huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


Saturday, February 28, 2004

Kansloos

Kansloze liefde
Kortstondige zonde
Vergeet me snel
Zoals ik jou
Blijf gaan waar ik niet ga
Zodat ik niet wordt wat ik nooit was

Ook ik vergeet
Dus jij wordt mooier
Groeiend verlangen dat verder vervaagd
Ga en neem mijn spijt mee
Hoe verder hoe minder

Opdat ik het niet krijg
Als mijn ogen zich spiegelen
In die van jouw zoon

schreef Lennard om 01:30 AM [link]

Friday, February 27, 2004

Bloed

"Kijk uit dat je je niet snijdt" zeg ik. Ik kijk naar het fanatieke gezicht van een jongen die ik tot vandaag nooit eerder gezien heb en dan naar het verbaasde gezicht van Janine. De jongen geeft me geen aandacht en dwingt luid hijgend een andere tak de harde grond in. "Zo", denk ik, "Zo!".

In het bos ligt geen sneeuw meer maar de grond is nog nat. Door de licht wuivende en druipende takken schijnt koud zonlicht, februari. Zelfs het gekwetter van een aantal onzichtbare vogels klinkt pril en broos als het dunne laagje nachtvorst zoals dat vanochtend nog op de sloten lag.

We hebben de afgelopen middag het geraamte van een hut opgebouwd. Twee bij twee meter moet ie worden en nu denken we over het dak. Ik zoek in mijn hoofd naar tips uit de Scheepsjongens van Bontekoe en de eerste afleveringen van de Bob Evers serie maar ik kom niets tegen. Janine mompelt iets over een deken van huis halen maar Rik schudt beslist zijn hoofd. Rik, zo heet de jongen die we vandaag tegenkwamen, op weg van school naar huis. Een wat driftig jongetje met vlammend wit haar, vieze kleren en vegen in zijn gezicht. Hij is ietsje jonger dan wij. Negen of tien, denk ik. Rik stelde voor een hut te bouwen in het bos langs het wandelpad. Janine vond het een rare jongen maar ze vond het ook spannend, en daarom zei ik ook ja en ging mee.

- "Ik weet het", schreeuwt Rik plotseling hard. Ik word altijd een beetje nerveus van dit soort ventjes: geen moment rust. Hij haalt zijn mes tevoorschijn dat ik zonet al heb bewonderd en maakt het open door op een knopje te drukken. Mijn simpel padvindersmesje ziet er stom uit, dicht bij zo’n echt wapen.
- "Nu eerst moeten we bloedbroeders worden", zegt ie.

We kijken hem vreemd aan. Ik zie het wat bollige gezicht van Janine en haar grappig omhoog getrokken wenkbrauwen en schiet in de lach. Maar Rik kijkt serieus, bijna kwaad. Om onze protesten voor te zijn schuift’ie snel de mouw van zijn jas omhoog en trekt een woeste jaap vanaf de muis van zijn hand over de binnenkant van de pols heen. Het bloed schiet eruit, over zijn arm en zijn hand, kris-kras stromen rode strepen over zijn vingers en sijpelen op nat mos en dood blad. "Oeps", zegt Janine en ik ook zoiets.

- "Nu jij" zegt Rik en komt naar me toe. Ik kijk in de ogen van Janine en zie dat ik geen nee mag zeggen. Ik trek mijn mouw omhoog en opnieuw trekt hij een kras, maar niet zo’n grote. "Auw" denk ik, maar ik zeg niets hoewel het meer pijn doet dan ik verwachtte. Traag, trager dan bij Rik druppelt dik rood sap uit mijn arm. Rik duwt zijn eigen pols tegen de mijne.
- "Zweer!" zegt hij. Het voelt kriebelig: zijn bloed dat langs mijn open wond glibbert.
- "Ik zweer" zeg ik, en als ik Janine hoor giechelen schiet ik zelf ook in een korte, nerveuze lach. Ze kijkt ons spottend aan, we zijn belachelijk.
- "Ik zweer" zegt Rik en loopt dan naar Janine.

- "Ik ook?" zegt ze verbaasd. Het was nog niet bij me opgekomen dat zij misschien mee zou doen, maar nu lijkt me het antwoord vanzelfsprekend. Zij ook!
- "Je moet", zegt Rik onwrikbaar. Het lijkt me een jongen met weinig inlevingsvermogen. Plicht en orde, en nog zo jong.
- "Maar het is een meisje!" Het klinkt een beetje zeikerig, zoals ik het zeg.
- "Wat maakt dat nou uit?" snauwt hij fel.
Janine kijkt me geïrriteerd aan, alsof ze het met de laatste woorden van Rik eens is. Of verwacht ze dat ik beter voor haar opkom? Een stukje van haar trui komt onder de opgeschoven mouw uitsteken maar laat haar pols vrij. Met een nepglimlach steekt ze haar pols naar voren. Ik voel een vreemde kriebel in mijn buik en harde dreunen in mijn borst terwijl ik naar het mes op haar huid kijk en het blinken van haar ogen.
"Wat lief" denk ik, "wat lief", met een vertedering vol venijn.

Hij snijdt een klein krasje in haar en ze maakt een kort hikkend geluid. Hij houdt haar pols met een hand vast en kijkt hoe een dun straaltje bloed een weg zoekt over haar blanke huid. Onbedrukt krantenpapier met dikke donkerrode strepen erop. Ik zoek naar tranen in haar ogen maar ik zie ze niet. Hij drukt zijn bloedende pols tegen de hare. Hun bloed mengt. Haar huid is zo blank en breekbaar vergeleken met zijn arm en het rode dikke sap.
Ik ben nog nooit zo jaloers geweest en wil dat het haar pijn doet, dat er tranen in haar ogen komen. Maar nee. Dan, bruusk, alsof ie zich ergens voor schaamt trekt hij zijn pols van haar weg.
- "Jullie moeten riet snijden, ik ga meer takken zoeken". Hij kijkt even naar Janine die aan haar wond likt en loopt dan weg.

- "Moeten wij ook niet...eh..." zeg ik slap. Ik hef aarzelend mijn pols omhoog en loop op haar toe. Ik wil haar heel graag aanraken.
Ze kijkt me kort aan met haar grote ogen zonder uitdrukking boven een kleine wipneus en een gekrulde mond die het bloed van haar pols hapt. Dan kijkt ze naar de grond en ik word triest omdat ik niet weet hoe nu verder te gaan. Er zijn geen vogels te horen, alleen nog het druppen van natte bomen en ergens verder weg (Rik?) het breken van een tak. Het zonlicht is vaal geworden, het zal zo tegen vijf uur zijn.
- "Zullen we gaan?" zeg ik dan maar.

Ze knikt. Nog eenmaal zuigt ze diep aan haar arm en loopt een paar passen van me vandaan, langs de sloot, weg van de hut en Rik. We zeggen niets. Af en toe kijk ik achterom. Hij zal vast wel begrijpen dat we naar huis zijn gegaan. Het is al iets van vijf uur, we moesten wel naar huis. We hadden nog geroepen maar hij had ons zeker niet gehoord? Affijn, we zouden wel wat verzinnen...

Als we in de eerste straten van de nieuwbouwwijk lopen - de straatverlichting is intussen al aan - praten we weer, maar over iets anders. Janine woont op Neon 17, voor haar deur zeggen we de mazzel, en ik loop alleen door naar Argon 8. Mijn wond schrijnt nog een beetje, maar je ziet er bijna niets van.

En pas veel en veel later, ik slaap al bijna - met een erectie waarvan ik niet weet wat ik ermee moet doen terwijl ik denk aan de bloedende pols van Janine - komt mijn moeder mijn slaapkamer inlopen. Of ik ene Erik ken, vraagt ze. Wakker, doe ik alsof ik half in slaap ben en schud nee. Er is een dood jongetje gevonden in het bos, zegt mijn moeder, een leeggebloed jongetje en nu zoeken ze wie hem heeft gezien vandaag. Het jongetje was niet van hier. Hij kwam uit de grote stad en was hier uit logeren bij zijn opa en oma. Ik schrik een beetje, maar normaal, normaal. Welk kind zou niet schrikken van zoiets?

Maar nadat mijn moeder zegt "voortaan na school de kortste weg en nooit meer alleen spelen in het bos", gaat ze weg en in het donker weet ik dat ik nu geen kind meer ben. Dat voor Janine en mij alles voorbij is. Dat we ‘s nachts niet meer zullen kunnen slapen en dat we woelen in ons bed en ergens anders aan willen denken, besmet, en altijd zullen weten dat we nooit, nooit, nooit meer zomaar vrolijk kunnen zijn.

schreef matxil om 10:01 AM [link]

Thursday, February 26, 2004

Eendenbekje

Opgewonden zit ze in de wachtkamer. De laatste afspraak voor de lunch. Natuurlijk was ze veel te vroeg. Maar dat geeft niet. Hier wil ze wel even voor wachten. Toch moest ze gaan uitkijken. De balie-assistente ging al vragenstellen. Waarom ze er nu alweer was. Met een rood hoofd had ze gestameld "controle". Misschien moest ze iets nieuws verzinnen. Een ernstige aandoening. Waarvoor ze heel erg vaak moest komen. Niet te ernstig natuurlijk, daar moet je niet mee spotten. Een cyste dan ofzo? Ze zou het strakjes wel overleggen.

"Mevrouw de Haas."

Haar hart maakt een sprongetje. Het is haar beurt! Snel grist ze tas, jas en sjaal bij elkaar. Alsof er niets bijzonders is, loopt hij al terug het gangetje in. Snel loopt ze achter hem aan. Ze voelt dat ze nu al vochtig is. Haar benen schuren pijnlijk tegen elkaar aan. Vanochtend had een panty zinloos geleken. Nu hoopt ze dat er geen rode plekken op haar dijen zijn verschenen.

"Zo mevrouw de Haas, zegt u het eens. Wat kan ik voor u betekenen vandaag?"
Ow wat een prachtige glimlach. Wat een prachtig donkere ogen. En wat ziet hij er geil uit in zijn doktersjas. Nonchalant open, de mouwen opgestroopt.
"Het kriebelt wat, dokter."
Er valt een nerveuze stilte.
"Er kriebelt wat?"
"Ja dokter. Van binnen. Het kriebelt van binnen."
"U bedoelt jeuk?"
"Nee, nee." Ze stoot een lelijk hard lachje uit. Waarom is ze toch iedere keer weer zo nerveus?
"Meer een tinteling dokter. Ja, het tintelt. Speldenprikjes."
"Speldenprikjes? Nou dan zullen we even een kijkje nemen maar, he? Kleed u zich daar maar even uit."
Hij wijst naar achter naar een spierwit gordijntje. Als ze het gordijntje wil dichttrekken hoort ze nog "alleen van onderen hoor".

Ze neemt het opstapje en probeert in een beweging te gaan liggen. Op een of andere manier kan ze nooit charmant de stoel opglijden. Maar na wat gehijs en getrek ligt ze dan toch. Ze doet haar benen vast in de beugels.

"Een beetje naar onderen schuiven nog mevrouw de Haas. Ja zo ja. Ik zal even de beugels nog wat verstellen."

Hij zet de beugels zo ver mogelijk van elkaar. Hulpeloos ligt ze in de stoel. Haar sweater rommelig opgekreukeld tegen de onderkant van haar borsten. Ze voelt een druppeltje vocht langs haar linkerbil tergend langzaam naar beneden glijden. Zou hij dat ook zien? Nee, hij heeft zich al omgedraaid naar de glanzende spulletjes op de tafel. Stiekem probeert ze haar trui een beetje goed te trekken.

"Het kan een beetje koud zijn hoor."

Uit een ooghoek ziet ze dat hij de grootste eendenbek heeft gepakt vandaag. Zenuwen maken plaats voor opwinding. Langzaam en precies schuift hij de eendenbek naar binnen. Hoewel ze vochtig is als wat, moet dokter een klein beetje kracht gebruiken. Ze voelt het koude staal langs haar lippen glijden. Dan even weerstand, vervolgens soepeler verder. Ze hijgt een klein beetje. Van het koude staal, van de opwinding. Beide.

"Gaat het zo, mevrouw de Haas?"
"Ow ja dokter, dat gaat prima hoor" gromt ze.
"Mooi. Dan ga ik nu even kijken. "

Hij zet een rare bril op met een lichtje op het linkerglas en duikt tussen haar benen. Ze voelt zijn adem langs haar bonkende knopje glijden. Het liefst zou ze willen gillen "Lik me toch man!!" Maar dat kan natuurlijk niet. Hij is de dokter. Hij bepaalt wat er moet gebeuren.

"Ik kan niets bijzonders zien mevrouw de Haas. Wanneer heeft u het meest last van de tintelingen?"
"Eh. Voornamelijk bij het masturberen dokter. Dan gaat het tintelen. Speldenprikjes dan dus."
"Ow, dat had u even moeten vertellen hoor. Dan moeten we een andere methode gebruiken. Heeft u ook last gedurende de seks?"
"Dat weet ik niet dokter. Ik heb geen man ziet u."
"Ach nee. Dat is wat vervelend. Het is zeer belangrijk om te weten of u er ook last van heeft bij het uitvoeren van een seksuele handeling. Person-to-person zeg maar. Vindt u het heel vervelend als ik zelf even... ?"
"Natuurlijk niet dokter. U bent de dokter, dokter." Ze glimlacht wazig richting het plafond.

Voorzichtig trekt hij de eendenbek los en legt die naast haar hoofd op het dek. Ze hoort een rits en wat geruis. En dan voelt ze hem, het topje net tussen haar lippen. Warm en zacht hard, niet zoals de eendenbek die glimmend van het vocht naast haar hoofd ligt. Net als ze zich bedenkt dat ze haar eigen sap kan ruiken stoot hij hard naar binnen.

"Owwww dokterrrrr!!.."
"Voelt u de tinteling nu ook?" hijgt dokter.
"Nog niet dokter, misschien moet u wat dieper?"

schreef Cinner om 10:20 AM [link]

Monday, February 23, 2004

De geest van Dikke Jongen

Kom ik laatst Dikke Jongen tegen bij Dirk van den Broek, de lokale buurtsuper. Ik loop van de zuivelkoeling langs de vriezer naar de groente. Jij weet welke route dat is. Opeens hoor ik heel luid "HUHUH, JA JE WEET WEL, LUISTER, BLABLABLA...".

Vanaf hier gaat alles heel snel.

Eerst schrik ik van de onverwacht grote herrie in de altijd rumoerige Dirk. Ik bedoel, bij Dirk is altijd wel iemand maar nu brak opeens de pleuris uit qua geluidsgolven.

Met wijdopen ogen realiseer ik mij dat dit de onmiskenbare onverstaanbare onnavolgbare oerkreten van de Domste Jongen op aarde zijn en verschrikt kijk ik in de richting van het geluid.

De adrenaline spuit door mijn bloed, het moet een raar gezicht zijn geweest met al mijn haren rechtopstaand op mijn hoofd.

Ik zie Dikke Jongen en zijn slagschaduw op 10 meter afstand van mij met zevenmijlslaarzen op mij afkomen. BOM-BOM-BOM doet de betonnen vloer, RINKEL-TWINKEL-RINKEL doen de sperzieboontjes in hun glazen potten op de schappen.

Als een klein kind loopt hij rechtuit en kijkt achteruit. Hij heeft zijn scharreltje bij zich en in zijn niet aflatende drift de godsganse dag te imponeren, blijft hij luider dan luid onbenulligheden door de winkel schreeuwen als hij zich van A naar B verplaatst. Immer goedgekapt gooit hij zijn hoofd in de nekkramp om achter zich te kijken of zijn luide roep om aandacht vandaag indruk maakt.

Het is mijn redding. Omdat de randdebiel met zijn hoofd omgedraaid door de supermarkt loopt, ziet hij mij niet. Hij ziet niet hoe ik aanzet op de rubber zolen van mijn Timberlands. Had ik de lederen zolen van mijn Van Bommels aangehad, dan hadden de versnellende krachten op mijn voeten mij onherroepelijk met de tanden op de glazuren tegels van de Dirk doen belanden.

Ik sprint met de snelheid van het geluid naar de cornflakes aan het begin van het gangpad, draai de bocht om en zet aan tot de snelheid van het licht. In mijn rechterhand heb ik alleen nog de smeulende resten van een zwart plastic handvat. Mijn boodschappenmandje ben ik kwijt; het rode mandje is door de middelpuntvliedende krachten losgebroken.

Ik hoef je niet uit te leggen dat de gebeurtenissen van de laatste vier alinea's zich voltrekken binnen twee en een halve nanoseconde, dat mijn hartslag op die van Pantani op een stijf colletje lijkt en dat mij dit drie levensjaren gaat kosten.

Ai! Grote paniek breekt uit! Ik trek aan de noodrem want in mijn grenzeloze snelheid sta ik al voor het electronische klaphekje van de ingang van de winkel. Als een rat in de val. Als een testmuis met een rubber slangetje in zijn reet. Als Cohen met een stukje zeep onder de douche.

Ik luister naar de locatie van mijn kwade droom in de winkel. Ik hoor dat het onzinspuitende stuk onbenul creme fraiche is vergeten te halen in de zuivelkoeling. Ik hoor hem nog net niet uitleggen waarom zijn merk creme fraiche beter is dan het mijne.

Dan is het even stil en de schrik vliegt mij nu pas echt om het hart. Ik kan de winkel niet uit en als hij nu ook nog vuilniszakken is vergeten dan zal hij naar het begin van de winkel teruggaan. Wat te doen?! Blinde paniek maakt zich van mij meester. Ik ben in staat gillend de winkel uit te rennen of met onmiddelijke ingang God te accepteren in mijn leven en Hem mij te laten bijstaan in deze Bange Momenten.

Dan krijg ik een beter idee. Ik zie drie verschillende haargels voor mij staan. Allemaal van het huismerk maar de ene pot heeft een gele gel en de ander een rode en weer een ander een groene gel. Ik duw de kraag van mijn jas omhoog, bind mijn sjaal haast om mijn hoofd en vanuit de spleetjes in mijn ogen bestudeer ik in de uiterste uithoek van de winkel het hele etiket van onder tot boven. En weer terug maar dat spreekt voor zich in deze situatie.

Mijn hartslag gaat pas omlaag als de geluidsmuur aan de andere kant van het schap zich langzaam verplaatst richting kassa's. De Goden zij dank en de duivel desnoods; Dikke Jongen loopt richting de uitgang. Ik pis in mijn broek van opluchting en ook een scheetje van opwinding kan ik niet binnen houden. Ik ben gered.

Geen woord van de etiketten heb ik kunnen lezen. Met trillende handen zet ik de pot gel terug en met knikkende knieen begin ik aan mijn slakkegangetje door de supermarkt. Langzamer dan langzaam kruip ik door de winkel. Bij elke nieuwe bocht hou ik even stil en spits mijn oren. Voorzichtig spied ik langs de schappen, bang als de dood tegen Spuit Elf aan te lopen.

Ik overleef de terugtocht en het meisje bij de kassa is vandaag mooier dan normaal. Als ik buitenkom, zingen alle vogels en het is lentewarm. Vrede op aarde! Een nieuwe wereld is begonnen.

schreef Kiers om 08:06 PM [link]

Dood van een krijger

Langzaam zakt de krijger ineen. Rochelend spuugt hij bloed op. "Nog meer bloed!", denkt hij bij zichzelf, "alsof ik dat al niet genoeg verloren heb!". Met veel moeite heft hij zijn grote slagzwaard op, zijn trouwe wapen in al die jaren, en steekt het in de grond. Hij richt zich iets op en laat zijn blik over het slagveld, het slachtveld, dwalen. Zijn gesneuvelde kameraden, zijn strijdmakkers die zich in al die jaren onder zijn vlag hadden geschaard: dood. Ze liggen daar, zonder ledematen, overdekt met wonden, doorboord door talloze pijlen, afgebroken speerschachten in hun buik. Zijn gevallen vijanden, zij aan zij met zijn kameraden. De lijken overdekt met vliegen, slechts opvliegend voor de raven die zich tegoed doen aan het verse vlees. "Dit is geen krijger waardig, zelfs niet mijn vijanden", schiet het door zijn hoofd. De krijger haalt moeizaam diep adem. Hij voelt zijn einde langzaam naderen. Met de laatste druppels bloed, vloeit ook het laatste beetje leven uit zijn gebroken lichaam. Weer zakt hij in. Ditmaal verzet hij zich er niet tegen en laat zich op de grond vallen. Hij draait op zijn rug, zijn ogen gericht naar de hemel. Hij sluit ze en blaast voor de laatste maal zijn adem uit. De strijd is gestreden, maar de oorlog woedt voort...

schreef ZniV om 10:55 AM [link]

Sunday, February 22, 2004

Voorjaarsmoeheid

winterse kleuren
verstilde geuren

aan een tak in het woud
noordenwind blaast koud

het voorjaar nog in de grond
hang jij met open mond

ginds lammert een eerste schaap
jij hoort niets in je eeuwige winterslaap

schreef Kiers om 12:22 PM [link]




huiswaarts huiswaarts vroeger mailtje sturen


-bicat- !

Kritieken worden pas waardevol wanneer u zelf een duit in het vuighe zakje doet.
Inspiratie? Mailen maar.
Onvuighe inzendingen worden zomaar geweigerd. Met of zonder reden.
(?)