Dat ging lekker! De wind raasde door mijn haren. Deze zonnige winterdag was ideaal! Ik duwde me wat af en kwam met mijn hoofd boven mijn venster uit. Wow, daar ging mijn Oakley bijna. Ik slaakte een overwinningskreet en stak mijn middelvinger op naar de tegenligger die met zijn lichten knipperde. ‘Lul!’ riep ik hem toe terwijl hij met zijn wijsvinger tegen zijn slaap tikte. Ik plofte weer op mijn lekker verwarmde lederen zetel neer, schakelde terug en vloog de bocht binnen. Ik werd naar links gedrukt, mijn auto zette zich in de bocht en sneed erdoor als door boter. Plankgas en gierend schoot mijn Mercedes SLK de baan op. Ik voelde haar lichtjes zwabberen bij het uitkomen van de bocht, amper een fractie van een seconde, de greep op de baan was hersteld en het asfalt vloog onder me door. Zigzaggend schoot ik tussen de andere wagens door, begeleid door een erehaag van getoeter en geflikker. Mijn gedachten brachten me terug naar een paar uur eerder. Ik voelde haar strakke billen nog rond mijn middel. Mijn onderbuik gloeide nog na. Haar smachtende blik kon ik nog zien. Die helder blauwe smekende ogen. Haar fluwelen lichtgetinte huid, de blinkende welvingen van haar borsten waartussen ik mijn hoofd had verborgen. Haar grote tepels had ik gemasseerd tussen mijn lippen. Mijn tong had haar smachtende gleuf beroerd. Ik voelde haar mond nog smakkend zoeken en tasten. Stevig had ik haar vastgegrepen. Passioneel hadden we gevreeën. Schuin leunend tegen het venster en haar benen opgevouwen achter mijn rug, had ik haar doen schreeuwen van genot, luid hijgend in haar oor. Ze smeekte om meer en ik had gegeven wat ik kon. Diep in haar gloeiende grot vloeiden de golven van passie schokkend door haar heen.
Daarna was ze terug in haar auto gaan zitten. Ik had mijn kap opengedaan en zonder woorden reden we traag naast elkaar verder. Blikken uitwisselend. Ze was knap geweest. Bloedmooi. De hete teef! Haar uitdagende lipstick zat in vulgaire strepen rond haar smalende mond. Haar blonde haren zaten verward boven haar ene oog. Het andere keek me sluiks aan. Man, ze was een duivelin geweest! Het uiterste van me gevergd. We waren harder gaan rijden. Steeds harder. Naast elkaar vlogen we over de stenen. In een ijle rush naar het hoogtepunt. De adem ingehouden scheerden we langs de velden. Tot opeens, ze verdwenen was. Slechts een verfrommelde hoop schroot was overgebleven. Ze was half uit haar auto geslingerd en haar benen lagen obsceen gespreid. De sappen van de liefde nog warm van het verwoede spel.
Rood… damn… minimale remafstand. Het schokken van de abs masseerde mijn voeten. Goedkeurend om zoveel perfectie grijnsde ik naar beneden. Ik keek naast mij. Er kwam een auto naast mij staan. Hij liet zijn motor brullen. Ik antwoordde. We brulden tegen elkaar op. ‘Hey, mafkees!’ klonk het plots. Ik keek opzij en hief vragend mijn zonnebril op. Ik een mafkees? We zouden dat wel eens zien. ‘De snelweg op en eerste afrit eraf tot de eerste lichten!’ Hij trapte stevig op zijn gas om zijn voorstel kracht bij te zetten. Hij liet zijn kracht zien en daagde me uit. Ik wees naar hem als teken dat ik ’m verstond. Die route was me bekend. Dat werd een kleine 10 kilometer racen. Dat was mijn kans. Groen. Hij schoot met piepende banden vooruit. Ik snelde hem achterna. Schakelde op het gehoor. Mijn motor sloeg over in een hels sopranengezang. Ik haalde hem bij. Flank aan flank raceten we door. Flitsend vloog de stad voorbij. De volgende lichten stonden groen. Ik schoot ’m voorbij en ging links van de baan. Sloeg mijn stuur om, manoeuvreerde schakelend doorheen de stroom wagens voor mij. Opeens zat hij terug naast mij. Hij was beter dan ik dacht. ‘Cool, doe maar kerel.’ Ik zette mijn ‘fars’ op en toeterde luid toen ik rechts voorbijstak de afrit op. Ik moest links gaan, hij ging binnendoor. Ik schakelde terug en remde. Ik ging net iets te hard. Ik verloor een seconde en vloekte binnensmonds. Damn! Concentratie! beet ik mezelf toe en scheerde langs een zware truck. Een mitrailleur van zware lichten verblindde me in mijn spiegels. Dimmen hé kerel, dacht ik bij mezelf. De ander vloog de snelweg op en schoot tussen de remmende auto’s door naar het linkse baanvak. Ik racete hem achterna. Dit ging geweldig! De wind maakte een oorverdovend lawaai in mijn oren. Mijn motor lachte brullend van spanning en plezier. Ik hield ervan. Die zwellende Symfonie des Doods.
Ik zag ’m mij in de gaten houden. Ok, oppassen nu. Hem wat uitdagen, hem prikkelen en hem in de fout doen gaan en hem afmaken. Ik naderde hem weer langs rechts, schoof naar links om een doorgang te forceren tussen de andere bestuurders, ik zat vlak aan zijn staart. Nog twee kilometer. Eén duw op mijn gaspedaal en ik zou tegen ’m aan vliegen. We reden 170. Ik liet wat afstand, de afrit kwam eraan. Ik schoot naar rechts. Hij reageerde te laat. Verdikke, die voor mij reed trager dan ik dacht. Ik remde en schoot naar links. Hij kwam langszij en gooide vlug zijn stuur terug om. Ik liet ’m voor. Zij aan zij gingen we de bocht in. Great! Hier moest het gebeuren! Ik dwong ’m de buitenkant te nemen. De loser trapte erin. Mijn ademhaling hortte en stootte en de adrenaline maakte mijn geest ijl. Het zweet stak in mijn ogen. Ik gaf plankgas en gaf ’m een duw in zijn rug. Hij zwenkte. Keihard ging ik op de rem naar de binnenkant van de bocht. Zijn remlichten sprongen op als in een wanhoopskreet. De rode gloed leek als een waas. Alles ging als in een slowmotionfilm. Zijn linker achterflank sloeg tegen de betonnen railing aan, werd teruggekaatst. De auto slingerde alsof hij twijfelde tussen links of rechts. Zijn achterste sloeg naar rechts en de wagen tolde dwars over de weg. Met een luide klap knalde de wagen achterstevoren met de rechterkant tegen de betonnen omheining en schuurde in een helse doodskreet verder. Vonken sprongen uit de carrosserie, de auto gleed omhoog en schoot over de blokken heen. Alsof hij achteruit over een schans sprong. In de lucht maakte de wagen een groteske schroefbeweging als een acrobaat die een verkeerde sprong maakt. Hij sloeg met zijn dak tegen een boom, leek de boom te omhelzen. Een deur en een wiel werden uitgebraakt. Een diabolisch vreugdevuur slokte de wagen en de boom op.
Ik stak een sigaret op, inhaleerde diep, schakelde, en grijnzend reed ik verder naar waar de weg me leiden zou.
‘I have a dream’, heb ik een man eens horen zeggen. Dezelfde droom heb ik ook. Eigenlijk niet dezelfde droom, maar de droom roept wel hetzelfde gevoel op. Lange tijd biedt de droom mij houvast, typerend voor een goede droom, zou ik bijna zeggen. Maar naarmate de tijd verstrijkt, dwingen de omstandigheden mij ertoe stukjes van de droom te laten varen, te laten dobberen. Als een versnipperde brief, met zwaar gemoed in de vijver geworpen, zie ik de stukjes, die eerst nog wat aan elkaar klitten, steeds verder uit elkaar drijven. De uiteinden van de snippers krullen geschrokken van het water weg, de holtes worden gevuld met druppels. Nog even dansen de snippers over de toppen van de bescheiden golfjes, maar uiteindelijk zal het water, onafhankelijk van de dikte van het papier waarop de droom is beschreven, de snippers gladtrekken, volzuigen en verorberen.
Eens in je leven kom je iemand tegen die je kan laten geloven dat de droom geen droom is. Dominant aanwezig als de zon, bepaalt zij het ritme van dag en nacht. Schrik ik wakker en realiseer ik mij haar onvermijdelijkheid. Ook als ik haar niet zie, is zij aanwezig en de bron van alle leven. Net als de zon, is zij zich niet bewust van haar aanbidders, en schijnt zij voor velen. Laat zij mij regelmatig vertoeven in het schaduwrijk, terwijl anderen zich laven aan haar warmte. Onverstoorbaar en op afstand volmaakt, leeft zij haar eigen leven. Ik accepteer haar onbereikbaarheid en verzet de bakens. Ik kijk langs haar heen en zie andere sterren stralen. Ik denk mij te kunnen onttrekken aan haar invloedssfeer.
Jaren gaan voorbij, mijn armen gespreid, in te hoop te ontvangen. Steeds vaker zie ik haar glimlach stralen in de vrouwen om mij heen, kijk ik in haar ogen in onbekende gezichten. Hoor ik haar sirenenzang op onvermoede momenten. In dit universum zal zij blijven heersen.
‘I have a dream’, heb ik een man eens horen zeggen.
Dertig ton vrijheid! Doordeweeks dag en nacht op weg. Bij het natriumoranje van de lege tolweg plannen makend voor als hij weer thuis is. De acht-asser vaardig sturend met één hand aan het stuur. In zijn andere hand een shagje tussen middel- en wijsvinger. Met een hand gerold, natuurlijk. ‘De mijne is twintig meter’ pronkt vanachter de door nachten stoffig gereden voorruit. Ernaast de naamplaat van vrouwlief die thuis trouw en blij op hem wacht. Licht stuurt hij het gevaarte de bocht door van het industrieterrein dat Europa heet. Aan zijn linkerschouder de gsm gekleefd, hoofd schuin. Zijn ideeën voor als hij weer thuis is het komende weekend worden enthousiast doorgegeven. Vrouwlief is trouw, en weet wanneer hij komt. En wat zijn verplichtingen zijn in het weekeind. Ideeën en agenda's gaan nooit goed samen. Vooral niet als het niet haar ideeën zijn. Ze worden dan gesmoord in de meedogenloze planning van zijn zelfgekozen lange afwezigheid. De zwanenzang van de mannelijke creativiteit. Als de Titanic, zich eerst nog hoopvol erecterend. Maar aan de geknakte schacht al langzaam sneller ten onder gaand in de meedogenloze rimpelloze ijskoude Barentszee. Dertig ton. Volledige ontsluiting. Het einde van de vrijheid is daar...