‘Ga je vanavond gezellig met me uit eten?’ zegt ze tegen me. Een twinkeling in haar ogen, haar hand legt ze losjes op mijn borst. Slechts een fractie van een seconde twijfel ik. Maar dan: ‘Ja, dat lijkt me leuk.’ Telefoonnummers worden uitgewisseld en we vervolgen ieder onze weg. Ik kijk haar na, met haar rode haar, de minirok en de zwarte hoge laarzen strak om haar kuiten. Wat een kutwijf.
Frappant dat Chantal mij na al die jaren heeft herkend. Mijn uiterlijk is toch behoorlijk veranderd. Een beetje het ‘kikker verandert in prins’ principe. Maar dan zonder de verlossende kus van een prinses. In ieder geval niet van deze prinses. Chantal wilde nooit iets van mij weten. Sterker nog, op de middelbare school was ze mijn grootste plaaggeest. Altijd wist ze mij te treffen op de meest kwetsbare plekken. Maakte ze in het openbaar grappen over mijn sullige voorkomen. Ze wist nauwkeurig mijn onzekerheden bloot te leggen en sprak daar in de klas uitvoerig en op luide toon over met haar vriendinnen.
Tijdens de maandelijkse soos werden de hardste klappen uitgedeeld. Dan kwam ze met een paar vriendinnen bij me staan en drong erop aan om met haar te dansen. Dirigeerde ze me naar het midden van de dansvloer, drankje nog in de ene hand, de andere hand om mijn nek. Na een minuutje dansen duwde ze dan het glas in mijn handen, kwam met haar mond dichter bij mijn gezicht dan mijn zenuwen konden verdragen, en zei: ‘Wil je mijn glas even vasthouden, ben zo terug, moet even plassen.’ Hulpeloos bleef ik op de dansvloer achter terwijl ik Chantal naar haar vriendinnen zag teruglopen. Het toch al houterige dansen vertraagde en eindigde onverbiddelijk in een ongemakkelijke laatste armbeweging of marginale beenstuip. Onzichtbaar van de dansvloer verdwijnen was de enige onmogelijke wens die overbleef.
En toch. Op sommige momenten was ze echt aardig tegen me. Meestal als haar vriendinnen niet in de buurt waren. Hielp ik haar met Natuurkunde of plakte ik bijvoorbeeld haar lekke band. En ze was zo mooi. En dat is ze dus nog steeds. De ruggengraat van een man wordt week bij het zien van een vrouw als Chantal. Ratio verdwijnt, hoop en verbeelding nemen om beurt de macht over. Het verraderlijke gevoel van hoop dat een groot deel van de wereldbevolking bij hun dagelijkse strijd op de been houdt, is hetzelfde gevoel dat een onzekere puber jarenlang kan kwellen en kan opsluiten in een zelfgeschapen mentale gevangenis.
Maar nu dus even niet. Vanavond deel ik de klappen uit. Payback. Thuisgekomen bereid ik mij voor op de dingen die komen gaan. De rommel in huis opruimen voor een goede eerste indruk, douchen en scheren en alvast wat dingetjes klaarleggen voor als ze met me meekomt naar huis. Touw, soldeerbout, messenset en enkele houtboren zijn de gereedschappen die ik denk nodig te hebben voor mijn aanstaande wraakoefening. Ik leg ze uit het zicht, in een wit onderlaken gemoffeld, op de wasmachine in de bijkeuken. Chantal zou de reserveringen regelen, dus daar hoef ik mij verder geen zorgen over te maken. Gezien de vrije seksuele moraal die Chantal al op school vol overgave met iedereen, behalve met mij, tentoonspreidde, denk ik niet meer na of ze wel met me mee naar huis zal komen. Zij vroeg mij toch?
Om halfzeven vertrek ik uit mijn appartement, na een laatste blik in de woonkamer en de spiegel. De rit naar restaurant De Watertoren duurt gelukkig niet al te lang en ook een parkeerplek is vrij snel gevonden. Binnengekomen zie ik Chantal aan de bar staan, waar ze in gesprek is met een ober met ravenzwart, strak achterovergekamd haar. Zodra ze me ziet, breekt ze het gesprek af en neemt me van top tot teen op met een ondeugende oogopslag en licht getuite lippen. We kussen elkaar op de wang en de ober leidt ons naar een tafeltje in het midden van het restaurant, dat slechts uit één enorme open ruimte bestaat. De tafeltjes zijn klein en staan dicht op elkaar. Ik recht mijn rug, gesterkt door de vele bewonderende ogen om mij heen.
Het eten smaakt voortreffelijk en we genieten van elkaars gezelschap. Chantal lacht om mijn grapjes, knijpt af en toe zachtjes in mijn handen en draait haar vingers door haar rode bos krullen. Ik geniet van haar schoonheid en haar maniertjes en ik raak licht opgewonden als ik denk aan het wachtende witte laken met de gereedschappen. Ik proef van haar dessert en lik zachtjes wat mangosaus van haar wijsvinger. Over onze periode op de middelbare school wordt met geen woord gesproken. Als we ons dessert op hebben, laat Chantal doorschemeren dat ze straks wel met me mee naar huis wil om nog wat te drinken. Een lichte roes stijgt naar mijn hoofd als ze opstaat, naast mijn stoel komt staan, nog even mijn schouder streelt en in mijn oor fluistert: ‘Vraag jij de rekening vast, lieverd, voor we gaan moet ik eerst nog even plassen.’
Ik zet de convector wat hoger. Het vriest. Min twee geeft het elektronische bord aan dat ik vanuit mijn raam zie hangen. Min twee, kwart over zes, eenendertig december. Het is donker. In het licht van de straatlantaarn waait een fijne sneeuwnevel voorbij.
Met de mouw van mijn peignoir veeg ik de wasem van het raam. Ik klap de oude zwarte piano open. De scharnieren kraken. Volgens mijn moeder is hij meer dan honderd jaar oud. Ik weet niet of dat klopt, maar ik wil het graag geloven. Dingen van meer dan honderd jaar oud hebben een betoverende authenticiteit, meer dan honderd jaar betekent eeuwig. Ze getuigen van een zodanig lang verleden dat ze van een andere wereld lijken te komen. Ik ben nooit een groot pianotalent geweest, wat mijn familie ook mocht beweren toen ik als negenjarige knaap een bescheiden kerstoptreden gaf in de leefkamer van mijn ouderlijke huis in Noord-Limburg. Ik sla een paar noten aan. Ze klinken ontstemd, trillen lang na, de aanslag is te licht. Maar dat stoort me niet. Integendeel, de valse galm past perfect bij het verweerde hout, bij de statige gezichten die aan de flanken en in het midden van de klankkast nauwkeurig zijn uitgesneden. De klanken zijn niet van deze tijd. En als ik speel, dan dein ik mee met de tegenstroom, dan ben ik voor even uit de tijd en in een wereld die niet meer bestaat, die nooit bestaan heeft.
Ik speel Clair de lune, sonata quasi una fantasia. A la Comtesse Julia Guicciardi. Het hoofd in het midden van de klankkast staart me aan. Het is Beethoven. Hij luistert mee. Ludwig legt zijn oor tegen de piano. Met zijn hand geeft hij het ritme aan. Ik tracht zo nauwkeurig mogelijk te spelen. Moeiteloos geraak ik voorbij de lastige stukken. Zonder onderbreking sla ik de bladzijde om, vliegensvlug, met mijn linkerhand, terwijl mijn rechter gewoon verder speelt. Het Adagio is nu bijna ten einde. Het Allegretto heb ik nog niet ingestudeerd. Zorgelijk kijk ik naar zijn oude hoofd dat tegen de klankkast ligt. Hij heeft zijn gezicht van me afgekeerd. Door het dunne grijze haar zie ik zijn grauwe schedel. Een schedel die niet laat vermoeden wat voor een brein hij bevat. Voor Julia, mompel ik. Voor Julia. Het slotakkoord, pianissimo. Wanneer de klanken uitgestorven zijn, wrijf ik wat nat uit mijn ooghoeken. Ik klap de piano dicht. De snaren trillen even. Dan is alles stil.
Drie uur later. Een gure wind blaast ijsnevel in mijn gezicht. Ik draag mijn duffel, mijn handen diep in de zakken. In de verte weerklinkt het feestgedruis. Hoe sterk ook de drang om ervan weg te lopen, ik dwing mezelf de weg te volgen die recht naar het centrum leidt. Gedachteloos volg ik de gang van mijn voeten over de witbestoven tichels. Waar de sneeuw dik genoeg ligt, hoor ik dof gekraak als mijn voet het poeder samenperst en een voetafdruk nalaat.
Oud jaar. De overgang, nooit heb ik van harte deelgehad aan zijn uitbundigheid. Ik heb wel geprobeerd. Dineetjes onder vrienden, kroegentochten, groots opgezette festiviteiten, zelfs een intieme avond met een meisje voor wie ik liefde veinsde - veinzen ja, want ik heb er maar één lief, al is zij lang uit mijn leven, te lang om mijn liefde te voeden; het is de illusie die haar brandend houdt. Ik heb wat met illusies, denk ik.
Bruusk word ik uit mijn sluimer gerukt. Een bommetje knalt op nog geen meter afstand. En nog een. Er komt geen einde aan. Op de brug staan twee groepen jongeren tegenover elkaar. Voortdurend vliegen er gloeiende staafjes over en weer. Ik heb een heilige schrik van alles wat knalt en blijf onthutst staan. Dit is oorlog. De lippen op elkaar geklemd om niet te gillen verstop ik mij achter een gezin dat ook het centrum intrekt. Ik schuifel mee, de kraag op en het hoofd zo diep mogelijk ingetrokken. Van achter de wollen sjaal die voor mijn mond hangt vervloek ik mezelf. Waarom ben ik niet thuisgebleven? De kinderen van mijn buffergezin giebelen telkens wanneer er een bommetje ontploft. Was ik maar zo onverschrokken.
Ik stap een bar binnen die mij min of meer vertrouwd is. Het is druk. Alle plaatsen zijn bezet, behalve één kruk aan de toog. Ik wring mij tussen een kliekje door en hang mijn jas op de kruk. Klunzig probeer ik me een houding te geven: eerst zet ik mijn ellebogen op de toog en steun mijn hoofd, maar de toog is te glad en te hard. Dan kruis ik mijn armen, maar die houding vind ik al snel belachelijk. Uiteindelijk kies ik voor de houding waarbij ik één arm op de toog leg en de andere op mijn been. Zo kan ik wel een tijdje blijven zitten. De volgende opgave is het bemachtigen van een drankje. Telkens het mollige barmeisje of de ober met het rare baardje in mijn buurt komt steek ik een vinger in de lucht, zonder resultaat. Ik voel de monkellachjes in mijn rug. De schaamte voor mijn onkunde dreigt mij weer naar buiten te jagen, maar ik volhard en na vijfendertig ellendige minuten staat er eindelijk een glas wijn voor mijn neus. De rust keert weer. Nu ben ik deel van de sociale ruimte. Tevreden nip ik van mijn glas.
De klok aan de muur geeft tien voor twaalf aan. De spanning in de bar neemt toe. Mannen en vrouwen schuifelen quasi achteloos naar elkaar toe. Ze weten dat er om twaalf uur geknuffeld en gekust zal worden. Je kunt je nu maar beter met goed volk omringen. Links van mij zit een zwaarlijvige man. De kleren die hij draagt kunnen de massa vlees niet bedekken. Op een ongelukkig moment zag ik zijn bilspleet. Zijn zwart floersen hemd zit zo strak rond zijn lijf dat het bij elke beweging dreigt te scheuren. De man is al meer dan een uur in de drankenlijst aan het kijken. Rechts van mij zit een meisje met lang zwart krullend haar. Ze draagt een bordeaux truitje en een zwarte rok. Het meisje is behoorlijk dronken, ze is al een aantal keer van haar kruk gegleden. Ik heb haar gezicht nog niet gezien. Ze is in een gesprek verwikkeld met een vriendin die naast haar aan de toog zit. De vriendin is blond en rookt filtersigaretten. Haar gezicht kan ik zien. Ze is niet lelijk, ze is zelfs aantrekkelijk. Vijf voor twaalf. Ik word zenuwachtig. Eigenlijk moet ik nodig pissen, maar het tijdstip is te cruciaal om me nu te verwijderen. Ik spied de bar af, op zoek naar een uitnodigende blik, op zoek naar wat dan ook. Na twee jaar ongewilde onthouding heb ik een graad van wanhopigheid bereikt die me verleden week naar de hoeren dreef. Op de drempel van het bordeel heb ik me terug omgedraaid; ik ben toen heel hard naar huis gelopen.
Twaalf uur. Alles barst los. De barman met het rare baardje neemt het mollige barmeisje in zijn armen en tilt haar op waarbij ze heel hard gilt. Dan kussen ze elkaar. Dik Trom legt de drankenkaart neer en draait zich naar het volk toe. Hij wacht af. Ik wacht af. Hij kijkt me aan en knikt meewarig. God Christus, mompel ik terwijl ik de verstrengelde massa gelukkige mensen bekijk. Net als ik wil opstaan om te gaan pissen, grijpt het zwartharige meisje naast me mijn hand. Haar ogen draaien voortdurend weg. Gelukkig nieuwjaar!, gilt ze in mijn oor, en ze geeft me drie kussen. Ik aarzel. Ze blijft me aankijken. Even kijk ik naar de grond, en als ik terug opkijk staat ze voor mijn buurman en geeft hem drie kussen. Mijn tenen krullen zich in mijn schoenen als ik hem hoor zeggen: Is dat alles? Zij glimlacht ondeugend. Een ogenblik later zit haar tong in zijn mond en wrijft hij met zijn vrije hand over haar billen. 'God Christus!' vloek ik. Ik gris mijn jas van de kruk en loop naar buiten.
Het sneeuwt. Dikke vlokken dwarrelen neer op mijn hoofd en in mijn gezicht. Ik rits mijn broek open en pis tegen de kerk. Gelukkig nieuwjaar, gele sneeuw. De handen in mijn zakken, het hoofd diep in mijn kraag, zo wandel ik terug naar huis, luisterend naar het kraken van de sneeuw onder mijn zolen.
...van die types met goede voornemens. Licht opkomende inhammen en halfzwaar buikje verraden dat hij zich beweegt richting midden van het leven. De grijze haar valt niet meer te ontkennen en wordt behoedzaam weggewerkt. Een strakomlijnde definitie van schoonheid uit de adolescente periode heeft meer levensruimte gekregen. Voortschrijdende tijd wordt voelbaar, de tweede helft dient zich aan. En het leven schijnt steeds sneller te gaan, hoort hij zeggen. Groeiende druk er iets van te maken, maakt zich meester van hem. Dit jaar zal hij definitief stoppen met roken. Ook sigaren blijven staan. Dit jaar weer eens skiën met vrienden om het contact opnieuw aan te zwengelen. En Carnaval vieren, want je leeft tenslotte maar één keer. Hij gaat zijn baas om salarisverhoging vragen. Bovendien gaat hij actief op zoek naar een nieuwe baan, want de carrière kan een zetje gebruiken. Op het internet heeft hij een sportschool uitgezocht voor een paar keer trainen in de week. Elke maand zal hij 20 Euro schenken aan het goede doel. In het voorjaar het huis schilderen. En vaker op bezoek bij oma. Voor zo lang ze nog leeft. Minder vet eten. Goed slapen. Maar zoals dat gaat met goede voornemens, zit hij op de tweede dag van het nieuwe jaar alweer bij Bicat.net.