huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


Saturday, April 24, 2004

Jose Cuervo Especial

Mijn linkerhand ondersteunt mijn hoofd dat met ieder slokje zwaarder wordt. In mijn rechterhand heb ik een klein glaasje Jose Cuervo Especial. Tenminste, dat denk ik. Proeven doe ik het al lang niet meer. Mijn smaakpapillen hebben vandaag na de zevende borrel het leven al gelaten. De op zijn zachts gezegd melodramatische achtergrondmuziek van de broertjes Oasis mist zijn uitwerking op mij niet. In een slok gooi ik het laatste laagje naar binnen. Met moeite onderdruk ik kokhalzen. Wijsheid zou nu zijn om een colaatje te bestellen, maar ik vraag de barman om nog een keer bij te vullen. De barman wil iets zeggen, waarschijnlijk in de trant van "heb jij nog niet genoeg gehad". Ik kijk hem zo vuil aan dat hij zijn mond houdt. Zwijgend schenkt hij mij bij. Het is inderdaad Jose Cuervo Especial.

Ik sta buiten het cafe, het is koud. Ik kijk in mijn zak of er nog genoeg geld in zit om met de taxi naar huis te kunnen. Dat valt tegen, een paar eurootjes nog. Nergens een pinapparaat te bekennen. Ik begin te lopen. Ik heb geen idee welke kant ik op moet dus ik loop een willekeurige richting uit. Hoe verder ik van het cafe vandaan loop, hoe minder mensen ik op straat zie. Tot ik niemand meer zie. Geen mensen, geen lichten achter de ramen van de grauwe arbeidershuizen. Alleen het donker en nog donkerder. Een rilling loopt over mijn rug. Ik weet niet of dat komt door de kou of door het gevoel helemaal alleen te zijn in deze godvergeten klotebuurt. Ik steek een sigaretje op, wat nog enige moeite vergt door mijn verkleumde vingers. In mijn hoofd klinken nog steeds de klanken van Oasis.

Ik loop al zeker een uur zonder iemand te hebben gezien. Alhoewel ik de straat zie bewegen alsof het de zee is bij een flinke bries, alhoewel het voelt alsof het wegdek onder mij danst, heb ik de pas er goed in zitten. De huizen worden schaarser, de stukken groen tussen de huizen steeds groter.

Ik loop op een boerenweg. Aan weerskanten eeuwenoude treurwilgen. Zo'n weg waar vier keer per dag een trekker rijdt. Verder nooit iemand. Ik heb geen idee waarom ik hier loop. Ieder pad dat ik totnogtoe insla, sla ik in zonder na te denken. Ik weet niet waar ik heen loop, en of ik wel ergens heen loop,
maar het voelt goed.

In de verte zie ik iets dat op een boerderij lijkt. Ik loop al uren in de kou loop maar ben nog steeds niet ontnuchterd. Ik begin moe te worden maar loop door. Het begint licht te worden. Ik kijk op mijn horloge, het is zes uur in de morgen is. De boerderij komt dichterbij. Ondanks dat ik moe ben, loop ik steeds harder. Een meter of 50 voor de boerderij begin ik te rennen, ik ren het erf van de boerderij op. Voor de deur van de boerderij blijf ik staan. Ik kijk naar de boerderij, ik ken 'm. Ik bedenk dat ik hier mijn jeugd heb doorgebracht. Ik ben er al minstens tien jaar niet geweest maar het ziet er nog net zo uit als in mijn herinnering. Achter de gordijnen brandt licht. Ik bonk drie keer hard op de deur. Een halve minuut later gaat de deur open. Mijn moeder. Er rolt een traan over haar wang maar ze is rustig.

"Dag jongen", zegt ze. Uit haar houding wordt duidelijk dat ze me verwachtte. Ik stap naar binnen. Mijn moeder omhelst me. Ze ruikt de drank maar zegt niets. Moeder loopt de huiskamer in en ik volg haar. Daar zie ik mijn vader liggen in een ziekenhuisbed. Vader's gezicht is ingevallen, hij ziet er zwak uit. Ik ga aan de rand van zijn bed staan. Hij draait zijn hoofd in mijn richting wat hem zichtbaar veel pijn doet. Hij kijkt me aan.

Plotseling schiet mij te binnen waarom ik hier ben en ik begin zacht te snikken. Mijn vader knijpt even zijn ogen dicht alsof hij wil zeggen, "het is goed jongen, huil maar niet". Mijn moeder loopt naar de keuken en komt terug met een scherp middelgroot vleesmes. Moeder geeft het mes aan mij. Ze is nog steeds kalm maar haar ogen zijn roder geworden. Er rollen tranen over haar wangen. Mijn vader probeert iets te zeggen, "doe het maar jongen, ik ben er klaar voor".

Ik til mijn arm omhoog wat mij veel moeite kost. Het mes voelt als een baksteen. Dan steek ik het mes in mijn vaders' hart. Ik kom niet diep genoeg en herhaal mijn daad. Pas bij de derde poging doorboor ik zijn hart. Het lijkt alsof mijn vader de pijn niet voelt. Er loopt een straaltje bloed uit zijn mond. Hij mompelt "bedankt". Dan sluit hij zijn ogen.

schreef Billie om 06:07 PM [link]

Friday, April 23, 2004

Opel

In fatsoenlijk tempo snel ik langs de A1 richting het gezegende land van dadels en overrijpe boerinnenpracht. Op het dashboard ligt een pistool en tijdens sportieve inhaalmanoeuvres vliegt deze goede vriend van links naar rechts. Ik ben er niet zo zuinig op. Ik heb hem afgelopen weekend uit de handen geslagen van een dronken praatjesmaker die mij de tieten van zijn lief misgunde. Mijn eigen favoriete gatenmaker steekt met de loop in mijn rechterlaars. Rechts, altijd Rechts.

Godiseenblindenegrijn, wat een hitte. Het blikje Grolsch dat ik vasthoud, giet ik over mijn hoofd om af te koelen. De laatste weken houdt het tropische klimaat het land in zijn greep. Tenminste dat staat in de kranten. Tenminste dat zegt de visboer. Ik lees geen kranten. Dat doen ze maar op de universiteit, het leven leer je op straat. Ik heb het op straat geleerd. Vallen, opstaan, bukken en tandenrapen. "Ja joch, we waren er druk mee. Je had geen tv toen". Later schoof je ze per dozijn van de vrachtwagen.

Het landschap vliegt aan mij voorbij als was ze door een dronken schilder met volle blaas op het doek gesmeerd. Afritten flitsen langs, blauwe borden met witte comic sans, gele pechtelefoonpalen. Ik besluit op safe te spelen en parkeer mijn Opel Kadett 2.5 Turbo Injectie Monochroomspoiler strak tegen de vangrail aan mijn linkerzijde. Het stapt even beroerd uit, maar je bent vlug aan de overkant. En laat nou nèt aan de overkant een Shell zitten. Een prachtmoment om eens flink uit mijn buis te ruizen.

Godiseenberoerdedobbelaar, wat een drukte van belang daar bij die Shell. Vettige truckers met dito vrouwen. Op de grond hangen en liggen enkele rukzaklifters. Ze zien er vies en ongewassen uit. Lang haar en vale t-shirt's. Ik loop er niet te vlak langs heen, want de kans is groot dat ze stinken. Extreem-links tuig als je het mij vraagt. Jaloers op elke hond die zijn eigen ballen likt. Van extreem-links tuig krijg ik altijd krampen in mijn Hitlerarm.
Ik kijk op mijn loodzware Breitling en zie dat ik nog wel even tijd heb om wat met zo'n vette trucker te dollen. Aan een met curry bevlekt vreeteiland leunt een soort van roodharige Henk Wijngaard. Henk houdt een boekje vast. Henk kan lezen en meteen weet ik dat het een bijzondere dag is.

'Hai'
'Mwurgh'
'Wat lees je?'
'Mwuhurgh'
Een holenbeer met groot rijbewijs dus. Ik vind het wel naadje en slof richting vreetmuur. Met mijn linkerhand soepel door mijn zak vol gokmunten glijdend. Dan begint holenbeer voor te lezen. Zijn brabants dialect echoot mijn goed humeur meteen aan flarden.

"Zijn ogen licht toegeknepen, zijn lichaam onthult bravoure. Een echte trucker draagt noorse klompen en een mouwloos jack van bruin leder. De eeltige knuisten omklemmen het grote stuurwiel, de vrachtbrief belooft een lange nacht. Achter zijn rug schudden 32 pallets met hollandse tomaten, bestemd voor de Duitse markt. Op de radio zoemt WDR Zwei. Een zwart buideltje waarin hij trouw elke ochtend een verse baal shag stopt, ligt op zijn knie. Met één hand bestuurt hij zijn zware Diesel. Met de ander krabt hij zijn gat. Als kleine jongen droomde hij hiervan. Uren stond die kleine langs het gaas bij de snelweg, een paar honderd meter van zijn ouderlijk huis. Zijn moeder was vrijwilligster op een bibliotheek. Zijn vader technicus bij de waterleidingmaatschappij. Ze hadden het niet luxe, maar elke dag lag er een stukje vlees op de borden. Vader het grootste stuk. Want hij bracht het geld binnen."

Met een klap gooit Rooie Henk het dichtgeslagen boek voor zich neer. Curry spettert een patroon op mijn hemd.
'Heb je nou je zin, Henk?', zoek ik ruzie.
'Mwurgh?'
'Een kutboek lees je. De György Konrád van het asfalt, met zijn bijvoeglijke naamwoorden'
Enfin, een kopstoot en een gescheurde milt later loop ik al zuigend aan mijn Magnum 'Save the whale' terug naar mijn auto. Het is een drukte van belang rondom mijn Opel Kaddetillac 2.5 Turbo Silverbullet sportuitvoering met meegespoten bumpers. Omdat ik vanochtend flink van de pretvim genomen heb, lijkt het alsof er dansende poppen voor mijn ogen fonkelen. Klassiek Craddle of Filth met een vernis van gedroogd urine. Kind van de maan, spreid je benen en steek je tong tussen je tanden door, ja.. uhm.. ik doe graag interessant als ik um lekker raak en vanaf IJmuiden via Witte Paarden heb ik er toch zeker al 8 op. Halve liters kwaliteitsbier uit Grolle.

'Zo mannen. Mag ik even instappen?', zeg ik met de autosleutel tussen mijn tanden. De sirene van een aangesnelde jutenwagen beiert dat het een lieve lust heeft. De juut parkeert zijn auto dwars voor de mijne. De agenten stappen uit en kijken boos. Boos kijken, ik snap niet wat ze eraan vinden. Ik vind persoonlijk damesturnen enorm leuk om naar te kijken. Van die roemeense lolita's die in nauwsluitend tenue over de evenwichtsbalk soppen. Wat moet er in zo'n trainer omgaan. Die neukt ze toch ook om ze op te rekken? Alles voor de Spelen. Af en toe wordt zo'n trainer opgeruimd door een vader die zijn dochter het succes misgunt, maar daarin ziet zo'n nationaal olympisch commitee geen hindernis om verder te investeren. Alsof je onder de indruk moet raken van een koevoet die de schedel laat glooien.

'Meneer, wilt u ons de sleutels overhandigen?' Het is eerder een bevel dan een verzoek.
'Nou, dat lijkt me niet. Hoe moet ik anders thuiskomen. Weet jij het?'
Er staat ook een agente bij. Ik zie zompige borsten.
'Jouw borsten hangen er zompig bij', grap ik. Niemand moet lachen.
'Voorruit dan maar', overhandig ik de sleutels. Eerlijk ruilen tegen jouw blaffer. 'Tadaa die is mooi!' Snel als de wind gris ik het pistool uit de holster van Juffrouw Zompig. Omstanders deinzen achteruit. De agenten houden hun handen naast hun oren.

'Ja! Kwartetten!,' brul ik hysterisch. Ik geef jou de sleutels van de Opel Kadett 2,5 Turbo Injectie met fluorescerende blauwe motorkapwaas en dan wil ik van jou de sleuteltjes van dat gestreepte joekel die de weg naar huis blokkeert. 'Ojah, handjes laten waar ze zijn. Pak ik ook jouw blaffer effe'. De agent is gezond bezig en verroert geen spier. De zeik loopt uit zijn pijpen.

Zonder sputteren ontvang ik het gevraagde.
'Ach weet je, ik ben erg gehecht aan mijn Opel. Mag ik de sleutels weer terug?' en om mijn woorden kracht bij te zetten steek ik de loop van de politieblaffer in een neusgat van de agente.
'Zo. Bedankt. Nu gaan jullie allemaal een stukje terug zodat ik rustig kan instappen' Het pistool houd ik gericht op de agente terwijl ik instap. Nadat de wagen kuchend start rijd ik een stukje achteruit. Daarna rijd ik langs de politie-auto en stop er naast.
'Zeg meisje' De agente ziet bleek en zwijgt.
'Jammer van die kogelgaten'
'W-w-welke?'
'Nou deze.'
De agent naast haar stuitert op het asfalt. Het schreeuwen van de omstanders wordt overstemd door de gierende banden van mijn verlaagde Opel 2.5 Turbo Intergallactic Bronze Edition. Onder mijn stoel grijp ik tussen de cassettebandjes.

De muziek van Maywood ontroert me. Ik schakel terug en trap het gas diep in.
Mijn Opel en ik huilen hartverscheurend.

schreef bicat om 12:14 PM [link]

Monday, April 19, 2004

1 juli 2004

Zachtjes maar gestaag zwoegend voelde ik de deadline dichterbij rennen. De handen naar de hemel geheven als een zelfmoordterrorist in een muurloos Israël. Bij aankomst zou hij mijn wereld met één klap doorzeven met spijkers en marineren met spetters HIV-bloed. Zoals elke deadline dat doet.

Piekerend over een basaal probleem trommelde ik onbewust mee met het zachte gebonk dat de poef aan de andere kant van het plafond liet horen. Zo'n drie keer per dag parkeerde een automobilist zijn roestbak op de bezoekersplaats van ons bedrijf om bij het 'bedrijf' boven ons op een poef te gaan zitten meppen. Assertiviteitstherapie. Meppen op een poef om aan te geven hoe diep een bepaalde frustratie is.
"Hoeveel klappen vind u uw baas waard?" vraagt die ouwe mus van hierboven dan.
"Nou, zeker honderdtwintig schat ik zo!" zegt cliënt.
"Okee, begin maar vast, dan ga ik koffie zetten," zou die mus dan zeggen.

Die ouwe mus. Drieënzestig lange jaren oud en nog zo ergerlijk als een klein kind. Zielig verhaal om klanten te winnen: Ze had een glorieus trainingsbedrijf met universitair geschoolde trainers, die zich tegen haar keerden en er met de klanten vandoor gingen. En nu was ze hard aan het doorbijten naar haar pensioen en zaten wij urenlang naar poef-getrommel te luisteren.
Maar het had ook zijn leuke kanten. Zo nu en dan klopt er een schrijnend geval bij onze administratie aan - uiteraard aan het verkeerde adres, zulke mensen schijnen geen bordjes te kunnen lezen - om vervolgens een partij op die poef te gaan zitten beuken. Ze zijn er schijnbaar stellig ervan overtuigd ze daar knapper van zullen worden. Of groter. Of dunner. Of minder lomp. Wanneer zo'n topsessie dan afgelopen is begeven wij ons allemaal naar het trappenhuis en de uitgang om als ramptouristen de vertrekkende assertieven in spe hun nieuw verworven zelfvertrouwen te ontnemen.
De meeste van die mensen trommelen overigens onregelmatig. Hard-zacht-hard-zacht. Ik denk dat dat de rukkers zijn. Een onderontwikkeld armpje en een afgetrainde ruk-arm, compleet met zonnebank-teint en kloppende aders.
Anderen trommelen geweldig. Het vooroordeel over ritmische negers is een zuiver feit. Triolen, roffels, grooves en strakke bossa-nova's.

Enfin, ik trommelde onbewust halverwege een gestagneerde gedachtegang. Een deadline. Wat letterlijk.
Een tijdje geleden al meldden de obscure takken van de media een naderend armageddon. Bijbelcode verzinners hadden het verzonnen, alle media - Jomanda-stijl media - bevestigden dit. Op zich natuurlijk niet zo boeiend, ware het niet dat alle simulaties en modellen na de betreffende datum óók niets meer verzonnen. Van beurskoersmodellen tot planetaria. Zelfs tamagotchi's en horloges lieten het afweten wanneer de datum naar deze specifieke einddatum werd gewijzigd. In Belgie besloot men de jaartelling maar opnieuw te starten. Klinkt als het bestrijden van symptomen, maar de symptomen veranderden mee: Hun spullen eindigden nu op 1 juli van het jaar nul. Hetzelfde gebeurde met zomertijd en wintertijd; de storingen verschoven gezellig mee. Toen dit eenmaal geconstateerd werd was men ervan overtuigd: die datum zou het einde van de wereld zijn. Die datum - 1 juli 2004 - bestond simpelweg niet.

En daarom zat ik hier nu een anti-doomsday device te maken. Geen bom werkt hier. Quantum-gebeuren kan niet gebruikt worden op een datum. Ook medisch valt er niks te doen. Wat hier moest gebeuren was het aanpassen van de realiteit. Dus géén kernbom en géén serum, maar een bewijs van het bestaan van 1 juli 2004. Wiskundig of filosofisch, wat dan ook. Maar het scheen niet te lukken. Mijn scherm sprak boekdelen over mijn vorderingen: 3 juli - 2 dagen = knipperende cursor. Het kon niet. Het was het zoveelste dat ik probeerde. De simpelste dingen konden niet. De spellingcontrole van de tekstverwerker slikte alle data, maar 1 juli 2004 werd steevast rood kringelend onderstreept.

Toen bedacht ik iets.

De deadline trok op honderden meters afstand aan zijn touwtje. Er gebeurde niets. Wijfelend keek hij naar het touwtje in zijn hand en trok nogmaals. Niets gebeurde. Zijn pas vertraagde. Hij trok nog eens en nog eens, maar nog steeds gebeurde er niets. Berustend haalde hij zijn schouders op en liep ontspannen verder. Ik was al gestopt met mijn werk en had een vakantie geboekt. Een vriend opzoeken in Australie. Als verassing.

Toen de deadline eenmaal kwam aangeslenterd, verdween hij toen hij er bijna was. Meters achter mij verscheen hij weer en liep ongestoord verder. Wat had iedereen zich drukt gemaakt om niets! Want zeg nou zelf: wat is 1 juli nou waard?

schreef Oersoep om 10:05 PM [link]




huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


-bicat- !

Kritieken worden pas waardevol wanneer u zelf een duit in het vuighe zakje doet.
Inspiratie? Mailen maar.
Onvuighe inzendingen worden zomaar geweigerd. Met of zonder reden.
(?)