Albinoni, de kleine grote barok componist! Het is niet toevallig dat Barok niet alleen een aanwijsbare periode in de (kunst)geschiedenis is, maar het is ook het punt waar de golf over de kop slaat en de branding onstaat in turbulente wervelingen. Barok architectuur waar de wanden overgaan in het plafond en de kromming tussen wand en plafond versierd wordt met patronen uit een chaotische natuur... branding van de zee, de rafelige randen van bladeren, de zachtheid van de wolken. Barok muziek waar de noten ontsnappen uit het rigide schema van de klassieke partituur. Noten zweven tussen de lijnen van de notatie, nooit sober maar altijd in overvloed. Er is geen aanwijsbaar punt meer waar het wand of plafond betreft, refrein en maat zijn in constante verschuiving. Barok is een onwaarneembaar worden.
Barok schrijven? Zou dat schrijven zijn in een taal waar niet alleen de woorden eindeloos met elkaar verstrengeld zijn, een gordiaanse knoop? Schrijven in een taal waar juist de pauzes en komma's tussen de woorden, het korte zwijgen een eigen verhaal verteld? Literaire overvloed en verstilling? En dat alles tegelijk?
Ik had Marieke vier maanden eerder, tijdens de lente, leren kennen. Ze was vlasblond en droeg een groen t-shirt waarin haar enorme borsten een forse inkijk construeerden terwijl ze vanaf de terrasstoel naar me opkeek. Twee dagen later was ik al bij haar ingetrokken en lag verzadigd op haar ronde buik en tussen die twee blanke duinen en keek in haar vreemd spottende ogen, dat groene licht waarmee ze me alles kon laten doen. Veel was groot bij haar: haar dijen, haar billen, haar bovenarmen, haar ronde appelwangen, en vooral haar borsten. Haar borsten waren enorm maar niet belachelijk. Vorstelijke borsten. Soms kwam ik thuis na het werk en zag haar languit en bloot op het bed liggen. Ze eet crackers met komkommersalade waarbij het groentenat op die twee enorme blanke vleesballonnen lekt zodat ze glimmen en er nog vleziger en voller uitzien, als Spaanse hammen op de markt. Het lukte me zelden geheel uit de kleren te komen voordat ik al het frisse sap van haar tieten likte.
Het was intussen eind september en we waren een eindje gaan fietsen. Ze kletste voluit in haar vrolijke Brabantse accent en keek me aan met die stoute ogen waarmee ze al die tijd dat ik haar kende dezelfde grap voor me verborgen leek te houden. In gedachten was ze mijn clandestiene geuzenliefje dat vers van het boerenland me als een kloek beschermde tegen de vijand, ik weet niet of ik me nu goed uitleg. Ze droeg een kort dun blauw rokje, een wit t-shirt, sandalen en rode konen op haar wangen. Als ik af en toe een beetje achterop raakte, zag ik dat het zadel bij haar niet te zien was, weggezonken tussen haar billen. Haar benen waren mollige sierlijke ovalen. Haar zangerige stem was als een romige kaas in een landschap van gras, wilgen, sloten, vogels, paardebloemen.
Het bootje lag er nog, verscholen in het riet en ik hield haar bij een hand vast terwijl ze wiegelend en schommelend vanaf de kant in het bootje stapte. Ik volgde haar en zette met een van de riemen af van de kant. Eenmaal in de sloot, plaatste ik de riemen in de ringen en roeide langzaam weg. Marieke had heur lange lichtblonde haar losgemaakt en het viel als een gouden waterval langs haar lichaam, over haar borsten en haar rug tot aan haar billen, Vikingkrijgster. En die vreemde ogen die me overheersend (kunnen vrouwenogen ook keizerlijk zijn?) aankeken, tijgerin. "Marieke, de stoute keizerin", dacht ik. "Waarom lach je?", zei ze gebiedend.
We gleden traag via sloten en vaarten door een met struiken afgezoomd weidelandschap met riet, paarse bloemen en de geur van hooi en takken. Bramen- en vlierbesstruiken. De vaart kwam uit op een groot meer dat we overstaken en bij een door mensen verlaten weiland legden we aan. Verderop achter een hek graasden koeien, we zaten op een oud tafellaken en dronken witte wijn, aten tomaatjes en kreeftsalade. We zwommen bloot in het meer, lieten ons opdrogen, neukten intens en elkaar van alles en nog wat in de oren toewensend en zwommen opnieuw. Ik voelde me Koekebakker die de hoge belangrijke heren ver weg weet en keek dromerig tussen mijn oogleden naar het liederlijk lome lichaam waar ik van hield, mijn blanke blote boterberg, de aangedreven wolken in de lucht en dan naar het vee aan de andere kant van het hek. Een van de koeien was naar het hek toe komen waggelen en stond met de kop over de afscheiding heen ons met de koeienblues in de ogen aan te staren. Onder haar buik hing haar volle opgeblazen uier, een enorme zak melk waarvan ik slechts de voorste twee tepels als dikke roze vingers zag wijzen...
"Ze doet me aan jou denken", zei ik en had toen al spijt. Ze begreep direct wat ik bedoelde, graaide al onze kleren bij elkaar, stapte zonder verder iets te zeggen in het bootje en zette af. Een meter vanaf de kant stond ze nog steeds bloot met een riem in haar handen en keek me toen vreemd glimlachend aan. "Dag", zei ze stout. Ze ging zitten, plaatste de riemen op hun plaats en roeide weg. Ik was al opgestaan en keek aarzelend toe. Ik besloot in het water te springen en een stuk mee te zwemmen om haar te vermurwen. Ze was intussen enkele meters verder gestopt met roeien en trok haar shirt over haar grote lijf heen naar beneden. Toen ze me aan zag komen greep ze snel naar de spanen en vergrootte opnieuw de afstand. Voor iemand die het liefst de hele dag als een luie poes op bed lag, kon ze onverwacht snel roeien. Na een tijdje gaf ik het op en zwom terug naar het weiland. Ze zou vanzelf wel terugkomen.
Het werd fris en de bewolking nam snel toe. Ik borg al de eetspullen op in een plastic tasje en wikkelde me in het oude tafellaken. Ik rende wat kleine rondjes op het weiland om warm te blijven en toen ik de koe naar me zag kijken schudde ik mijn vuist. "Jouw schuld", zei ik met wankelend goede moed. De blauwe lucht had nu geheel plaatsgemaakt voor grijze lucht waarin ruwe wolken grillig afstaken. Het bootje was nergens te zien. Ik wachtte, rillend, terwijl ik zes maal tot driehonderd telde. Ik werd een beetje boos, maar liet mezelf niet toe teveel na te denken. "Dag koe", zei ik en met een hand de plastic tas en het opgevouwen tafelkleed boven mijn hoofd houdend, stapte ik opnieuw het water in. Met een arm rustige slagen makend bewoog ik door het water. Ik schatte dat het ongeveer 7 uur moest zijn, maar het was zo donker dat ik op het verre licht van een boerderij moest navigeren.
Het meer was een zwarte massa, omgeven door schimmige schaduwen in de verte. Als het zou onweren, was het dan wel of niet gevaarlijk om te zwemmen? Toen ik zo ongeveer halverwege het meer was - het was in het donker moeilijk uit te maken - begon het te regenen, eerst nog rustig maar alras heftiger. Af en toe kon ik met mijn voeten de modderige blubberbodem raken. Ik dwong mezelf rustig te blijven en me op het boerderijlicht te blijven richten. Ik schoot zelfs even in de lach toen ik aan de mogelijkheid dacht dat iemand dat licht uit zou doen. Hoe laat gaan boeren doorgaans naar bed? Zwemmend in een donker meer, terwijl de hemel bakken water met luid geraas over je uitstort denk je aan vreemde dingen. Schuilen ratten ook tijdens de regen?
Ik bereikte opnieuw een weiland, klom rillend op het land en begon te lopen, voorlopig nog steeds in de richting van de boerderij hoewel ik uiteindelijk een andere kant op zou moeten. Verscheidene malen moest ik opnieuw het water in en twee keer gleed ik uit en belandde in onzichtbare modder, blubber, stank. Het licht van een voorbijrijdende auto, verder weg, hielp me onverwacht in het bepalen van de richting. Ik kwam aan bij een stuk geasfalteerde weg en liep in de berm in de richting van de fietsen. In het dorp verderop sloeg een torenklok half tien. Ik moest zo'n twee a drie uur rondgezwommen en gedwaald hebben.
Uit de verte zag ik een auto aankomen en schaamte dwong me languit in de berm te liggen om niet gezien te worden. Het tasje met etensspullen had ik allang ergens in een weiland achtergelaten en ik droeg het doorweekte tafelkleed om mijn doorweekte lichaam alhoewel het me geen enkele bescherming tegen de stortvloed noch de koude bood en mijn naaktheid wel bedekte maar nauwelijks verborg. Bij de plekken waar onze fietsen hadden gestaan stond alleen nog de mijne. De ketting was nog op slot en terwijl ik met de fiets in de handen nadacht over hoe het slot te breken, merkte ik dat de voor- en de achterband lek waren. Nadere studie bracht uit dat de banden waren doorgesneden. Ik gooide de fiets in de berm en deed een tijdlang niets, me niet bewust van de tijd die voorbijging. Alleen het rode waas voor mijn ogen en de gloeiende kolen en het razend oorlogsgeweld in mijn hoofd bestonden.
Ik begon te lopen. In het dorp, gelukkig was er niemand op straat, waste ik mijn haren uit onder de pomp, ik weet nog steeds niet waarom. En woest ging ik verder. Ik had twee repen van het tafelkleed gescheurd en onder mijn voeten gebonden die pijn deden van het ongeschoeid lopen, al liep ik zoveel mogelijk in bermen. Af en toe gromde ik of snauwde als een kwaadaardig beest. Schaamte bestond allang niet meer en bij de schaars passerende autos stak ik mijn duim op. Pas om kwart over één, zag ik op het dashboardklokje, kreeg ik een lift van twee jonge meisjes in een oude eend hoe ongelooflijk het ook klinkt. De meisjes waren dronken en op een vervelende manier leukdoenerig, de eend was lek en gammel en stonk naar oude kaas. Terwijl de kilometers ons voorbij gleden was ik rustiger dan ooit in mijn leven. Een rust zoals een formica tafel en het neon schreeuwlicht van een snackbar aan diggelen. We zouden wel eens zien. Bij de afslag naar de stad lieten ze me uitstappen. Ik vroeg hen niet of ze me naar huis wilden brengen want ze waren intussen over hun eerste uitgelatenheid heen en een beetje bang voor me geworden. Ik liep door eenzame natte straten en dook weg in lege portieken bij het gerucht van naderende voetstappen. Pas veel later bereikte ik de straat waar Marieke. Er brandde licht vanachter de gordijnen van haar slaapkamer.
Ik belde aan en na een tijdje ging de zoemer over. Hijgend liep ik de vijf trappen op en vond de voordeur open op een kier. Ik liet het natte, modderige tafellaken bij de deurmat achter, liep naar binnen, sloot de deur achter me en liep rillend naar de slaapkamer. Marieke lag als een lome poes op het bed een zachtgekookt ei leeg te lepelen. Heur lange haar lag los aan weerszijden van haar kogelronde gezicht tot aan haar wijdgespreide dijen gedrapeerd. Toen ze me zag, giechelde ze stout en liet de rest van het ei over het romige vlees van haar tieten leeglopen. Met een vinger spreidde ze het eigeel uit over de glimmende blanke huid waar dunne blauwe adertjes en roze tepel. Ze keek me aan. "Waar wacht je op?", zei ze zonder het uit te spreken. Opgelucht knielde ik en zette mijn mond aan haar joekelborsten. Ze was niet meer boos.
Ongekleed stond Hugo voor de spiegel. In een hoek van de slaapkamer lag zijn met bloed bevlekte kleding. Hij bekeek zichzelf aandachtig. Niet meer zo klein en mager als vroeger vond hij, maar zeventien, dat zou hij zichzelf zo op het eerste gezicht niet geven. Hugo zag zichzelf in de spiegel. Vanavond had hij eens laten zien waartoe hij in staat was. Dit moest hem wel aanzien geven. Hij wist niemand uit de groep die tegen hem op keek, hij voelde zich vaak niet geaccepteerd, maar nu, het zou allemaal beter gaan worden.
Ze waren om zes uur al begonnen met drinken in de kroeg. Het tempo zat er goed in en zodoende was iedereen al goed opgefokt toen ze om even na half acht richting hun tempel vertrokken. Mensen liepen in een bocht om hen heen. De agressieve sfeer gaf hem een stoot adrenaline. Vanavond zou het gebeuren. Voor de laatste kruising gooide hij ongezien zijn stiletto in de struiken. Twaalf bussen stonden er van de tegenpartij. Dat kon een mooi spektakel worden. Binnen ging het al bijna mis. Een groep van de tegenpartij had het geflikt om langs hen te komen en het was maar goed dat de beveiliging snel ingreep anders was het voor een heleboel mensen goed fout afgelopen. Vlak voor het einde brak er een eerste gevecht uit in Vak H. Met zijn groep hadden ze nog geprobeerd tot dat vak te komen maar opnieuw werd er snel ingegrepen door de beveiliging. Vijf jongens van de tegenpartij werden hardhandig uit de tempel verdreven. Ze spraken af straks in kleine groepjes te vertrekken en weer samen te komen voor de Chinees. Hier blijven rondhangen was te gevaarlijk en te opzichtig. De tegenpartij zou evengoed wel naar hen toekomen. Eigenlijk spraken ze het niet met Hugo af, maar hij hoorde anderen er over praten.
Hugo bekeek zichzelf in de spiegel. Door de drank staarde hij langs zichzelf heen het donker in achter hem. Hij draaide de film van die avond nog één keer af. Warm had hij het. Net zijn mes weer gevonden. Zeker tachtig man had zich verzameld voor de Chinees. Het moest nu snel gebeuren anders zou de politie er eerder zijn. Geschreeuw van straten verder. Een sirene op de achtergrond. Het was begonnen. Ze moesten hier weg werd er geroepen door een jongen met mobiele telefoon. Ze liepen rustig naar de andere kant van de straat om daar de eerste weg rechts in de slaan. Een ambulance raasde voorbij. Om de hoek kwam een groep van de tegenpartij aangelopen. Hij schatte het op ongeveer veertig man. Dat moest makkelijk te doen zijn. Hij rende met de rest mee, zijn stiletto knelde in zijn broekzak. De tegenstander wilde nog wegrennen, maar van de andere kant kwam nu Vak H aangezet. Ingesloten waren de klootzakken. Er werd geroepen, geschreeuwd. “Joden! Joden!” Hij sloeg om zich heen, raakte een jongen van zijn leeftijd flink maar werd zelf hard in zijn rug getrapt. Hij viel, zijn hoofd deed zeer. Hij wilde zich omdraaien en zag in een flits een ketting op zich af komen. Zijn schouder werd vol geraakt. Een pijnscheut trok door zijn lichaam. Het duizelde. Mensen schreeuwden steeds harder. “Wegwezen, de smerissen komen!” Hij zag mensen wegrennen, mensen van zijn groep. Hij kreeg opnieuw een klap in zijn nek. Ingesloten was hij. Vier jongens van de tegenpartij stonden om hem heen. Geen moment van aarzeling. Hij kreeg schoppen, klappen. Tien jongens van zijn groep kwamen net op tijd. Het had weinig gescheeld of de ketting had hem vol in het gezicht geraakt. Er werd tegen hem geroepen. “Wat doe je hier dan ook tussen. Sodemieter op, de juten komen!” Hij kreeg een zet om sneller weg te kunnen rennen, maar zijn benen leken hem niet meer te kunnen dragen. Hij zakte door zijn knieën. Op de achtergrond zag hij enkele ME-busjes met piepende remmen stoppen. Met honden en knuppels bewapend sprongen de agenten hun busjes uit. Er moest nog georganiseerd worden. Hij had nog tijd. Gevoed door adrenaline raapte hij zijn krachten bijeen om weg te komen. Hij vluchtte een steeg in en zakte tegen de muur onderuit. Hij viel weg maar werd wakker geschopt. Voor hem stond een jongen van de tegenpartij. Hij was alleen en verstond niet wat de jongen tegen hem zei. Hij werd omhoog getrokken. Een sterke hand omvatte zijn keel, zijn hoofd tegen de muur gedrukt. Met één hand greep hij in zijn broekzak. Drie keer stak hij, recht onder het middenrif. Twee ogen die hem doordringend en onbegrepen aankeken. Hij zakte weer onderuit, de jongen zakte mee. Hij voelde het warme bloed zijn T-shirt intrekken.
Hugo bekeek zichzelf in de spiegel. Hij had een erectie gekregen.