Voor het slapen gaan laat ik de hond uit. Met één hand open ik de deur, met de andere hand heb ik de ketting vast. De hond steekt zijn hoofd er in. Mijn vermoeide ogen beginnen te tranen door de kou. De hond weet de weg en zoals altijd staan we binnen drie minuten op de dijk.
Het is een heldere windstille avond. De sterren zijn duidelijk zichtbaar. Hoewel ik niet echt een goed gevoel heb voor de afstanden waarop deze hemellichamen zich van mij bevinden voel ik me gepast nietig op dit planeetje. Relativeren lukt beter in dit perspectief.
De financiële perikelen op de zaak. De haat/liefde verhouding met de vrouw die net zo’n ring draagt als ik. Een soort spijt, omdat ik het kind waarvan ik zielsveel hou opvoedkundig correct de les heb gelezen, maar die nu verdrietig naar bed is gegaan. De dagelijkse stress en ellende die je in het leven nu eenmaal hebt. Het stelt geen ruk meer voor als je beseft waar je bent en wat je voorstelt in dit heelal.
Wat maakt het straks nog uit als ik dood ben? Ik ga er van uit dat ik me dan voor niemand meer hoef te verantwoorden. Alleen de mij gegeven tijd zal ik moeten vullen op een voor mij prettige manier. Nu denk ik alweer aan de dood. En weer probeer ik het me voor te stellen. Het niets. De eeuwige droomloze slaap. Ik vat het niet. Het waarom en ben ik eigenlijk wel iets of iemand spoken door mijn hoofd. U kent het zinloze gemijmer wel.
Ik steek een sigaret op terwijl de hond zit te schijten in de berm. We lopen verder. Als we de heg langs de dijk gepasseerd zijn, daar waar het kerkhof begint, voel ik plots een ijzig koude wind om me heen. Beneden naast me staan de zerken. Op de achtergrond het grote donkere silhouet van de kerk. Een tafereel dat ik dagelijks zie en me nooit op enige manier heeft geraakt. Nu wordt ik echter overvallen door onrust.
Ik trek een paar keer hard aan m’n sigaret. En loop verder. Een auto passeert. Het licht waaiert kort over de begraafplaats. Op een steen zie ik een sterfdatum, morgen een aantal jaren geleden. Weer die onrust. Een vlaag ijzigheid. Ik inhaleer weer fors en zucht het uit. De kerkklok begint te luiden. Twaalf keer. Ik draai me om en loop terug.
De door mij uitgeademde rook dwarrelt onheilspellend naar beneden onder het vale licht van een straatlantaarn. Ik zie hoe de rook neervalt over een onzichtbaar persoon. Ik kijk nog eens goed. Ik zie een onzichtbare man omdat er rook over hem heen valt. Adrenaline komt voelbaar vrij, het lijkt of mijn geest zich reset en daarna op volle kracht begint te werken. Duizenden gedachtes, beelden en vragen razen in een recordtempo door mijn hersenen.
Ik doe niets en beweeg niet. Tot dat geluid van rechts uit de struiken komt. Een pas opzij is mijn logische reactie. Er vliegt een uil weg. Met de vogel verdwijnt ook het beeld dat ik net nog zag. Ik kijk nog een keer op naar de sterren. Dan weer naar de rook. Gewoon een wolk sigarettenrook waar zojuist een uil doorheen is gevlogen.
Terwijl ik mezelf in gedachten uitlach en gewoon doorloop naar huis krijg ik een goed idee. Een lang weekend of een korte vakantie. Dat zou wel eens goed kunnen zijn voor mij.
Ze had mij al een keer eerder te pakken gehad. Op een warme zomernacht na een diep glas liepen wij terug over de stadswallen. Waarom wij niet even door het park zouden teruglopen? Dat was een klein beetje langer maar wel zo gezellig, vindt je niet?
Ik keek Koemans aan en gaf haar geen ongelijk. Natuurlijk heette de dame geen Koemans maar haar gedrongen lichaam met dito Rubens-uiterlijkheden, haar buitenproportionele setje jetsers en haar trouwe blauwe ogen deden mij denken aan Hollandse Stamboektrots. Met mijn intimi had ik het dus altijd over Koemans als ik haar bedoelde.
Het ommetje door het park kostte mij veel zweet op mijn voorhoofd. Het was hard werken met een glas op en door de langdurige push-up bewegingen die ik maakte onder de grote Beukenboom kreeg ik spierpijn in de triceps. Bovendien kostte dit uitstapje een duur wit overhemd. De galantheid zelve bood ik mijn overhemd tegen de Gevaarlijke Rode Bosmier. De hardnekkige grasvlekken bleken niet meer te verwijderen. Als laatste liep mijn ego een deuk op door Koemans; toen Koemans was klaargekomen, had zij geen zin meer en was de pret afgelopen.
Mijn dronken stootgang had de nodige beweging rond haar clitorus gegeven. Met een aantal aanhoudende laagtonige loeiers kwam Koemans klaar. Daarna spoorde zij mij aan toch vooral niet mijn tempo te laten verzwakken want, zo liet ze later weten, was mijn beweging van de juiste dikte en ritme om haar ook een vaginaal orgasme te bezorgen. Naast het clitorale was Koemans in staat om ook een vaginaal orgasme te hebben. Maar daarna was de boodschap vrij duidelijk 'Kiers, bedankt voor de goede zorgen maar nu wil ik toch echt naar huis om te pitten'.
Koemans begon hardop tegen mij te praten terwijl ik richting mijn hoogtepunt raakte. Als het dronken libido ergens niet tegen kan dan is het de zojuist geschetste wanvertoning onder de Beukenboom en weldra begaf mijn Sjaak het. Geen hoogtepunt, een zaadloos einde.
Het is een paar weken later als de societeit wordt omgetoverd tot een Toga Party paradijs. Al tijdens het aperatief loopt De Club in een en dezelfde toga met lauwerkrans de meters bier te verstouwen. De grote grap blijkt te zitten in 'met je blote snikkel onder je toga lopen'. Het wachten is op de brandweer die de tent onder een dikke laag schuim zal zetten. Het wachten is ook op het andere bierdrinkende societeitsvolk en dan met name de dames.
Daar komt de brandweer! De grote meterslange koker wordt uitgeschoven en het schuim blaast tot borsthoogte tegen de bar aan. En daar komen de dames! Vandaag staan we tot de nek in het schuim, in de blote snikkel zo dicht mogelijk tegen het vrouwvolk aan. En daar komt het andere societeitsvolk... stikjaloers te wezen want wij lopen in de blote lul en zij hebben natte lange spijkerbroeken aan van het schuim.
Waar de klap vandaan komt weet ik niet. Of ik uberhaupt een klap krijg en niet domweg onderuit ben gegleden op de spekgladde vloer weet ik ook niet. Wat ik wel weet is dat ik op de grond lig en in ieder geval met mijn hoofd de grond heb geraakt en dat het deze klap is die mij half bij bewustzijn maakt. De ene helft van mij kijkt door het schuimdek omhoog en ziet vage contouren. De andere helft van mij zegt dat ik chronisch gebrek aan zuurstof lig op te doen maar dat ik niet wegkan juist vanwege dit zuurstofgebrek. Ik ben geheel buiten bewustzijn aan het raken.
Heldenmoed blijkt mijn redding. Ik word onder het brandweerschuim ontdekt, opgehesen en naar buiten gesleept. Een over het hoofd gegooide emmer koud water helpt mij in het land van de levenden en rillend van de kou zit ik in wat eens een toga was, te klappertanden. Helder denken is vandaag geen optie meer. Ik bedank mijn helden en sleep mij weer richting tapveld waar ik stilletjes in een hoek sterretjes tel en bedenk hoe ik zo snel mogelijk thuis kan komen.
Engelenharpen rinkelen, de hemel gaat open en als een toverfee met een toverstafje verschijnt daar Koemans die met twinkeloogjes en kletsnatte schuimtieten vraagt of zij een taxi kan bellen en of ze mij mag helpen want alleen fietsen lijkt haar geen goed plan, zeg nou zelf?
Veel tijd om te antwoorden heb ik niet. Koemans pakt mij bij de arm, mijn bier laat ik staan en al snel zit ik, nog immer rillend van de kou, in een taxi op weg naar een warme douche. Onder de warme douche valt pas op hoe groot de bult op mijn hoofd is en hoe hard mijn hersen klopt van de drank en de valpartij. Het zuurstofgebrek zal ook geen goed hebben gedaan, schat ik.
Na de douche droog ik me af en zoek mijn bed waar ik Koemans onder het dekbed tegenkom. Naakt, voloptueus, dronken en klaarblijkelijk botergeil want ze roept teksten dat ze genomen wil worden. Ik duik tussen haar dijen voor een stevige beurt beffen maar dat had ik beter niet kunnen doen. Tot nu toe heb ik rechtop gelopen en dat trekt mijn hersen maar net. Nu ik in horizontale toestand Koemans lig te bevredigen, lijkt dat de lichte hersenschudding geen goed te doen. Bovendien ontdek ik een klein wit draadje tussen haar schaamlippen hetgeen erop wijst dat ik een naakte, voloptueuze etc. maar ook ongestelde Koemans lig te beffen. 'Oh, sorry, vergeten', hoor ik haar kirren.
Op de rand van het bed probeer ik zittend tot mijn positieven te komen. Waar ben ik in Godsnaam mee bezig? Niet veel later komt Koemans van het toilet terug en enthousiast roept zij dat we verder kunnen waar we gebleven waren. Na een tot het uiterste minimum beperkte orale actie, geef ik het op. "Koemans, ik denk niet dat ik dit langer trek. Ik heb een geweldige koppijn en als we er nog iets van willen maken vanavond, denk ik dat we het achterom moeten doen. Mijn hoofd moet rechtop, horizontaal word ik gek".
Tot mijn grote opluchting draait Koemans haar massieve kont naar mij toe. Ik zit op mijn knieen en laat Sjaak naar binnen glijden. Godzijdank kan ik mijn hoofd nu rechtop houden. Het is wederom mijn dronken stootgang die de nodige beweging rond haar clitorus geeft. Met een aantal aanhoudende laagtonige loeiers komt Koemans klaar. Ik krijg een naargeestig soort deja vu want mijn orgasme is nog in geen velden of wegen te bekennen en ik herinner mij hoe dit vorige keer afliep. Koemans spoort mij aan mijn tempo niet te laten zakken. Als ik zo doorga zit er voor haar nog een vaginaal orgasme in. En voor mij, met een beetje geluk, wat kramp in de balzak.
Het mag allemaal niet baten. Al wat ik meemaak is een heftig hijgende Koemans, een verschrikkelijke pijn in mijn hoofd door drank en hersenschudding plus een Sjaak die niet wil. Als Koemans klaar is valt ze opzij. Haar knikkende knietjes kunnen in dronken toestand het gevaarte dat Rubenslichaam heet niet rechtop houden. Deze keer praat ze niet maar valt als een blok in slaap. Treurig bekijk ik de bloedende koe waarmee ik in bed lig.
Het mag geen hoogtepunt genoemd worden. Als een boer met knetterende hoofdpijn lach ik meewarig in mijzelf en om mijzelf. Hahaha, Koemans en Ezelmans in een bed, het zal hooguit een verhaal voor in de kroeg worden tussen ons.
Zij lacht naar mij. Ik niet naar haar. Toch een tikje nerveus wegens het trekken van een verstandskies. De verdoving werkt. Ze loopt van me weg naar een andere ruimte. Mooie vrouwen lijken altijd mooier in zo’n medisch uniform. Wit met hier en daar wat blauwe afwerking. Dunne witte stof.
Ik lig achterover en de tandarts vertelt me dat hij m’n tandvlees wat wegdrukt om beter bij de kies te kunnen. Met hetzelfde stuk gereedschap gaat hij half onder de kies. Tenminste, dat lijk ik te voelen. Mijn vermoeden blijkt te kloppen als hij zegt: “Kijk Carlijn, dit is ideaal, dit scheelt een hoop gewrik”, terwijl ik voel hoe hij met z’n instrument mijn kies begint te lichten. De wortel die loskomt uit de kaak maakt in mijn hoofd een akelig krakend geluid. Ik sluit mijn ogen even.
Het wrikken stopt en ik zie Carlijn geďnteresseerd in mijn mond kijken. Carlijn is mooi om te zien. Carlijn draagt een licht paarse BH. Ik kijk in haar uniform en zie haar borsten gevangen in haar BH terwijl het uniform er geen contact meer mee heeft. Dan komt de tang en kraakt het weer even. Langzaam verspreidt zich een aangename warmte in mijn mond. Bloed. Ik proef het. De smaakzin wordt niet aangetast door de verdoving. Leerzaam.
“Carlijn, doe maar een gaasje”. De tandarts vertrekt en zij pakt een gaasje. Ik heb een oog voor harde tepels. Dus ook hier zie ik ze meteen door het dunne witte stofje heen. Mooie Carlijn heeft harde tepels in haar licht paarse BH. Voor mij is dat al genoeg om mijn mechanisme van mannelijkheid aan te zwengelen.
Daar lig ik dan met een bloedend gat in mijn mond naar haar te kijken, overduidelijk gecharmeerd van haar fysieke aanwezigheid. Door haar aan te kijken terwijl ze met gaasje naar me toe komt hoop ik haar blik van mijn kruis af te houden. Het lukt me echter niet om haar aan te blijven kijken. Onwillekeurig dwaalt mijn blik voor een fractie van een kleine tijdseenheid naar haar kruis af. Niet bewust, mannen schijnen dat altijd te doen.
Ze ziet wat ik niet wil dat ze ziet. Ze is verrast en laat pardoes het gaasje uit de verpakking vallen. Ze ziet het gaasje op mijn broek landen en er volgt een overtuigd “Fuck!”. Tegelijk willen we het gaasje pakken. Mijn hand raakt haar hand en samen raken we de bolling in mijn broek.
“Sjeesus”, probeer ik uit mijn verdoofde mond. Mijn rode hoofd klopt nu waarschijnlijk harder dan dat andere hoofd. Gehaast stopt ze het gaasje in mijn mond. Met een gezonde blos op haar wangen en warempel een bijna glimlach krijg ik instructies: “Een halfuur de kaken op elkaar en niet te veel inspannen. Dan stopt de bloeding het snelst. Heb je al een afspraak voor de volgende controle?”. Ik knik. Ik mag gaan.
Als ik bij de balie nog even mijn volgende afspraak check, hoor ik een gillerig gegiechel uit de kamer achter mij. Ze heeft het haar collega’s verteld en die vinden het grappig.
Ik moet nog voor de lente op zoek naar een andere tandarts en assistente.
Als vanzelfsprekend te laat zwaait de deur van de kroeg wijds open. Een voor mij wildvreemde man grijpt je bij de schouder en jullie vallen elkaar in de armen.