Ik kende Daniël al van jongs af aan. Ik wist niet anders of we waren altijd samen. Onze twee families waren als één grote familie. Zo is het gegroeid.
Pas later, later toen we ouder waren kregen we te horen hoe alles zo gekomen is. Het was oorlog en de Duitsers hielden razzia’s. Het gezin van Daniëls vader en grootouders dook onder bij het gezin van mijn vader en grootouders. Twee jaar lang hebben ze verstopt gezeten in de kelder achter een houten schot. Voor Daniël en mij klonk het als een spannend jongensboek toen we dit hoorden. Die keer dat de Duitsers het huis doorzochten maar niets vonden. Over de schaakpartijen tussen Daniëls opa en mijn opa. Hoe ze allebei op hun eigen bord speelden en elkaar de zetten doorgaven via briefjes.
Nu ik ouder ben en terugkijk op mijn jeugd, of onze jeugd beter gezegd, vraag ik me af hoe gezond de relatie nu eigenlijk was en in hoeverre schuldgevoelens een rol speelden. Bij mijn familie naar die van Daniël toe; die arme joden die zoveel mensen verloren en al die ontberingen hebben moeten doorstaan. Bij Daniëls familie naar de mijne toe; alsof ze het gevoel hebben voor altijd in het krijt te staan voor de geboden hulp en bescherming in die hopeloze tijd.
Daniël had het moeilijk. Van jongs af aan droeg hij een zwaar juk met zich mee. De oorlog had een lelijk stempel gedrukt op z’n beide ouders. Onbewust moet hij ook de spanning tussen onze beide families gevoeld hebben. Toch is de band tussen hem en mij altijd sterk geweest en gebleven.
Op z’n 17e sloeg hij los. Los van God, los van z’n ouders, los van iedere waarde die hij uit z’n verleden mee had gekregen. De mooiste verhalen kreeg ik van hem te horen. Met rooie oortjes luisterde ik hoe hij vertelde over z’n laatste verovering en over de meest bizarre situaties waarin hij weer verzeild raakte. Hippies, popmuziek, de vrije liefde, alles! Ik wist toen nog niet exact wat het was, maar onbewust voelde ik ook de ongelukkigheid die hem dreef tot z’n gedrag. Jarenlang hield hij het vol. Tot op het moment dat één van z’n scharrels zijn wilde leven helemaal overhoop gooide.
Ingrid. Ze was zwanger. Van hem. Daniël was tegen alles en al helemaal tegen oude normen en waarden. Toch raakte dit een gevoelige snaar bij hem. Zelf had hij het niet fijn gehad thuis. Z’n ouders waren te streng en te hard geweest. Getekend door de oorlog. Maar z’n eigen kind op laten groeien zonder vader, dat was voor hem geen optie.
Ze trok bij hem in en naar mate haar buik dikker en dikker werd kwam Daniëls leven in een rustiger vaarwater. Een oude vos verleert z’n streken nooit, maar hij zorgde zo goed hij kon voor haar en was serieus bezig met het opbouwen van een toekomst. Het kindje werd geboren, een jongetje. Hij kreeg de eerbare naam van Gabriël mee.
Zo’n acht jaar lang leidden ze een respectabel leven waarbij zelfs de band tussen Daniël en z’n ouders weer aangehaald werd en sterkte.
Maar voor een tweede keer haalde Ingrid Daniëls leven drastisch overhoop. Een aanhoudende griep bleek kanker en acht maanden later was ze er niet meer. Het zwarte gat waarin Daniël viel bleek eindeloos diep. Hij zoop als een spons en was geestelijk niet meer aanwezig. Hij pleegde roofbouw op z’n lijf. Hij sliep niet, hij werd bleker en bleker en z’n wangen vielen in. God weet van wat voor troep.
In het begin probeerde hij nog een vader te zijn voor Gabriël. Hij praatte met hem maar barstte soms spontaan in tranen uit. Hij bracht hem naar school en haalde hem ’s middags weer op. Soms te bezopen om nog op twee benen te kunnen staan. Gabriël werd bang voor z’n vader. Hij trok meer en meer naar mij, weg van z’n vader. Toen ik Daniël mededeelde dat ik de zorg voor z’n zoon op me nam omdat hij dit zelf niet meer kon zag hij dit als een vrijbrief om helemaal los te slaan en zichzelf finaal naar de kloten te helpen. Nog één maal hebben vader en zoon elkaar daarna gezien, veilig bij mij thuis. Een jaar later was de begrafenis. Een gesloten kist verzwaard met bakstenen; ze hadden niet genoeg vlees van de trein kunnen schrapen om de kist fatsoenlijk te vullen.
Zo werd ik stiefvader. Het lot van zijn en mijn familie is nu eenmaal hecht en onlosmakelijk met elkaar verweven.
De eerste weken sliep hij bij mij in bed. Bang en onzeker. De eerste keer dat ik hem in z’n eigen bed in z’n eigen slaapkamer toedekte vertelde hij me dat hij vanaf dat moment geen Gabriël meer heette. Steve was z’n nieuwe naam. Steve, een nieuwe naam voor een nieuwe jongen met een nieuw leven. Ik zag wel iets goeds in de symboliek er van. Ik ging akkoord.
Het is nu zo’n anderhalf jaar geleden dat Gabriël bij me introk en als Steve verder door het leven gaat. Over z’n vader hoor ik hem nooit. Over z’n moeder ook niet. Het lijkt alsof hij ijskoud afstand houdt van z’n verleden en z’n wortels.
Vorige week was hij jarig. Ik heb hem een LEGO-trein gegeven. Ik kon eigenlijk niet anders, het stond voor hem als een paal boven water dat hij er één zou krijgen. Vanaf z’n vorige verjaardag zeurde hij er al over. “Voor m’n volgende verjaardag wil ik een LEGO-trein. Een stoomtrein met extra rails.” Ik dacht toen dat het een tijdelijke bevlieging was. Niets bleek minder waar. Zelden heb ik iemand zo jong zo vastberaden gezien. Met z’n kinderlijke directheid bleef hij me te pas en te onpas herinneren aan z’n verjaardagswens. En een verfdoos. Hij wilde ook een verfdoos. Het hoefde geen dure te zijn, hij begreep dat zo’n trein al genoeg kost. Maar de verfdoos moest er wel bij!
Z’n verjaardag is nu een week geleden en om eerlijk te zijn heb ik Steve eigenlijk ook al een week niet meer gezien. Wel steeds stipt op tijd voor z’n school en het eten, maar verder zie ik hem niet. Als ik vraag naar de trein zegt hij alleen dat het goed is. Ik mag van hem niet op zolder komen. Daar is hij bezig. Ik zie aan Steve dat het voor hem iets groots en iets belangrijks is. Hij wil wel uitschreeuwen wat hij doet, hij kookt er vanbinnen helemaal van! Maar beheerst als hij is blijft hij rustig en zegt hij er niets over. De trein is goed, daar moet ik het maar mee doen.
Het is vrijdagavond. Ik ben moe van weer een week werken. Zoals altijd aten we met z’n tweetjes. Na het toetje was ik en droogt Steve. Hij vertelde over de knutselmiddag op school. Hij had een soldeerwerkje gemaakt. Maar zo gauw de afwas klaar was stoof hij weer de trappen op. Terug naar z’n zolder. Ik meende iets als een ‘bijna af’ opgevangen te hebben, maar zeker weet ik dit niet.
Ik loop naar de keuken om een biertje te pakken. De weekendfilm zal zo beginnen. Het schijnt wel een goede te zijn. Als ik terugloop dendert Steve de trappen af. Hij stormt werkelijk naar beneden. ‘Het is af, het is af, ik heb het af, komen kijken!!!’ Hij trekt me aan m’n mouw mee omhoog. Enthousiast rent hij de trappen op. Bij de ladder naar het zoldertje kijkt hij om en ziet hij hoe ik rustig de trap op loop. Hij flitst de ladder op. Rats, zo omhoog! Het licht gaat uit. ‘Kom maar, kom maar, wel voorzichtig, als je er bent doe ik het licht weer aan.’ Ook ik klim de ladder op. Niet wetend wat ik moet verwachten sta ik in het donker. “Ja Steve, ik ben er. Kom op joh, ik ben nu wel erg benieuwd naar wat je hier allemaal uitgespookt hebt!”
Het licht gaat aan en ik weet niet wat ik zie. Voor me zie ik een groot LEGO-complex.
Lange kolommen kale poppetjes. Allemaal hetzelfde beschilderd, licht- met donkerblauwe streepjes. Ik zie andere poppetjes. Gekleed in het zwart en bewapend. Te voet, te paard en sommigen op torens. Ik zie rijen LEGO-barakken netjes geordend naast elkaar. Er staat er een groot gebouw met een schoorsteen. Om het complex staan hekken. Steve heeft grijs naaigaren gespannen van paal naar paal om het zo op prikkeldraad te laten lijken. Een spoorbaan loopt het geheel binnen. Ik schrik als ik lees wat hij op het poortgebouw geschilderd heeft: ‘Arbeid maakt vrij’ “Ja pappa, daar had ik de trein voor nodig. Voor de deportaties. Anders krijg je die mensen natuurlijk nooit het kamp in.” Trots kijken z’n donkerbruine ogen me aan.
Ik werd verliefd op je poppetjeshaar en je lach. Jij kunt over water lopen en de vissen hebben eerbied voor je. Rozebladeren kleuren jouw pad. Ik kus de grond waarop jij loopt. Jij, bekoorlijk als de lente, bent de kracht in mijn onstuimig hart. Jij kust de vogels en de vlinders die jou komen begroeten. Bamboe en seringen buigen voor jouw gratie. De nectar uit jouw kelk wil ik drinken en in wolken en bloemen zoek ik naar jouw gezicht.
Jij bent mijn vleesgeworden zieleroersel waarvoor ik gevallen ben. Ik hang aan je lippen als je praat en snuif jouw zoete adem. In mijn zielegronden heb ik de gang gevonden die mij naar jouw hart leidt. Ik voel mijn buitenproportionele adoratie voor jou branden. Wijn, spijs en jouw gezang kunnen mij samen niet lang genoeg bekoren. Als jij mij jouw blik gunt, voel ik mijn oerkracht.
Mijn donderend kanon zal bulderen als een vulkaan als jij de tijd rijp acht. Ik zal schieten tot voorbij de Himalaya en de sterren. Mijn liefdesmitraille zal mijn zilveren kogels diep in jou verwarmen als duizend zonnen. Een ding zal ik je schenken uit mijn onvoorwaardelijke overvloed. Onze totale eenwording zal voor een lange eeuwigheid duren. Morgen eet ik je op.