Ze streek voor het eerst in mijn buurt neer op de verjaardag van een vriend van me, haar collega. Voordat ik de indruk had verwerkt die haar groene ogen op me hadden zat ze naast me. Diezelfde avond reden we op haar fiets naar de coffeeshop en terug. Ik mocht achterop want ik trakteerde. Een vrouw naar mijn hart. Met haar wilde ik meer te maken hebben.
Lidwien ging steeds vaker mee. Met mij en mijn goede vriend. Meestal begon een avond met een etentje. Bij mij, bij vriend/collega of bij haar. Daarna de stad in. Georganiseerde jachtpartijen. Op succesvolle avonden zagen we elkaar niet meer terug. Soms waren we minder succesvol en keerden we terug om stoned te worden en muziek te luisteren. En af en toe gebeurde het dat ik met Lidwien terugkeerde. Een potje backgammon, nog een keer en dan slapen. Meer niet.
Met ons tweeën brachten we de kerst door. Samen koken en zo. Twee dagen als dikke vrienden dicht op elkaar. Meer fysiek contact. Intiem door het delen van het dagelijks leven. Een eerder die week opgelopen zuigvlek werd beoordeeld. Dat kon zij minstens evengoed, en dat bewees ze. Zacht pingelde ik op de piano terwijl ze met haar armen om mijn middel en haar hoofd op mijn schouder achter me zat. Ze kon het inderdaad beter. Dikke vrienden dus.
En toen kreeg ik nog een vriendin. Een soort Lidwien, alleen met haar had ik wel sex. De tijdelijke uit verliefdheid geboren monogamie sloop er in. Ik ging niet meer op jacht met Lidwien. Het verwateren was begonnen. De barst werd groter per gelegenheid dat mijn vriendinnen elkaar ontmoetten. En toen ging ik ook nog eens samenwonen, een behoorlijk eind weg uit die stad.
De laatste keer dat ik haar zag was in de danskelder van onze stamkroeg. Ik ging alleen en vermoedde al dat ze daar was. We maakten oogcontact. Een vertrouwde glimlach volgde. Ze was weer op jacht. Drie potentiële ‘slachtoffers’ telde ik. De avond vorderde maar de selectie niet. Ze vroeg me niets maar ik gaf haar antwoord op haar vraag door nee te schudden. Niet die gozer.
Ze danste met een mannetje. Zijn handen gingen iets sneller dan zij wilde. Dan maar naar het toilet. Mannetje bleef wat teleurgesteld achter. Toen ze terug kwam liep ze recht op me af. Haar groene ogen, ik herkende ze van de eerste keer dat ik haar zag. Alles wat we samen hadden kwam eruit in de tongsessie die volgde. Handen op plaatsen waar we ze nog niet gehad hadden.
Ik mocht met haar mee naar huis maar bedankte voor die eer. Het was mooi geweest.
Haar bekrulde hersenpan doet pijn aan mijn ogen. Haar boezem houdt mij in hun greep. Mijn libido klatert op haar voorhoofd uiteen. Zij zucht als ze ziet dat ik vis ruik. Toch wil ze met me dansen. Tot het einde van de nacht. Poppenbordje, ruitjesschort, theeservies, autoped, eerste tandje, slaapliedje. Voor ik het wist hing ik erin.
Ik word wakker, m’n hoofd klopt en eigenlijk wil ik alleen maar verder slapen. Het is schemerdonker in m’n slaapkamer. Met de zon achter de gordijnen wil ik niets te maken hebben. Ver weg hoor ik een stem. Ik draai me om, sluit m’n ogen en probeer verder te slapen. ‘Pappa, pappa, pappa’ Ik trek het dekbed verder over m’n hoofd. Hoe minder ik merk van de wereld, hoe minder de wereld merkt van mij. ‘Vader, pappa, …wakker-worden, ik wil graag met je praten’ “Mmmmmm” Alsof een oergrom m’n strot uit komt. Ruw van de sigaren. Ik smak met m’n mond. De vieze droge smaak van nadorst. ‘Pappa, pappa…’ “Opdonderen Youn, ik lig te slapen!” Ik keer m’n rug naar de richting van het geluid. ‘Pappa, het is belangrijk.’ Z’n zeikstemmetje klinkt gemeend. Ik blijf onder het dekbed liggen. Hij gaat niet weg. Het verbaast me. Youn blijft bij m’n bed blijft staan. Week als hij is druipt hij normaal gesproken af als ik hem negeer. Dit maal niet. De verbazing prikkelt m’n nieuwsgierigheid. Ik weersta de neiging om terug te glijden in die fijne warme slaapwereld.
‘Pappa, pappa, …’ “Wat moet je!?” Een harde snauw. Ik draai me om. Ik duw het dekbed tot m’n buik omlaag.
Voor me staat een miezerig mannetje van zeventien. Spleetogen zoals iedere Koreaan, gekleed zoals een wijf een jongen zou kleden.
“Wat moet je!?” Voorspelbaar doet Youns instinct hem inkrimpen en haast wegkwijnen. Doch dit maal zet hij zich er overheen en recht hij z’n rug. In plaats van z’n blik af te wenden blijft hij me aankijken. Het verbaast me.
‘Ik um…’ Hij neemt z’n tijd. Alsof hij de moed verzamelt om te zeggen wat hij wil. Hij heft aan. Woorden die hij waarschijnlijk al honderd maal in z’n hoofd gesproken heeft. ‘Pappa, ik…’ Voor het eerst druipt de zak niet af naar z’n moeder. Voor het eerst staat de jongen als een man. De jongen die z’n leven schuilde achter z’n moeder, mijn vrouw, zij die geen kinderen meer wilde maar toch ook wel meer dan een schoothondje. Het verbaast me. Echte nieuwsgierigheid kun je het niet noemen. Het is meer een verbaasdheid die m’n aandacht vangt. ‘Pappa, ik…’ “Zeg het maar Youn, hele zinnen spreken, dat weet je.” ‘Pappa, je, je, je hebt nooit van me gehouden, alleen mamma was er maar….’ “Ja…..en!….”
Godverredomme gekwetste gevoelens en gepijnigde zielen een minuut na het wakker-worden! ‘Dat, dat, dat…’
“Ja, godverredomme Youn, zeg wat je wil! Ik heb koppijn, ik heb een kater, ik heb geen zin in gezeik.” ‘Maar… maar pappa, alleen mamma houdt van me, jij niet, dat is niet goed!’ Een bevend stemmetje. “Je bent m’n zoon ook niet!” Ik draai me om en trek het dekbed weer over me heen. ‘J..j..jullie hebben me geadopteerd, jullie zijn mijn ouders, ik ben jullie zoon.’ Met een ruk draai ik me om en zit ik op de rand van m’n bed. Als door een wesp gestoken. Ik voel m’n hoofd rood worden, m’n vinger priemt agressief in de richting van de etter voor me. “Nu moet je godverredomme eens heel goed luisteren Youn! Mijn vrouw Angela heeft jou geadopteerd, ik niet. Jij bent háár zoon. Mijn zoon ligt op het kerkhof. Begraven naast mijn dochter! Als je het nog één keer weer in je spleetogenkop haalt om jezelf te vergelijken met mijn zoon of mijn dochter dan schop ik jou hoogst persoonlijk terug naar dat kutKorea van je! Dan flikker ik jou ook zo’n koud kutgraf in!”
Verstijfd en met een grote schrik op z’n gezicht staat hij voor me. Z’n ogen trillen. Tranen maken voorzichtig hun opwachting in z’n ooghoeken.
“Een zoon van mij is een echte kerel, niet zo’n miet als jij! Je kunt godverredomme nog niet eens fatsoenlijk een hamer vasthouden! Hoe denk je anders dat ik rijk geworden ben? Niet door iedere dag op zo’n kutviool te spelen als jij, nee door hard te werken! Door eelt op m’n handen te kweken.”
‘Ik wil ook helemaal geen hamers vasthouden, pappa! Dit bedoel ik nu, je weet niet eens wie ik ben! Ik ben een muzikant. Een goede muzikant! Een kunstenaar. Ik ga volgend jaar naar het conservatorium. Met m’n ogen dicht speel ik alles van Mozart. Je zou trots op me moeten zijn…’
Z’n weerwoord maakt me nog kwaaier dan ik al was. Ik kom niet meer uit m’n woorden.
‘En dat geld heb je ook niet verdiend door hard te werken, je hebt het verdiend door failliet te gaan en je zakenpartners op te lichten!’
Een waas schiet me voor m’n ogen! Ik grijp het eerste wat ik te pakken krijg en smijt het zijn kant op. Youn ontwijkt de zware asbak lenig. Met een knal vliegt het tegen de muur. Een wolk stof dwarrelt door de kamer.
Met m’n ogen wijd open kijk ik hem aan. Ik adem zwaar. Pislink. M’n hand reikend naar het volgende om te gooien. Ik hou me in. ‘Je bent een klootzak! Je verdient het om te sterven! Mamma is ook beter af zonder jou!’
Ik ruk het dekbed van m’n schoot. Ik wil hem aanvliegen! Met een snelle beweging trekt Youn een pistool van achter z’n rug. Trillend richt hij het op me. Waarschijnlijk geschrokken van z’n eigen actie.
Ook ik schrik. Rustig blijf ik zitten. “Rustig blijven, rustig blijven” het maalt door m’n hoofd. Ik kijk naar hem, ik kijk naar het pistool. Ik probeer z’n ogen te lezen. Ongecontroleerd laat hij z’n tranen lopen. Het wapen trilt. Toch voel ik ook een vastberadenheid.
‘Je houdt niet van me! Je houdt niet van me! Je hebt me zelfs nooit geaccepteerd…’ Huilend en jammerend komen de woorden er met schokken uit. ‘Mamma is een weekend naar haar zuster in Haarlem. Nu is het voor mij de tijd om ons twee te verlossen van jouw tirannie. Je bent een slechte man!’
“Wat ben je godverredomme ook een nicht Youn! Ik heb vier pistolen in m’n kast hangen beneden. En jij komt nu aanzetten met een lullige 6mm!?!” Langzaam en beheerst sta ik op. M’n stem buldert. “Ik heb godverredomme een Beretta hangen beneden! Ik heb godverredomme een Colt.45 hangen beneden! En jij komt godverredomme aanzetten met zo’n kut-6mm?!” Ik recht m’n rug en maak me groot. Ik doe een stap zijn kant op. Als een Goliath nader ik de kleine Koreaanse David.
‘Nee niet doen! Nee pappa, niet doen blijf bij me weg!’ Ik doe nog een stap zijn kant op. Het pistool trilt heviger. Angst in z’n ogen. Ik haal uit en sla hem met m’n vlakke hand in z’n gezicht. Hard knalt die hand op z’n wang. Youn vliegt opzij. Ik probeer het pistool te pakken. Vlug en behendig beweegt hij achteruit. ‘Nee…, nee blijf bij me weg pappa, blijf bij me weg, ik doe het echt!’ Jankend en schreeuwend proest hij z’n woorden uit. Youns gezicht rood en nat van de tranen.
‘Nee!’ Ik doe een stap zijn kant op en haal nogmaals uit. BANG! Ik vlieg zelf achteruit. Ik voel een schrijnende pijn in m’n buik. Alsof een botte klauw een stuk van m’n vlees heeft weggescheurd. Ik stommel een paar kleine pasjes achteruit. Ik heb m’n hand over de wond en zie alles rood worden van m’n eigen bloed. Het sijpelt tussen m’n vingers door. BANG … BANG!!! Als door een lier weggerukt vlieg ik naar achteren. M’n buik voelt als één grote schrijnende kwetsuur. Het doet verdomde zeer. Stomverbaasd zie ik hoe het bloed m’n pens uit gutst. “Ba, ba, ha, ya…” Geen woord komt meer over m’n lippen. M’n knieën voelen slap en ik zak er door. Vanuit m’n geknielde positie zie ik Youn staan. Hij staat rustig en stil. Hij kijkt. Z’n armen hangen langs z’n lijf. Het pistool hangt rustig in z’n hand. Z’n huilen lijkt gestopt. Het is alsof hij aandachtig alles tot zich neemt. Rustig en gefascineerd. “Ya, you, y…” Ik val om. M’n hoofd stuit op het dikke tapijt. Na even reikt m’n linker hand omhoog. Naar de jongen voor me. Met een zwakke stem, haast fluisterend, mompel ik: “Y…y…Youn… lambulance….bel le lambulance…” Ik stuiter en struikel over m’n woorden. “ …‘bulance…. Youn… helpme… bellambulance” Als een observerende wetenschapper staat hij voor me. Z’n armen hangen langs z’n lijf. Het pistool hangt rustig in z’n hand. Emotieloos staat hij voor me. Hij kijkt van boven op me neer. Alsof hij het sterven van een hond aanschouwt. M’n arm zwaait slap in z’n richting. “Youn… ‘lance” M’n woorden worden zwakker. Nog één keer zwaait m’n hand. “…zoon, ‘sjeblieft… helpme… ‘bulance…”
Hij blijft voor me staan. Hij kijkt. Ik zie niets meer. Alles wordt zwart.
Veel woorden zal ik er niet aan besteden. Dat deed Wenda ook nooit. Wenda was ouderejaars en zat altijd met haar blonde vriendin aan de bar te roken naast haar Bitter Lemon tsjokvol de een of andere hard liquor.
Veel bepraatten de dames nooit. Meestal kwam er wel een kerel naast of tussen het koppel staan.
Het was een kwestie van timing. Wenda niet de mooiste, niet de lelijkste. Wenda de Gemiddelde, ondanks haar half Indonesische uiterlijk welke meestal de kunststukjes uit de paarlen ketting van het sexueel overdrachtelijke curriculum vitae blijken te zijn.
De codes voor het benaderen van Wenda werden mij terloops meegedeeld. Een fenomeen, een feit, een ding dat nu eenmaal bestond. Het was gebruikelijk dat de dames eerst genoeg van elkaar kregen. Bleef Wenda met jou praten en ging ze niet verder met haar vriendin? Dan was Wenda klaar voor de volgende stap.
Korte liefkozingen, voorzichtige smalltalk, een belofte het niet door te vertellen.
De grote vragende blik in haar reebruine ogen was tweeledig. Zij accepteerde je maar voordat we zouden gaan eerst nog een Bitter Lemon tsjokvol de een of andere hard liquor.
Tijdens de laatste slokken kreeg je van haar te horen waar haar fiets stond en dat we elkaar daar zouden zien. Na de laatste slok schreef het protocol voor dat de heer zo spoedig mogelijk vertrok door de achteruitgang. De dame vertrok door de hoofdingang.
Op de fiets naar huis chitchat, in huis tandenpoetsen en een douche. Wenda was proper met haar lichaam. Voorspel vond ze niks, naspel vond ze niks. Wenda wilde strakomklemd met donderende cadans en langdurig in de missionarisstand genomen worden. Voor Wenda golden alleen beats per minute.
"Mag ik van u één patat met, een kroket en een mexicano met pindasaus", ik ben gelijk aan de beurt. "Hussel voor mij ook nog een berelul pinda in het vet, Bram", klinkt het als uit een kauwende mond. Ik kijk links opzij en zie een man met een grof gezicht een ogenschijnlijk te heet kroketje vermalen. Hij ziet me kijken en schenkt me een knipoog. Met moeite krijg ik een glimlach op m'n gezicht. Zijn brede kaken en vooruitstekende kin vallen op. Aan de blauwe badge op zijn bodywarmer te zien, is hij een van de vele standhouders op dit concours hippique.
Ik had hier helemaal niet willen zijn, maar voor je dochter van 14, Sanne is dol op paarden, ze rijdt zelf sinds vorig jaar concoursen, doe je alles. Goeie resultaten in het schooljaar, en ik neem haar mee naar Twente, naar Boekelo. Dat had ik haar beloofd en we blijven slapen in een hotel. De brochure rept over een gezellig stadshotel, gelegen in het centrum van Enschede, op loopafstand van diverse winkels, musea, theaters, galeries en terrasjes. Right. Enschede... waar de koeien meer aantrekkingskracht uitoefenen dan de vrouwen, me dunkt.
De man in de snackkar prikt een witplastieken vorkje in een witplastieken bakje berehap pindasaus... Gulzig buigt de standhouder zich over de dampende hap. Over zijn riem hangt zijn buik, zijn haren zilvergrijs. Onderkin, en hij smakt en zucht terwijl hij zichtbaar en vooral hoorbaar geniet van zijn snack.
De man, duidelijk met zichzelf ingenomen, merkt dat hij de aandacht trekt en richt zijn woord tot mij: "Hier kan ik toch zo van genieten, hè. Elk jaar zeg ik tegen Irma, mijn vrouw, dat ze in Boekelo de lekkerste pindasaus hebben. Hier bij Bram. Die Bram kan miljonair worden met zijn pindasaus. Ik heb een neus voor zaken. Bram weet het, maar laat liever elk weekend zijn kloten op een dorpsmarkt verkleumen. Ach. Geld verdienen is zo makkelijk. Je moet het gewoon zien. Simpel."
De snackkarhouder veegt fluitend zijn handen langs een vale witte doek en grist het geld dat ik klaargelegd had weg.
"Geld verdienen zit in je hoofd. Dat leer je niet, dat zit er. Maar je moet het wel gebruiken, hè.. de handen uit de mouwen." Hij spuugt naast zich op de grond om zijn woorden kracht bij te zetten. Een bruine kwalster belandt vlak naast mijn schoenen. De man vervolgt: "Van talent alleen heeft nog nooit niemand een grote villa gekocht. Je kent ze vast wel, de mannen die zeggen: Ik wou dat ik rijk was en niet zo knap. Nou, ik ben beide. Begrijp je? Ik verkoop altijd en overal. Het is vooral een kwestie van assortiment." Hij kijkt op van zijn bakje en priemt met zijn plastieken vorkje in mijn richting. "Het is dat mijn vrouwtje zo lief is anders verkocht ik d'r moeder." Een duif vliegt koerend op. De man prikt een groot stuk aan zijn vork.
"Alleen de lagere school heb ik afgemaakt. Zaken doen.....", de man tikt met zijn wijsvinger twee keer kort boven zijn slaap," ..dat zit hier". Anderen moesten maar de relatietijdtheorie of iets dergelijks gaan berekenen. Ik telde liever blinkende knaken.
Kijk, op sommige zaken moet je gewoon op tijd inspringen. Het komende EK Voetbal bijvoorbeeld. De mensen worden dan weer doodgegooid met oranje yoghurt, EK-condooms en Clarence Seedorf- Klapkauwgom. Willen de mensen dat nou echt? Deze jongen is al druk bezig met een ander produkt. Ik kan je niet vertellen wat precies want dan zou ik je moeten vermoorden, snap je? Hij lacht. Zie ik een gouden tand of is het de pindasaus die in het zonlicht glinstert?
"Nee joh. Het is reuzesimpel. Ik spring gewoon in de niches die anderen laten liggen voor me. Even cashen en dan vlug weer wat anders."
De verkoper begint me behoorlijk op de zenuwen te werken. Meer uit mijn karakterbepaalde beleefdheid dan uit nieuwsgierige motieven informeer ik hem naar zijn schijnbaar zakenrevolutionaire ingeving op dit evenement.
"Kijk, die hele paardewereld is natuurlijk nep." De man doet een poging bekakt te klinken.
"Eén grote pronkshow van kouwe kak. Van die dames met omvangrijke kapsels die in een wolk van duur parfum met hun zijden muiltjes door de weilanden en de bagger paraderen om hier bij hun zogenaamde VIP-tent te komen, waar ze hun 'gratis champagne'-bonnen verzilveren. Alle familiejuwelen om hun rimpelige hals. Nu, díe vrouwen kom ik tegemoet. Je weet toch wel dat die vrouwen allemaal kinderloos zijn gebleven omdat manlief aan de centen dacht? Als ze al de eerste vrouw zijn.. En dat ze dan een vierpotig 'kindje' thuis hebben lopen met zo'n snoezig truitje om? Zie je ze al die keffertjes met zo'n truitje om door de blubber zeulen?"
Ik val hem in de rede. "Verkoopt u truitjes voor hondjes?" Ik geloof het bijna niet. Hij kijkt mij aan met een stalen gezicht. Nee, ik verhuur tekkels en schoothondjes per uur. Kom mee, ik sta vlak bij de ingang.
Kies partij voor de zwakke, helpt de lage en mislukte. Heb mededogen met uw kreupele buurman. Zet uw overlevingsinstinct aan de kant, bescherm de machteloze. Gehoorzaam God in uw slaafse verinnerlijking van de kruiperige hondenmoraal.
Weg met het lichaam weg met zinnenprikkeling weg met de vrijheid weg met het lege!
Leve het geweten leve de zonde leve het schuldgevoel laten wij smachten en jammeren!
Lang Leve God! Het evangelie van de nederigen maakt ook werkelijk nederig.
Huldig het toppunt van decadentie, de belichaming van de instinctieve haat tegen de werkelijkheid. Negeer het leven als instinct tot groei, tot bestendigheid, tot opeenhopen van krachten, tot macht.
Welkom op de bedompte zolder van de geloofsmelaatse.