Vanmorgen liet ik de hond uit en een laagstaande zon verblindde me. Hoewel het drie graden vroor, dacht ik: 'de lente tooit zich in zijn schoonste kleed en Holland is de bruid.'
Talloos veel late hyacinten en gouden narcissen en vroege tulpen en paarden- en boterbloemen en klein hoefblad en beginnend fluitekruid en de meidoorn komt in blad en de treurwilg heeft zich getooid in ragfijn bladgroen en de zon gooit er een glanzend licht overheen. Verder leek het een doodgewone vrijdagmorgen.
Ik zag de bruid gehurkt aan de einder. Haar nevelsluier over het laagland gedrapeerd. Over geurende akkers, een heel blikveld uitgestrekt, parallel daaraan een boerensloot met een bankje. Op dat bankje zit een meisje teer, ze siddert van gekweld verlangen. Haar vriend is soldaat en vecht voor de vlag in een land waar de inwoners spleetogen hebben en hun kroost grootbrengt met schier onuitputtelijke voorraden rijst. In haar kleine handje houdt ze een geknakte bloem, treurig in de knop gebroken. De ploert boven haar hoofd wiegt zwak over de velden en een lelijke eend stuift kwakend naderbij. Of kwaakt stuivend naderbij; mijn humeur stond troebel en tot zover associatie tengevolge van een avond gelardeerd met flessen goedkoop rood.
Ik liep een stukje in de richting waar mijn hond mij trok en schepte voorzichtig, scherpe nagels, in mijn neus. Een klein groen fladdertje bleef aan mijn wijsvinger kleven. Even weerstond ik de verleiding. Zoals de vos bekend met kippenbloed, een verloren poging.
Ik at het met smaak en begreep meteen de illusie van de geurende akkers.
Ondertussen ben ik in mijn normaal leven gebleven. Ondergedompeld in de noodzaak en de sleur van het dagelijkse bestaan. In de buurt van Gent labeur ik in een vleesfabriek. Worsten draaien met een vulbus. Porties van 200 kg. Dag in, dag uit, vroeg gewekt door de waanzin van een wekker. Een tas thee leeggulpen, een banaan meenemen en in de regen staan liften; want een wagen kan ik mij niet permitteren. Ik recht de schouders en steek mijn duim omhoog. Een Ford Capri met blote-tietenstickers stopt. Een groezelige kerel opent de passagiersdeur en neemt me mee. Het voos namaakleder in de zetels lijkt wel zaadresistent. Ik antwoord kort, zwijg voor het merendeel. Hij laat me eruit aan de spoorweg. De poorten worden nu elke minuut groter. De huiver dieper. De spanning op mijn breekbaar leven ondraaglijker. Ik voel me alweer een complete mislukking. Ik verbaas me over de feiten, dat ik zonder dat alles erop en eraan, dat ik het misschien wel zou kunnen verdragen. Het is al dat gedoe dat me te veel wordt. Al het mierengewriemel en het niets dat erdoor bereikt wordt. De tredmolen, de gemiddelde nul van alle menselijke beslommeringen, onbenulligheden en drogredenen. Op wat voor manier, dat is de uiteindelijke vraag.
Ja, ik heb de job, ik kan het nog in deze maatschappij. Blind, doof, ontmand. Het systeem blijft rollen. Dat is alles. Ik hoef me er niet gelukkig of ongelukkig om te voelen. Het zal niks uitmaken. Het werk start. Hoe dan ook! De bullebak van een ploegbaas komt eraan. Hij klaagt en zaagt al voor mijn overall dicht is. Dat omhooggevallen ingenieurtje met twee linkse gemanicuurde handen aan zijn vadsig lijf. Hij hoeft niet vettig vuil onder de douche te kruipen en er uren het varkenszwoerd uit de oren staan pulken. Hij hoeft zich het vel niet van de armen te krabben. Armen met pijnlijke zweren, etterende wonden en gistende kloven.
'Luister goed,' brult hij door het geknal heen, 'het regent klachten over jou. De productie daalt gestaag. Dat moet gedaan zijn. Ik heb genoeg geduld gehad. Zie je die stapel vlees? Dat is de normale hoeveelheid die elk redelijk mens per dag kan verzetten. Wel... begin er maar aan, als je het niet haalt, hoef je morgen niet terug te komen.'
Ik begin, samen met het geluid van duizend opstijgende vliegtuigen. Ik pers, ik draai, ik bloed en verkramp. Mij oren koken. Mijn rug breekt. Na vier uur is er een korte pauze... halverwege de stapel. Ik zal het halen, fezel ik. Al weet ik ook niet waarom ik het haal, nog minder waarom ik het wil halen. Dat heet dan gelukkig zijn? Al die heisa, minuut na minuut, uur na uur, dagen en maanden. Geen tijd om te pissen. Geen tijd om te denken. Enkel met het idee in een lus in het hoofd rond te draaien. Enkel met de hoop tussen de schokken van de machines door, met de hoop dit enkel voor vandaag te beëindigen. Hoe blij iedereen wel zal zijn, hoe blij we het andermaal 9 uur volhielden. Naarmate het later wordt, nestelt zich de gore opmerking dat dit uiteindelijk nog slechter kon; dit evolueert in het laatste half uur naar een opwelling dat dit feitelijk nog niet zo slecht is; om bij het laatste signaal de euforische wanstaltige proporties aan te nemen... dat dit werk is met een bedoeling... dat dit zelfs nuttige inbreng is in de vooruitgang van de mensheid. Ondanks al de psychologie, elke dag, verzieken en kraken, om op het einde van de week gesust te worden met een poot zout en wat kralen. Ik schrob, ik schuur en veeg de eetresten bijeen, kap ze in de vleesbak en doe mijn vest aan. Dezelfde ingenieuze drol wandelt op me af, nu één en al vriendelijkheid.
'Proficiat, je hebt het gehaald... zie je... als je het wil, dan kan je het... morgen weer present?'
Ik knik beschamend. Zelf als ik ooit besluit niet te komen, zou ik hem dat nooit verklappen. Dit zou mijn kleine revolutie zijn. Dit zou hem ten minste voor één dag aan die dampende vleesmolen vastkluisteren. Of toch enkele uren, alvorens de opgetrommelde interim opdaagt, zwetend en zonder een idee wat hem te wachten staat. Ze krijgt haar veiligheidsschoenen, twee minuten uitleg en nog even blijft de ingenieur toekijken. Daarna verdwijnt hij met het beste excuus... nog veel bureauwerk, nog veel achterstallige cijfers. Daar gaat hij. Geel van de stress, de verantwoordelijkheid en mijn onverantwoord gedrag. Zelfs hij, dat ingenieurtje, vrijgezel, geďsoleerd in en met de middelmaat geconfronteerd. Met het niks bijzonder in zichzelf, zelfs hij, zijn drukke dagen en eenzame avonden, zijn dagschotel-eten, zijn reeds vergane glorie loon, gegrepen door de alles stukmalende, schuimbekkende eentonigheid van de onvoldoending, van de bekrompenheid van zijn werk en alle stukgemalen ambities eromheen. Zou hij niet, ondanks al de onbetaalde overuren, was hij niet van plan iets gaan betekenen? Ging hij geen faxbare hotdogfoto's uitvinden die opgelost in water en opgewarmd in de microgolfoven nog best te vreten vielen? Wel, hoe zit het ermee, mijnheer de worst?
Ik ben al tevreden met de wind in de rug. Ik haal mijn kamer, mijn opgewarmde brok voedsel en ben enkel 9 uur nutteloosheid dichter bij mijn dood. Als alles leeggezopen is, zit ik op de rand van het bad te staren naar de roze babyzeep zonder traantjes. Er is een waas, een black-out, tot ik terug wakker schrik in een Iers café. Ik blijf er rode wijn bestellen, tot het kotsen in de vrouwen-wc. Angstig omdat ik bloed, omdat ik een vrouw ben met maandstonden en mijn mond een vagina is geworden. Een zeer mannelijke buitenwipper gooit mij in de goot. Het sneeuwt in de straten van Gent. Ik waggel door de grillige, donkere straten. Ik zijg neer op een bankje langs de kant van een basketveldje. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en volg het voetspoor in de sneeuw... diagonaal tot waar ik zit. Het is allemaal jammer. Het is kauwgom zonder smaak.
Mijn ribben doen dagen later nog zeer en het hoofd staat 's morgens vol blauwe plekken. Ik herinner me vaag dat ik trachtte de ingang te mikken en tegen de deur liep. Er kleeft bloed op mijn kussenovertrek. Ik heb een koppijn groter dan mijn schedelomvang. Ik hang lange minuten boven de lavabo slijm op te gorgelen. Hoesten en proesten. Verschrompeld. Tergend. Onder de oude verschoten en opgelapte slaapzak luister ik naar het gesis en gedrip van de lekkende verwarming. Ik sidder. Ik griezel. Kan het nog? Ja, want ik vind steeds opnieuw troost in het feit dat er geen andere mogelijkheid bestaat. Dat is de realisatie van de werkelijkheid. Want als ik dan nuchter ben, word ik geconfronteerd met de angst, met de onmogelijkheid, met het feit, met de maatschappij en mijn kamer. En de wekker wekt me opnieuw voor de volgende portie waanzin. De vroege shift. Zo gaat dat maar door, zelfs nadat ik de tel van de jaren kwijt geraak.
Op vrijdagavond ga ik op jacht naar makkelijk vrouwelijk vertier... en vind het meestal nog ook. Ik stel niet veel eisen. Goed, ik ontdek een verlepte teef die mij meeneemt naar haar woonwagen. We zuipen. We neuken. Ik lek aan haar zure, vette, geblondeerde pruim. Met haar benen in de lucht en drie uitpuilende vleeskwabben ergens tussen de smerige lakens. Ik lach en zij lacht en wij lachen samen en ze toont me hoe ze een sigaret kan roken door die in haar achterste te steken. We lachen nog meer. Drinken nog meer. Ik sluit de ogen. Beloof dronken dat ik haar gelukkig zal maken.
'Hoe zou jij dat kunnen? Hoe zou jij me gelukkig kunnen maken?' 'Nou gewoon. Ik koop een huis, je weet wel, in een van die grootschalige projecten. Alles netjes hetzelfde, 6 op 10 meter. 72 % van de grond voor het huis. Een living van 3 op 4, twee slaapkamers, een badkamer. Met een keuken die uitkijkt op de tuin; zodat je mijn spelende kinderen in het oog kunt houden. Een vloer van asfalt en schuimrubber, muren van composietmateriaal en waaihout. Woensdagnamiddag ga jij met de kleintjes en duizend andere gelukkige moedertjes zwemmen in de kom. Je doet onze boodschappen in het annex winkelparadijs. Dat alles voor nog geen luttele 30.000 euro! Zonder last van de negers, de Turken en Marokkanen, want daarvan mag er zonder uitzondering geen enkele van naar binnen. Als we ons haasten, krijgen we er nog een tv en wasmachine bij. Voor de rest houden we onze mooie mond, net zoals de 82000 egale anonieme buren in de 17000 andere prefab-blokjes in Legoland. Goed, na twintig jaar maken ze me onderchef van de afdeling worstendraaierij, op 55 ga ik met brugpensioen en leggen we ons in Blankenberge op het strand naar het jonge flirtende leven te kijken. Ondertussen blijf jij wroeten als dienster in de havenkroeg waar ik je vanavond vond. Je kan er waarschijnlijk met korting ons trouwfeest geven. 's Avonds drinken en neuken we. Om de twee weken gaan we op bezoek bij je ouders.'
We houden elkaar vast en even lijkt het erop. Ik pak haar nog eens langs achter en spuit het zaad tot diep in haar dikke darm. Daarna vallen zij en ik in zwijm. En dat tot laat in de volgende middag. Terwijl ze nog slaapt, snuister ik door haar kamer, snuif in het stof van haar leven. Ik bekijk de foto's op het dressoir, de rekeningen tussen de pakjes sigaretten, de resten fluo-oranje spaghettisaus in een diep bord. Het is de 4711-geur vergeeld in het kitscherige, wansmakelijk langharig tapijt. Haar trots is een collectie porseleinen borden met jachttaferelen op het Engelse platteland. Het zijn de plexiglas ruiten die weerspiegelen wat ze is. Haar wanhopig vastklampen aan het leven; wanneer ze weer eens zatte lul in haar rot leven nagelt.
Dit zijn de zalige momenten waar ik het voor doe. Ik hou van die kortstondige vrede terwijl ze slaapt. De vrede van de vlug toegestane, gewelddadige vluggertjes. De lege flessen en het verscheurde ondergoed langs de kant van het bed. Ik verlang naar het opstaan in de bierlucht, die scheet terwijl ik haar diploma van schoonheidsspecialiste naast haar opmaakspiegel bekijk. Als ik me afvraag hoe het allemaal zover gekomen is. Hoe lacht ze, gelovend, beloftevol, op het plaatje in het fotoboek van haar diplomajaar.
Het gebeurt echter allemaal te vaak en te vlug en het is een dualistisch gevoel van venijn en agressieve spijt als ik de deur achter me toetrek. Het is de volgende maandag en ik sta er weer. Vlees kappen. Vet afsmelten. Darmen over buizen trekken. Hoe ik van her naar der op knoppen duw, stukken in- en uithaal. 9 uur, 23215 worsten en acht kilometer stappen tussen de knoppen en de resultaten van al dat gebuk, gedraai en geknip. Tijdens de handelingen door rijg ik een gesprek aan elkaar met de dagloonster die vandaag de worsten op de karren hangt. Ze sabbelt verveeld op snoepgoed. Ze vertelt me over haar zoon en man die ze nauwelijks te zien krijgt. Met hun werkschema's die voortdurend uit fase gaan, zijn het vooral de kattebelletjes op de keukentafel die hun relatie staande houden. De babysit zorgt voor de pizza en de rest. Zo reconstrueren we het leven in overdreven termen en kleuren, ondersteund door de eeuwig zelfde hits op de radio... die luid en in vlagen schettert doorheen het gebral en gesis en gestoom en toe-ke-ta-ke-toek-tak-tet. De dingen worden mij te duidelijk, dat is het probleem. Ik ga even naar het toilet, leeg een zakflesje en zucht.
Na uren hetzelfde is iedere beweging opgesplitst in minuscule pakketjes van tijd, wordt tot in het ridicule elke stap van het proces vergeleken met de andere. Nog vijf seconden en dan komt dat vervelend hanteerbaar stuk eruit aan de linkerkant. Dat is wel het lastigste van de gehele cyclus. Gelukkig daarna, daarna kan ik anderhalve seconde op de tafel zitten alvorens ik twee randjes van de worst afknijp en die randjes in de afvalcontainer werp. Daarna drie meter en... en alweer weerklinkt dat liedje uit de cd-speler van de buren. Het is de zeventiger-jaren hitcompilatie. Ik ken nu ook de volgorde. Ik hoorde die cd al tweemaal en heb hem nog tweemaal te goed voor het fluitsignaal. Twee seconden rust, nog een stuk eruit gegulpt. Ik raap het op, draai 180 graden en stap twee meter. Drie anderen nemen dezelfde afgemeten passen op hetzelfde moment. De synchroniciteit is lachwekkend absurd. Melig draaien we met de kont. Nog een eind worsten, vier meter, twee knippen met een schaar, twee meter, draaien, weer een eind worsten. Ik observeer het opslokken van het varken door het in het purper geschilderde monster. Daar gaat het erin, om er nooit meer als hetzelfde uit te komen. Irreversibel, overdekt met gesmolten drek en in vorm geperst.
Het volgende stuk komt eruit. Ik controleer de kwaliteit en verdeel de tijd nog verder. Eerste stapel voltooid, met een fout van vijf seconden, exact een uur voor de pauze. Tweede voltooid veertig minuten na die pauze. Rechts draaien, en om de 500 worsten kijk ik recht in de ogen van die aardige brunette aan de patémachine. Haar cyclus correspondeert elke 400 patés met de mijne. Een lachje, een shotje elektriciteit... en we kunnen weer hopen en we kunnen weer verder.
Later loop ik weg van die zot die dreigt mijn lul af te snijden omdat ik tegen zijn gevel stond te pissen. Nog later staar ik naar halfnaakte mannequins in verdonkerde etalageruiten. De week daarop smijten ze me uit de fabriek. Voor de zoveelste maal haalde ik de prikklok niet. Voor de zoveelste maal verscheen ik pas woensdag op het werk. Om half negen sta ik met papier C4, stempel, brooddoos, klikken en klakken buiten.
Ik word wakker aan de waterrand van de zee, troebel kijkend en vijftig kilometer van huis. De klamme broek op de schoenen, de benen vol slappe drek en zeezand. Zoiets moet het geweest zijn. Wat dan ook, de volgende avond hetzelfde stramien. Zomaar word ik wakker op de zetel, op mijn kamer. Met een zware kater waar ik na een volle dag ietwat van af geraak. Leeg. Moe. Lui. Een kalkoendag. Dondermorgen. Regenmiddag. Ik probeer zo goed mogelijk weer in het leven te geraken en niets lukt. Het ziek lichaam sleept. Ik slof met zwart omrande ogen. Ik zit hier, de kabel uit het stopcontact. Opgebruikt. Ontmoedigd. Zo voor de vierde opeenvolgende dag zonder enige post, voor de zevende dag zonder enige telefoon. Dat die laatste post een rekening en die laatste telefoon mijn Visa-consulente was... een opgewekte griet die me vriendelijk doch kordaat aanmaande de achterstel te vereffenen. Wat moet ik dan doen? Dan mompel, ontken noch bevestig ik mijn onwil, mijn onvermogen. Ik vraag haar of ze me nog een maand kan vertrouwen. Het geld komt er. Ik heb nu werk en heb het nog even krap. Uiteindelijk smeek ik haar en sla mezelf waar het pijn doet.
Ik ben halverwege de maand, mijn tijd loopt. Niet zo goedkoop als alles in de Aldi. Waar ik, net als andere werklozen en hopeloze ouwe dozen in blauwglimmende spandex en slagaders en vergeeld babyroze topjes, sardienen van 20 cent koop. Samen met rijst van 40 cent, en dat voor vier kookbuiltjes. Samen aanschuiven, samen in de rij met de handen over de schuldstreken. Ongeschoren, dranklucht, Wibra-jeans, uit de mode zijnde bierbuiken, grauw witachtig T-shirt van het stamcafé... ter gelegenheid van de laatste kiekenkaarting. Het stomme volk schuifelt, aan de band in't fabriek, aan de band in't warenhuis, terwijl hen angst ingeprent wordt. De hufters!! Te blind om te beseffen dat ze stinkend uitschijten wat ze met veel tralala in de mond wordt gepropt. De lijn schiet kies in gang en schuin verschaduwen we in het tegenlicht.
Ik kom thuis. Heelhuids. Enkel dankzij mezelf. Enkel en alleen en dat ondanks de vreemde monsters die me achtervolgen en de omgeving die voortdurend van decor verandert. Geraak ik thuis. Kijk achter de deur. Koekeloer in de druppels in de douche. Verzeker me van het alleen zijn. Zet me neer. Open de eerste fles. Overtuig me opnieuw van mijn recht op leven en recht op mijn eigen overtuiging.
'Ik ben nu eenmaal zo. Als ik ertegen zou vechten... dan word ik gek. Ik moet zo zijn om de inflatie van mijn gevoelens tegen te werken,' zever ik tegen mezelf en drink ondertussen de goedkope rode in systematisch, afgemeten slokken. 'Vanuit economische theorieën bewijst men dat werkloosheid en inflatie in een crisis elkaar tegenwerken. Zonder inflatiebestrijding escaleert deze echter tot hyperinflatie. Wat dan weer een voedingsbodem is voor en uitloopt in totalitaire regimes. Zoals ook in mijn geval... totalitair denken met gewelddadige, emotionele uitspattingen. Een gevaar voor de manifestatie van een oerkwaad. Arbeid bevrijdt! Juist of niet?'
Ik knik bevestigend, al klopt het niet echt. Gevoelens en politiek, rationaliteit en de antithese ervan. Ik neem een ferme slok, veeg mijn mond af met de hemdsmouw, verzeil in een leeggemelkt energieloos stilzwijgen, en lig opgekruld en zwetend op een hoekje van mijn bed. Na lang strompel ik overeind, neem nog een teug Italiaanse tafelwijn, mors op het overhemdje en even vlug zijg ik neer in de zetel. Al goed, het is tien uur, ik eet wat snoepgoed, snij me aan het lipje van het blikje Frankfurters en worstel met een verlangen dat ik niet nader wil bepalen. Ik wacht alweer op de post. Die komt rond half elf en slaat meestal mijn bus over. Maar goed, die post, dat is dan ook de enige lichaamsbeweging. Driemaal daags het op en neer gaan van de trap, om me uiteindelijk dan toch nog eens te overtuigen dat de post vandaag niet komt. Misschien morgen. Ik val van de trap, kruip recht, leun en vingerwijs naar mezelf in de spiegel.
Daarna wijs ik naar de tap. Neen, schudt de barman. Ik ledig het laatste pintje in het prille ochtendlicht tussen de barkrukken op de toog, groet, steek waggelend een hand de hoogte in en duw in plaats van te trekken aan de deur. Op de hoek van de straat zet ik mij op de rand van het trottoir. Ik sluit even de ogen. Dat was het dan. Werk, geen werk en nu de goot. Ik zit en het kan me allemaal geen reet meer schelen. Meer en meest ben ik reeds onwetend, afgestompt, gevoelloos. Inderdaad niks kan me nog schokken, beroeren, ontroeren. Het wordt licht, de verkeersdrukte neemt toe en even voelt het aan alsof ik, zoals iedereen, vroeg uit de veren ben, op weg naar mijn werk. Wat lijkt dat al zo lang geleden. Ik lach even en haal me voor de ogen wat ze nu, daar op't fabriek, aan het doen zijn. Ik schud het hoofd. De werkdag zal er voor hen al op zitten, het moment dat ik met een kater opsta en een nieuwe fles begin. Het heeft geen zin. Het heeft nog minder zin er nog langer bij stil te staan. Ik wandel honderd meter. Verder lukt het niet. Op een bankje bij een brug zak ik ineen. Een enkele boom en wat vogeltjes daarin. Twee duiven aan mijn voeten. Ik strompel verder. Een neger schrobt de goot met chloor, de lege stadsbussen snellen voorbij, een licht in een keuken, de postbode, leveranciers van groenten, bloemen en vlees, laden, lossen en steeds meer mensen elke minuut. Ik geraak hoe dan ook in mijn bed. En hoop nooit meer wakker te worden.
...van die types die er altijd op hun Paasbest bijlopen. Soigné gekapt golft zijn goudblonde haar keurig op zijn hoofd. Hij is een lange opvallende verschijning op de dansschool voor senioren. Niemand weet zijn echte leeftijd maar hij is jaren jonger dan de rijke oude dames waarmee hij danst. Een gedistingeerd antracietgrijs krijtstreep pak met lichtgeel pochet en gladde zwarte lakschoenen maken hem haast dedain. Charmerend koketterend praat hij zwierend zijn danspartners naar de mond. Geregeld brengt hij een giechelende oude dame thuis als hij erachter is gekomen in welke gegoede contreien zij resideert. Dan drinkt hij een kop eikeltjesthee zoals hij ook altijd zijn schoonmoeders inpakte. Behendig manouvreert hij zijn grote voortanden over de rand van het kopje zonder het porcelein aan te tikken. Hij zit stroefjes in zijn stoel. Hij heeft last van de enige en kleine bobbel in zijn broek die aan de achterkant zit. Het is dat stomme pluizige staartrestje dat hij altijd handig verbergt onder de plooien van zijn colbert. Plechtige zegen met volle aflaat urbi et orbiet hij over haar stad en haar land. Het liefst zou hij haar nu al oraal beminnen. Beffen is zijn sterke kant. Hij moet wel, want hij heeft zijn ballen in een mandje in plaats van in zijn zak.