Een vaag gezoem was het enige wat ik hoorde toen ik nogal onrustig wakker werd. Hoewel het een aangename dag was geweest overviel mij het gevoel van kou. Het zoemen klonk zoals het zoemen van hoogspanningskabels in de motregen, maar dan alleen het zoemen, niet het lichte knetteren dat zich op de achtergrond manifesteert in dat soort gevallen. Ik was er van overtuigd dat er nog iemand in de kamer aanwezig was, hoewel al mijn verstand me duidelijk maakte dat ik alleen was.
Mijn aandacht werd getrokken door de beweging van de gordijnen. Het raam was gesloten. Twee mensachtige gedaantes stapten door de gesloten ramen naar binnen. De gezichten hadden niets menselijks en leken emotieloos. Hoewel ik dacht aan vluchten bleef ik opmerkelijk kalm, alsof een trance zich over mij meester had gemaakt. Hoewel de omgeving mij bekend voorkwam had ik niet meer het idee te weten waar ik was op dat moment. In alle rust accepteerde ik mijn willoosheid en leverde me over aan de wensen van de indringers.
Een transparant blauwachtige lichtbundel scheen naar binnen. Ik stapte de laserachtige lichtstraal in en begon onmiddellijk te zweven. Door de gesloten ramen heen naar buiten. Langzaam en prettig zwevend omhoog. Ik herkende de omgeving, het leek op de luchtfoto van het dorp waar ik woon. Die kreeg ik toen ik een rekening bij de bank opende een paar jaar geleden. Maar dan in het donker. Achter de krachtige lichtbron ontwaarde ik het bolvormig object waar ik naar op weg was.
Eenmaal binnen kwam ik terecht in een helder lichte ronde ruimte, in de wanden rondom een streep glas waarachter ik nog meer figuren zag. Mijn kleding trok ik uit. In het midden stond een onderzoekstafel waarop ik naakt ging liggen. De aanraking van een hand op mijn hoofd had het effect van een volledige narcose. Toch bleef mijn vermogen om te zien in tact.
Het onderzoek concentreerde zich op de hersenen. Mijn hersenen werden met een toestel afgetast en door middel van fijne naalden en boortjes onderzocht. Via de neus werd een implantaat ingebracht. Verder werd een micro-object in mijn linker oogkas, de rechter arm en het rechtse bovenbeen geïmplanteerd. Bloedmonsters, weefsel, botmateriaal en andere lichaamsvloeistoffen werden weggenomen.
De wezens werkten snel, koel, maar zeker niet ruw of hardhandig. Toch kon ik het niet voorkomen dat ik mijn bewustzijn verloor, die eerste keer. Thuis in mijn eigen bed werd ik weer wakker. Alsof ik niet weg was geweest. Het zou niet bij die ene keer blijven. Zelfs meerdere bezoeken zou ik brengen aan de planeet Mandragon.
Het ging steeds beter. Ik bleef bij bewustzijn en ook het onderzoeken werd minder. Op een zeker moment had ik zelfs de indruk dat ik werd opgehaald voor de gezelligheid. Gewoon voor het sociale. Als vriend. Het klinkt gek en dat is het ook. Een vriend ben ik niet, maar een middel. Ze hebben me nodig om te bereiken wat ze al eeuwen niet meer bereikt hebben. Eerst moet ik naturaliseren. Officieel één van hen worden. Een Mandragoniër. En dan nog zal het niet helemaal fair lijken, in de ogen van de andere soorten.
Toch ga ik het proberen. Het hoogst haalbare. Tijdens de Melkwegkampioenschappen klaverjassen.
Eigenlijk ben ik wat iedereen wil zijn. Ik heb een goed betaalde baan in de financieele wereld. Ik loop op mooie schoenen. Pikzwarte glimmende broques van Swartjes uit de Utrechtsestraat. Per paar al gauw 500 Euro. Mijn jasje hangt nonchalant over mijn schouder en nu de lente komt gooi ik mijn boordje los. Stropdas altijd om maar losgetrokken. En de strik nooit recht onder mijn kin. Altijd opzij wegtrekken. Cashgeld bij me maar los in de broekzak. Dat is nonchalant. De kleine biljetten buiten. De grote biljetten buiten was vroeger maar is nu niet meer. Of alles bijeen gehouden door een zilveren clip en dan maakt het niet uit waar groot zit. Of klein. Telefoon op trillen. Niet dat opzichtige herriemaken. Zo staat die chick je nog aan te kijken als je in gesprek bent met een ander. Zo sta je te telefoneren. Zonder dat ze een telefoon hoorde gaan. Weet je wel, sneller dan de ander zijn. Zonder dat ze het zien.
Voor mijn leeftijd zie ik er goed uit. Te goed eigenlijk maar dat komt omdat ik hier en daar een noodgreep toepas. Af en toe een extra zonnebankje, kleine correctie in de ooghoeken. De kraaiepootjes verraden het snelst de ware leeftijd. Maar ik zit ook veel in de sportschool en loop hard. Een paar haren laten bijzetten boven op mijn hoofd. Niet veel. Het is als het repareren van haarscheurtjes in een glazuren vaas. Net wel, net niet. Ik ben op breekbare leeftijd. Nog een paar jaar en ik val genadeloos door de mand.
Ik voel mij wel eens alleen maar dan grijp ik naar een mooie fles whisky. Nooit een goedkope fles. Altijd een dure zodat je kunt zeggen dat je connaisseur bent. In plaats van een drinker. Ik voelde me slecht die avond en het was pas woensdag. Ik flirtte met haar. Ik deed alsof ik wachtte op een collega die niet kwam opdagen. Zij leek ook te wachten op haar collega. Ik moest naar de wc en daarna vroeg ik haar of we dan maar samen zouden wachten op onze collega's. Ze hapte. Een telefoontje leerde dat haar collega het niet ging halen. Ze wilde nog een Gin Tonic maar ik vroeg de bartender met een knipoog een dubbele GT. Hij kent mijn truc. Extra citroen. Proeven ze niet.
Ze is van het type dat tot het laatst blijft als iedereen weggaat. Ik denk dat ze me leuk vindt want ze blijft. Dikke volle lippen, een beetje hoerig. Subtiele lippenstift, hoerig maar toch niet. Genoeg om het witte filter van haar sigaret te kleuren. Ze vraagt nog een dubbele Gin Tonic en ik maak er een driedubbele van. Hij kent mijn truc. Extra citroen. Proeven ze niet. De laatste trein haalt ze niet meer. De auto was al geen optie. Een hotel is niet haar stijl. Ik bied haar een slaapplaats. Ze hapt. Als ze bij me blijft slapen, doet ze alsof ze meer wil. Ze is mooi en aantrekkelijk maar ik kan niet naar haar kijken. Ze geeft me te veel herinneringen.
Ze heeft hem gepijpt, de teef. Ik heb het via via gehoord, zo is ze dan ook wel weer. In zijn auto. Ik heb mezelf beloofd haar op te bellen en haar te vragen of ze godverdomme wel goed bij haar hoofd is. Hem pijpen, in zijn auto! Ik heb er aan gedacht haar gezicht kapot te maken. Accuzuur of een ongeluk met een vlam. Ik kan haar in tweeën breken als ik wil. Maar ik bedenk me dat ik geen poot heb om op te staan als het uitkomt. We zijn al een tijdje niet meer bij elkaar. Het doet me pijn. Het maakt me kapot.