1975. Begin augustus. Ik kom de dijk op die ons huis beschermde tegen het woeste water van de Strang. Korte broek, bruinverbrand zonder 1 minuut bewust gezond te hebben. De intense kleur van het actieve buitenleven. Een avonturier van 7 jaar met borrelend zomerbloed. Het moest gebeuren.
Een kleine 10 minuten doormarcheren bracht me bij de meest mysterieuze plek die er in het hele land van Maas en Waal te vinden was. Een plek vervuld van mythische dromen, grote wensen en halve waarheden uit de plaatselijke bakkerij.
Op zaterdag mocht ik er helpen met het bakken van brood, en tussen de middag lag ik steevast in de zinderende etalage te luisteren naar visverhalen van de mannen uit het dorp. Oh ja, vissen. In dit uitgestrekte, ongerepte deel van Nederland had ik de beginselen van het waterjagen onder de gehavende knie gekregen.
Een bamboehengel van onschatbare waarde, twee dobbers (een met loslatend plakband) en een klein groen doosje met gouden haken en lood vormden m'n uitrusting. Aan de oever van de Strang met z'n rottende riet, wankelend op de gladde keien, ving ik m'n eerste voorns. Dikke, glanzende vissen. Sterke vechters die mij met hun oranje vuurvinnen tartten. "Maak me dan los, doe het dan. Durf het dan!" Een enkele baars beet zich vast in de sappige pieren die ik uit de mesthoop van boer Koen haalde. Of uit onze achtertuin, een klein voetbalveld groot. Want alles in de omgeving was zwanger van het vissen.
Die baarzen met hun stugge huid, hun agressieve strepen, deden me naar adem happen. Natuurlijk durfde ik ze te onthaken. Maar ik had toch liever dat iemand anders het deed.
Ik ving de hele zomer lang, elke dag, van het moment dat de zon zich uitrekte aan de horizon tot de laatste stralen voor de avondhuiver. Ik ving veel, want de vis wilde. En kleine jongens met slordige broodvlokken en vochtige maden waren geen haar minder dan de professionele visser met z'n ingenieuze visplateau, de solide stek van de dag. Ik ving, maar ik wilde meer. En dat kreeg ik.
Het meer was groot zoals dat alleen in de ogen van een kleine jongen kan zijn. Donker en diep, angstaanjagend en lonkend. Na nachten van onrustig dromen had ik genoeg moed verzameld om het met m'n hengel te gaan bestoken. Vissen van prehistorische afmetingen waren er uitgeranseld door sterke mannen met dikbeaderde onderarmen. Nu was ik aan de beurt. Ik en het mooiste bezit wat een jonge visser kan hebben: een verjaardags-werphengel.
Uit een pakket met een heldhaftig springende, geschilderde vis op het karton. De hengel was wit, glanzend wit, en van een ongehoord soepele kwaliteit. Een knoert van een molen met een geruststellend dikke lijn was de motor van dit droomwerktuig. En er zat ook nog een beest van een blinker bij! Wat zeg ik; een reuzendoder, met een knot stugge rode wol. Een snoekenmagneet!
Achter me, over de dijk, reed een vrachtwagen van de steenfabriek. M'n hengel wees 'm na terwijl ik de jongenszwiep uitvoerde. Zwiep! Zwoesj! Raaaaang!! Als een kogel van Batman vloog de blinker over het rimpelloze water. Geen wonder, daar had ik hard op geoefend. En anders deed die bonk lood die eraan hing wel een duit in het zakje. Want blinkeren, dat was een bijna Olympische prestatie. Blinkeren was buffelen met een grote B, arm-uit-de-kom-werk.
Zo'n veertig meter verderop spatte het water woest op. Ik fixeerde me met toegeknepen ogen op de gulle kringen en begon met woeste halen in te draaien. Ja, blinkeren was nog een hele toer. De zon schoof in hoog tempo (en dat met die hitte) langs het dak van de lucht terwijl ik zwiepend de middag doorbracht. Bijna elke worp leverde wel iets op. Maar toch vond ik het iedere keer weer een heel gedoe om de plastic zakken, fietsbanden en het onduidelijke draad van m'n blinker te pulken. Tot... m'n laatste worp.
Was het m'n laatste worp? Was ik écht van plan er voor die dag mee op te houden? Het doet er niet toe. Het was de worp. Hij kwam verder dan alle voorgaande keren. Waarschijnlijk gaf de wetenschap van het weggaan me een extra beetje kracht.
Ik greep de slinger van m'n molen en begon geconcentreerd in de halen. Een halve meter, een meter. Steeds iets dichter bij het onvermijdelijk afscheid van een visloze visdag. En toen zat ik vast. En ik trok. En ik draaide. En ik ploegde de vorstelijk buigende werphengel met m'n hele vermogen naar achter.
Stukje bij beetje wond de 32/100 zich om de spoel. Onder protest. En bij elke slag van de slinger kreeg ik meer spijt van m'n onbezonnen avontuur. Wat moet een jongen van 7 tijdens z'n zomervakantie zonder blinker? Ik draaide en wrikte. Een meter, een halve meter. Alsof de blinker een slaapkamer was binnengevlogen en een boerenbed had geënterd. Ik haakte de hengel onder m'n oksel en probeerde met beide handen te draaien. Een metertje erbij. En nog een.
Terwijl de augustusschemer inzette, kwam er beweging in het water. Zo'n zes meter uit de kant zag ik de eerste, grootste en tegelijkertijd meest ontspannen snoek uit m'n leven tergend langzaam dichterbij drijven. En ik stopte. En m'n hart stopte. En ik kon dwars door het troebele water kijken. Naar dat weldoorvoede, gestroomlijnde lijf. Nog vier meter. En ineens ging het licht weer aan. Niks schemer. Een stralend aura omgaf het donkergroene snoekelijf. Drie meter. En hij keek. En ik hapte naar adem. En in één keer besefte ik waarom ik nooit eerder een snoek had gevangen: een ingenieuze kosmisch-gekoppelde vorm van zelfbehoud. Ik kon me bij god niet voorstellen hoe ik dat monster ooit op de kant kon krijgen.
Daar, in dat tovermeer, lag een wezen dat groter was dan ik. En vele malen sterker.
In 1975, op het platteland, was de dril nog niet uitgevonden. Schepnetten bestonden niet. En ik kon daar aan de waterkant blijven staan tot het meer bevroren was, maar die snoek kon ik vergeten. En toen, genade. Een roofvis met sympathie voor een kleine doodsbange jongen. De lijn knapte, en met lome slagen keerde de snoek om naar onbekende diepten. Het begin van jarenlange, onrustige groene dromen.
Negenentwintig is hij. Al negenentwintig jaar klopt er iets niet bij Bob. “Motoriek” zegt z’n vader. “Debiel” zegt de rest van het dorp. Bob is sympathiek. Na alle pogingen tot opleiding werkt hij in een kas bij een kweker. Bob heeft geen bijstand of andere uitkering. Bob heeft een betaalde baan. En daar, betaald onder werktijd, ontmoette hij haar.
Karin. Niks motoriek. Gewoon debiel. Werkt in de kas bij een kweker. Ze is nu vijfentwintig en begrijpt dat het in de volwassen wereld wemelt van de stelletjes. Meestal mannetje-vrouwtje. Dat wil Karin ook. Zo normaal mogelijk lijken. Aldus kreeg ze verkering met Bob.
Het gaat prima met die twee. Op moslimachtige wijze hebben de wederzijdse ouders afspraken gemaakt. Niet bij elkaar slapen. Op tijd thuis. Controle van de financiën na afloop van een dagje uit. Bob heeft het gered een rijbewijs te halen. Een automaat zal hij moeten rijden volgens de aantekening in zijn rijbewijs. En een automaat heeft hij bij elkaar gespaard na jaren in de kassen. Met z’n tweeën rijden ze er een eind op los.
Ik heb hem tot vier leren tellen. Op zich niet zo bijzonder. Maar. Hij kan nu tot vier tellen in een tempo dat aansluit bij de rest van de fanfare. Bob mag in de maat op een tamboerijn slaan. Hij is dol op het uniform. En Karin staat elke optocht trouw langs de route. Op minimaal vier plaatsen. Glimmend van trots.
De kermis in ons dorp is de ultieme sociale aangelegenheid. Vier dagen met de schutterij volgens jaren oude tradities zuipen. Bob en Karin hebben een tafel. Een tafel hebben betekent dat je een vaste groep mensen hebt die jaren achtereenvolgend met jou de kermis vieren. Het is een soort sociale bevestiging, als je een tafel hebt. Enorm belangrijk dus voor Bob en Karin. Juist de kermis was de aanleiding. Net als carnaval in het zuiden is kermis bij ons ook hoeren en snoeren. Karin kreeg er iets van mee. Bobs hormonen werkten wel maar na die kermis kenden ze pas hun ware doel.
Het ging mis. Iedereen zag het maar niemand durfde het onderwerp aan te snijden. Sex. Het werd minder tussen Bob en Karin. De wederzijdse ouders verzonnen van alles. “Ze heeft een gat in haar hand”. “Hij geeft niet echt om haar”. Maar ze bleven er allemaal omheen draaien. Gelukkig fiets ik regelmatig met de één of de ander een kleine vijf kilometer richting huis. Bob begon er zelf over. “Lennard, het is toch wel normaal dat je na een tijdje wat meer wil dan naast elkaar zitten in de kerk?” Ik kon alleen maar bevestigen.
Bij Karin moest ik wat meer moeite doen. Uiteindelijk begreep zij ook waar het knelpunt zat. “Bob wil soms dingen van me. Jij weet denk ik wel wat ik bedoel want jij hebt kinderen.” Natuurlijk wist ik wat ze bedoelde . En uiteindelijk is alles goed gekomen.
Mijn inspanningen hebben resultaat opgeleverd. Ze zijn weer een echt stelletje. De ouders negeren de nieuwe situatie als het van toepassing is. Verder hebben ze een perfect sociaal leven voor zover dat mogelijk is voor hun soort.
En ik heb het haar geleerd. Ze heeft gezworen het nooit door te vertellen en ik heb er alle vertrouwen in dat ze haar woord houdt. Ik heb haar leren neuken en pijpen. Nadat ik had voorgedaan hoe Bob haar moest beffen.
Laszlo stond op, zette zijn monitor uit en ging naar de W.C. Iets te laat naar zijn zin: zo nodig moest hij niet vaak. Toen hij de deur opende verschoof er iets in zijn buik. Even bleef hij staan en boog een beetje voorover. Hij moest niet alleen nodig, maar ook veel!
Toen hij eenmaal zat en de autoweek ter hand had genomen, ontspande hij. Het kwam langzaam maar zeker. Zeker en pijnlijk. Die drol moest gigantisch zijn! Wat had hij gisteren gegeten? Gevulde paprika? Hij wist het niet zeker meer. Onbelangrijke dingen onthield hij nooit. Hij legde de autoweek weer bij de andere bespetterde tijdschriften op de vloer. Deze drol vereiste concentratie.
"Waar is Laszlo? Heeft hij zijn werk al af?" hoorde hij door de muur. Oh ja, die lijsten! Hij keek op zijn horloge. Half drie, hij zat er nu zo'n 10 minuten pijn te lijden. Die lijsten hadden af moeten zijn. Nou ja, dit was belangrijker. Hij perste weer een centimeter. Hij zweette. Hij perste zo hard dat de laatste druppels uit zijn blaas waarschijnlijk meer bloed waren dan pis. Echt waar, als hij thuis kwam zou hij zijn vrouw mores leren!
*Bonkbonkbonk*
"Zware bevalling Laszlo? Duurt het nog lang? Er zijn hier meer mensen die moeten hoor!"
"Ja moementje! Iek ben baina klaar!"
In werkelijkheid was hij nog lang niet klaar. Hij had het gevoel dat hij nog een meter te gaan had. Hij keek op zijn klok. Tien over half drie. Twintig minuten bezig en nog langer te gaan. Allemachtig.
Gelukkig dempte de stank de pijn een beetje. Hij had een paar keer mensen op de gang horen klagen over de geur. Sommigen wisten dat hij erop zat en maakten grapjes. Op de deur bonken deden ze niet meer. Ze liepen er liever met een grote boog omheen. Anderen dachten dat het toilet buiten dienst was. Verstopt en daarom op slot. Daarom stonk het ook zo. Laszlo was wel blij met die privacy. Sneller poepen deed hij er echter niet van.
"Waar is die Modlovan?"
De stem van zijn baas herkende hij uit duizenden. Arrogant en nors: een combinatie om "U" tegen te zeggen. En als je dat niet deed was je gegarandeerd je baan kwijt. De gedachte aan zijn baas deed hem wat sneller schijten. Hij had intussen al in moeten grijpen, omdat de drol rechtop op de bodem van de pot stond. Met een wc-papiertje boog hij het zware ding om richting het gat.
Half vier.
High van de geur en uitgeput van het persen zwoegde Laszlo Modlovan verder in het benauwde hokje. De drol ging wat sneller: hij was het dikste punt voorbij.
De drol kwam los. De zwaartekracht trok het glibberige eindstuk uit de willoze anus van Laszlo, die 's morgens nog een trotse maagd was geweest en nu zo uitgewoond was als een crackhoer. Uitgeput zakte Laszlo achterover, met zijn hoofd bijna de luchtverfrisser omgooiend. Zwetend en hijgend probeerde hij zijn sluitspier weer wakker te krijgen. Als hij thuis kwam zou hij zijn vrouw eens laten voelen hoe dit is! Komkommer? Nee te klein. Colafles.
Laszlo dacht dat hij hallucineerde. Door de geur of zuurstofgebrek. Of uitputting. Bloedverlies, dacht hij geschrokken. Nee. Nee, hij hoorde het echt! Hij keek om zich heen. Spiegel, toiletrol, wasbak, borstel. Niets dat zo'n geluid kan maken. Met tegenzin keek hij langs zijn penis in de pot. Daar lag de donkerbruine drol. En daar kwam het geluid vandaan. Hij zag een beentje.
"Hallo? Zit daar iemand? Wat is dat voor een geluid?"
Laszlo schrok zich het leplazarus. Hij had niemand aan horen komen door het gehuil. Want dat was het. Babygehuil. Even speelde hij met de gedachte zich stil te houden. Daarna dacht hij eraan de waarheid te vertellen. Maar nee, het zou hem niets verbazen als een ander alleen een doodgewone drol zag. Misschien zelfs van normaal formaat. Laszlo was gek aan het worden en hij wist het.
"Ehm nietsch aan het hand, alleen een beetje verschtopt!"
Het bleken toverwoorden. Niemand heeft zin om met verstoppingen te helpen. Zeker niet verstoppingen met de poep van een ander.
Laszlo stond op - wat overigens voelde als een volledige orgaanverhuizing - en hees zijn broek op. Het geluid bloeide nu vrij door de kleine ruimte, niet meer gedempt door Laszlo's behoorlijke kont. Wat hij zag wist niet hoe het hem moest raken. Hij liet een onzeker piepgeluidje horen en zijn hoofd wiebelde op zijn romp. Hij voelde hoe tranen zich een weg naar buiten baanden. De drol, die hij zojuist anderhalf uur aan het baren was geweest, was een kind. Een drolkind. Volledig van poep gemaakt, maar met armpjes en beentjes en een kaal hoofdje. Het spartelde en schopte met de beentjes en het huilde met opengesperde mond. De binnenkant van de mond was ook helemaal bruin.
Wat moest hij doen? Wat een wonder! Spoel alle huilende Mariabeeldjes maar door de W.C., want een nog veel groter wonder, dat normaal de weg van het riool kiest, heeft zich geopenbaard. Hij keek om zich heen of de Heer zich misschien manifesteerde. Geen Heer, geen Maria, alleen witgekalkt plafond en lichtblauwe tegeltjes. En spaarlamplicht. De mensen zouden hem voor gek verklaren! Wie kon zoiets geloven? Wat zouden ze met hem doen? Ze zouden de drol ontleden en Laszlo zouden ze opsluiten in een geheime militaire basis. Dat deden ze hier in het westen. Dat had hij op televisie gezien. Maar het was wel zijn kind. Laszlo's kind. Zijn enige, want zijn vrouw - alle voornemens betreffende haar was hij vergeten - kon geen kinderen krijgen. En nu had hij haar niet eens nodig gehad!
"Ze zullen hem afpakken." Die gedachte drong naar voren.
"Ze gaan hem ontleden. Ze maken hem dood." Die gedachte duwde de afpakgedachte van het podium en eiste de aandacht. Hij wilde zijn drolkind voorzichtig uit de pot tillen en tegen zijn borst drukken. Maar wat als hij hallucineerde en naar buiten kwam, bedekt met poep?
"Ik wil het niet. Ik wil niet kiezen." Die gedachte onderbrak de vorige.
"Het is een monster. Een baby van poep kan niet. Straks bijt hij je dood." Die gedachten maakten hem bang.
Laszlo zette zijn hand op de knop. Gedachten reden op houten paarden om hem heen. Vanaf een ouderwetse carrousel riepen zij allen het hardst om zijn aandacht. Smerige gedachten. Onzekere gedachten. Lieve en fijne gedachten met een verraderlijke ondertoon.
*bonkbonkbonkbonkbonkbonk*
"Hallo! Wat is dat voor een geluid? Laszlo we weten dat je daar zit! Geef antwoord! Je hebt de hele middag niks uitgespookt! Ik betaal je niet om de hele middag te gaan zitten schijten! En gadverdamme wat stink jij! Ga eens naar een dokter man! Buiten kantooruren dan! ..."
Toen de tirade van zijn baas begon raakte Laszlo in een haastige vorm van paniek. Hij trok door en haalde de deur van het slot om zijn baas te sussen.
"Meneer, iek ben zjiek, iek voel maai niet zjo goed," zei Laszlo verontschuldigend.
"Wat? En dan blijf je hier je bacillen verspreiden? Straks word ik ook nog ziek! En wat moeten we dan? Dan loopt hier alles in het honderd omdat jij hier ziek komt zitten zijn in plaats van je werk doet!"
Laszlo wilde iets zeggen, maar dook op zijn knieën voor de wc-pot. Zijn baas verwachtte waarschijnlijk een golf van braaksel, maar er kwam geen braaksel. Er kwamen tranen. Laszlo raakte het remspoor aan dat zijn kind had achtergelaten. Ja, het was poep, maar het was wel zijn kind geweest. Hij had het vermoord omdat hij bang was voor zijn baas. Hij krabde de restjes van het remspoor onder zijn nagels en kuste het, huilend met lange halen.
Zijn baas keek ongemakkelijk.
"Nou ehm Modlovan, ehm," begon hij. "Sja andere cultuur ehm." Hij leunde ongemakkelijk van het ene been op het andere en flitste wat blikken opzij. "Laszlo, ehm, misschien, ehm, kan je beter een weekje vrij nemen jongen. Uit.. ehm... zieken. Ja! Even uitzieken!"
Trots op deze wijze beslissing in een lastige situatie begaf hij zich naar zijn kantoor. Hij voelde zich een echte people manager. Hij had er wel eens van gehoord. Iets met burnt-in of iets dergelijks. Dat was booming business de laatste tijd. Hij zou Modlovans afwezigheid wel even doorcommuniceren naar de administratie en dan zouden die het wel even kortsluiten met Modlovan zelf.
Laszlo huilde nog lang. Collega's kwamen zo nu en dan kijken. Sommigen wilden hem troosten, want wat er ook was; het moest wel erg verschrikkelijk zijn om half in een pleepot te gaan zitten huilen. Ze werden teruggedreven door de stank, die maar niet dunner leek te worden.
Toen de conciërge wilde afsluiten, liep Laszlo willoos mee naar de uitgang. Zijn verdriet werd al minder: hij voelde de druk in zijn buik weer stijgen.