Liefste kom, ons is de nacht. De deur, je blik omhoog naar mijn smacht. Je fonkelende ogen geloven en beloven, ik fluister zacht. Aanraking, geur, het diamanten knopje achter je haar. geen plekje zo zacht, ons samenzijn is daar. Voor de vreugde van de nacht, het verliezen in elkaar. Tijd dient ons weer bij de deur, afscheid, vaak en zwaar. Het geldelijke ritueel, de volgende staat al klaar.
Roemer legt de psychiater uit hoe dat nu zit. Met dat geheugen dat soms uitvalt, dat soms wegvalt. Dat hij een congres organiseert en het dan vergeet en er pas op het allerlaatste moment achter komt, omdat iemand bijvoorbeeld vraagt of hij soms mee wil rijden (terwijl hij nota bene zelf spreken moet). Dat hij omdat hij op weg was naar de rand van de afgrond op zoek ging naar de dichter die ooit zei dat de mooiste bloemen daar bloeien - op de rand van de afgrond. Dat Roemer dacht dat het van Slauerhoofd was. Dat hij heel het godvergeten werk van Slauerhoofd - en dat van Van Achterenberg en Jan Arendsoog er nog bij - heeft doorgeworsteld op zoek naar de juiste zin. Hij heeft zelfs alle boeken van Louis Soul Clown herlezen. Allemaal tevergeefs. Omdat het een zin was van een bankier. Een bankier die in zijn leven maar twee belangrijke zinnen heeft gesproken: ‘De mooiste bloemen bloeien aan de rand van de afgrond’ en ‘Het geeft niet wat ze over je schrijven, als ze je naam maar goed spellen’. De bankier heet Slavenburcht.
Wachten tot het juiste woord je invalt... Dan kun je maar beter onbeholpen schrijven. Roemer lacht: ‘Je moet zelf gaan schrijven. Anderen vertellen je wel wat je moet lezen.’ Dat is een wijs advies. Het advies van de belegger aan de promovendus. Van het kapitaal aan de wetenschap. Van de bestaanszekere aan de kunstenaar. Wijs, maar dom.