De nachtelijke straat lag er verlaten bij, op een magere, schurftige hond na, die tegen een vuilnisbak piste. In de koude wind ritselden de eerste herfstbladeren over het grauwe plaveisel. Het geluid van zijn voetstappen weerkaatste hol tegen de donkere gevels terwijl de eerste regen begon te vallen.
Frodo de Hobbit baalde als een stekker en dacht tandenknarsend: 'hierover staat niets in mijn CAO'.
Heel lang geleden begon het idee in mijn hoofd te spelen. Lang heb ik er over nagedacht en binnenkort ga ik het doen; ik ga verhuizen.
Ik ga verhuizen naar een kleine gemeenschap met een hoofdzakelijk oorspronkelijke etniciteit. Ik koop een mooi en groot huis dat mij veel aanzien zal opleveren. Ik zal mij hullen in kleding gemaakt van fijne stoffen. Mijn vrouw zal ik leren onvoorwaardelijk 'ja' te knikken en mij adorerend toe te lachen.
Voor mijn huis ligt een wit grindpad en links naast de voordeur staat een groen houten bankje. Een geruststellende kleur. Ik heb een hoed tegen te felle zonnestralen maar ook omdat het mij intelligenter maakt. Mensen die bij mij langskomen, voorzie ik van goede adviezen en wijze raad. Ik deel bemoedigende schouderklopjes uit. Als ik praat, zal ik dat langzaam en vooral bedachtzaam doen.
Als men mij om wijze raad vraagt, zal ik bedenkelijk kijken. Eerst zal ik zeggen dat het een belangrijke vraag is en dus moeilijk te beantwoorden. Ik zal zeggen dat ze over 14 dagen moeten terugkomen. In ruil voor mijn wijze raad vraag ik een kleinood. Een schaap of een deel van de oogst. Zelfgemaakte jam, een houten boot of wat de gemeenschap in het kleine dorp maar voort zal brengen.
Na mijn late dienst loop ik deze keer voor de verandering naar huis. Ik ben taxichauffeur en als ik om 24:00 uur van het Centraal Station wegrij, kan ik net voor half een de wagen parkeren en nog een borrel halen bij Robbie, de barkeeper van mijn cafe. Vlakbij waar ik de wagen parkeer zit cafe De Doofpot, mijn stamkroeg. Bruin en obscuur en altijd dezelfde koppen. Een geel glimmend knipperende gokkast, een dartbord, een biljart, een plee en een lange rij barkrukken. Zwarte lederen zitting en meestal bezet door 1 a 2 dezelfde koppen.
Ik kan wel janken.
Twee krukken verder zit Andre en zo te zien zwaar beschonken. Toen Robbie ziek werd, kreeg hij twee mensen op bezoek; de dokter en z'n moeder. Niet dat het nu altijd gillende polonaise is in De Doofpot maar er zijn toch wel een paar gekke dagen per jaar. En dan doet iedereen tof tegen Robbie maar 'veel diepgaan hep 't nie' zoals hij in de rustige uren pleegt te zeggen.
Ik ken niemand om het tegen te vertellen.
Vandaag is een sombere dag en dat komt door het weer maar er is meer. Van de week kreeg ik van de dokter te horen dat ik een genitale herpes heb. Vorige week had ik een ritje met zo'n jong ding. Jaartje of 22 en een goeie bos hout voor de deur. Je weet wel, van die jetsers. Of ik haar even naar het ziekenhuis wilde rijden en ze heette Shirley. Dat was een ritje van 25 minuten en je kletst wat. Over het weer en waarom en zo en toen begon ze te vertellen dat ze naar het ziekenhuis ging om zich te laten testen voor zwangerschap. Ik zei nog dat dat ook thuis kon maar ze zei dat het haast had. Veel geld had ze niet en ze keek wat paniekerig uit d'r ogen. Ik ben 46 moet je weten dus ik heb wel wat rare vrachtjes gehad. Ik geef haar mijn kaartje met alle nummers erop en zeg haar dat ze later kan betalen. Als ze weer geld heeft, moet ze maar bellen. Ze bedankt, de deur gaat dicht en ik zie een kort spijkerrokje door de draaideur van het ziekenhuis verdwijnen. Een keer kijkt ze om. Wat een heerlijk ding maar belangrijker, ik heb mijn goede daad voor vandaag weer gedaan.
Robbie schenkt mijn vierde vaasje in. De fles jenever staat ernaast. Wij praten wel maar zeggen niets.
De dokter zei nog, nu ik herpes heb, dat ik een verhoogde kans op HIV heb en daardoor op Aids. Maar van wie moet ik dat krijgen, dan? Dokter? "Weest u nu maar voorzichtig en gebruik een condoom in het vervolg", was het enige dat de dokter zei. Maar ik doe het alleen met mijn vrouw. Ik hou van mijn vrouw en ik hou van mijn twee bloedjes van dochters. Nog geen tien jaar oud en nu al om te stelen zo mooi. Dat krijg je bij gemengde huwelijken, de prachtigste halfbloedjes. Lola is wat donkerder dan Mandy maar je kunt duidelijk zien dat ze van Jennifer zijn. Jennifer, mijn halfzwarte parel. Van mij zit er niet zo veel in maar donker overheerst nu eenmaal, he. Nou ja, tot afgelopen week deed ik het met mijn vrouw. Toen kreeg ik die rare jeuk aan mijn Sjaak. De dokter vertelde mij dat het herpes was en dat het verstandig was dat ik even geen genitale contacten had. Jennifer had geen idee wat het kon zijn en ik eerlijk gezegd ook niet.
Robbie doet de muziek uit, de lichten op half en de gordijnen dicht. Het is na sluitingstijd.
's Ochtends kreeg ik een telefoontje van de politie. Ze wilden even met mij praten want ik werd beschuldigd van verkrachting met daarop volgend een zwangerschap. Met lood in de schoenen ging ik naar het buro en daar zag ik die 22 jarige Shirley met de bos hout voor haar deur. Het arme kind in spijkerrokje, helemaal in verwarde toestand uitleggen dat ik het was. Die mij verkracht had. En zwanger gemaakt. 'Ja, godver... wat zeg je me nou?!', was mijn eerste reactie. Mijn verhoor duurde drie uur en natuurlijk wist ik van niks. Ik had haar voor het eerst gezien en daarna nooit meer. Ik had haar een ritje gegeven en nota bene niets berekend omdat het arme kind geen geld had.
Andre verlaat De Doofpot. Robbie rolt nog een shaggie en ik begin hoe langer hoe meer over de bar te hangen.
Of ik mee wilde werken aan een DNA-onderzoek. En of ik dat wilde. Ze kon onmogelijk zwanger zijn van mij. Twee dagen later stond ik in het ziekenhuis te rukken in een glazen buisje. Mijn God, wat een ellende. Niet dat rukken en die buis viel ook nog mee maar die ouwe Playboys die er lagen. Niet om aan te zien. En de gedachte dat...
Anyway, afkloppen en inleveren en daar ging mijn zaad. Het DNA patroon zou mijn onschuld bewijzen en mijn vrijheid teruggeven want ik lag er dus wel al hele nachten van wakker. Vanochtend kreeg ik de uitslag van het ziekenhuis. Ik ben onvruchtbaar. En altijd al onvruchtbaar geweest. Ze hebben me nog wel uitgelegd hoe het precies zit dat ze zeker weten dat ik altijd al onvruchtbaar ben geweest maar ik heb niet meer helemaal gehoord.
Het is nu half vier en Robbie zegt iets tegen me. Heel in de verte hoor ik een echo, "Heee gozer, je hebt de hele fles opgezopen! Heb je iets te vieren?"
Mijn badjas is niet meer zo zacht als vroeger. Geen idee hoe ze dat deed. Korter in de droger misschien, of meer wasverzachter. En dan nog, ze zal het misschien ook niet eens geweten hebben, het werd gedaan, immers. Voor hetzelfde geld kochten die Phillipijnse meisjes gewoon iedere week nieuwe badjassen.
“PAPPA!!!” Ik schrik op uit mijn overbodige overpeinzingen, “ik wil niet meer zwemmen!” “Dat is prima lieverd, ga maar lekker naar binnen, in de keuken ligt een droge handdoek.” “Ja, maar ik wil nooit meer zwemmen. Dit zwembad is niet goed.” “Hoe bedoel je?” “Ik wil een duikplank maar daar is het zwembad niet diep genoeg voor.” “Ah joh, wat heb je daar nou aan, een duikplank” “Iedereen hier in de buurt heeft een duikplank!” “Maar je durft niet eens te duiken.” “Ja, maar wel op een duikplank. Maak maar een nieuw zwembad, dan laat ik het zien.”
Het was me overkomen. Dankzij m’n nuchtere inborst, m’n humor, m’n makkelijke karakter en bovenal mijn diepgewortelde desinteresse in wat zij van kinds af aan in overvloed had gehad: geld. Duizelingwekkend veel geld. Zo veel dat álles te koop was. Behalve ik. Omdat het zó ver van me afstond, en dat gold voor haar andersom, was de fascinatie onmiddellijk overweldigend. Niet zozeer liefde op het eerste gezicht, als wel allesverterende, opslokkende obsessie. Vanaf die eerste nacht waren we nooit langer dan twee dagen uit elkaar. Alles deelden we, zonder er over na te denken. We genoten van ieder stukje bijzonderheid dat we van elkaar ontdekten. Ook qua sex. Dat bleek in haar kringen niet zo veel voor te stellen, ze genoot met volle teugen. En ik ook. Ook van alle extraatjes, vakanties enzo, maar vooral van haar. Vrienden noch familie hebben ooit kunnen ontdekken wat ik in haar zag. Voor bijna iedereen was mijn verbondenheid zo’n ommezwaai de ‘verkeerde kant’ uit, dat men schouderophalend besloot te wachten tot ik weer bij zinnen was gekomen. Frustrerend, omdat ik vrij zeker wist, en weet, dat ik helemaal niet veranderd was. Nog steeds zegt geld me helemaal niks. Terwijl ik inmiddels bijna een jaar écht kan doen wat ik wil.
“Pappa. Mag ik Nemo kijken?” “Straks lieverd, pappa zit net even lekker in het zonnetje de krant te lezen.” “Ik wil het nú! Je moet hem nú aanzetten. Dan daarna ga ik film kijken en kun jij krant lezen.”
God, wat lijkt ze op d’r moeder. Altijd alle plannen naar haar agenda buigen. Altijd zij eerst. Maar met een ijzersterke logica. “Kom nou pappa! Ik doe de gordijntjes wel dicht.” Ik bedenk me dat ik liever nu even naar binnen loop om in het filmzaaltje de boel aan te zetten en even de goeie DVD uit de kast M-N-O te halen, dan redenen te verzinnen waarom mijn krant nu belangrijker is. Het verhaal van mijn leven kortom.
Ze was beeldschoon, ook van zichzelf al, ze deed dan ook alle moeite haar lichaam tot perfectie te pushen. Klassieke schoonheid, maar met genoeg ordinair sex-appeal om iedere man te laten kijken. Ze had klasse, maar je zag dat ze als een beest tekeer kon gaan. Haar perfectionisme, dat vond ik juist mooi. Zo lang ze met zichzelf bezig kon zijn, zo eindeloos kon ze ook aan een bloemstuk staan boetseren, als er mensen kwamen. Of keer op keer de interieurjongen terugsturen om nieuwe voorstellen te maken. Ze vulde haar dag er mee, met alles maken hoe zij vond dat het moest zijn. Ze had zelfs nieuwe regels voor tennis ontwikkeld, met handboek en al. Ik zou willen dat ik ooit een plan had, wat ik ook nog in z’n geheel uit zou voeren.
Wat mijn beste vrienden voorspelden gebeurde inderdaad. Langzaam, sluipend, bijna ongemerkt. Na de intense eerste paar jaar samen, waarbij ik me de hedonistische levensstijl steeds makkelijker liet welgevallen, moest er blijkbaar ook het een en ander aan mij gebeuren. Geen moment had ik er aan gedacht om mijn viswinkel ‘Haakjes en Oogjes’ op te geven. Al was het maar om aan haar vader te bewijzen dat het me écht niet om het geld ging. En ik zou werkelijk waar niet weten waar ik m’n dagen mee zou moeten vullen. Bovendien, de huwelijkse voorwaarden waren wat dat betreft bijzonder duidelijk, ik moest in ieder geval in mijn eigen onderhoud voorzien.
Binnen de familie was er blijkbaar over gesproken. Nou ja. Wijlen mijn schoonvader, de weduwnaar, had onze relatie nooit wat gevonden, omdat hij zich simpelweg niet kon voorstellen dat iemand níet op zijn geld uit was. Zijn gestorven vrouw scheen daar een vrij adequaat voorbeeld van zijn geweest. Hij kon haar op ieder moment tot zijn beschikking roepen, omdat zij dat als logische consequentie van de geboden levensstijl zag. Vanuit zijn gezichtspunt had je mensen mét en zonder geld. En die zonder waren de enige die jaloers waren. Nooit andersom. Zelf heb ik altijd wel de link gezien tussen de handel in wapens en mijn eigen visspullen, maar mijn uitleg stuitte nooit op heel veel begrip (iets met overleven, maar ik bespaar me de moeite). Verder was er vrij weinig wat ons verbond, los van zijn enige dochter. Maar op een zondagmorgen zoals deze besloot ze dat ik me, als echtgenoot van de enige dochter van de grote Sten, toch écht wat beter moest gaan positioneren op het maatschappelijk vlak.
“PAPPA!!! Ze praten niet goed! Je moet het veranderen!” Ik verstar en knijp in de krant. Haal even diep adem. Boos worden heeft geen zin. Het is alleen dat het mij zo slecht uitkomt omdat ik me probeer te ontspannen. Boos worden op die kleine heeft geen zin. Opkroppen ook niet. Maar ik moet het laten gaan. Voortaan. “Ik kom eraan lieverd!” Even naar binnen om de afstandbediening te bedienen. Dat moest ze nou eigenlijk zelf maar eens leren. Maar ja. Daar zal ze wel geen zin in hebben.
Of ik niet bij pappa in de zaak wilde. Ik hoorde een witte flits en ik zag een explosie van ruis. Zoals ze het voorstelde, hoorde ik dat er niet veel te kiezen viel. Ineens voelde ik de kou op mijn rug. Die kou die in mijn merg leek te beginnen, naar boven kroop en via mijn nek mijn geweten leek te bevriezen. De stille schreeuw om mijn zelfstandigheid te bewaren. Mijn eigen wil. Mijn eigen ik. Als het nou zomaar een losse vraag was geweest, dan was de impact niet zo groot geweest. Maar het kwam bovenop de eindeloze sessies over mijn haar (te lang), mijn kleding (te vaal) en mijn drinken (te veel). Haar vader had me beschouwd als een tijdelijk ongemak en kon zich net neerleggen bij mijn hardnekkige aanwezigheid. Ik hoorde dat hij me ‘Eksteroog’ noemde als ik er niet bij was. Zijn dochter bleef maar met deze onaangename mutatie doorleven, dus ik ben er vanuit gegaan dat hij druk is gaan uitoefenen.
“Je drinkt teveel.” Niet zo gek. Dat dimde het licht en dempte de herrie. “Weet je het al?” “Meta, waarom vraag je het me. Waarom moet ik antwoord geven,” zuchtte ik. Moedeloos. “Kom op. Je leeft er óók van. De stoel waarop je nu zit heb je niet zelf verdiend.” “Dat weet ik lieverd, maar ik hóef helemaal geen stoel als deze, ik zou met jou net zo lief op een flat in Drochten wonen. Ik hóef geen bioscoop in de kelder en dat zwembad wat ze aan het graven zijn, daar word ik ook niet gelukkiger van. Maar als het er ligt zal ik er vast een keer in zwemmen.” “Dat is niet eerlijk, “ beet ze, “jij heb dit allemaal helemaal niet verdiend! Want het interesseert je niet! Maar wat moeten we als pappa ooit doodgaat?”
Of ik niet bij hem in de zaak wilde. Hij vroeg het me dan maar zelf. Terwijl we op het toilet naast elkaar stonden. Ook de eerste en laatste keer dat die twee urinoirs tegelijk gebruikt werden. Nooit begrepen waarom je in een huis, hoe groot ook, twéé urinoirs zou ophangen. Blijkbaar dus voor dit soort man-tot-man gesprekken. Het is ook wat lastig weglopen. Je bent verplicht te reageren, omdat je anders woordeloos naar elkaars gespetter staat te luisteren.
Het was een ongeluk. Echt. Ik trok te hard aan die linnen rol. Mijn hand schoot er af. Zoiets was het. In ieder geval raakte ik hem met mijn elleboog vol op zijn neus. Hij viel als een net versgevangen haring op een dek op de tegels. Zonder het gespartel dan. Zijn laatste woord was, als ik het me goed herinner, ‘bestuursvoorzitter’.
Ik stond aan de grond genageld. Heel lang. Ondanks mijn EHBO-cursus, mijn nuchtere inborst en alles waarvan je denkt dat het je op zo’n moment enige helderheid van geest zal bieden. Zo lang zelfs, dat Meta kwam vragen of ‘alles goed ging met de jongens’.
“Pappa. Ik wil een andere film.” Ik schrik op. “Vind je Nemo niet leuk?” “Ik vind die blauwe vis stom, die vergeet alles.” Ik liep maar vast naar het filmzaaltje, “wat wil je dan zien lieverd?” “Kung Pow! Die is leuk, met die baby!”
De vraag over de opvolging kwam daarna opnieuw. En omdat ik aanwezig was geweest bij de fatale valpartij van de directeur én hij blijkbaar toch met enige bewondering over het doorzettingsvermogen van ‘die eksteroog’ had gesproken, wilde men het graag met mij proberen. Al was het maar om de zaak binnen de familie te houden. Ik wilde het niet. Pertinent niet. Maar ik kón niet weigeren zonder iedere dag van de rest van mijn leven te moeten verdedigen waarom niet.
Mijn wereld werd ineens een stuk groter. En kleiner tegelijk. Eén doorlopende intercontinentale vergadering van 100 uur per week. Zes of zeven dagen per week, voornamelijk gevuld met paniekerig proberen te bepalen wat er in de tomeloze brij van cijfers, prognoses en productielijnen belangrijk was om te onthouden. En verder proberen met simpele logica de goeie eindjes aan elkaar te knopen en de andere knopen door te hakken. Maar het was zoveel. Zoveel te veel voor iemand die het in het geheel niet interesseert.
En dan was het zondag. En dan was ik thuis om te horen hoe ze haar eerste stapjes had gezet. En dan ging ze gewoon door. Daar was nu bijgekomen dat ik er nooit was (want niet efficiënt), dat ik me nog steeds niet goed aankleedde (oude snit en niet mijn maat) en dat ik veel te veel dronk. Niet één keer. Iedere zondag. IEDERE zondag.
Het was wéér een ongeluk. Wéér in de badkamer. “En nou drink jij teveel! TRUT!” Ik zorgde ervoor dat er geen sporen van een worsteling waren. Gelukkig was ze door die valium behoorlijk makkelijk handelbaar.
De verkoop van HandelsMij Groningsche Unie Nationaal ging vrij snel. Het bedrag deed me duizelen, zoveel zou ik nooit opkrijgen. Het was ook meer om er vanaf te zijn, dan om de opbrengst. De opluchting was overweldigend. Een stukje dichterbij naar waar ik eigenlijk wilde zijn. Wat volgde was een periode van rust. Stilte. Overpeinzing. Piekeren. “Wat nu”, was de vraag. Het antwoord groeide langzaam in mijn achterhoofd. Het belangrijkste dat me aan het aardse bestaan bindt, is Meta’s kleine spiegelbeeld. Net zo perfectionistisch, in de dop, net zo dwingend, maar gelukkig ook net zo bijzonder als ik haar moeder ooit had gevonden.
Ik moest die kleine grootbrengen met een sterkere eigen wil dan die van mezelf. Met minder geduld, zodat de uitbarstingen kleiner zijn. Alles vertellen over de ondwingbare kracht van macht en dat je bezit nooit hebt, maar dat het jouw heeft. Dat soort bevindingen. De kleine is nu bijna 4. Als ik het wil doen, moet ik het nu doen. Ik start mijn laptop. Op een site met rare proza heb ik niet zo lang geleden een gironummer gezien. Iemand zonder werk die om geld vroeg. Die zal wel opkijken als er opeens 117.354.877 euro zoveel op z’n rekening staat.
Binnen een week woon ik boven ‘Haakjes en Oogjes” met net genoeg geld voor de eerste maand. Eens kijken of ik eens wat mensen kan bellen die ik al een jaar of vijf niet heb gesproken. Vraag ik ze langs. Gezellig. Met een kratje bier en een bandje van Doe Maar. Gaat de kleine weer gewoon mono video kijken. Of misschien buiten spelen met vriendjes. Een sprong in het diepe. Zonder zwembad. Dat heb ik wel verdiend.
Vandaag was weer zo’n dag. Het begon al op de fiets. Ik probeer onder rokjes te kijken. Van fietsende meisjes. Wat er onder zit is weliswaar bekend, maar toch krijg ik die kriebels als de mogelijkheid zich voordoet. De rookpauze neem ik dan ook op de parkeerplaats achter. Precies zoals ik wilde kwam ze het kantoorpandje uit op weg naar de werkplaats. Dat doet ze namelijk altijd, een paar keer per dag. Een stapeltje met vanalles onder een arm. Hoofd gebogen onder krullend rossig haar. Stevige tred. Heel even kijkt ze op en ziet ze me. Ik verbeeld me dat ze wat langzamer gaat lopen. “Meisje,” denk ik, “ik zie je tepels door je shirtje priemen. Dank je wel.”
De telefoon gaat. “Lennard, twee dames van het uitzendbureau. Ze hebben een afspraak.” Mooi, twee stuks. Meestal niet de lelijksten, die meisjes van het uitzendbureau. “Zijn het wel lekkertjes? Of in ieder geval eentje dan? Anders ben ik er niet”
En dan wordt het heel even stil. Lang genoeg om te beseffen dat er iemand met z’n mond vol tanden staat. “Je staat op de intercom. Ik breng ze wel even naar de spreekkamer” Ik wacht lang genoeg om het meeste rood uit mijn gezicht te laten wegtrekken voordat ik binnen ga.
“Een echte mannenwereld hè, de metaal.” Ze glimlacht oprecht. Het gesprek is gered. Zelfs thee met hun favoriete smaakjes weet ik tevoorschijn te toveren. En boterkoek. Vers gebakken door de vrouw van een collega die op zo’n cursus zit. “De volgende keer maar meteen in een motel afspreken?” besluit ik als ik ze uitlaat. Collega’s binnen gehoorsafstand doen hun best om niet op te kijken. De meisjes giechelen. In stijl beginnen en in stijl eindigen. En ik ben er nog steeds niet voor aangeklaagd.
“Lennard, dit is Dani. Ze doet PZ bij m’n broer.” De directeur heeft weer eens bezoek. Bij z’n broer gaat het niet zo best. Werktijdverkorting is aan de orde. Iets waar ik door ervaring veel van weet. “Laat maar eens zien hoe wij het aangepakt hebben. Ik zet de beamer vast klaar. Ik zie jullie zo.” En daar staat ze. Werktijdverkorting my ass. Ik wil het echt over andere dingen hebben. Ik grijp een dossier en gooi het spul in de kopieer. “Neem maar een kopie van het dossier mee, dan snap je het wel.”
“Mooi groot kantoor, mooie kast ook.” Daar staat ze op haar tenen over de bovenste kersenhouten deurtjes te wrijven van de kast die de gehele achterwand van mijn kantoor bestrijkt. Ik zie echt de verkeerde dingen bedenk ik me, terwijl ik me focus op die verkeerde dingen. Dan ziet ze de foto van mijn kinderen. “Ach gut, wat een schatjes.” Natuurlijk. Die zijn van mij. “Heb je ook kinderen?” Ze schud haar hoofd. “Zou je er ook zo een willen?” Ze lacht. “Misschien, voorlopig niet.” En alweer kom ik er mee weg. Pure lompigheid.
Bijna thuis spring ik van de fiets af. De buurvrouw stapt uit haar auto en pakt een krat met boodschappen. Korte rok, wit t-shirt en genoeg ruimte daartussen om een streepje buik te zien. “Dat ziet er smakelijk uit” roep ik. Een pizza valt uit de opvouwbare krat en ze bukt om hem op te rapen. “Ja, ik moet zo nog weg en Theo is ook laat vandaag, vandaar.” En ik weet dat ze het weten. Allemaal. Maar ze laten het niet merken.
Thuis aan de warme prak wordt het standaardgesprek gevoerd. Hoe was het, goed, bijzonderheden, nee. Ik neem nog een hap en overdenk mijn zonden. Een gezegde schiet me te binnen. Iets anders zinnigs voor mijn leven kan ik niet bedenken: Wie zaait zal oogsten. Waarna ik me als geen ander realiseer dat hoop doet leven.
Sonoor draaiende prozamachine. Pentium I (al 5 jaar niet gereboot) en heeft een probleem met het interne geheugen waardoor dwarsverbindingen soms in elkaar overlopen, hetgeen regelmatig resultaten oplevert die liefhebbers de broek doen bollen of lekkage bezorgen rondom het geboortehok. De operator, in tegenstelling tot wat men in een eerste oogopslag van hem zou denken, is niet van het mensenras, het is een medium. Een andere wereld schrijft tot eenieder via hem. Wil ons wellicht in geëncrypte coderingen uitleggen welk onheil ons te wachten staat. Motivatie verpakt in letters en woorden. Veelvuldig een schone dop en een frisse naad.
De prozamachine, beter bekend onder de naam Grrrits, is voor het laatst gesignaleerd op 11 mei 2004. De laatste die hem zag was een breed glimlachende ijscoman.