Droog op droog. Nat op nat. Het was een beetje van beide. Het eerste lipcontact twijfelde altijd een beetje. Nu nog steeds, maar volgens mij heb jij het niet door. Ik kijk naar je wanneer je slaapt. Uren kan ik dat, kijken. Af en toe glip ik ertussenuit, je gromt wat. Ik haal een glas wijn, dieprood. Als ik in een slechte bui ben druppel ik wat met mijn vinger in je hals en kus het mijn lichaam in. Soms kan ik het niet laten en gaat het over op zachtjes zuigen, likken, van je oor tot je sleutelbeen. Je hebt het nog nooit gepresteerd erdoorheen te slapen.
Je keek me aan, met een nog steeds ondefinieerbare blik. Moeder natuur die in mijn pupillen rees, dertigduizend jaar vrouwelijkheid. Je wou mijn zaad. Vaak zei je niks. Het maakte me niets uit, de aarde bewoog. Je bleef stil. Je likte mijn schouderblad. Ik draaide mijn hoofd en we kusten elkaar. Droog op droog, nat op nat. Je beet op mijn onderlip. Je begon teder, werd venijnig, likte de wond. Net zoals je het een half uur later zou doen, alleen dan een meter lager.
Jij ging op mijn voeten staan. Kerkplein. We liepen rondjes, en jij filosofeerde over de duiven. Ik liep, jij stond, toch liepen we samen. Kerkplein. Je wou sigaretten en duivenvoer. Ik ook, alleen sigaretten, maar dat zei ik niet. Ik deed alles voor je. Ik had slechts wat losse euro's op zak. Jij kwam op het idee. ‘Zoals vroeger,’ zei je. Ik moest lachen. Rennen ging me nog steeds goed af, die trut van de dierenzaak had het nakijken. ‘Energierijk of vet voedsel?’, jij kneep in mijn ballen. We voerden de duiven en rookten een half pakje in een keer leeg. De duiven scharrelden als kippen. Hun kop bewoog op en neer. Je moest lachen om dit domme fenomeen. Duifje.
We hadden er een gevangen. Een duifje, zo'n verdomd kreupele. Het kon me geen zak schelen, ik deed alles voor je. Je zag hem strompelen, steeds weggeduwd door haar sterkere soortgenoten. Origin of species. Je kreeg vochtige ogen ervan, vochtige bruine ogen. Je begon te schreeuwen en in de lucht te schoppen. Je wilde niet begrijpen dat ook het gehandicapte duifje probeerde weg te komen. Zo diep was jouw veronderstelling dat ook hij moest inzien dat jij zijn redding was. Uiteindelijk heb je hem gevangen en in je schoot geworpen.
Mijn Maria. De doos die dienstdeed als kribbe had eerst 48 pakken muesli gediend. Ik moet zeggen dat ik geil van je werd. Wanneer je daar in je katoenen zomerjurkje en je rubberlaarzen stond. De struik met olijke gele bloemetjes leek zich geschikt te hebben naar jouw melkwitte jurkje.De zon leek je te willen kietelen, de takken hielden hem tegen. Mozaďekkleurenspel, in mijn eigen achtertuin. Onhandig duwde je de schop in de grond en begon te wrikken. Je begon te kirren als een kind.
‘Maarten, Maarten, ik heb er een.’ Ik bekeek je vanuit de schaduw. Je kwam naar me toe gesneld. Je ging op mijn schoot zitten. ‘Kijk eens,’ zei je. Je fijne handen deden een openbaring en ik zag een klein wormpje. Je snelde weer naar je plekje om hem in het lege jampotje te doen. Je ging onrustig door met zoeken. Ik zag dat je begon te zweten. Je had er dorst van gekregen: ‘Toe lief, pak eens een glas water wil je?’ Ik liep de keuken in en kwam met een koel glas water jouw kant op.
Die verraderlijke blik in je ogen had me beter doen moeten weten. Toch gaf ik je het glas. Je kiepte het boven mijn hoofd om. Voordat ik echt kwaad kon worden, zat je al boven op me. We lagen in het gras en jij kuste me als een bezetene. In één ruk had jij je jurkje uit. Je was naakt. Enkele zweetdruppels rolden als parels over je borsten, de zon maakte het aangenaam. We hebben ongelofelijk liggen vrijen, in onze tuin.
Meesje groeide goed. Dat had jij bedacht; ‘Meesje, omdat het een duif is,’ grinnikte je dan. Meesje vloog uit. We klommen op het dak met zijn drieën en Meesje vloog de wijde wereld in. Jij wou een nieuwe meesje. Een mensenmeesje.
Daarom lig je nu hier. Met een blauwe buik. Het spijt me, schat. Ik heb van je gehouden, echt. Ik hoop dat je snel wakker wordt, zodat je dit kan gaan lezen. Ik ga Meesje achterna.
Buiten. Roemer ziet de vriend. De vriend is de spreker. Iedereen luistert, want hij is hooggeleerd. Hij weet ervan. De vriend heeft verdriet, al negen jaren lang. Dat verdriet kan hij in zes tellen overbrengen. ‘We hadden de beste arts. Een Roemeense. Zij zei “het erg zijn”. De beste, maar zij kon niet genezen. De laatste dag leerde hij nog woordjes: neus en beer.’ Maar tegen Roemer hoeft de vriend niks te zeggen. Nu negen jaar later is de pijn er weer. Van de begrafenis, van na de begrafenis. En er volgde nog een begrafenis. Van de oma van Titus. Die ligt op hetzelfde kerkhof. De oma ligt drie graven naast Titus. Roemer is er twee keer wezen kijken. Alleen. In de regen. Terwijl hij eigenlijk college geven moest. Maar nu kan Roemer niet meer naar de vriend. Want de vriend woont in de stad. Vlak bij het huis. De vriend leest voor. Duizend mensen zijn er in de zaal. Duizend lampjes zoeken en zoeken (en de maan zoekt mee). De vriend is slim. Hij leest mooi voor. Soms is er een grap. Maar Roemer is er niet bij. Hij is bij de laatste keer dat hij zijn vader zag, hij hier zijn vader zag. Hier in de tempel. De vader die zei: ‘En of je het nu wilt horen of niet. Ik zeg je: ik ben trots op je.’ Maar Roemer dacht aan Multatuli die volgens Sonneveld gezegd heeft dat een zoon zijn trotse vader in het gelaat moet spuwen. De vader verlaat de tempel niet, hoewel Roemer dat wel heeft verzocht. Roemer wil op deze feestdag geen gezeur. De vader blijft drinken, hij schept op. Kijk, dat is mijn zoon. Roemer weet dat Joris, de oudste, daar ook loopt. Joris vindt de tempel saai. Joris ziet de vader niet. Roemer wel.