Ik woon in een zijstraat van de hoofdstraat. In mijn straat is het meestal rustig. Behalve op Koninginnedag want dan is het druk in mijn straat hoewel in mijn zijstraat het rustiger is dan in de hoofdstraat. In de hoofdstraat gebeurt het allemaal. In mijn straat is het relatief rustig.
Jaren geleden had ik een mooie baan met een auto van de zaak en een laptop en een betaalde telefoon. Mijn vriendin hield van mij. Toen kwam de reorganisatie en van het management hadden ze het op mij voorzien. Ik had mijn targets net niet gehaald maar dat kwam omdat de economische situatie niet zo fijn was. De klootzakken. Bij wijze van spreken kon ik ook mijn door mijn werkgever betaalde Hugo Boss pak inleveren. Terug naar huis ging ik met het openbaar vervoer en het gevoel dat iedereen naar mij keek.
Maanden van tevoren zag ik het al aankomen. Ik kreeg niets meer uit mijn handen omdat ik vreesde voor ontslag. Drie opdrachtgevers heb ik op die manier verneukt want tegen hen zei ik dat we teveel werk hadden en hun opdrachten niet aankonden. Maanden heb ik lopen liegen tegen iedereen. Mijn directe baas bleef in mij geloven en hij steunde mij. Hij gaf mij zelfs opdrachten van anderen maar ook dat heb ik verneukt. Niet opzettelijk maar gewoon omdat ik vreesde voor ontslag. Mijn collega's vertrouwden mij.
Middenin een zin kan ik gaan stotteren.
Nu kan ik niet meer focussen op wat ik doe. Ik voel dat ik faal in mijn leven en krijg daardoor niets meer voor elkaar. Ik heb een tweede kans gekregen in mijn leven want ik heb mijn diploma niet gehaald maar nu nemen ze mij die kans weer af. Zij maken dat ik het weer verneuk. Mijn vriendin liet mij in de steek. Het is haar fout want het zat mij even tegen en dat rekent zich gelijk hard af. Het was niet allemaal mijn fout en daarom voel ik mij machteloos.
Ik heb een hele stapel porno in het bos begraven maar ik weet niet meer waar.
Op de vloer, op de kussens van een bank waarop ik nu lig, lig ik 's nachts ook. Door de kieren in de houten planken zie ik 's avonds licht van de onderburen. Zeil kan ik niet meer betalen want dat is opgegaan aan drank. In mijn kleine kamer liggen veel lege flessen maar staan ook veel volle. De kussens heb ik gevonden op straat want de bank was te zwaar om door het kleine portiek naar driehoog te krijgen. Inmiddels ken ik niemand meer die het voor mij wil takelen. 's Nachts slaap ik op dezelfde muffe groene kussens. Zo'n ouderwetse bank met zo'n ouderwetse kleur groen. Ouwe slaapzak over me heen en dan lig ik prima. Ik leg de kussens dan neer in de slaapkamer. Zo heb ik nog het gevoel dat ik een geregeld leven heb. Overdag in de woonkamer, 's nachts in de slaapkamer.
Ik voel zwemvliezen als van een eend tussen mijn tenen.
Veel drink ik niet voor mijn gevoel want als ik wegzak van de alcohol neem ik een lijntje. Tv kijk ik niet en ik heb een paar keer gepionierd met heroine. Ik heb een paar keer speed genomen waardoor ik drie dagen rondjes kroop in mijn huis. Een keer had ik een alcoholvergiftiging van het bier en vonden ze me in mijn eigen kots. De onderburen bedoel ik, omdat het lekte door hun plafond.
Mijn plafond is betimmerd met piepschuim. Grote plakken brandbaar piepschuim.
Buiten hoor ik geluid van lachende mensen maar ik negeer ze. Allemaal zijn ze op weg naar de hoofdstraat. Mij laten ze achter in de zijstraat van de hoofdstraat. Ik doe net alsof ik er niet ben en vertoon mij niet voor de ramen. Als ze morgen vragen waar ik was, zeg ik 'gewoon thuis'. Misschien dat ze dan wat gaan vragen. Op een kwade dag breng ik enorme schade toe aan mijn systeem. Als het zo moet, dan vragen ze er ook zelf om. Misschien wordt er dan eens iemand wakker die om mij zal geven.
Wiet gaat nog wel maar van dikke brokken hash word ik helemaal gek. Mijn plafond staat in de fik. Lange druppels brandend piepschuim komen naar beneden en bedekken mijn houten vloer.
Mario Andretti was 12 jaar oud toen hij in Italie voor het eerst coureurs zag rondgaan met 100 miles per hour in Amerika. In de krant op Indy. En hij kon het niet geloven. Mario Andretti reed Formule 1, Le Mans en Indy 500. In 1978 kreeg ik van Mario Andretti een handtekening. In 1994 heb ik Mario Andretti voor zijn laatste keer de 500 zien rijden. Op Indy. Live. Op het circuit dat Indianapolis 500 heet. Op 1 mei dit jaar is het 10 jaar geleden dat Senna het leven liet. Op een circuit slechts 80 kilometer van de fabrieken van Ferrari. Schumacher schrijft nu historie zoals wij dat nooit meer zullen kennen.
schreef Kiers om 05:13 PM [link]
Thursday, April 29, 2004
Oh, jullie vervloekten!
Het piepende bed van mijn buren. Beiden zo lelijk en zo achterlijk dat ze slechts elkaar kunnen krijgen. Dag en nacht, dag en nacht lijkt het wel alsof ze hun samenzijn bevestigen moeten door hun rauwe en primitieve lustgevoelens op elkaar te botvieren.
En ik zit er naast.
Ik speel de muzikale tirades van Richard Wagner tegen de ellende van hiernaast. Mijn god, de vloek van dunne wandjes!
Oh, de domme mensen, maar zo vrij van zorgen. Hoe fijn moet het zijn om zo inhoudsloos te zijn dat zorgen en gedachten je niet kwellen kunnen!
Het piept en ze beginnen zelfs te kreunen! En ik zit er naast! Als een hond haar zou bestijgen zou ik hem er afschoppen. Maar het lijkt wel of die melkertbaan van hiernaast geen andere invulling van z’n leven weet!
Het wit van een word-document voor me. De cursor knippert en vraagt om woorden. Ik streel het snoer van m’n muis. Ik kijk naar de deurpost voor me. Het wit, maagdelijk als een sneeuwlandschap vroeg in de ochtend.
Ik wil er mijn woorden over laten vloeien maar ze komen niet.
Stemmen in mij roepen om naar buiten te kunnen. De karakters in mijn hoofd. Ik creëer ze, ik ben hun vader, ik ben hun God! Ze spugen naar me en kwellen me. Ze schreeuwen binnenin me. Hoe langer, hoe meer er zijn. En allemaal schreeuwen ze door elkaar! Ze willen er uit! Ze moeten er uit, ze maken me gek!
Het gekreun van hier naast. Dáár word ik gek van!
Mijn karakters. Ze willen er uit. Ze willen op het papier. En de mensen. De mensen willen meer! Ze willen lezen wat mijn zieke brein voortbrengt. Wat er zich in de diepste kronkels van mijn duistere bestaan afspeelt.
Wagner gaat harder. Venus zingt haar verleidingen luider dan de hoer van hier naast kreunen kan. Maar ze overstemt het gezeur en het geschreeuw binnenin mij niet.
Het maagdelijk wit voor me, ik ben zo moe, ik kan wel janken!
De zon schijnt warm.
Het volk zal buiten wel fietsen en genieten van hun vrije dag. Tenminste als het nu een weekend is. Ik weet het niet. Voor mij bestaat enkel nog dag en nacht. Weken ken ik niet. Enkel nog dag en nacht met als enig onderscheid het lichte of het donkere. Eindeloos zit ik aan m’n werktafel. In mijn bed kan ik niet inslaap vallen. Ik ontwaak geradbraakt en doodmoe met m’n gezicht op het toetsenbord.
Koffie en alcohol. Mijn redding. Ik leef er op. Het enige genot wat ik mijzelf nog gun.
Oh, orgiën van drank, feesten, coke en vleselijke genot liggen achter me. Maar de zonden waren niet in staat mijn ellende te maskeren, de onrust te stillen, de misère te compenseren.
Nu laat ik ze vloeien op papier. Mijn diepste angsten, mijn meest duistere dromen, ik kots ze uit op papier. En men huldigt mij! Men schreeuwt om meer!
Oh jullie duivels, gun mij mijn rust!
In mij schreeuwen ze om naar buiten te kunnen. De wereld om mij heen bidt om meer.
Ik ben de spil, ik creëer alles, ik beheers het, maar het consumeert mij. Ik kan niet anders.
Ik wou dat ik een Duitser was. Rust en orde.
De tatoeages op m’n armen en m’n lijf als krassen van een onstuimig en ongelukkig verleden.
Ik ken situaties die een normaal mens zich niet voor kan stellen, ik heb schrikbeelden, ervaringen en waanvoorstellingen die men prijst als ik ze op het papier schreeuw. Ze spelen in mijn hoofd. Ik maakte het mee.
Waarom, waarom, waarom? Ik ben niet briljant. Welk wreed lot besloot dat dit mijn deel zou zijn? Waarom ben ik een soort joker die de mensen vermaken moet met zijn angsten en ellende?!?
Oh, mijn geplaagde hoofd.
Ik zwelm in m’n misère. De vlucht in zonden heb ik afgezworen. Enkel de drank bestaat nog. Drank om de woorden te laten vloeien. In een roes meegesleept door de weemoedige muziek van Wagner en Mahler. Om mijn hoofd te ventileren. Nee, de zonden heb ik afgezworen. De coke, de nicotine. Het vleselijke genot. Geen vrouwen meer. Geen mannen meer. Ik heb enkel nog de confrontatie met het papier.
Het keiharde papier dat je genadeloos in je gezicht slaat met iedere fout en oneffenheid in je werk. Gruwelijk, wreed en onvergeeflijk! Geen genade! Schrijven is je lot. En schrijven zul je! Nee, dit accepteer jij niet. Je kunt het beter, beter, beter! Duisterder die verhalen, mensen willen meer ellende! Een blik in jouw misère om vervolgens blij te kunnen wezen met hun burgerlijke en nietszeggende leventjes.
Het krakende bed van hiernaast. De CD moet gewisseld. Het papier nog zo wit. De stemmen. Oh, de personages in mijn hoofd! Ze willen mijn schedel wel laten barsten om hun waanzin ongecontroleerd de wereld in te laten vloeien.
Svetlana, jij moordenares! Daniël ik flikkerde je voor de trein! Ik laat jullie sterven, ik gooi jullie in het gevang!
Maar jullie blijven mij achtervolgen. Nooit gunnen jullie mij een moment van vrede!
In de kroeg bestel ik borrels samen met pen&papier.
Ik kan wel janken. Ik ben zo moe. Dit is al wat er nu nog rest voor mij.
Geen coke, geen seks, geen weet ik veel wat voor een troep er nog meer door m’n lijf ging vroeger.
Nee, ik drink. Ik laat mij mee stromen met de muziek. Hopende dat ik er zacht in zal verzuipen.
Ik streel het snoer van mijn muis, stel mijzelf voor, hangend in mijn deurpost. Vredig met mijn voetjes van de grond. De zon die een lange schaduw maakt van mijn lijf. De ellendelingen in mijn hoofd ook eindelijk gestorven.
Mijn nachtmerries, de krijsen die mij ’s nachts doen schrikken.
Tirades, tirades, tirades.
Ik, mijn geplaagde geest, oh mensen verlos mij!
Maar jullie willen meer! Meer, meer, meer, jullie beesten! Jullie vinden jezelf zoveel beter dan dat tuig van naast mij. Banen, hypotheken, jullie kinderen en skivakanties. Maar jullie kwellingen zijn zoveel zwaarder dan het eenvoudige wat de simpele zielen naast mij, mij aandoen. Hun lawaai? Ach was ik maar doof. Maar jullie! Jullie vreten mij op! Van binnenuit als hongerige monsters! Mijn bleke zieke lijf, het is slechts nog een holle schulp. Een schulp die de geest behuisd die jullie fantasie moet prikkelen met verhalen die hij schrijft. Verhalen waarvoor hij zelf duizend doden sterft en angsten uitstaat, gelijk aan wat hij het papier toevertrouwt.
En jullie genieten er van. Jullie lezen de pagina’s, voelen de rilling langs jullie ruggengraat en leggen het boek weer weg! Maar ik. Ik leef die angsten! De geschreven ellende is de mijne! Jullie zijn wreed!
Mijn afschuwwekkende gezicht hekelen jullie. Mijn schrijverij, jullie vragen om meer, meer, meer! Luguber vermaak. En ik, zwak als ik ben, ik kan geen nee zeggen.
En zo schoppen jullie mij terug de duisternis in.
Stom volk! Mijn ellende stort ik over jullie uit en jullie huldigen mij. Oh vervloekte idioten!!!
Maar nu is het voorbij. Ik kan niet meer. Rust, rust, rust… ik heb het zo nodig. Rust. Ik ben zo moe dat zelfs de stemmen in mij nog enkel ver weg ergens schreeuwen.
Maar vandaag… ja vandaag schijnt de zon ook voor mij. Vandaag zal ik ook genieten van haar warmte. En niemand die mij nog terugroepen kan! Nu neem ik mijn lot in eigen handen.
Ik pak een fles whisky en zie, ik balanceer op het randje van mijn balkon. Haha!
Oh, en nu hoor ik jullie wel weer schreeuwen! Ja, maar nu ben ik de baas! Ja, schreeuw maar, schreeuw maar mijn kleine creaties! Schreeuw maar in paniek nu het lot van ons allen weer in mijn hand ligt! En een fles whisky in de ander! Haha!
En jullie, ja jullie ook. Jullie zien mij hierboven staan. Wankel en bezopen. Als een speelbal voor jullie vermaak schopten jullie mij rond. Jullie lieten mij huilen, jullie lieten mij verstrikt in mijn angsten. Jullie sloten mij buiten en hulden mij in eenzaamheid. Jullie verachtten mij om mijn uiterlijk. Maar van een afstand. Veilig ver weg en het vieze werk gedaan door de uitgever zogen jullie mij leeg. En in plaats van het mij na de eerste keer te gunnen alles achter mij te laten en mee te mogen leven in jullie schijnleventjes, kotsten jullie mij weer uit mijn misère in. Wij willen meer, wij willen meer, wij willen meer!
Maar het is voorbij. Ik kruip het riool niet meer in. Ik ben een man en lach jullie met mijn rotte tanden toe. Ik lach jullie uit! Ja, nu sta ik hier. Ik, ik jullie leverancier van jullie hapklare duisternis. Fijn te consumeren in boekvorm met een glas cognac in de andere hand. Ik, jullie leverancier balanceer nu op het randje van mijn balkon. En ik zal drinken! Ik zal drinken alsof er geen morgen meer is. Want die is er misschien ook niet! Dan is het uit met jullie. Ik zal drinken tot ik omval. Tot ik omval, voorover of achterover. Dood of leven. Het maakt mij echt niet meer uit. Het is mij om het even. Hahaha!!!
Achter de planken zitten ze. Honderden padden. Eén voor één haal ik de planken weg en leg ze weer terug achter het schuurtje een eindje verderop. Daar gaan ze. Over een lengte van een meter of twintig beginnen de diertjes hun tocht naar de andere kant van de dijk. Tevreden kijk ik het aan. En dan nu de hond ophalen. In de voortuin pak ik een handje grind en stop het in m’n broekzak.
De hond vindt het maar vreemd. Al die padden op de weg. Hij blaft en wil er achteraan. Z’n neus vlakbij een stilzittend exemplaar. Als het beestje zich beweegt, schrikt de hond. We lopen een stukje verder. De eerste auto passeert en rijdt een paar padden plat. Het is donker dus hij kon ze niet eerder zien. Met verminderde vaart vervolgt hij z’n weg. Natte drats op de weg. Perfect.
In de verte zie ik hem aan komen rijden. Als een gek, zoals altijd. Iets vlotter dan normaal loop ik een paar meter verder en ga een stukje van de weg af staan. Een half metertje zoals iedereen doet die op deze dijk een auto aan ziet komen. Ook op dit stuk van de dijk plakken de platte padden. Maar niet zoveel als er straks verderop zullen liggen. Ik vraag me af hoe die beesten hun soort in stand kunnen houden als ik het slagveld op de dijk overzie.
Groot licht komt snel op me af. Minstens honderd kilometer per uur. Ik trek de hond wat dichter naar me toe, die hoeft er niet onder. Twee steentjes neem ik in de hand. De rest laat ik vallen. Zijn licht schijnt op het ronde witte bord met rode rand waarop met grote zwarte cijfers 50 staat. De steentjes verlaten met een boog mijn hand. Perfecte timing. Ze landen precies op de voorruit van de auto die minstens twee keer de toegestane snelheid rijdt. De knetterende krakende klappen klinken me goed in de oren.
Ik stap de weg weer op en kijk de auto na. Blauwe rook van de banden kleurt rood door de oplichtende remverlichting. De vaart blijft erin en de rook verminderd. De padden doen hun werk. De auto trekt een beetje scheef maar redt de bocht niet. Met veel herrie en een laatste harde klap komt de auto onderaan de dijk tegen de bunker tot stilstand.
Voor me zie ik het glinsterende glas op de weg, paddensmurrie en opstijgende rook. De hond doet normaal en loopt alsof er niets aan de hand is met me mee richting de chaos. Ook ik ben opmerkelijk kalm en steek een sigaret op. Om me heen geen spoor van getuigen, niemand die op het lawaai afkomt. Ik bevestig de hondenriem aan een paal en loop de dijk af. Er sist iets in de auto. Er lekt van alles. Dan kijk ik in het onherkenbare bebloede gezicht. Aan het geblubber rond de mond en neus maak ik op dat er nog ademhaling plaatsvindt.
De hond blaft een keer. Hij is het niet gewend dat ik hem zo achterlaat. Ik ga weer terug, maak de hond los en bedenk tevreden dat ik mijn kinderen heb verlost van één van de vele bedreigingen uit de grote boze buitenwereld. Ik pak de telefoon en meld 112 dat er een brandende auto onderaan de dijk ligt. Ze beloven snel te komen. Dan schiet ik het brandende restje van mijn peuk in de uitgelekte benzine.