate voor de hand liggen, dat het mij aan draagvlak ontbreekt om daar nu over uit te weiden. In plaats daarvan besluit ik, na kort inwendig beraad, nog harder te grommen en trommel daarbij met mijn vingers een woest ritme op het tafelblad. Onverschillige omstanders ontpoppen zich tot bevlogen bijstanders en scharen zich in grote getale om ons heen. Hier en daar steekt een vuist theatraal in de lucht om door het gepeupel gescandeerde leuzen kracht bij te zetten. Zweetdruppeltjes vinden hun weg langs de lederen huid van Tweed's voorhoofd, neus en mondhoek en het geheel gutst moedwillig van zijn kin zijn open colbertje in. Dat soort dingen vallen nu eenmaal op, vind u ook niet? Vanuit het café achter mij klinkt stemmige walsmuziek en ik verlang er vurig naar weer te verlangen.

Tweed's verzet breekt. Hij draait zich om, worstelt zich een weg door de menigte en haast zich in de richting vanwaar hij eerder mijn leven was binnen komen schuifelen. Op zijn rug had zich een donkere plek gevormd, zo zag ik nu. Na luidkeels speculeren en een korte, maar hevige, discussie kom ik tot de vrijwel unanieme conclusie dat de zweetplek op de rug van Tweed de vorm van Noord-Amerika heeft. Trálala, het product van mijn inspanningen. Of de combinatie van verbeelding en een broeierige zomerdag, wie zal het u en mij komen vertellen?

Plotseling dringt het tot mij door, omdat ik zijn rug al zo vele malen heb mogen aanschouwen in mijn hoedanigheid als verveelde en vervelende jongvolwassene tijdens de tergend trage minuten van het 7e uur op vrijdagmiddag.
"Meneer duPont, wacht even!", roep ik hem na.
Ik spring op van mijn tafeltje en huppel achter de onfortuinlijke Tweed aan die het inmiddels op een lopen heeft gezet, en terwijl wij samen aan de horizon verdwijnen met op de achtergrond de wegstervende walsmuziek uit het café, maak ik verrukte sprongetjes van vreugde, onderwijl mijn hakken tegen elkaar aan klikklakkend zoals een verdwaald wezentje dat ooit deed in de hoop snel weer thuis te zijn, daar in het verre land van Oz.

schreef ap om 12:08 PM [link]

Monday, August 9, 2004

Het koele doel

Tijd bestaat niet meer. Niets kan worden afgemeten. Het verleden glijdt soepel naar het nu en transmuteert in de toekomst. Mensen veranderen geleidelijk. Gejaagdheid verdwijnt als de aanslag op een autoruit op een winterochtend wanneer de verwarming net is opgezet. Werkgevers schuimen de planeet af maar ook in de lagelonenlanden blijkt de tijd zoek. Uren, dagen, seconden, minuten, weken, nanoseconden, jaren, eeuwen zijn vaten zonder inhoud geworden. Daarmee vervalt ook de geschiedenis en alle narigheid die zij heeft voortgebracht. Neem de honderdjarige oorlog. Kan men hem niet meer in de tijd situeren dan heeft hij nooit gewoed. En zonder die oorlog is Frankrijk Engelands rivaal niet. Ja, het wegvallen van tijd heft zelfs de namen van landen op want het nationalisme is niet meer dan een nevel: vluchtig en daarom niet belangrijk. Op een praalwagen maakt loomheid zijn intrede. Het lijkt of de wereld steeds langzamer rond zijn as draait. Dauwelarij wordt tot kunst verheven. Niets is ooit geweest; daarom ligt alles in het verschiet.

Ooit ging Krum werken. Of was hij dat alleen maar van plan geweest? Hij glimlacht terwijl hij zich uitstrekt. Het laken schuift van hem af. Krum ligt bloot en mochten de buren willen, kunnen zij zijn ochtenderectie zien. En inderdaad: de buurvrouw staat aan de overkant naar hem te staren. Maar wanneer Krum haar opmerkt, draait ze zich om en verdwijnt. Toch heeft zij een ietsje te lang getreuzeld. Krum besluit bij haar aan te bellen, later of nu of gisteren. Hij staat op, trekt zijn ochtendjas aan en gaat naar de keuken. De waterkoker vult hij met water uit de kraan. Het is drukkend warm. Krums ochtendjas valt open. Zijn geslacht wipt op het aanrecht. Verkoelen is de boodschap, denkt Krum.

De buurvrouw van Krum heet Saskia. Saskia heeft grote borsten met zachte tepelhoven die vaak door vingers worden gestreeld. Het zijn niet altijd dezelfde vingers. Soms streelt Saskia, soms haar man, maar vaker haar minnaars. Saskia houdt van vrijen. Het minnespel biedt houvast. Het is haar alternatief voor het uurwerk. Zo vrijt Paul, evenals Kurt, net lang genoeg om een biefstuk net niet te laten aanbranden. Jan daarentegen berijdt haar tot appeltaart uit de oven mag. Haar man haalt net een hardgekookt ei. En de buurman van de overkant?

Vele autobanden kussen de stoeprand. De koperen ploert likt met vlammen de gevels schoon. Mens en dier worden door de hitte murw geslagen. Krum draait de sleutel in het slot van de voordeur. Hij draagt een korte broek, een aansluitend T-shirt en sandalen. Douchen in dit weer stelt niets voor. De haren in zijn slipje zijn nog een beetje nat. Als een rasechte flaneur begint hij over het voetpad te slenteren. De zolen van zijn sandalen aaien de grijze tegels. Zolang hij de hoek van de straat niet bereikt, bestaat de kans dat de buurvrouw hem ziet. Dat zij hem vervoegt en hem aanspreekt met een zoetjesaanstemmetje dat hem week als een mossel maakt.

Verkoeling, denkt Saskia terwijl zij de knop van de spoelbak van de w.c. indrukt. Ze sleept zich naar de slaapkamer. Daar trekt ze haar jurk boven haar hoofd en drapeert hem op een stoel. Saskia draagt slip noch BH. Met haar ene hand wrijft ze over haar borsten, het andere draait krulletjes in haar schaamhaar. De naakte vrouw kijkt schichtig naar de overkant. Maar de buurman ligt jammer genoeg niet meer naakt in bed. Met haar handen omhoog ten teken van overgave drukt ze haar lijf tegen het venster. De buurman staat op de hoek van de straat.

Krum gaat het hoekje om. De straat splijt open. Gevelrijen ruimen plaats voor zandkorrels, bermen voor golfbrekers, waterleidingen voor golven. Het deksel van de stad wordt ingeruild voor jodium en walsende wolken. Het kind in Krum breekt uit, steekt zijn hoofd in het zand, rent in zee en spoelt zijn haren. Het springt op en neer in de branding met het natte hoofd in de nek en lacht. Het lacht de wolken naar beneden.

Saskia trekt haar jurk aan en verlaat de slaapkamer. Ze stapt uit het huis en sluit de voordeur, steekt schuifelend de straat over naar de hoek. Daar aarzelt zij, draait een beetje op één been, wiebelt een beetje met haar kont maar doet het toch: zij treedt in de voetstappen van de buurman en gaat het hoekje om.

Krum ravot tot hij door slaap overmand wordt. Morpheus wiegt het kind tot het oud en grijs is. Een zonnestraal likt een ooglid open. De zee staat ver van hem af. Het moet eb zijn, denkt Krum, maar het zand waarop hij ligt, is nat en zompig. Zijn stramme klauwen graaien naar schelpen die ze niet vinden. Het ruisen van de golven hoort hij amper. De wolkenloze lucht strekt zich helderblauw boven hem uit. Mij best, denkt Krum, terwijl hij op zijn rug blijft liggen op zand dat aan hem zuigt.

Saskia snelt naar de golfbreker, zo rap als haar voetjes haar dragen kunnen. De golfbreker ligt alleen met zijn kop in het water, de rest van zijn stam glimt van de algen. Voorzichtig klimt zij op de gladde wand en haast zich dan naar de kop. Het water klotst er tussen losse keien. Mosselen hangen er bij trossen. Willekeurig plukt ze één, slaat de schelp met een kleine steen kapot en knoopt een stukje garen rond het schelpdier. In hurkzit positioneert Saskia zich boven twee losse stenen en laat het garen met het aas tussen haar benen in de spleet zakken. De krab die ze naar boven trekt, zwaait vervaarlijk met z'n ene schaar in de richting van haar geslacht. Onder haar jurkje draagt Saskia niets.

Een man zonder leeftijd helpt Krum recht. "Weet je wie ik ben?"

Krum schudt het hoofd.

"Ik ben Phil de Strandputter"

"En mijn naam is Krum."

Ze schudden handen.

Saskia vangt krabben tot haar oogleden dichtvallen. Morpheus sluit haar liefdevol in de armen tot het water tussen de rimpels van haar huid stroomt. Een zonnestraal aait haar wakker. De golfbreker staat ver van haar af. Wat een groot strand, denkt Saskia, maar haar vingertoppen voelen de algen op de wand van de golfbreker. Ze grabbelt in het rond maar vindt geen mosselen. Het klotsen tussen de rotsen is bijna onhoorbaar. Boven haar strekt de wolkenloze, felblauwe lucht zich uit. Mij best, denkt Saskia, terwijl zij op haar rug blijft liggen op zand dat aan haar zuigt.

Phil duwt een buisje in nat zand, net naast een golfbreker, en plant een stok met een vlaggetje. Hij schreeuwt naar Krum dat hij mag proberen. Krum, die naast een andere golfbreker staat, haalt uit met een golfclub. De witte bal dwarrelt met de wind mee, ver weg van de hole en belandt op droog zand. "Nog eens" tiert Phil. Krum probeert met een ander balletje maar opnieuw komt hij niet in de buurt van Phil.

Een man zonder leeftijd helpt Saskia recht. "Hallo, ik ben Phil de Strandputter."

"En mijn naam is Saskia."

Ze schudden handen. Ook Saskia mag proberen te putten. Maar ook zij is er niet beslagen in, hoe vaak zij ook probeert. Het balletje wordt steeds het binnenland in geblazen.

"Kom mee" stelt Phil voor. En zo maken Saskia en Krum toch kennis in de bunker van Phil. De bunker is een oude, grijze betonblok midden in de duinen. Met roestige kanonnen tracht hij tevergeefs nieuwsgierigen te weren. Binnen stinkt het naar uitwerpselen. Op de muren is graffiti aangebracht: hakenkruizen, Leroy was here en 0478/381946 enkel bi's. Glasscherven liggen her en der op de grond verspreid. Op een platte kei plaatst Phil een kaars, die hij aansteekt. In het licht van de vlam glinsteren twee paar ogen.

"Ik heb op jou gewacht"

"En ik op jou"

"Hoe heet je eigenlijk?"

"Saskia. Jij?"

"Krum"

Een tweede kaars, groter dan de eerste, licht op. Phil hijst zich op een grote, platte rots in de hoek van de vierkante, kale, betonnen ruimte. Zijn stem klinkt zacht. "Jullie hebben de bal mis geslagen. Niet één, maar meerdere keren. Dat is jammer. Hadden jullie geput, dan mochten jullie naar de volgende strook. En na die strook, zou een andere hebben gevolgd enzoverder. Het zou goed geweest zijn. Jullie zouden een doel hebben gehad. Dan zou ook ik tevreden zijn want daar houd ik mij mee bezig, met mensen een doel in hun leven geven en hen tevreden stellen. Niet getreurd echter! Jullie kunnen het opnieuw proberen. Als jouw arm geen pijn meer doet, Krum, en als jouw knieën niet meer slap zijn, Saskia. Rust daarom uit, kinderen, worstel met de pijn en dwing hem tot overgave. Ondertussen waak ik over jullie." Zonder waarschuwing blaast Phil de kaars uit.

Het enige licht baart de kleine kaars tussen Krum en Saskia. Ze kijken elkaar aan. Blijven dat doen. Tot Krum de stilte doorbreekt.

"Jouw kraaiepootjes komen prachtig tot hun recht in dit licht, wist je dat?"

"Spreek mij niet naar de mond, Krum. Waarom wacht je niet op mij?"

"Ik zie jou niet, Saskia. De zon werpt mij tegen de hoek van een gevel."

"Jij intrigeert mij. Het benieuwt mij of je het uithoudt tot de aardappelen koken."

"Ik houd jou in mijn armen tot al je potten ontploffen."

"Je bent grappig, Krum."

"Zie je mijn paal?"

"Ja."

"Is hij te klein?"

"Helemaal niet. Waarom?"

"Omdat je je afkeert."

"Ik moet plassen. Plassen is menselijk."

"Plas hier. Het stinkt toch al naar pis."

"Waarom keer jij je van mij af?"

"Denk je dat ik blind ben? Dat ik de mannen niet zie die je deur plat lopen?"

"Ik misbruik hen omdat mijn man een watje is. Hij houdt het geen hardgekookt ei vol. Kom bij mij, Krum, en ik verlaat je niet."

"Nooit hoor je te zeggen."

"Nooit bestaat niet, Krum. Nooit is nonsens."

"Ik zie je tegen het raam staan. Naakt. Jouw schaamhaar nat. Je stijve tepels tegen het glas. Je armen omhoog. Je geeft je over. Ik verlang naar jou. Ik wil van jou houden. Maar ik lig op mijn bed aan de overkant met m'n staaf die naar jou snakt. Hoeveel gevels scheiden ons, hoeveel tegels, hoeveel deuren, Saskia?"

"Nee, Krum, er is niets dan de zee rondom ons. Wassend water, weet je wel? Komaan, Krum, hap toe. Hap in mijn mosseltje. Hier is het."

"Als ik hap, breng je mij verkoeling?"

"Ik ben zelf aan verkoeling toe."

"Dan hebben wij een gemeenschappelijk streefdoel."

De straat is leeg. De zon zweept iedereen naar binnen en verhit het asfalt. Wagens leunen tegen het trottoir als moeë cowboys tegen de toog van de salon. Het raam hangt open. Het huis krijgt de zuurstof niet waar het om snakt. Op bed ligt Saskia op haar rug, Krum op zijn zij. Hij streelt haar haren, knabbelt aan haar lelletjes, aait haar dijen, wurmt zijn pink in haar navel. Zij sabbelt aan zijn linkertepel terwijl zij met haar linkerhand zijn balzak masseert. Krum kruipt op zijn knieën naar beneden en begint met zijn tong haar schaamharen te bevochtigen. Met zijn handen streelt hij haar borsten. Zijn harde lul klopt tegen zijn onderbuik wanneer hij zich op bed laat vallen. Wanneer hij met het puntje van z'n tong haar genotsknop beroert, ontploffen in de keuken haar potten. Van tussen haar benen kijkt hij naar haar op. Ze is niet geschrokken. "Ik houd van jou" zegt hij. "Lik mij koel" antwoordt zij en brengt met haar handen zijn hoofd weer in positie.

Er is geen tijd. Tijd is nutteloos. De wereld draait niet meer rond. Er is ebbe noch vloed. Alleen het nat zand dat zuigt. Mosselen wachten om geplukt en stuk geslagen te worden. Krabben laten zich gewillig vangen en happen onmiddellijk toe. Algen glimmen op de stam van de golfbreker, die met zijn kop in zee steekt. Het doel is verkoeling.

In de kale bunker hijst Phil zich in het donker op zijn rots. De tijdloze man grijnst. Ook al slaan zij de bal mis, zij hebben een doel en uiteindelijk is dat het belangrijkste: een doel hebben in het leven.

schreef GDB om 09:35 AM [link]




huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


-bicat- !

Kritieken worden pas waardevol wanneer u zelf een duit in het vuighe zakje doet.
Inspiratie? Mailen maar.
Onvuighe inzendingen worden zomaar geweigerd. Met of zonder reden.
(?)