huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


Friday, August 6, 2004

Roemer's einder

"Licht. Lucht.' Roemer had het advies van de arts vrolijk opgevolgd. Een kort verblijf op een van de eilanden, altijd al zijn favoriete vakantiebestemming. Want, zei Roemer altijd, eenmaal van de boot blijkt alles dat drukt te zijn achtergelaten op het vaste land. Zelfs de drukte in de bus naar de veerhaven en later op het passagiersdek van de pont hadden dat gevoel van naderende bevrijding niet aangetast. Roemer had zich zelfs kunnen amuseren om de voordringende Duitsers, om de overheersende reuk van zonnebrandolie en de behaarde benen in korte broeken. Roemer kijkt om zich heen. Hij ziet benen die qua onsmakelijkheid concurreerden met te dikke buiken, onverhuld schaamhaar, te blote uitgemergeld borsten en te zichtbare tatoeages op bejaarde perkamentig lubberende schouders. Het misplaatste voeren van de met de pont meezwenkende meeuwen, het gevecht om een zitplaats op het voordek, het gejengel van kinderen angstig of zij de auto op het benedendek nog op tijd zullen kunnen terugvinden. Het deert niet. De mannen die als vanzelf iets zeebonkerigs over zich probeerden te krijgen, de onvrede van de vrouwen: het vormt geen belasting voor Roemers gemoed. Hij hoort en ziet het wel, maar zonder er hinder van te ondervinden. "U moet er echt eens helemaal uit", had de arts gezegd. Ze had gelijk gehad.

"Feiten checken" schreef een baas ooit op zijn eerste notitie. Het maakte destijds een diepe indruk op Roemer. Hij controleerde alles nauwgezet en ontdekte drie missers. Ze waren niet doorslaggevend; het beeld werd echt niet anders, maar toch. Met groot respect leverde Roemer een tweede versie in. Later zou hem blijken dat de baas altijd "feiten checken" schreef op iedere eerste versie. Dan hoefde de baas het nog niet te lezen en wekte hij toch de indruk te sturen en te controleren. Een andere baas schreef op ongelezen notities "Boeiend". Dodelijk voor wie niet interessant wil zijn, maar iets wil bereiken. Een aanmoediging voor dromers en fantasten. Roemer had zich voorgenomen feiten te checken en geen interessante verhalen te schrijven. 'Bomen die tot in de hemel groeien, wortelen in het vagevuur.' Hij kent de Chinese vloek "moge uw leven boeiend zijn" en als je een vakman wilt worden, gelooft Roemer, dan moet je niet creatief willen zijn. De kern van het professionele bestaan is de waardering voor regelmaat en saaiheid. Net als een burgermansbestaan. Kunstenaars kunnen niet bestaan zonder de fantasielozen. De krekel maakt geen kans te overleven zonder de mier.

'Licht. Lucht. Zilt. Zoet.' De belofte van het wad. Dat beloofde herstel. Rana had hij eerst helemaal niets durven vertellen. Hij had ook niet geweten waar hij had moeten beginnen. Of wanneer zich een goed moment aan had kunnen dienen voor zulk slecht nieuws. Zelf had hij de diagnose in een vroegtijdig stadium gesteld, toen bleek dat hij de meest eenvoudige dingen niet meer kon onthouden. De aantasting van zijn brein was zover gegaan dat hij .... Voor hem was het volkomen duidelijk: Alzheimer, een hersentumor, op zijn best schizofrenie (waarvan hij in de Medische encyclopedie voor het hele gezin had gelezen dat dat goed met medicatie te beheersen was). In ieder geval onomkeerbaar en onafwendbaar. Het onpeilbare, onuitputtelijke verdriet was niet het gevolg van het verlies van de verstandelijke vermogens (dat was ook wel ernstig, want zijn materiële bestaan was op zijn intellect gebaseerd). Nee, Roemer, was vooral verdrietig omdat verdriet het enige gevoel was dat nog over was, dat nog doordrong, de laatste emotie in een zee zonder getijde. De droefheid had hem nu al maanden, nee seizoenen, achtervolgt. Iedere keer als hij wakker werd. Bij ontspanning. Als hij merkte weer iets vergeten te zijn (ondanks alle voorzorgsmaatregelen). Als hij een woord niet kon vinden ofschoon hij het bijna fysiek kon pakken, voor zich zien, concreet verbeelden. Als. Als. Als. Als.

Kortom: "Als hij nu eens op vakantie ging." 'Licht. Lucht. Zilt. Zoet. Eb. Vloed.' Bij het verlaten van de veerstoep maakte Roemer een sprongetje. En nog een. Hij besloot opeens te gaan lopen. De route die hij bedacht zou weliswaar om zijn. Hij wilde langs de Razende Bol, genieten van de zandvlakte, de afstand tot de zee, de min of meer ongerepte stranden. Hij wilde jutten met de wind in zijn haren, zand in zijn schoenen, zout op de tong. Het oneindig zand met aan de horizon een groenblauwe streep Westzee. "Rood. O, rood. Tomatenrood. O rode tomaat", dichtte Roemer. Het gedicht was onbevredigend, maar de tocht die hij voor de boeg had, zou alles meer dan goed gaan maken.

Roemer ligt op het zand. Naakt. Letterlijk. Dat mag hier en omdat het vlak bij zee nog steeds tamelijk fris is, zijn er weinig mensen. In de verte is een gezin. De man vist. De vrouw zont. De kinderen zijn verstandig. Zij hebben al hun kleren aan. De man en vrouw zijn verstandig. Zij maken geen ruzie. Roemer hoort niet meer dan het ruisen van de golven, het ruisen van het vermalen van miljarden schelpen tot strand. 'Gewichtloos, gezichtloos, gedichtloos. Wolkenloos, woordenloos.' In de duinpan waar Roemer ligt is het warm. Roemer koestert de aarde. Tussen aarde en hemel ligt hij, Roemer. Rana noemt de zon altijd haar beste minnaar. Daar zit wat in: de zon is zeker geen minnares.

Roemer droomt. Hij loopt door de stad, de stad van ragfijn web, de stad zonder passanten. Hij draagt zijn hemd, zijn gele hemd. En verder niets. Of misschien toch ... sokken? Roemer is bang. Maar niemand ziet dat hij geen kleren draagt. Niemand ziet hem; hij ziet niemand. Toch zijn de mensen er; dat weet hij zeker. Nu zit hij in het park. Op de bank onder de linde. Hij kijkt naar de vijver, de vijver met de brug uit de tuin van Monet. Dan komt de oude vrouw. Zij zal hem zien. Zij zal schrikken, steun zoeken op haar stok. Zij schrikt. Van zijn geslacht, zijn nageslacht. De zon is warm.

Roemer slaapt vaker overdag de laatste tijd. Als de vermoeidheid hem overmant en hij vergetelheid zoekt. Het ontwaken is als de terugkeer uit een put. Een diepe put. De put met de slinger. 'Licht. Lucht. Zilt. Zoet. Eb. Vloed. Het verdriet blijft.' Roemer knikt. Zo is het. Hij loopt de zee in. Het water is eigenlijk niet eens zo koud. De einder lokt.

schreef Peeter Burgeik om 11:43 AM [link]

Wednesday, August 4, 2004

Het grijze vrouwtje

“En zij? Die vrouw daar, wie is dat?”
“Ja, een triest gezicht zo, vind je niet? Zoals je haar daar nu ziet, zo zit ze er altijd.
Dag in, dag uit daar aan dat tafeltje. Ze zit alleen en kijkt naar buiten.
En zo oud is ze eigenlijk nog niet. Dat viel me op toen ik haar dossier doorbladerde. Exact weet ik het niet meer, maar ik stond er toen versteld van. Ergens begin zestig meen ik… of nog net geen zestig? Zoiets in ieder geval.”
“Aha...”
“Ja inderdaad, dat dacht ik toen ook. Je zou haar toch haast twintig jaar ouder schatten.”
“Ja, inderdaad zo’n…”
“Iedere dag zit ze daar zo. Treurig en alleen aan dat tafeltje. De zuster kleedt haar ’s ochtends aan en zet haar daar neer. ’s Avonds brengt een andere zuster haar weer naar bed.
Ze doet niets en ze zegt niets.
De zusters brengen haar af en toe een kopje koffie. Daar drinkt ze dan wel van. Een paar slokjes. De rest wordt koud.
Met het eten gaat het net zo. De zusters brengen haar kleine maaltijden aan haar tafeltje. Als ze dat niet zouden doen zou ze langzaam van de honger sterven.
En het zou haar niets uitmaken…
Die vrouw die zit daar, die vrouw die kwijnt en wacht op de dag dat ze dood is.
Verslagen door het leven.
Het is haar te veel geweest, ze kan het niet meer aan. Ze is zo murw geworden dat ze zelfs geen doodswens meer heeft.
Ze zit.
Zie je dat? Daar zit ze. Dat is alles.
Zo’n drie, vier jaar geleden is ze bij ons gekomen.
Ze was alleen. Iemand van een instelling begeleidde haar binnen. Ze kwam met een kleine koffer met een paar jurken en wat ondergoed.
Ze had ook twee foto’s mee. Dat was wel indrukwekkend. Twee foto’s van twee mannen. Bijna hetzelfde. Eéntje in zwart-wit, een jonge, best knappe man met z’n haar strak achterover.
De ander was haar zoon. Hij keek op precies dezelfde manier in de lens. Als twee druppels water leek die jongen op z’n vader. Alleen aan het kapsel en het feit dat het een kleurenfoto was kon je zien dat hij van een generatie later was.
Die begeleidster heeft haar daar aan dat tafeltje neergezet en heeft de formaliteiten afgehandeld.
Het enige wat we van haar weten is wat in haar summiere dossier staat en wat ze die avond vertelde toen een zuster haar voor het eerst naar bed bracht.
De zuster had haar kleding opgeborgen in de kast en de foto’s zo neergezet dat mevrouw ze vanuit haar bed kon zien.
Al die tijd dat de zuster bezig was had mevrouw op de rand van haar bed gezeten. Haar blik leeg en op de vloer gericht. Ze heeft toen haar geschiedenis verteld. Zachtjes mompelend, zonder de zuster ook maar één keer aan te kijken.
Ze praatte emotieloos en ongeďnteresseerd alsof ze het levensverhaal van een vreemde voorlas. Die zuster had het juist aangevoeld. Mevrouw sprak zodat haar verleden bekend zou zijn. Mevrouw sprak om daarna nooit meer te hoeven spreken.
Ze voelde zich erg ongemakkelijk toen, die zuster. De sfeer in dat kleine slaapkamertje moet kil en onaangenaam geweest zijn. IJskoud. Ze had er geen woord tussen kunnen krijgen, geen vraag kunnen stellen. Mevrouw vertelde haar verhaal. Dat was het.
Ze zei dat ze weduwe was. Al jaren en jaren. Vanaf z’n geboorte had ze haar zoon alleen opgevoed.
Maar dat is het vreemde. Het klopt niet met haar dossier. In haar dossier staat niets vermeld over een echtgenoot of het overlijden er van.
Maar de manier waarop mevrouw gesproken had maakte duidelijk dat dit voor háár de absolute waarheid was.
We vermoeden dat de vader van haar zoon haar rond de geboorte van hun zoon verlaten heeft.
Die jongen was haar oogappel. Haar enige kind.
Ze moet intens van die jongen gehouden hebben. Of tenminste, waarschijnlijk heeft ze dat altijd gedacht.
Hij was het enige wat ze nog had op de wereld.
Waarschijnlijk heeft ze in hem altijd haar weggelopen man gezien. Waarschijnlijk heeft ze haar zoon aanbeden om zichzelf zo te troosten voor het gemis van haar man.
Ze heeft die jongen verschrikkelijk verwend en vertroeteld.
Het is dan ook een ontzettende klootzak geworden zoals dat dan vaak gebeurt.”
“Zei ze dat? Zei ze dat haar zoon een klootzak was?”
“Nee-nee, oh god, nee joh, dat zei ze niet. Die jongen was helemaal fout. Hij had een dossier bij de politie waar je U tegen zegt.”
“Is dat zo? Hoe weet je dat? Da’s toch niet openbaar, zoiets?”
“Nee, klopt, maar ik heb toen een agent gesproken. Die man heeft me meer verteld dan hij eigenlijk had gemogen.
Hij zei me dat die zoon echt zo’n uhh, zo’n narcist was.
Een grote klootzak, zoëen die je op je bek sloeg als je te lang naar z’n vriendin keek.”
“Fijne jongen…”
“Maar da’s nog niet eens het ergste.
Hij had altijd wel een vriendin, was het niet de ene dan wel de andere.
Met het grootste gemak ruilde hij ze in. Van die mutsen met teveel gouden kettinkjes om hun nek enzo, je weet wel.”
“Ja…”
“Van dat soort dus. Maar meneer had nog een hobby.
Je kent de Keileweg toch wel?”
“Da’s toch waar de heroďnehoertjes van Rotterdam lopen?”
“Ja daar ja. Een triest gebeuren dat. Echt naar en triest.
Maar meneer kwam er graag!
En hij was er berucht.
Eigenlijk wilden die vrouwen daar ook nooit met hem mee in de auto.
Maar goed die meiden daar zijn dus allemaal ontzettend verslaafd. En als je er maar lang genoeg wacht staat er vanzelf wel een te trillen op haar benen. Dat is als ze echt hun shot nodig hebben.
Hun lijf trilt dan onophoudelijk en ze draaien met hun ogen. Geheel bezweet maar zo ijskoud. Holle ogen die dwars door je heen kijken. Miserabel zijn ze. Het is of ze ieder moment om kunnen vallen. Instorten van ellende.
Zo’n moment is er nog maar één ding wat ze willen. Geld! Ze willen geld! Ze hebben hun shot nodig, hun dealer is meedogenloos, ze willen geld!
Enof ze dan wel mee willen! Pure wanhoop, alles voor de heroďne! Neuken voor een tientje als het moet!
Ja, zo deed hij het. En hij kickte er op.”
“Zo!”
“God, ja, wat moet die hufter zich machtig gevoeld hebben tegenover die weggeteerde meisjes.
En soms, soms op het hoogtepunt van z’n triomftocht sloeg hij er op los!
BANG, BANG, BANG, vol met z’n vuisten!”
“…”
“Ja, hij heeft een paar van die hoertjes flink het ziekenhuis in gerost. Broze verslaafde hoopjes ellende. Eerst nam hij ze, daarna brak hij ze!”
“Godverdomme wat een klootzak…”
“Tja en heroďnehoertjes hč, daar doet de politie weinig voor. Meestal is hij er goed mee weggekomen. En juist dát liet hem zich zo machtig voelen. Dát was de kick in z’n leven.
Tweeëndertig was hij. Tweeëndertig en hij woonde nog steeds bij z’n moeder.
Ja en die deed dus alles voor hem. Zonder tegenspraak bediende ze haar oh-zo-lieve-jongen op z’n wenken.
Commentaar had ze nooit op hem. De buitenwereld bleef buiten.
Wat zich daar afspeelde, gebeurde daar. Dat was niets waar zij mee te maken had.
Haar zoon was een lieve jongen en hij werkte hard als accountant.
Bloed op z’n kleren werd nooit naar gevraagd, vreemde mensen over de vloer waren beleefde kennissen van hem en het geld wat hij uitgaf, daar had hij netjes voor gewerkt.
Ook als het vele malen meer was dan hij ooit met z’n baan had kunnen verdienen;
Hij was een goede, hardwerkende jongen die best lief was voor z’n moeder. Hij bedoelde in ieder geval alles goed.
“Oh-ja, zo dus.”
“Ze zijn er nu nog steeds niet precies achter hoe meneers louche praktijken precies in elkaar steken.
Maar goed, wat er dus gebeurd is. Zo’n vier jaar geleden heeft hij een ongeluk gehad.”
“Oh?”
“Ja, een ernstig ongeluk, hij heeft het ook niet overleefd. Daar waar de A20 overgaat in de A12, da’s een lange bocht naar rechts. Daar is hij met zo’n honderdzestig kilometer per uur tegen de vangrail geklapt en naar beneden gestort.
Helemaal dood. Het moet er verschrikkelijk uitgezien hebben! Z’n gezicht zeiden ze, was één vieze pulp van bloed, vlees en gebroken autoglas.
Z’n telefoon hebben ze daar ook gevonden. En da’s waarschijnlijk waarom hij uit de bocht gevlogen is. Hij was een berichtje aan het typen. De eerste woorden had hij al geschreven. Het was een antwoord op de SMS die hij net van z’n moeder had gekregen.
Wat ze hem schreef:
‘Rij je wel voorzichtig jongen, het wordt glad vanavond.’
Kun je het voorstellen? Door haar man verlaten en haar enige kind op die manier verloren?
De twee enige mannen in haar leven. En zij verantwoordelijk voor het verlies.
Het kan niet anders of ze ziet het zo.
Mijn god, wat moet die vrouw zich schuldig voelen!
En zo zit ze hier dus ook.
Verslagen, verbitterd en wachtend op de dag dat haar leven voorbij is.”

schreef Bart om 11:36 AM [link]

Monday, August 2, 2004

Nicotinepleister

'Rook je weer?'
- 'Hmmm.'
'Hé waarom nou, je was deze keer al drie maanden gestopt!'
- 'Feestje gister. Een peuk en dan weet je het wel hč.'
'Slappeling, hoe vaak ben je nu al niet gestopt. Je moet het gewoon eens volhouden.'
- 'Ja ja, dat weet ik zelf ook wel.'
'Ja maar je moet het gewoon doehoen ...'
- 'Zeur nou niet zo! Ik zal niet in bed roken ok?'
'Nee dat moest er nog bij komen!! Ga je tanden maar poetsen, dit is niks'
- 'Jezus moet dat nou. We liggen net in bed. Zo heb ik geen zin meer.'
'Ga nou maar je tanden poetsen. Je stinkt als een wezenloze, zo moet ik je niet in bed.'
- 'Grmbl. Ik zeg tegen jou toch ook niet dat je moet stoppen met eten?'
'Ow, dus je vindt me dik!?'
- 'Dat valt best mee, ik vind gewoon dat je zeurt.'
' 'Dat valt best mee' betekent dat je me dik vindt!'
- 'Jezus dat zei ik toch niet. '

...

- 'Maar je hebt wel wat rolletjes ja.'
'Owwww ik heb rolletjes. Nog iets anders om over te klagen? '
- 'Je begon zelf. Hou nou maar op, ik ga mijn tanden wel poetsen. Heb jij je wel gewassen van onderen?'
'Godverdomme hufter, nou zeg je ook nog dat ik stink! Je vind me een stinkend vet varken!!'
- 'Neehee!'
*zucht*

-'Het was maar een grapje. Sorry liefje, zo meen ik het toch niet. Ik hou van je!'
'Dat zeg je alleen omdat je nog wil neuken.'
- 'Dat is helemaal niet waar. Ik ga toch ook mijn tanden poetsen voor je?'
'Nou nou, wat heb je toch veel voor me over. Terwijl je zoveel aan te merken hebt. Mannen zijn hufters!'

...

- 'Ok sorry, ik had dat allemaal niet moeten zeggen. Kijk lieverd, ik sta al op. Lekker mijn tanden poetsen. Morgen stop ik weer met roken. Goed? Voor jou.'
'Ga nu maar je tanden poetsen ..'
- 'Nee echt, morgen stop ik. Of overmorgen. Snel. Ik ga heel binnenkort stoppen, ok?'

...

'Zo schatje, ga maar lekker liggen.'
- 'Ben je niet meer boos?'
'Nee hoor lieve, je stopt zo toch met roken.'
- 'Eh .. ja. Dat denk ik wel.'
'Nou precies. Ik heb het je al vergeven. Ga nu maar lekker liggen. Wil je een spelletje doen?'
- 'Wat voor spelletje?'
'Ga maar liggen, dan merk je het wel.'
- 'Ohh, handboeien! Hier, ik lig al helemaal klaar.'
...

- 'Wat heb je nou? Een blinddoek! Dat hoeft niet perse hoor. Ik wil je graag zien enzo.'
'Doe het nou voor mij. Hier, hij is heel zacht, voel je? Kan ik me helemaal laten gaan als je me niet ziet. Dat wil je toch wel?'
- 'Nou ok, niet kriebelen hoor.'
- 'Oew ja lekker. Owww jaaaaa.. niet te snel... Oh zo jaaaa, dat is precies goed schatje . Hee. Hee! Wat is dat nou. Hee man, dat plakt!'
'Dat is een nicotinepleister schatje. Dan stop je zo makkelijker met roken.'
- 'He dat hoeft niet hoor, Kijk nou, ik voel hem al helemaal slap worden. Ga maar door met wat je net deed. Dat stoppen met roken komt later wel.'
'Paar pleisters maar schatje, daar merk je niks van. Ga ik je zo weer verwennen. Eerst nog wat pleisters bij plakken.'
- 'Schat, schat, dat zijn er teveel hoor!'
'Welnee, we moeten het in een keer goed doen. Hoppa, nog wat pleisters erbij. Hihihihi, je ziet er heel leuk uit zo met al die pleisters hoor. Wacht, ik ga nog even een paar van beneden halen. Je wilde toch stoppen? Ik zal er voor zorgen dat je stopt liefje. Ik ga je helpen. Fijn he, eindelijk kan je voorgoed stoppen met roken.'

schreef Cinner om 12:44 PM [link]




huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


-bicat- !

Kritieken worden pas waardevol wanneer u zelf een duit in het vuighe zakje doet.
Inspiratie? Mailen maar.
Onvuighe inzendingen worden zomaar geweigerd. Met of zonder reden.
(?)