huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


Saturday, March 5, 2005

zonder titel

toen ik opstond was er geen krant
sneeuw hing onbeweeglijk in de takken
er kwam geen trein
en geen vogels
vlogen traag voorbij

mensen hielden elkaar staande
vertwijfeld vroegen ze elkaar
wat er ging gebeuren
die dag
gebeurde er niets

op een afstand keek ik
naar de rode gloed van de avond
die viel op de schepen
vastgevroren in de haven

schreef bewegende om 12:26 AM [link]

Thursday, March 3, 2005

Rinus Michels



hoof@cops.nl


schreef Kiers om 09:29 AM [link]

Wednesday, March 2, 2005

Niemand

Hij speurde door de krochten van zijn geest, maar vond niet de helderheid om zijn gedachten te ordenen. Een redundantie aan ervaringen van deze dag had hem wezenloos gelaten, hij kon ze niet verwerken. Niet dat er vandaag iets bijzonders was voorgevallen. Hij had gewoon een wandelingetje gemaakt, was door de winkelstraat gelopen. De aanwezigheid van honderden mensen had hem danig uitgeput.

Hij keek uit het raam van op de vierde verdieping van zijn appartementje in de Voerstraat. Het was al middernacht geweest en de straatlampen verspreidden een flauw, dansend licht dat amorfe schaduwen wierp op het glinsterende asfalt. Het regende weer. Dunne stroompjes water vertroebelden zijn uitzicht. Hij schonk zich nog een glaasje goedkope wijn in en ging terug in de vaalbruine leunstoel zitten die nog van zijn grootvader was geweest. De lichten waren gedimd zodat het binnen al net zo schemerig was als buiten. Hij zuchtte. Zijn ogen waren rood doorlopen. Dunne zwarte haren bekleedden futloos zijn witte schedel. Zijn hele houding straalde iets lusteloos uit, zijn blik was leeg. Hij was een niet onknappe man, bezat een goed geproportioneerd lichaam en een symmetrisch gezicht. Maar hij wist dat dit van weinig belang was. Uiterlijk kan belangrijk zijn voor iemand die toenadering zoekt tot anderen, maar hij zocht al lang geen toenadering meer. Hij kon zonder overdrijven zeggen dat hij niemand kende, met niemand enige band had. Zijn ouders waren al jaren overleden - het wegvallen van die onvoorwaardelijke relatie had hij als een eindeloze vrijheid ervaren - en vrienden had hij niet meer. Elk jaar viel de eenzaamheid hem echter zwaarder en wat hij eens voor vrijheid hield, werd een cel waar hij niet meer uit geraakte. Zijn denken beschreef een vicieuze cirkel; hij wist dit, maar kon er niets aan doen. Hij vroeg zich af hoe mensen hun werkelijkheid konden verdragen en wat voor werkelijkheid dat dan precies was. Wat voor vreemde wezens zijn wij toch, dacht hij. We creëren onze eigen werkelijkheid om er ons vervolgens aan te onderwerpen. Dat is toch absurd, dat is toch zinloos, maar onvermijdelijk.

Bewust vermeed hij elk contact met anderen en op het formele gesprekje met de kruidenier na lukte dat aardig. Het is wel zo dat zijn eenzaamheid hem kwelde, elke dag, elk uur van de dag, maar het was zijn overtuiging dat elk mens eenzaam was en dat eenzaamheid het best alleen kon worden verdragen. Contact met andere mensen stemde hem vroeger steeds treurig, omdat deze relaties nooit waren wat hij ervan verwachtte. Toch bleef het verlangen naar contact aan hem knagen en op onbewaakte momenten kon het hem meesleuren in een emotionele overvloed die hem half waanzinnig maakte. Vaak had hij dan dagen nodig om zich te herpakken. Hij goot het bodempje wijn dat nog in de fles zat in zijn glas. Hij geeuwde, keek op zijn horloge - drie uur. Hij nam een laatste slok en wankelde naar de badkamer. Hij werd getroffen door de somberheid van zijn reflectie in de grote ovale spiegel die boven de wasbak hing. Hij wrong zijn mondhoeken tot een grijns en knipoogde naar zijn dubbelganger. Hij bracht zijn gezicht tot vlak bij de spiegel en keek zichzelf strak aan. Zo bleef hij staan, tot de spiegel bijna volledig bewasemd was. Met zijn vingers schreef hij ‘HELP’, voelde zich belachelijk, en wiste het uit met een witte, pluizige handdoek. Stofdeeltjes bleven op de spiegel plakken. Hij begroef zijn gezicht in de handdoek, snoof de geur van vers wasgoed op en genoot van de rust die over hem kwam.

Elke avond poetste hij zorgvuldig zijn tanden. Zo zag hij zijn beeld, druk schrobbend met schuim aan de mondhoeken. Zie mij hier staan, zei hij. Is dit mijn leven? Zie wat een sukkel ik ben. Vol minachting staarde hij zichzelf aan. Jij brok zelfmedelijden! Wat sta je daar te grienen? Get a grip, man! Hij spoelde zijn mond, veegde zijn mondhoeken droog, deed het licht in de badkamer uit en begaf zich naar de slaapkamer. Toen hij het bed zag, besefte hij hoe moe hij was. Hij trok zijn kleren uit en hing ze over de rugleuning van de stoel die in de hoek van de kamer stond. Poedelnaakt kroop hij onder de dekens en viel vrijwel onmiddellijk in een onrustige slaap.

Het is donker rondom mij, ik zie enkel een aardepad dat oplicht. Ik ben niet alleen, ik voel de aanwezigheid van velen - zijn het er honderd, duizend, veel meer? Ze kijken naar mij, maar ik zie ze niet. Ik volg het pad dat zich voor mij uitstrekt en achter mij wordt opgeslokt door de duisternis. Ik geraak maar langzaam vooruit, mijn benen voelen zwaar. Ik voel hoe elke beweging geregistreerd wordt, ik wil roepen, maar er komt geen geluid. Stilte, duisternis, enkel het pad en een mechanische drang om het te volgen. Ik voel me ongemakkelijk. Lachen ze me uit? Waarom kijken ze naar mij en waarom zie ik hen niet? Wat is dat daar in de verte? Ik zie een gedaante op het pad, langzaam kom ik hem achterop. Hij beweegt moeizaam, hij lijkt ook het pad te volgen. Ik ben niet meer zo ver van hem verwijderd. Met uiterste krachtinspanningen versnel ik mijn pas. Ja, ik heb hem bijna ingehaald. Ik zie hem nu duidelijk, hij loopt een beetje gebogen. Hij moet al oud zijn. Nog een paar meter. Ik steek mijn armen uit en reik naar zijn schouders. Ik raak hem aan. Er gaat een schok door me heen, alles begint te draaien. De man is verdwenen. Ik voel me enorm zwak en merk dat ik wat gebogen loop. Wat gebeurt er? Ik zak door mijn knieën, happend naar lucht. Ik bekijk mijn handen, ze zijn gerimpeld als de handen van een oude man. Een steek in mijn hart, ik val voorover. Ik ben aan het sterven, dit is het einde. Ik voel hoe ik oplos, weggeveegd word. Waarom die stilte? Smekend kijk ik de duisternis in.

Hij werd met een schok wakker en merkte dat de deken klam was, vochtig van zijn zweet. Het klokje op zijn nachttafel gaf vier uur dertig aan. Een hele tijd bleef hij roerloos liggen tot de kilte van het bed hem onaangenaam werd. Hij stond op en plooide de deken open zodat het wat kon drogen. Wat nu? Versuft keek hij om zich heen. Zijn kamer leek in diepe slaap verzonken. Alles was stil. Op een ander moment zou hij het als vredig ervaren, maar nu leek de kamer hem doods. Een koude rilling kroop langs zijn rug. Hij ging naar de woonkamer en zette de convector aan die in het midden van de kamer stond. Hij ging op de grond zitten met zijn rug naar het apparaat en liet de warme lucht zijn bleke vel strelen. Hij merkte dat hij een erectie kreeg en schaamde zich over de lage drempel van opwinding die zijn lichaam bereikt had. Hij bekeek zijn lid dat bijna zijn navel raakte en kreeg medelijden met het trillende verlangen waarmee het hem aanstaarde. Zijn medelijden maakte echter spoedig plaats voor walging en zijn opwinding verschrompelde gestaag. Hij stond op en liep naar het raam. Het regende niet meer. Hij kon geen enkele beweging registreren. De straat was leeg, zijn straat, de Voerstraat. De nacht was van niemand. Zijn walging van daareven was al weer verdwenen en had plaatsgemaakt voor een ander, onbestemd gevoel. Zijn bewustzijn versmolt met het straatbeeld, wachtend tot het licht de rust zou komen verstoren. Zo, al staande met zijn hoofd tegen het raam, dommelde hij in.

Toen hij wakker werd was het al klaarlichte dag. Hij schrok op door het hoornsignaal van een voorbijrazende auto. Zijn pupillen krompen schuw ineen en hij kneep zijn ogen samen, verrast door het licht. Hij ging weg van het raam, zich bewust van zijn naaktheid. Hij slofte naar de eetkamer, schakelde de koffiezet aan en ging aan de tafel zitten. Aan de stoel hing een geruit hemd dat hij daar enkele dagen geleden gehangen had. Hij sloeg het om zich heen. Hij bekeek zijn bovenbenen, die verbazend dik leken doordat het vlees platgedrukt werd op de stoel, en grinnikte. Als ontbijt volstaat een kop koffie, overlegde hij, maar wat zal ik deze middag eten? Ik loop dadelijk wel aan bij de kruidenier, dan beslis ik ter plaatse wel.

De kruidenier was een onbelangrijke figuur in zijn leven, een kalende man van middelbare leeftijd. Hun relatie was louter instrumenteel. Hij had honger, de kruidenier had eten. Meer was er niet nodig. Hij wist niets van de kruidenier. Het kon hem ook niet veel schelen. Ondertussen was de koffie doorgelopen. De koffiezet reutelde een laatste maal en kwam met een zucht tot stilte. Hij stond op en schonk zich een kopje in. Een kop koffie in de ochtend, zei hij plechtig. Een wolkje melk om het zwart te breken. Een lepeltje suiker tegen de bitterheid. Soms voel ik mij als koffie. Slurpend nam hij een eerste slokje. Hij moest moeite doen om een smaak te kunnen onderscheiden. De bruine vloeistof had een activerende werking op zijn darmen, en een beetje tegen zijn zin - hij zat net zo ontspannen - begaf hij zich naar de badkamer. Hij deed de bril van het toilet omlaag en zette zich. Voor de tweede keer die dag schaamde hij zich voor zijn eigen lichaam. Hij veegde zich snel schoon en ging terug naar de keuken. Zijn koffie was ondertussen lauw geworden, het laatste beetje goot hij door de afvoer en hij zette de kop op het aanrecht. Hij ging opnieuw aan tafel zitten en nam de notebook en pen die daar altijd klaarlagen in het geval hij weer de neiging voelde iets neer te kribbelen. Hij schreef.

Eenzame dagen, eenzame nachten. Elk jaar weer, keer op keer. Uren blijven duren tot tijd niet langer van belang is en ik rust in gebladerte dat me verteert. Telkens weer herhaalt zich mijn verhaal dat speelt in een verlaten zaal, geprojecteerd op een versleten doek, geel van stank en dank van een onvoltooid verleden.

Hij herlas wat hij geschreven had, schudde zijn hoofd met een ontevreden grimas en ging opnieuw naar de badkamer.

De warme stralen die uit de douchekop kwamen, deden hem goed en hij kreunde tevreden. De vermoeidheid werd langzaam van zijn lichaam gespoeld. Hij veegde de laatste restjes slaap uit zijn ooghoeken en begon een liedje te neuriën uit zijn jeugdjaren. Hij was net 16 geworden. Hij zag haar die eerste septemberdag. De warmte van de zomervakantie hing nog in de lucht. Met een onbehaaglijk gevoel dat altijd met verandering leek gepaard te gaan was hij door de schoolpoort gewandeld. Toen had hij haar voor het eerst gezien. Ze was niet onknap, maar voor hem was zij het mooiste dat hij ooit had gezien. Ze zat een jaar lager. Elke speeltijd speurde hij de speelplaats af tot hij haar gevonden had. Dan verloor hij haar niet meer uit het oog. Als ze hem betrapte, wendde hij verlegen de blik af. Hij schreef haar lange brieven waarin hij zich steeds weer verontschuldigde voor zijn dwaasheid, zijn liefde voor haar. Ook verzekerde hij haar telkens dat ze niet moest terugschrijven, dat hij wel begreep dat ze zich met zoiets niet kon bezighouden. Ze schreef hem nooit terug. Hij hield van haar, onvoorwaardelijk, en hij was ervan overtuigd dat het zijn hele leven zo zou zijn. Maar toen kwam het verlangen. De pijn nestelde zich in zijn jonge lichaam. Het was niet meer voldoende om alleen in gedachten bij haar te zijn. Hij wilde haar bezitten. Van dat moment af begon hij zich tegen zijn liefde te verzetten, want ze maakte hem niet langer gelukkig. Liefde werd lijden, een verscheurende pijn in zijn borst, een zeurende jeuk in zijn onderlijf.

Hij draaide de kraan dicht en greep naar de handdoek die naast de douchecabine hing. Hij begon zich droog te wrijven en volgde zijn eigen bewegingen, op zoek naar een patroon. Hij begon met zijn hoofd, zijn borst, zijn armen, zijn rug, dan verder naar beneden, zijn geslacht en zijn billen in een soort dubbele beweging, zijn benen en ten slotte zijn voeten. Hij vroeg zich af of hij het zo altijd deed. Hij kleedde zich aan, droogde zijn haar en ging terug de woonkamer in. Door het raam zag hij dat het hectische ritme van de dag de Voerstraat weer ten volle in zijn greep had. Hij keek op zijn horloge - tien uur acht. Hij zuchtte diep en ging naar de hal, deed zijn schoenen aan, nam zijn vest en ging naar buiten. Hij sloot de deur en begon aan de afdaling. Er was geen lift in het gebouw en was er wel een, dan ging hij nog met de trap. Hij had een hekel aan die metalen kooien.

Er viel geen leven te bespeuren in de trappenhal. Hij kende de andere bewoners niet. Af en toe ontmoette hij wel eens iemand op de gang. Dan knikte hij altijd vriendelijk, waarbij hij soms een goedendag of goedenavond murmelde, maar hij had zijn blik nog nooit lang genoeg op de gezichten laten rusten om hen te herkennen. Hij kon het straatlawaai al horen toen hij van het laatste verdiep afdaalde. Hij opende de buitendeur en werd opgeslokt door het stadsleven.Met grote passen liep hij over het trottoir, zijn hoofd naar beneden gericht. Regelmatig moest hij zijn tempo aanpassen en mensen langs links of rechts voorbijgaan. Af en toe keek hij eens op, nieuwsgierig de mensen bespiedend. Hij vond het tegennatuurlijk, onwezenlijk bijna om door de straten te wandelen. Een wereld gecreëerd door mensen zoals hij, zijn soort, en toch had hij er geen voeling mee. Hij bezat geen gevoel van verbondenheid, geen instinctieve identificatie met mensen. Hij stak het plein over. Een oude vrouw voerde broodkruimels aan een troep duiven. Hij liep haar voorbij terwijl hij met zijn blik haar bewegingen volgde. Ze lette niet op hem. Het gekir van de hongerige vogels nam haar volledig in beslag. Ze verspreidde de kruimels met ruime bewegingen zodat alle beestjes konden meepikken. Voor hem liep een jong koppeltje, waarvan de man een buggy voortduwde. Hij haalde hen langs rechts in en keek even in de buggy. Een gezwollen roze gezichtje met dichtgeknepen ogen stak boven het blauwe dekentje uit. Wat moet het raar aanvoelen om een kind te hebben, dacht hij. Hij liep verder, maar bleef met zijn gedachten bij het gezinnetje. Zij zijn een verbintenis aangegaan met het leven, dacht hij. Nu is de dood hun ergste vijand. Hij was nooit een verbintenis aangegaan met het leven. Hij beeldde zich in dat hij op sterven lag in een witte, steriele ziekenhuiskamer. Hij vroeg zich af of hij wanhopig zou zijn, of hij zich in alle doodsangsten aan het leven zou vastklampen. Hij dacht van niet. Als je van iemand hield, ging je van het leven houden en dat was iets wat hij absoluut wilde vermijden. Hij wist dat hij ooit zou sterven en wilde niet aan het leven hechten - de angst om te sterven zou ondraaglijk zijn. Als kind had hij geweigerd een dier in zijn hart te sluiten zodat het hem niet zou raken wanneer het stierf. Zo beschermde hij zichzelf tegen onnodig lijden. Later had hij deze houding ook naar mensen uitgebreid.

De kruidenier was zakken aardappelen aan het verslepen toen hij de winkel binnenstapte. ‘Morgen!’ riep de kruidenier hem toe. Hij knikte met een kleine glimlach rond zijn mondhoeken en liep naar de achterkant van de winkel waar de bereide maaltijden lagen. Twee minuten later stapte hij al weer naar buiten met een zakje waar het logo van de kruidenier op gedrukt stond in zijn hand. Nu pas rook hij de lente, zag hij het heldere zonlicht, voelde dat het warm langs zijn wangen streek. Hij voelde hoe zijn lichaam ontspande. Het gekir van de duiven, die nog steeds druk bezig waren het resterende brood op te pikken, ontroerde hem. Hij voelde plots een enorme liefde voor de oude vrouw die met een lege broodzak toezicht hield op het eetfestijn. De ochtend kreeg iets geweldig sensueels en het leek wel alsof alles rondom erop gericht was zijn zintuigen te bevredigen. Hij besloot een kleine omweg te maken en door het park te lopen. Hij hoopte dat er niet te veel volk was en dat zijn bank bij het vijvertje vrij was.

Zijn plekje was beschikbaar. Hij kwam hier regelmatig. Hij kon uren zitten mijmeren terwijl hij naar het wateroppervlak staarde. Hij zette zich op de oude houten bank die kreunde onder zijn gewicht en legde het zakje van de kruidenier naast zich neer. Het duurde een tijd alvorens hij een comfortabele positie gevonden had. Hij deed zijn benen uit elkaar en voelde hoe zijn ballen zich dankbaar uit hun hachelijke situatie bevrijdden. In deze ontspannen toestand kreeg hij zijn tweede erectie van die dag. Hij schaamde zich dit keer niet en schoof zijn onderbroek wat opzij zodat zijn lid ongestoord tot volle was kon komen. Wel zorgde hij ervoor dat zijn vest elk reliëf in zijn broek bedekte. Zo voorzichtig was hij wel. 'Alles wordt mooi ontward in de eenvoud van een orgasme', prevelde hij.

schreef Vincent Nemo om 06:51 AM [link]

Monday, February 28, 2005

Maanvogels (slot)

‘Majesteit! Het is algemeen bekend dat het beste recept voor een lang en gelukkig leven als eerste stelregel de aanwijzing bevat de curatieve gezondheidszorg te mijden als de pest. Bij de huisarts ademt men bacillen in, in ziekenhuizen sterft men aan de onverwachte complicaties die optreden bij op zich tamelijk onschuldige operatieve ingrepen en in de vele psychiatrische instellingen die ons land rijk is, wordt men depressief tot aan het punt waar men gaat vinden dat zelfmoord onder alle omstandigheden moet mogen (planologen hebben om deze reden spoorbanen in de nabijheid van dergelijke instituten geplanbestemd). Kortom, tot nu toe hebben politiek en samenleving zich volledig laten bedotten door de medische stand. Griep verdwijnt vanzelf, medicijnen zijn vergift en het bezoek aan iedere arts brengt grote risico's met zich. Als de levensverwachting en de gezondheidstoestand van de bevolking thans een serieus onderwerp van beleid vormen (en dit is een prealabele en geen retorische vraag), dan moet het Koninkrijk zijn verantwoordelijkheid nemen en niet slechts drastisch bezuinigen op de budgetten van de Continu Tekortschietende Gezondheidszorg en het Mysterie van Verlakken, Waardeloosheid en Kapsones, maar tevens per decreet (bij voorkeur in Artikel 1 van de Grondwet) de burger garanderen dat zijn dan wel haar recht op gezondheid zo serieus genomen wordt dat hij nooit meer een dokter behoeft te visiteren.’

Roemer had moeite gehad het handschrift volledig te ontcijferen. De aanhef had geen probleem opgeleverd en tot en met de fraaie passage die de verantwoordelijkheid van de Regering behandelde, waren er slechts twee of drie woorden geweest die hij eerst bij tweede lezing in hun context kon bevatten. Daarna had de emotie de schrijver echter blijkbaar te zeer aangegrepen. Waarschijnlijk eindigde de schriftuur met een van harte gemeende passage die de meeste hoogachting en het volkomen respect van de concipiant voor het staatshoofd en haar familie tot uitdrukking moest brengen, maar wat er stond en wie het geschreven zou kunnen hebben... Roemer schudde zijn hoofd. Eigenlijk zat er nog wel wat in ook. Zeker was dat het gesticht deprimeerde, niet vanwege de nabijheid van de spoorbaan en de dreiging die daarvan uitging, maar simpelweg doordat het in deze omgeving moeilijk was mens te zijn, althans zich mens te voelen. De gesprekken met de behandelende geneesheren maakten overduidelijk dat men er hier niet was om problemen bij de horens te vatten, maar om te wachten tot de medicijnen eindelijk aansloegen. ‘Een snaar zonder spanning maakt geen geluid.’
Ontluisterend was het gesprek met een externe psychiater geweest: die wilde hem niet behandelen voor hij het gesticht verlaten had. Blijkbaar wachtte ook die zielenknijper op het herstel van de chemische balans, dat uiteindelijk wel zou gaan optreden.

Roemer peinst er niet over uit te stappen. Hij zit veilig in de sneltram. Maar de aanblik van het gesticht zet hem wel aan het denken. Was dit de plaats waar hij zich veilig gevoeld had? Waar hij hopeloos naar had verlangd? Hij is blij als de deuren sluiten en de sneltram verder zoeft.
Richting Centrum. Roemer gaat op vakantie.

schreef Peeter Burgeik om 11:20 AM [link]

Sunday, February 27, 2005

Types - De ex-Pat

...van die types die niet eten wat ze niet kennen. Het liefst loopt hij in zijn vrije tijd met blote voeten in moccasins. Schoenen van een merk waaraan hij gehecht is. Al jaren koopt hij ze met een aantal paar tegelijk in dezelfde winkel als hij voor een korte vakantie in Nederland is. De kaki-kleurige korte broek onder de donkerblauwe Polo van Ralph Lauren. Soms waagt hij zich aan Lacoste maar altijd de zonnebril aan een koordje om zijn nek. Zijn gebruinde benen hockeyden op de bedrijfssportvelden en dure sportclubs van grote internationale ondernemingen met naam en faam. De afgeronde studie aan Nijenrode bracht hem over de hele wereld. Zijn blonde lok over het voorhoofd weet hij altijd jongensachtig achterover te gooien. Jeugdig maar met grote vastberadenheid, iets waar zijn vrouw als een blok voor viel. Ook haar ouders vonden hem ideaal. Zijn vrouw, die leeft in een wereld van horloges en dure geurtjes aan de rand van het zwembad van de Hollandse Club. Sherry en ega's van collega's, maids en luxe air conditioners op de slaapkamer zijn haar wereld. Hij werkt veel en hard. Zeker tot 17:00 is hij op kantoor en daarna met de jongens. Hij heeft nooit moeite gehad met kreeft bij het eten, een geitenoog door de soep of levende sushi. In het buitenland wordt veel gedronken, zo hoort dat daar nu eenmaal. Lange speeches met waterige ogen aan tafel maar ook in clubs. Spontaan lachen, gieren en brullen met elkaar. In zijn blote snikkel over een hotelgang rennen. Of 's nachts op het strand. Als losgeslagen levensgenieter kent hij de obscure tentjes van de stad. Daar gaat hij heen met relaties uit het vaderland. Met het zweet in de nek bij t.l.-licht onder een propellor dobbelen met locals. Grijpen naar een longdrink met weinig ijs en veel sap. De meisjes die hij overal kent, weten dat dit de overgang is van avond naar nacht en handelen routineus. Als hij laat thuis komt, zweet hij het leven van zijn voorhoofd en lispelt in haar oor dat ze nog even moet doorbijten in deze tropenjaren. Hij doet het voor hun en hij houdt van haar.

schreef Kiers om 07:20 AM [link]




huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


-bicat- !

Kritieken worden pas waardevol wanneer u zelf een duit in het vuighe zakje doet.
Inspiratie? Mailen maar.
Onvuighe inzendingen worden zomaar geweigerd. Met of zonder reden.
(?)